Corona : Rechtsstaat of Willekeur ?

Onze vrijheid om te gaan en te staan waar we willen is nu fors ingeperkt door buitengewone verbodsbepalingen…. je moet je verantwoorden over het essentieel karakter van een verplaatsing, naar zee of naar de kust is niet toegelaten. Je mag niet zien wie je wil wanneer je dat zou willen, je kring wordt nu van overheidswege beperkt. Ook aanraken is verboden, zelfs te dicht komen is sanctioneerbaar. Dat is wennen. Is het ook normaal in een rechtsstaat?

De vrijheidsbeperkingen zijn verantwoord door een dwingend motief van volksgezondheid : de vertraging van de verspreiding van een virus waarvoor we noch een vaccin noch een geneesmiddel hebben. Ze zijn tijdelijk van aard en dergelijke beperkingen moeten in een redelijke verhouding van evenredigheid staan tot een legitiem nagestreefd oogmerk.

MEDIA ALS RAMPTOERISTEN

We ondergaan dat  vrij rustig, met wat gezeur en gemor. Bij elke maatregel volgt een  litanie van gemekker en geneuzel,  een zoektocht naar de gammele formulering, het gaatje voor ons plantrekkerstalent. De media werden de ramptoeristen van dit volksgevoel. We laten ons soms van onze beste en soms van onze kleine kant kennen.

Het zijn wellicht ook de rituelen waarover we beschikken om onze onwennigheid met zulke vrijheidsbeperkingen te uiten. Zou het kunnen dat we onze grote vrijheden misschien beter naar waarde schatten, nu de uitoefening ervan aan flinke beperkingen onderworpen is?

WAT DEED U VORIGE WEEK OP WOENSDAGAVOND?

Sommige debatten gaan over het recht op bescherming van ons privéleven. Onze private zaken gaan niemand aan. Maar op dit ogenblik dus wel: je kan nu namens de overheid gecontacteerd worden omdat je recent vermoedelijk te dicht bij een besmet persoon kan geweest zijn. In een project dat meer kost dan 100 miljoen €, kunnen meer dan duizend “contact tracers” je nu trachten te spreken. Voor je eigen bestwil, dat wel, maar toch ongemakkelijk. Ze zullen het met delicatesse doen, zo werd aangevoerd om het gesprek buiten onze comfortzone te faciliteren.

Dit is geen inbreuk op onze bescherming van het privéleven, al is het ongewoon. Je wordt ingelicht van een potentieel gezondheidsrisico dat je wellicht niet kende of veronachtzaamde, omdat het legitiem oogmerk van de overheid is de verdere uitbraak van het virus te stoppen. Dat mag: zowel de economische welvaart als de volksgezondheid zijn, volgens het Europees mensenrechtenverdrag, legitieme oogmerken die toelaten om tijdelijk de noodzakelijke beperkingen op te leggen aan de bescherming van ons privéleven, uit hoofde van volksgezondheid. Anonieme ‘tracing’ was beter geweest, en door zijn anonimiteit zelfs geen inbreuk. Maar deze inbreuk, met toch persoonlijk en niet-anoniem contact, is ook geoorloofd en moeten we gedogen, in weerwil van de grote bescherming van onze persoonlijke levenssfeer.

LEVE DE DEMOCRATIE, MAAR NIET DE VERKIEZINGEN !

Een andere vrijheid is dat we in een democratie leven, waarin regeringen regeren op basis van het vertrouwen van een parlementaire meerderheid. Dat is nu maar tijdelijk zo, met een federale regering die slechts het vertrouwen geniet van een kleine minderheid in de Kamer, die nog teruggaat op de verkiezingsuitslag van 2014. Het verkiezingsresultaat van 2019 wordt integraal genegeerd door de partijen die wel hun zetels innamen en van de overeenstemmende overdreven overheidsfinanciering genieten.

OF TOCH MAAR LEVE DE PARTICRATIE ?

De partijen die nalaten een effectieve regering te vormen hebben het wel gepresteerd om zgn. “bijzondere machten” te verlenen aan de restregering, die nu besluiten kan treffen die kracht hebben van wet en wetten kunnen wijzigen zonder parlementaire meerderheid. Dat is de triomf van de particratie, die de democratie al buiten werking had gezet en nog slechts beschouwt als een formalisme.

Let wel, “bijzondere machten” kunnen nodig zijn, indien de gewone politieke behandeling van wetgeving onmogelijk is ingevolge een bijzondere crisistoestand. Daarin bevinden we ons nu, vandaar de zgn. volmachten. Maar die zijn indirect wel een forse inperking van onze politieke rechten, wat de partijen sedert de verkiezingen van 26 mei 2019 op volstrekt onverantwoorde wijze en zonder enige verantwoording al deden door te verzaken aan hun plicht om een regering te vormen.

PARLMENT OP HOL!

En, gek genoeg, terwijl er geen federale parlementaire meerderheid is die een gewone regering steunt, maar wel een die tijdelijk de volmachten onderschrijft – begrijpe wie kan ! –  ontstaan nu occasionele parlementaire meerderheden die hun creativiteit botvieren.

Daarmee begaan ze een verdere inbreuk op onze politieke vrijheden, met name door onverantwoordelijkheid. Mocht u als burger het gevoel hebben dat hiermee verkiezingen en burgers belachelijk wordt gemaakt, dan is uw burgerzin, naar mijn overtuiging, nog behoorlijk intact.

En er is meer. Niet alleen stemt men er maar op los. Een uitbreidinkje van ouderschapsverlof hier, een retroactieve verhoginkje van al zeer bijzonder pensioen voor mijnwerkers daar. Of nog, een extra voorkeurbehandeling voor de verkoop van integraal elektrische wagens. Allemaal losse flodders – de belastingbetaler betaalt wel. Onverantwoordelijkheid alom.

PARLEMENTAIRE WILLEKEUR

Laatste van de fratsen: wetten met terugwerkende kracht. Het moet gezegd dat onze regeringen daar ook al een handje van weg hadden, hoewel het rechtsbeginsel dat wetten enkel voor de toekomst kunnen gelden een kern van de rechtsstaat raakt, nl. de rechtszekerheid.

Recht moet voorzienbaar en kenbaar zijn, anders wordt het het omgekeerde: willekeur. Retroactieve wetten verheffen de willekeur tot de norm: plots wordt wat je volkomen wettelijk deed, naderhand onwettig verklaard. Dat is nu het geval met de parlementaire poging om met terugwerkende kracht de ontslagwetgeving te wijzigen.

Voor de toekomst kan men wetten aanpassen, bij voorkeur dan in een gedragen kader van verstandige wijziging van arbeidsreglementering. Er moet, volgens het Grondwettelijk Hof, een onontbeerlijke verantwoording zijn voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang om, desgevallend, wanneer het echt niet anders kan, retroactiviteit toe te kennen aan een wettelijke bepaling.

Nu verlaat men de sfeer van het recht om over te gaan tot die van de willekeur; het is de autoriteit met de hoogste legitimiteit inzake wetgeving die dit veroorzaakt. Degeneratie van het primaat van de politiek, tot het laatste wat ons rest, de afbraak van de rechtsstaat.

We beleven de grootste economische crisis van de naoorlogse periode, waarin de overheid fors intervenieert om met de ondernemers te trachten bedrijven recht te houden en de motor van de welvaartscreatie terug op gang te krijgen. Dat vergt verantwoordelijkheidszin van eenieder, niet in het minst van wie beweert zich in te zetten voor het publiek belang.

 

 

 

Wij worden niet bedreigd door corona, maar door de zwakheden in ons systeem

dubbelinterview met Ivan Van de Cloot in HLN vandaag (tekst Steven Swinnen)

“België is een roestige oldtimer met drie platte banden, het vierde wiel hangt eraf, de motor is geblokkeerd en zeven regeringen zitten achter het stuur.” Corona is een stresstest voor ons land en één van de weinige voordelen van zo’n crisis is dat ze een momentum voor verbetering kunnen zijn. Toch voor wie wil zien. Leo Neels (71) en Ivan Van de Cloot (43) van Itinera vragen een reset. Control-Alt-Delete.

In het volgende verhaal – een beknopte samenvatting van een lang betoog – staan geen namen. Niet dat Leo Neels en Ivan Van de Cloot – algemeen directeur en hoofdeconooom van de denktank Itinera – bang zijn man en paard te noemen. Allesbehalve. Maar het gaat niet om namen. Was dat maar. “Een commissie die wat zondebokken afserveert en de kous is weer af: dat zou het ergst zijn. Los je niets mee op. Wij houden ons doorgaans aan rustige analyses: onafhankelijk, privaat gefinancierd onderzoek en beleidsaanbevelingen. Maar nu moet de vuist op tafel. In een crisis moet je handelen en wij zien een systeemfalen. Besluitvorming ís moeilijk in een democratie, maar ons land is de visie en daadkracht kwijt. Wij krijgen geen deuk meer in een pakje boter.”

Heren, wat is er aan de hand?

Ivan Van de Cloot: “Traagheid. ‘Wordt dit een pandemie?’. Die discussie volg ik sinds eind december op Twitter. Waarop landen zoals Duitsland anticipeerden en een verzekering afsloten: testen ontwikkelen, de productie ervan opschalen en reagentia (de chemische stoffen nodig om te testen, red.) en beschermingsmateriaal inslaan. Wij ontwikkelden wel een test, maar dachten niet: ‘Tiens, in een pandemie slibt de markt dicht’. Erger, onze strategische voorraad met miljoenen maskers – zeer nodig, zo staat te lezen in rapporten geschreven door mensen die nu ook in de experten-groep zitten – waren vernietigd.”

Achteraf praten is makkelijk.

VdCloot (boos): “Daar word ik dus gek van hé. Tijdens de krokusvakantie was ik niet de enige die smeekte om skiërs uit besmette gebieden in quarantaine te houden. ‘Niet nodig, want de wereldgezondheidsorganisatie zegt dat het niet moet’. Waarom laat een land als Tsjechië, dat ook WHO-info krijgt, skiërs uitzieken? Dat is het verschil tussen verantwoordelijkheid nemen en de paraplu trekken. Wij hebben geen nood aan goedweerpolitici die alleen besturen als de zon schijnt. Goed besturen is vooruitzien. Je verwacht dat voorzichtigheid ingebakken is in een land waar het overheidsbeslag 53 procent bedraagt. Maar nee: geen mondmaskers, geen testen en niet de reflex om een pandemie te voorzien. Het is zoals bij onze begrotingen: het zijn niet enkel de cijfers, maar de nonchalance waarmee we met alles omspringen.”

Neels: “Prudentieel denken, daar draait het om. Zijn wij voorzien op grote droogte? Nee, wanneer het te warm wordt, zeggen wij ‘uw gazon niet sproeien’. Maar leggen we bufferbekkens aan? De schepen op de Rijn kunnen nog maar aan halve vracht laden hé. Wat doen we om ons voor te bereiden? Niets. Het is confronterend – als we in de spiegel kijken die Corona ons voorhoudt – dat we de jongste decennia de verantwoordelijkheidscultuur verloren zijn. Heel vaak zegt men: ‘ik ben niet bevoegd’. Uit Azië horen we al maanden dat naast veel testen ook besmettingen opsporen zo belangrijk is. Tracing blijkt hier deels een federale en een gewestelijke bevoegdheid te zijn en komt daardoor niet van de grond. Negen ministers van dit land zijn voor een stukje bevoegd voor gezondheid en onderling is er wantrouwen. Alsof elf voetballers op het veld staan die elkaar tegen de schenen stampen. Zo win je nooit.”

VdCloot: “Wij worden niet bedreigd door Corona, maar door de zwakheden in ons systeem. We weten vaak wel wat we moeten doen, maar toch doen we het niet. Het is al lang duidelijk dat landen die inzetten op contact tracing en mensen in isolatie zetten goede cijfers halen. Wanneer je dan vorige week verneemt dat wij hier nog altijd maar 20 tracers hebben – dezelfde van in januari! – val je toch van je stoel? Pas nu komt er een aanbesteding en sluiten ziekenfondsen en callcenters aan. In elke gemeente zitten al maanden ambtenaren zonder werk, volledig doorbetaald: de toeristische diensten bijvoorbeeld. In nood kunnen zij toch leren contact tracen?”

Twee weken geleden kreeg het bedrijf Sioen opdracht om miljoenen mondmaskers te gaan produceren.

Neels: “En vandaag zegt de staat dat we nog wat geduld moeten hebben voor ons mondmasker (lacht). Kijk naar het onvermogen in tracing met een app. Al heeft zoiets nog onvolmaaktheden: op dit moment denk je toch dat alles kan helpen? Nee, dat verzandt volledig. Van ‘we zijn ermee bezig’ tot ‘er is een probleem met de privacy’. Wel, dat probleem is er dus niet. Maak de tracing apps anoniem, tijdelijk en vernietig na Corona de gegevens. Er ís géén privacy-probleem. En mocht het er toch zijn: in het Europees verdrag van de mensenrechten staat dat er recht is op de bescherming van het privaat leven, maar dat het niet absoluut is en dat het beperkt kan worden bij dwingend belang van volksgezondheid en van economische welvaart. Mag ik opmerken dat de grote massa vandaag allerhande apps die traceren – Waze, Strava, Google, Uber, noem ze maar op – gebruikt?”

VdCloot: “In landen waar leiders het helder uitleggen, installeert de bevolking zo’n app. Maar hier durft de overheid op ons niet te vertrouwen. Dan krijg je ook geen vertrouwen. ‘Ze zijn nuttig, maar we hebben er te weinig: hamster niet en hou ze voor het zorgpersoneel’. Dat had de boodschap over mondmaskers moeten zijn. In plaats daarvan kwam er een verhaal dat het vertrouwen ondermijnt. Wij zijn geen halve imbecielen hé. Kijk naar de lockdown, die we – op wat marginale excessen na – goed naleven.”

Neels: “We zien een zeer gedisciplineerde reactie op die maatregelen die de virologen zeer goed hebben uitgelegd. On-Belgisch bijna. Storend dat er dan keizer-kosters – vooral aan de kust – over straffen beginnen. Dat is ondermijnend voor de attitude die er in grote mate is.”

Hoe komen we deze crisis economisch te boven? 

Neels: “Ik heb al dwaze opstellen gelezen: ‘nu staan ze daar, de mannen van de vrije markt’. Nee, ondernemingen creëren de waarde. Onze economie zal keihard moeten draaien om de uitgaven die we nu maken te compenseren en onze verzorgingsstaat te financieren.”

VdCloot: “We moeten selectief steunen in plaats van het geld rond te strooien. De maatregelen laten het bloed circuleren zodat er geen mensen zonder inkomen vallen. Dat is goed, maar dat is een inkomensbeleid. Dat gebeurt niet fijnmazig genoeg, want sommigen verdienen door de premies plots meer dan anders. Maar de belangrijke keuzes volgen straks. Niet iedereen zal naar z’n vorige job terugkeren. De wereld zal post-corona anders zijn, maar de globalisering zomaar afbouwen, is dom. Het is duidelijk dat we de maakindustrie in medische apparatuur en beschermingsmateriaal best dichter houden, maar zonder mondialisering riskeren wij zonder voldoende voedsel te vallen. Idealiter evolueren we naar een buffereconomie, die bepaalde sectoren steunt bij een nieuwe uitbraak. We moeten los van de defensieve houding. Alle sectoren uitnodigen in een comité en daar louter enveloppes verdelen aan de luide roepers en wie vandaag een belangrijk gewicht in de samenleving heeft, is niet toekomstproof. De achteruitkijkspiegel leert ons niet veel.”

Neels: “Verworven rechten zijn zalig bij gegarandeerde welvaart. Maar die is er niet: soms gaat het goed en soms valt het tegen. We kunnen ons niet blijven beroepen op het verleden. De afgeschermde beroepen zoals ambtenaren, leerkrachten en nog heel wat: zij worden door deze schok niet getroffen. Terwijl andere sectoren crashen. We moeten dat verschil beseffen en solidariteitsmechanismen tussen groepen overwegen. Zeer hoge ambtenarenpensioenen zijn al jaren een dogma. Iedereen die dat heeft, houdt dat natuurlijk graag. Maar dat was compensatie voor lage lonen die nu marktconform zijn. Dat verhaal klopt niet meer. Als we dat goed uitleggen, de overdreven pensioenen gradueel verminderen en bij de jonge ambtenaren starten met een aanvullend pensioen zoals de privé: zoiets moet toch bespreekbaar zijn? De sociale partners – onze reservedemocratie – waren vroeger innovatoren, zij moeten toch ook beseffen dat hun rol vandaag anders is dan vasthouden aan verworvenheden? Wij souperen de welvaart op schuiven de staatsschuld gewoon door naar onze kleinkinderen. Dat is een ongelofelijke schande die niet uit te leggen valt. Toen ik geboren werd, had ik een staatsschuld van 500 euro. Vandaag doen baby’s hun ogen open met een rugzak van 43.000 euro.”

Uit jullie analyse blijkt dat België al voor de pandemie ernstig ziek was.

VdCloot: “Terwijl we denken dat we nog aan de top staan, blinken we uit in middelmatigheid op veel vlakken.”

Neels: “Op onze website volgen wij een dertigtal wereldwijde indexen en die geven hetzelfde beeld: wij zakken uit de kopgroep en landen die hervormen springen op hun sokken over ons. Terwijl ze in Scandinavië, Nederland, Duitsland, Zwitserland, noem maar op, ook niet op goudmijnen stoten. Maar daar is langetermijnvisie en onze politici – oppositie zowel als meerderheid – focussen op de waan van de dag. Het heeft even geduurd, maar de politisering van Corona is begonnen: vermogenstaks, corona-taks, een grotere overheid, een basisinkomen. Het schrijnende is dat dit allemaal losse verhalen zijn. Wanneer hebben wij nog daadkracht gezien? In de jaren tachtig met de devaluatie van Martens en in de jaren negentig met de entree in de euro onder Dehaene, maar dat is wel bijna dertig jaar geleden hé. Wij leven in de meest welvarende regio in de meest herverdelende staat van de OESO-landen en toch blijft de armoede groeien en staan we aan de top bij suïcide bij jongeren.”

Hoe komt dat?

Neels: “Dat communautaire model is uitgeleefd. Ons overheidsapparaat is zeer duur en weinig efficiënt. Het is een optelsom van staatshervormingen die weinig opleverden en goed bestuur hinderen. Door de Europese integratie wordt meer voorgekookt, maar toch is er geen beleidsniveau afgeslankt. Al van ’74 zijn wij provincies aan het afschaffen. De Senaat is al 15 jaar aan het verdwijnen. Er gebeurt niets. Wij hebben een volledige reset nodig. België is een roestige oldtimer met drie platte banden, het vierde wiel hangt eraf, de motor is geblokkeerd en zeven regeringen zitten achter het stuur. Het mandaat van onze premier rust op verkiezingen van 2014. Deze politici zijn erin geslaagd om de stembus van een jaar geleden straal te negeren. Het interesseert mij niet of ze elkaar graag zien: ze hebben een mandaat gekregen om dit land te besturen. Niet om tijd te verprutsen en pietepeuterige veranderingen als heroïsche akkoorden te presenteren.”

Is de complexe staatsstructuur geen verzachtende omstandigheid?

Neels (fel): “Wij hebben dat excuus niet! Kijk naar Zwitserland, daar kennen ze de eerste minister zelfs niet. Da’s daar een beurtrol vanuit de kantons. Dat land is veel complexer: ze spreken vier talen, zitten met die kantons en met het grootste deel van hun grondgebied kunnen ze niks aanvangen. Toch scoren die op alles beter dan wij. Het komt neer op daadkrachtig bestuur. Een mandaat is een opdracht om keuzes te maken en te beslissen. Onze partijen zijn marketingmachines geworden die een mandaat misbruiken om hun herverkiezing voor te bereiden. Dat is absurd. Zij hebben de taak het land beter te maken.”

VdCloot: “Onze politici zijn verjongd, maar talent mag zich niet laten vangen door de wurggreep van de partij. Keer u af van die slechte particratie.”

Neels: “Precies. Bedrijven die handelen ten koste van werknemers, leveranciers, klanten, hun omgeving en zeggen ‘wij willen winst maken en daar moet alles voor wijken’: die gaan verliezen. Dat zie je bij onze politiek toch ook gebeuren? Partijen werken nog maar één doel en dat is zetels winnen en ze slagen er niet in. Alle partijen die niet tot de extremen behoren, krijgen de ene klap na de andere en als ze doorgaan zoals nu, gaan ze als lemmingen naar de afgrond. Ons land heeft een totale reset nodig met een wervend verhaal van diegenen die de samenleving leiden.”

VdCloot: “Onze bevolking verdraagt daadkrachtig beleid dat soms lastige beslissingen vergt. ‘Brussel’ denkt van niet, maar daar gaan de ogen nog open. Politici die doof blijven, zullen snel opbranden.”

Neels: “Door Corona krijgen wij nog een grotere achterstand bovenop de stilstand van de laatste decennia. We onderschatten hoe dat jarenlange falen en het onvermogen om akkoorden te sluiten onze welvaart vandaag bedreigt. Verspil deze crisis en dit momentum dus niet. Maak een noodregering van alle partijen zonder de extremen en voer beleid. Als dit geen noodtoestand is, dan weet ik het niet meer. En laat ons daarna met een wit blad beginnen. We zijn heel kosteninefficiënt. De kosten en de bemanning zijn gigantisch en de output is afwezig. Misschien is het tijd voor een intendant? Iemand die het land kan deblokkeren, zoals bij de onoplosbare dossiers als Oosterweel. Ze lopen niet dik gezaaid, maar iemand die het reilen en zeilen kent en losstaat van de waan van de dag moet nu samen met de jonge generatie op het voorplan treden. Ik weet iemand die het nationale niveau is ontstegen, een goede beurt maakte in Europa en daarvoor geschikt zou zijn.”

VdCloot: “We zouden geen namen noemen, Leo (lacht).”

 

 

Exitstrategie met Perspectief

Medische expertise onderbouwt het coronabeleid. Dat is goed. Goed beleid rust op verantwoordelijkheid die beleidsmakers nemen, en vertrouwen dat ze geven. Goed beleid biedt altijd perspectief. En goed beleid kiest intelligent de prioriteiten tussen evenwaardige objectieven, in dit geval gezondheid en economie. Alles kan beter.

Te lang bleef het coronabeleid beperkt tot een te korte termijn. Goed bestuur vergt een perspectief, zowel voor de mensen die gedisciplineerd de beperkingen opvolgen, als voor de handelszaken en bedrijven die aan het werk moeten. Goed beleid vrijwaart de volksgezondheid en moet te grote maatschappelijke en economische schade voorkomen.Leerachterstand bij kinderen laten oplopen, is iets waar we decennialang de gevolgen van kunnen dragen.  Vorige vrijdag creëerde de regering, eindelijk, een beetje perspectief.

ECONOMISCHE NOODTOESTAND

Dat bij het perspectief waarschuwingen hoorden, was niet onverwacht en terecht. De basismaatregelen blijven van kracht en bij opflakkering van het virus worden versoepelingen ingetrokken. Iedereen begrijpt dat. Eindelijk is er  een begin van afbouwkalender onder voorbehoud van nieuwe uitbraken. Het heeft te lang geduurd, en het perspectief is, met een maand, echt te beperkt. Onderschat men de noodtoestand voor de economie? Vergeet de overheid niet om te kapitaliseren op de goodwill van de bevolking?

Het blijft moeizaam om in dit land politieke verantwoordelijkheid te nemen. Een helder langetermijnplan had bedrijven en burgers meer vertrouwen gegeven.  Zelfs de bijzondere machten inspireerden de regering daar niet toe.

ZIJN WE KLAAR VOOR EEN SLIMME EXITSTRATEGIE?

Een slimme exitstrategie rust op grootschalige testing, actieve tracing en mondkapjes, precies om de balans tussen economie en gezondheid te vinden. We spreken  er al lang over, maar zijn nog altijd niet goed voorbereid. Er is te veel nuttige tijd verloren om testing en tracing écht goed voor te bereiden, dat hypothekeert de daadwerkelijke exit. Testing begint te lopen, maar met te kleine capaciteit. En tracing …met potlood en papier? In 2020?

Hindert het privacyfundamentalisme de invoering van technologie? Anonieme tracing is géén inbreuk op de privacy: doe er dus tijdelijk beroep op in deze noodtoestand. De Europese Mensenrechtenconventie laat dit expliciet toe, zowel om de economische welvaart te vrijwaren als de volksgezondheid. Doe het nu. Toon vertrouwen in de burgers, die zeer gedisciplineerd meewerken met de beperkingen: kapitaliseer daarop. Leg uw burgers uit dat ze zelf het succes van de exitstrategie en de kortere kalender bepalen door loyaal mee te werken. De technologie, eenvoudige smartphones, zit in onze binnenzakken, maak doelgerichte tracing snel operationeel. Het is gekend: in sommige landen was de uptake te laag, maar de oproep rustte op verplichtingen. Steun uw oproep hier op vertrouwen en responsabilisering van de bevolking bij het succes van de exit.

HANDHAVING

Geldt dit ook niet voor de opvolging van beslissingen? Aangekondigde maatregelen moeten uitgevoerd worden en gehandhaafd.  De Minister van Financiën confronteerde de banken bij aanvang van de crisis met hun grote verantwoordelijkheid inzake bijzondere kredietbehoeften van bedrijven bij de “lockdown”. Er kwam snel een bankenakkoord, knap. Maar de uitvoering hapert. Dit kunnen we ons niet permitteren. Alle banken moéten het voorbeeld volgen van hendie wel performant optreden. Zij moeten de liquiditeit van de bedrijven die het verdienen op peil houden door snel tussen te komen: dat redt de bloedsomloop van de economie.

Ook de solvabiliteit van ondernemingen verdient meer aandacht. Veel “taskforces” bestuderen nuttige voorstellen, maar politieke beslissingen blijven uit. In bepaalde sectoren riskeert daardoor vrijwel de helft van de bedrijven om te vallen door oplopende verliezen. Opnieuw blijkt dat in andere landen wél een kader tot stand komt voor tijdelijke en voorwaardelijke ondersteuning in geval van kritieke en strategische activiteiten. Men kijkt daar ook naar de toekomst, naar innovatie en behendige en soepele financieringsvormen voor start-ups en scale-ups. Men neemt er bedrijven in bescherming tegen internationale uitverkoop. België loopt achter. Het beleid moet daarover snel intelligente beslissingen nemen. De voorbeelden zijn er. Beslis ook nù.

VOORKOM TE GROTE SCHADE

Goed bestuur toont daadkracht en verantwoordelijkheid, en betrekt zijn burgers positief. Meer dan ooit hebben die betrokkenheid getoond. Kapitaliseer op die gedeelde fierheid om dit samen goed te blijven aanpakken. Excuses zijn gratuit. Creëer nu ook de langeretermijn-kalender. Ja, het kan zijn dat we beperkingen terug gaan moeten invoeren als de virologische toestand daarom vraagt. Maar met zijn allen kunnen we dat risico nu significant beperken.

We zijn in een zelden eerder vertoonde noodtoestand. Eenieder heeft zich maximaal gesmeten – de gezondheidswerkers en -werksters op kop – en, niet te vergeten, de ouders met hun kinderen thuis! We hebben samen nog een flinke exitkalender af te werken.

We hebben nù een robuuste herstelstrategie nodig om het economisch puin en de budgettaire schade te herstellen. Ook dan blijft leiderschap en koelbloedigheid nodig. Er moet een noodplan komen voor de begeleidende maatregelen zoals testing en tracing. De traagheid is niet meer acceptabel. Net nù moet beleid verantwoordelijkheid nemen en vertrouwen geven, en de burgers en bedrijven betrekken.

Dat is de échte waarde van samen-leven. Soms is het inderdaad ook samen-strijden.

Samen met Ivan Van de Cloot, gepubliceerd in DE TIJD van 28 april.

 

De verleiding van de Keizer-Koster

We gaan en staan waar we willen. Dat is de kern van onze vrijheid, en we vinden dat normaal, omdat we leven in een land met een regime dat rust op erkenning van de fundamentele rechten en vrijheden van zijn burgers. 

Wanneer onze vrijheden beperkt worden, reageren we onwennig en balorig, en gaan we snel in onze traditioneel al prominente anti-gezagsmodus: “waar moeien die gasten zich eigenlijk mee?” En we gaan, al even traditiegetrouw, op zoek naar de achterpoortjes en sluipwegen om de regelingen naar onze hand te zetten of om ze te omzeilen.

Zo zitten we in elkaar. Dat is niet altijd slim, maar er is ook iets goed aan, we moeten altijd kritisch blijven naar inperkingen van onze vrijheden. Vrijheid is de grondslag van ons bestel, en we mogen daar niet licht overheen gaan. Ze blijft immers slechts intact wanneer we ze goed bewaken, en beperkingen kritisch blijven bejegenen.

DICTATUREN VERSTRENGEN  HUN GREEP MET VRIJHEIDSBEPERKINGEN

Slecht menende personen springen op dit soort van crisis, zoals Orban die in Hongarije zijn greep naar absolute macht nog wat versterkte, of de Russische President Poetin die op 10 april samenkomsten met meer dan 5000 personen verbood. Uiteraard om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, terwijl het helemaal toevallig was dat hij op dezelfde dag het voorstel deed om aan de macht te blijven tot 2036. (The Washington Post, 16 maart 2020, “Democracy dies in darkness”). Iran, epicentrum in het Midden-Oosten van de corona-epidemie, verscherpte zijn greep op internetcommunicatie, die al groot was… uiteraard enkel met het oog op de onderdrukking van valse berichtgeving over de epidemie. Net zoals China weer hele reeksen zoektermen blokkeerde in de binnenlands toegankelijke platformen.

GOVERNMENT BY THE PEOPLE OR BY VIROLOGISTS?

Sedert 1831 hebben wij nog altijd de eerste overgebleven Grondwet die was gemodelleerd op de beginselen van de Verlichting en van de Franse Revolutie, met de fundamentele rechten en vrijheden van burgers prominent vooraan.

Ook vandaag blijft dat zinvol. Uiteraard leiden medici en virologen de basis waarop het crisisbeleid nu gebaseerd is, het gaat om een medische kwestie. Beleid op grond van expertise en kennis: weg met het geneuzel en geschuif van de Wetstraat, weg met het gesnuffel en getast van de voorbije maanden, weg met de stilstand sedert 26 mei. Dit is zo verfrissend dat we ervan kunnen leren: kennis en expertise zijn belangrijk als grondslag van goed beleid.

Toch zijn het niet de medici en virologen die de formele beslissingen treffen, dat blijft de regering. Over die regering is van alles te zeggen, maar de regering regeert. Zonder parlementaire meerderheid, met volmachten die door een ad hoc-meerderheid werden goed bevonden, en met een junta van partijvoorzitters die additionele legitimatie moet aanbrengen (sic!). Het zal in de staatsrechtboeken als een oplossing “sui generis”omschreven worden, een construct dat nergens op lijkt maar misschien wel werkte. De functie maakt ook hier de vrouwen en de mannen.

RECHTENABSOLUTISME ?

Fundamentele rechten en vrijheden zijn fundamenteel. Maar ze zijn niet absoluut : ze zijn onderhevig aan beperkingen. Dat is al zo omdat sommige rechten onderling met elkaar kunnen strijden, of omdat alle mensen dezelfde rechten en vrijheden hebben en dat kan botsen, of omdat omstandigheden beperkingen noodzakelijk maken en onvermijdelijk. Een ernstig gezondheidsrisico van de corona-omvang is zonder meer zulke omstandigheid.

Omdat we zo achteloos omgaan met onze eigen rechten, laten we daar hele grote gaten in slaan omwille van ons comfort, ten bate van leuke technologie, tools en apps, internetspeelgoed allerhande. We laten ons daar snel door verleiden, en tot meerdere eer en glorie van de business van Google, Apple, Facebook, amazon en dergelijke, gedogen we inbreuken op onze privacy die we van niemand zouden tolereren. Maar ja, we zijn zo gek op die tools, en we bevestigen achteloos en leugenachtig dat we alle gebruiksvoorwaarden hebben gelezen en ermee instemmen.

Anonieme tracing om epidemiepatronen te kunnen waarnemen met het oog op beter beleid, en onder een kritisch wakend onafhankelijk toezicht, is geen privacy-inbreuk; er is soms te veel privacy-absolutisme, en daarop teert vandaag ook weer een hele privacy-industrie…

DE KEIZER-KOSTERS ONTWAAKT

Vandaag is er wel een risico op overdrijving van sommige beperkingen. Keizer-kosters zien een kans voor actie. Dat is niet goed.  Goede beperkingen moeten goed onderbouwd zijn, op reële argumenten rusten én eenduidig gecommuniceerd worden. Afstand houden, niet samenscholen, binnenblijven bij ziektesymptomen: helder en duidelijk.

Niet gaan zitten in een park? Niet naar de tweede woonst in de Ardennen of aan zee? Niet naar een park op enkele kilometers afstand? Niet op het strand mogen wandelen? Parken afgesloten bij gebrek aan toezichters? Van sommige beperkingen is de zin écht niet zo duidelijk. Ook thuis leerden mensen inmiddels al niet meer samen in de lift te gaan staan en afstand te houden bij een praatje op het voetpad of in de tuin. Dat kunnen ze toch ook elders?

Net op de overdrijving en de repressie focussen de keizer-kosters, die nu politionele bewaking beloven, boetes, drone-controles en invallen in huizen, zonder huiszoekingsbevel! Zou het?

Overtuiging en gezond verstand werken beter dan repressie, dat is toch ook een verworven inzicht in community policing?  Dan communiceren de virologen toch helderder dan sommige autoriteiten. Laat hen dat vooral blijven doen, tot spijt van de tekstexegeten die overijverig zoeken naar onnauwkeurigheden, nuances of voortschrijdend inzicht.

PROPORTIONALITEIT

Vrijheidsbeperkingen moeten rusten op een goede wettelijke basis en noodzakelijk zijn om het nagestreefde doel – in dit geval de beperking van de epidemie – te bereiken, en daaraan proportioneel. Ze moeten in de tijd beperkt zijn, en helder gecommuniceerd worden; ze moeten dus ook beëindigd worden wanneer de noodzaak voorbij is (Stéphanie De Somer, Kiezen tussen pesten en corona, DS 3 april).

We moeten vooral ook snel zoeken naar de herstart van economische activiteiten zodra dat verantwoord is en veiligheidshalve mogelijk. Het is ook een legitiem doel om de economische en sociale schade te beperken; niet ten koste van de uitbreiding of heropflakkering van de epidemie, zeker niet. Maar dat kritisch evenwicht moet ook kritisch bewaakt worden, nu snel werd beslist om niet-actieven financieel een ruggensteun te geven en actieven niet, behalve de gezondheidswerk(st)ers die we dit vandaag van ganser harte gunnen.

Ook gepubliceerd op LinkedIn

De corona-opportuniteit. “Never let a good crisis go to waste”

We hebben in dit land uiteindelijk toch die dode nodig. Het werd een vaste uitdrukking in ons politiek jargon, de metafoor  voor de traagheid van inzicht en daadkracht bij onze overheden. Een taalkundige vondst voor mank leiderschap en aarzeling, die volgehouden worden tot men niet meer anders kan.

 

Bij de presentatie van zijn verzameling van 20 jaar opiniestukken wees Marc De Vos er op dat we in ons land pas echt in beweging komen onder grote externe druk, (https://www.itinerainstitute.org/wp-content/uploads/2020/01/Lezing-Marc.pdf). Grotere beslissingen komen er in België alleen onder grote druk; de laatste voorbeelden die Marc De Vos zag waren de devaluatie van wijlen Wilfried Martens, en het Globaal Plan van wijlen Jean-Luc Dehaene. Beide zijn beslissingen van de vorige eeuw, 1982 en 1993. Een drastische electroshock voor “de zieke man van Europa”, bijna 40 jaar geleden, en een forse re-set van de economische fundamenten van de Belgische staat, 27 jaar geleden, om de toetreding tot de Euro niet te missen.

NOODSCENARIO’S

In beide gevallen werden noodscenario’s uitgedokterd, zonder meer buiten de klassieke krijtlijnen van de politieke democratie of het sociaal overleg: devaluatie, volmachten, indexsprongen, …

Sedertdien is het al enkele decennia lang pappen en nathouden, en lijdt het land – federaal én regionaal – onder het onvermogen om een deftig project te lanceren, onder aarzeling en besluiteloosheid. Het resultaat is een middelmatig beleid dat vaak niet veel beters kan verzinnen dan het besparingsmantra in te roepen.

Zo geraakte de verzorgingsstaat ondergefinancierd, bleef de jaarlijkse overheidsgreep uit de economische welvaart faraonisch groot, en blinken we nog steeds  uit in inefficiëntie en symbolenpolitiek zonder beleid.

Eigen onverantwoordelijkheid eerst?!

IS CORONA DE “GAMECHANGER”?

Op dit ogenblik is het land in een gezondheidsoorlog met een onbekende vijand, het coronavirus dat wereldwijd toeslaat. We zagen het binnensluipen en zaten stil, geen van de 9 (sic!) excellenties die fracties van gezondheidsbeleid in hun bevoegdheid heeft ondernam snel genoeg actie. Een attitude die perfect past bij het binnenlands politiek klimaat na de verkiezingen van 26 mei 2019, nu 296 dagen of 10 maanden geleden: wachten.

De marketingretoriek van de electorale campagne bleek het grootste struikelblok voor de verkozenen zelf, ze hadden immers schitterende plannen aangeboden… voor een ander land (“Een mooie nota voor een ander land”, DS 29 november 2019). De regionale regeringen werden geïnstalleerd met lange regeringsverklaringen, meer tekstamalgaam dan project: weinig of geen dynamiek. De ontslagnemende federale minderheidsregering sukkelde voort, zonder zin voor beleid of visie op de toekomst. Koninklijke raadgevers defileerden, partijvoorzitters oreerden.

CONSTITUTIONEEL AVONTURISME

De voorbije week leerde ons dat zelfs een crisis van de corona-omvang niet meer helpt. Ze levert ons nu een minderheidsregering op, met beperkte legitimiteit, die gedurende zes maanden volmachten kan verkrijgen, doch enkel voor de bestrijding van de coronaplaag en haar gevolgen. Vertrouwen voor volmachtenbeleid, geen vertrouwen voor gewoon beleid. Paradoxaler wordt het niet: een politiek en constitutioneel wangedrocht, op of over de grenzen van de (grond-)wettigheid.

Een herhaling van onze traditie om bij crisis de politieke democratie en het overlegmodel buitenspel te zetten, omdat ze niet functioneren. Schema’s van de vorige eeuw: onaanvaardbaar.

GOED GEZONDHEIDSCRISISBELEID

De voornaamste les is voorlopig dat we een performant gezondheidscrisisbeleid kùnnen voeren. Onze gezondheidswerk(st)ers – van de topvirologen tot de zorgkundigen – staan model in daadkracht en verantwoordelijkheidszin. Bij aanvang werd veel politieke beslissingstijd verloren, maar eens de federale regering haar beleid wel deed steunen op kennis, schoot het op.

Het is opvallend, want we kenden eigenlijk geen eenheid van beleid meer, enkel nog de  hopeloze versnippering in bevoegdheidskwesties die élke band met de realiteit missen. We kennen ook geen beleid meer dat rust op kennis en expertise. Kennis en expertise zijn gemarginaliseerd, worden fijngemalen en politiek gekneed in eindeloze raden en commissies en finaal in de berm gereden in kabinetten en interkabinettenoverleg. Een moeilijk woord voor totale voorrang van politisering boven kennis.

Vergeleken daarbij is de aanpak van het coronavirus, zoals het vandaag is, een opluchting. Kennis is terug prominent aanwezig en heeft nu, ook door de bijzondere communicatievaardigheden van onze leidende virologen, de leiding. Beleid doet wat het dan hoort te doen: beleid baseren op wetenschappelijke kennis, inzicht en aanbevelingen. Met bijna geen partijdige dilutie, omwegen of verhulling meer. Oef!

HET PRIMAAT VAN DE POLITIEK IS WEG

Er is in dit land al oeverloos gepraat over het fameuze “primaat van de politiek”. Samengevat: de politici zijn verkozen, zij hebben het voor het zeggen. Punt. Dat is inderdaad hun mandaat, en dat past bij hun electoraal streven. Maar dat mandaat wordt niet meer ingevuld, het werd collectief te grabbel gegooid. Politici zijn verkozen om de leiding te nemen en ze kunnen het niet. Zelfs de quasi-totale verjonging van de politieke middens leidde niet tot een nieuwe dynamiek.

Suggesties te over: We hebben een nieuw begin nodig. In de marge van de coronazaak, die ernstig genoeg is en àlle aandacht zal opeisen, moeten de (vele) parlementsleden schitterende initiatieven nemen. Niet de pestwetjes die men goedkeurt om anderen een been uit te vijzen, dat is parlementair misbruik. Maar fundamenteel werk voor de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. Ze moeten er de kennisinstellingen en al hun expertise bij betrekken. Iedereen staat er klaar voor.

  1. Reorganiseer de beleidsniveaus tot rationele gehelen, met eenheid van leiding. Focus op overheidsefficiëntie en kostenefficiëntie als dominante parameter: het wordt de grootste en beste staatshervorming in de geschiedenis;
  2. Herdefinieer de bindende elementen van het land, het concept “Bundestreue”; sedert twee weken werkt het federaal-regionaal “overlegcomité” blijkbaar wél, dat is nieuw, zie het als een opportuniteit;
  3. Focus op heldere beleidsdoelstellingen en richt daar uw plan op. Een goed voorbeeld ivm corona is: voorkom, nù, de piek die we niet de baas kunnen. Tiens, kunnen we dat niet ook met andere urgenties?
  4. Evalueer uw beleid op heldere criteria en stuur voortdurend bij. Opnieuw, zie de escalatie inzake corona-maatregelen: yes we can!
  5. Restaureer het belang van kennis en expertise als basis voor beleid. Oei, dat zijn we nu al aan het doen. Dan kan het, toch?
  6. Verander de beleidscultuur. Depolitiseer de zaken die niet gepolitiseerd moeten zijn: administraties, benoemingen, dossiers, ministeriële medewerk(st)ers etc. etc. Oei,hier is er nog geen binnenlandse “best practice”: een leerpunt, àlle landen die beter presteren dan België, pakken het zo aan. Misschien is dat dan wel een goed idee?
  7. Stop de slechte particratie. Laat partijen focussen op hun maatschappijproject en dat met kennis en expertise onderbouwen. Strijd dan om de grote opties, stop het partijpolitiek micro-management, de slechtst denkbare toepassing van det zgn. “primaat” van de politiek. Echte politiek is maatschappelijke dienstbaarheid, geen partijpolitieke bevoordeling. Weg met zulke uitwassen!
  8. Herijk de arbeidsmarkt voor de volgende eeuw. Kom los van de filosofie van de verworven rechten, en bouw aan de gedeelde welvaart van de toekomst: het sociaal overleg – VBO, VOKA en UWE, samen met de vakorganisaties – moet dé motor zijn van sociale innovatie. Het moet, over de volgende tien jaar, de herfinanciering van de sociale zekerheid op luciede wijze tot stand brengen en een totale efficiëntie. De nieuwe verzorgingsstaat permitteert zich dan geen 15% armoede meer.
  9. Herstel een volwassen dialoog tussen regering en parlement. Oei, daar zetten we net stappen achteruit. Dat oppositiepartijen mogen deelnemen aan de kernkabinetten over volmachtenbesluiten is een aberratie, maar brengt geen werkbare en correcte werkrelatie tussen parlement en regering tot stand. Herstel het grote publieke debat, met het parlement als motor, en de kennisinstituties als aanbrengers.
  10. Herstel de verantwoordelijkheidscultuur. Veeg de zaken niet meer onder de mat. Focus de debatten niet op verontwaardiging maar op de analyse en het verbetertraject. Geen steekvlamretoriek maar analyse, argument en perspectief. Beoog impact, bijsturing en zichtbaar beter resultaat.
  11. Stop overregulering, en herstel rechtszekerheid als belangrijkste waarde van de rechtsstaat . Vindt een bestuursrecht uit voor déze eeuw, die van de verzorgings- en de (tijdelijke) investeringsstaat. Wanneer we de maatschappelijke en economische gaten “post-corona” gaan zien, zullen we beseffen dat we een uitstekend bestuursrecht nodig hebben voor de economische en maatschappelijke heropbouw “post-corona”. Blijvende volmachten zijn het enig alternatief, en dat is er dus geen.

Logos, pathos enethos zijn de drijvers, Aristoteles wist het al: gebruik uw verstand, laat uw hart spreken en gedraag u.

MOBILISEER ALLE TALENT

Er zit bijzonder veel talent in onze politieke gremia, maar men zit te nagelbijten onder een junta van partijleiders, die te haastig en te bitsig relevant willen zijn, op een te beperkte basis en met te weinig “check and balances” in hun eigen omgeving.

Geef de parlementaire assemblees de ruimte om dit te doen. Restaureer de Senaat tot échte reflectie, niet langer een politiek RVT en praatbarak. We hebben àlle talent nodig dat er is, en het is écht niet gering. Het is alleen bang, uitgeblust of monddood. Dat is net wat ze ons allen, voor 26 mei, beloofden om niét te zijn.

Er moét nu bestuurd worden, en corona is, als we dat willen, dé kans. Geen retoriek, maar daden. Het corona-labo kan ook de burgers en politici veel leren, net zoals de virologen dat deden. Neem een voorbeeld aan de daadkracht in onze gezondheidssector. We zijn, écht, met zijn allen nog tot héél veel in staat. Het momentum is er.

Never let a good crisis go to waste, zo formuleerde Churchill het.Crisissen zijn dé veranderingsmomenten, onze gezondheidswerk(st)ers staan al model voor daadkracht en verantwoordelijkheidszin. Laat ons dit momentum niét onderschatten. Met al 20 jaar van de 21steeeuw achter ons, moeten we afscheid nemen van de recepten van de 20ste.

Gepubliceerd op vrtnws.be

Sven Mary op de Brandstapel! Een rechtszaak is niet altijd de magische oplossing voor wie zich gediscrimineerd of slechts behandeld voelt.

Wie zich vandaag niet gediscrimineerd voelt of achtergesteld, en niet belaagd of anderszins strafbaar onheus bejegend, is nog niet helemaal mee. Gelijkheidsdenken en  pleidooien voor fatsoenlijk gedrag worden steeds meer in  wetten vastgelegd, strafwetten zelfs, en zo mogelijk met verhoogde straffen, bevel om ze effectief uit te voeren, en opheffing van verjaringsbepalingen.

We geven blijk van een ongebreideld geloof in juridisering van de menselijke omgang, en het parlement is het spoor op dit vlak totaal bijster. Het stort zich op onbedachtzame wijze op symboolwetgeving die goed justitieel beleid belemmert. We veronachtzamen dat rechtsregels eigen wetmatigheden kennen, en ook beperkingen, onder meer inzake handhaving.

Om met een ander voorbeeld te starten: onze fiscaliteit is een fiscaliteit van particuliere belangen: met enige overdrijving gesteld, elke vogelpikclub heeft of verdient haar fiscale aftrek. De chaos die hiervan het resultaat is, maakt verstandig fiscaal beleid onmogelijk, belastinginning inefficiënt en duur, en fatsoenlijke hervorming onmogelijk.

HET GELIJKHEIDSPRINCIPE. HELDER, TOCH?

Op dezelfde wijze knoeien we met de gelijkheid. In 1831 kon het nog met een korte principiële bepaling in de Grondwet, het duurde, uiteraard, decennia eer er werk werd van gemaakt. Maar de regel was helder, geïnspireerd door het revolutionair Verlichtingsidee hierover: mensen zijn onderling zéér verschillend, maar we abstraheren al die verschillen en behandelen elkaar wederkerig als gelijken, als personen met dezelfde waardigheid en rechten. Moeilijker is het niet.

Gelijkheidsdenken vergleed in de supermarkt van de verzorgingsstaat van kansengelijkheid naar resultaatsgelijkheid, voorts naar zgn. non-discriminatie, dan naar positieve discriminatie, en nu naar de huldiging van alle mogelijke identitaire kenmerken. We waren in de discriminatiewet al aan 19 potentiële discriminatiegronden (sic!), er waren de sexisme-discriminaties in een aparte wet, er schuilt nog een verbod van taaldiscriminatie in de talenwetgeving en ongetwijfeld vergeet ik er nog.

IS ER NOG EEN GEDISCRIMINEERDE IN DE ZAAL?

In zijn wijsheid heeft het parlement er weer een lange lijst aan toegevoegd. Met passende emotie, en dus unaniem. Discriminaties, aldus de huidige lijst, op grond van zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, moederschap, adoptie, medisch begeleide voortplanting, geslacht, geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie of seksekenmerken, en vaderschap of mee-moederschap zijn nu ook verboden. Oef! Die groepen waren tot recent ongetwijfeld schandelijk gediscrimineerd, want ze hadden nog niet hun eigen  benoemde anti-discriminatiebepaling…

Het gezond verstand is uit deze debatten weggeëbd, en morgen staat de vereniging van de blond- of ros-harigen aan de deuren van het parlement, en wordt er weer een noodwetje tot wijziging van de discriminatiewet gestemd. We zijn elk spoor nu bijster. (Zie ook mevr. Lahaye in DT van 6 maart). Is er daar nog iemand die overzicht behoudt, een beetje toezicht op wat verwettelijkt wordt, en hoe? Of laten we dat maar over aan de emotie van de dag? In een rechtsstaat – en er zijn er steeds minder in de wereld – is dat toch een merkwaardig achteloze omgang met één van onze grote historische verworvenheden.

EEN RECHTSBESTEL VERGT KWALITEIT

Een rechtsstaat stelt heel hoge kwaliteitseisen aan wie ermee omgaat. Dat geldt ook voor de wetgever, net zoals voor magistraten, advocaten of politici. Helaas, kwaliteit is in de moderne democratie niet gegarandeerd. Er is een “re-set” nodig op dit vlak.

Recht bestaat niet zonder handhaving, en met al die discriminatie-tierlantijntjes hebben we het gelijkheidsprincipe wel erg gebanaliseerd. Er komen nu al buiten-gerechtelijke  overheidsinstituties aan te pas om zaken te onderzoeken, klachten in te dienen en rapporten te schrijven. En het is nu mode om u verongelijkt te voelen, niet erkend als u bent in ùw meest intieme identitaire kenmerken. Vroeger leidde dat tot poëzie, vandaag tot rechtszaken.

RECHTSHANDHAVING OF HET VERMOEDEN VAN SCHULD?

De handhaving is problematisch, maar ook dat wordt veronachtzaamd. De eerste handhaving geschiedt nu in de emo-justitie van de publieke opinie, volgens de geijkte cyclus: verontwaardiging, eisen tot eliminatie, standrechtelijke media-executie. Klaar. We krijgen langzaam een lijst van personen die dit overkwam en die worstelen met de vraag of en hoe men zich tegen dit geweld kan verdedigen. Het vermoeden van onschuld werd het vermoeden van schuld. Er is een heel destructieve kant aan de identitaire en de me too-sensatie.

Eenieder heeft in de rechtsstaat recht op een ongeschonden reputatie, op vrijwaring van haar of zijn eer en goede naam. Zet je er maar eens aan zodra je genoemd wordt in een discriminatiezaak, een belagingszaak, een zaak van ongewenst gedrag. Magistraten moeten daarover nog professioneel en in eer en geweten kunnen oordelen, ook wanneer personen al journalistiek zijn fijngemalen.

Heeft men al eens nagedacht over de problematiek van écht bewijs in deze delicate zaken? Over het belang van de concrete omstandigheden, over de inschatting van intenties, of van de grens tussen handelingen met en zonder toestemming? Buiten de expliciete geweldsdelicten, en in private vertrouwelijke omstandigheden, zijn dit soort zaken moeilijk te bewijzen. Dat is objectief zo en het maakt vervolging complex. Eigenlijk maakt het juridisering complex, misschien zelfs onwenselijk. Daar denken we echter niet meer over na. Dat zou nochtans échte goede journalistiek zijn, kom daar maar eens om?

Het is inmiddels zo dat men zich bijna niet of helemaal niet meer kan verdedigen –  daar is geen oog meer voor. In de rechtsstaat zijn nochtans beide aspecten van gelijk belang: we gedogen geen oneigenlijk gedrag, maar we mogen ook geen veroordelingen willen die niet gebaseerd zijn op zeer soliede bewijslast. Het vermoeden van onschuld is er te belangrijk voor.

RECHT EN EMOTIE BEHOREN TOT EEN  VERSCHILLEND REGISTER

De omstandigheid alleen al dat een boekje is gepubliceerd zoals “Hoe legaal te flirten” van prof. Liesbet Stevens, zou komisch zijn als het niet zo tragisch was. Indirect maar zeker geeft het de fundamentele grens aan van juridisering in dergelijke materies. Natuurlijk wil niemand seksueel geweld, net zo min als ander geweld. Natuurlijk wil men dat seksuele handelingen nooit rusten op geweld, maar altijd geschieden met wederzijdse instemming.

De meeste personen voelen wel goed de grens aan, maar wat als iemand van idee verandert? Wat als men er zich achteraf toch over beklaagt? Wat als men dat niet alleen doet in intieme persoonlijke kring maar publiek, met de megafoon van de zgn. sociale media?

Om even een ander actueel vergelijkingspunt te nemen: het kon recent zelfs zo zijn dat familieleden die de euthanasie van hun zus bijwoonden, daar nadien strafklacht tegen neerlegden, én dat – godbetert ! – het parket jaren later de drie artsen voor het Hof van Assisen dagvaardde wegens “moord door vergiftiging”. Pardon? Jawel, 2019! Tragischer kan men de grens van juridisering niet vaststellen.

We verglijden nu naar publieke terechtstellingen à la minute. Kijk naar de dwaze testosteronuitspraak van mr. Mary in het wetenschappelijk tijdschrift Nina: direct afgebrand voor onnozele stoere praat op vrouwendag; deskundigen die in media de strafbaarheid aangeven van een provocatieve uitlating. Gaat het allemaal een beetje?

MEDIA WORDEN PARTIJ

Media kunnen de grens nog verder verleggen. In deze materie worden ze justitiële actoren, net zoals in één van de zwartste periodes van de Vlaamse gerechtsjournalistiek, toen – horresco referens– de zaak “Notaris X” speelde: pure journalistieke schuldigverklaring  van een persoon, op basis van een half gelekt gerechtelijk dossier, langdurige mediacampagne tot verdachtmaking van magistraten die er in hun juridische beoordeling anders over oordeelden. Een zwarte pagina in de Vlaamse journalistiek.

Het gebeurt opnieuw. Nu net omdat een procespartij, die mee aan de basis ligt van “het geval” media-aandacht poogt te vermijden. Men heeft er, zoals altijd, te weinig over nagedacht bij de goedkeuring van de belagingswetgeving en haar potentieel gerechtelijk gevolg. Een vertrouwelijk dossier van een integriteitspersoon binnen een bedrijf leidde tot de directe verbreking van de overeenkomst met een producer en schermgezicht, die sedertdien weggehoond wordt. Hoe kan zo’n man zich verdedigen? De schandpaal is slechte journalistiek, schreven we in november 2017; in een vergelijkbare zaak van een uroloog schreven we in 2019 over Het journalistiek schietkraam.

PLEITJOURNALISTIEK

Recent werd in een krant een flink deel uit het vertrouwelijk gerechtsdossier van de zaak van de tv-man gepubliceerd (DM 22 februari). Er werden zonder enige schroom elementen uit ondervragingen gepubliceerd, al dan niet correct –dat weten we niet. Men doet maar wat.

Schending toch van de vertrouwelijkheid van zulk dossier, en iets te makkelijke journalistiek op basis van eenzijdige lekken.  Ditmaal volgde – werkelijk! – een heus editoriaal, met een forse oproep aan de betrokkene om zijn procesattitude te veranderen. Dat is echte partijdigheid, destijds “dé” journalistieke doodzonde. Ja, het is zo dat er een publiek proces kan komen tegen de man; zijn reputatie ligt nu al jarenlang te grabbel, een beetje ook ingevolge zijn eigen wat naïeve video die hij destijds de wereld inzond. Maar vooral toch door de immense en ongenuanceerde journalistieke overdrijving.

FATSOENLIJK GEDRAG, OOK BIJ DE NAZORG

De kwestie van het publiek proces, waarin de identiteit van de tot nu toe niet gekende dames die zich onheus behandeld voelden, toch bekend zou worden, is een essentiële kwestie. Ten opzichte van zgn. slachtoffers van seksuele delicten geldt dat media hun identiteit niet bekend mogen maken; nooit hebben we evenwel slachtoffers van seksuele delicten beter gekend dan deze van de zaak-Dutroux. Men ziet de paradox.

Ten aanzien van belaging geldt het publicatieverbod niet. En nu kijken ze met vreze uit naar de opheffing van hun anonimiteit, wat ze niet wensten; ze wensten slechts de stopzetting van wat ze blijkbaar onoirbaar gedrag vonden. Opmerkelijk is dat media hun identiteit nooit hebben genoemd, een zeldzame demonstratie van terughoudendheid. Maar media zijn altijd wel doorgegaan met hun belaging van de verdacht gemaakte man, die sinds zijn ontslag lang aan de publieke verachting is blootgesteld.

En nu vindt een redactie er niets beters op dan, op basis van een selectie van het dossier, en al dan niet van verbeelding, publiek op te roepen tot wijziging van processtrategie! Een signaal te meer dat we de limieten van juridisering al ver hebben overschreden. Dit is geen materie voor journalisten, en eigenlijk leent een strafvordering, met al haar rigiditeit en wetmatigheden, zich in het geheel niet tot een goede maatschappelijke afhandeling van zulke zaken.

Goede maatschappelijke afhandeling vergt sereniteit, nuance, bedachtzaamheid, respect voor het leed van vrouwen die zich belaagd voelden, maar ook voor dat van de al standrechtelijk terechtgestelde man die hen mogelijk onheus bejegende.  Vaak zijn dan zaken beter oplosbaar in een goed gesprek dan met procedures. Is dat niet wat de raadsman van de dames in de zaak van de tv-man suggereerde, toen ze (DT 18.11.2017) verklaarde dat ze “als mens” vond dat de heer De Pauw al zwaar genoeg gestraft was?  Is dat niet een roep naar meer menselijkheid en minder procedure? Kan men een duidelijker voorbeeld bedenken van de grens van juridisering van wat zich daar eigenlijk nauwelijks toe leent?

Kortom, er is een re-set nodig van de onwenselijke juridisering van zaken die zich daar eigenlijk niet toe lenen. De verwachting in de magie van de juridische oplossing is onterecht, en soms creëert de juridisering meer problemen dan ze oplost. In een rechtsstaat is dat een héél ernstige zaak. Daar zou heel veel goede journalistiek over te plegen zijn.

 

Ook op vrtnws.be, 9 maart 2020

Democratische Vernieuwing en Burgerschap

INLEIDING

De Commissie voor de Democratische vernieuwing en Burgerschap van de Senaat wenst “een informatieverslag op te stellen betreffende de noodzaak om ons democratisch systeem te moderniseren door de representatieve democratie aan te vullen met meer burgerparticipatie in de besluitvorming op de verschillende bevoegdheidsniveaus alsook in de samenleving” [i].

Op dit ogenblik wenst de Commissie via hoorzittingen met diverse experten meer inzicht te verkrijgen in de materie. U verwacht van ons om ons uit te spreken over “de huidige toestand van de democratie”, met name een overzicht van de factoren die een modernisering van het huidige democratische systeem noodzakelijk maken. Die factoren kunnen slaan op diverse elementen, zoals de werking, knelpunten, lacunes in het huidige systeem.

Ze kunnen leiden tot aanbevelingen.

Uw Commissie heeft de volgende subthema’s gesuggereerd :

  1. Wat is de huidige situatie van de democratie ?
  2. Wat zijn de oorzaken van de kloof tussen volksvertegenwoordigers en vertegenwoordigden ?
  3. Welke rol spelen de media?
  4. Welke rol vervult de digitalisering ?

Uw Commissie vertrekt van de noodzaak om de representatieve democratie, die disfunctioneert, aan te vullen met burgerparticipatie. Burgers werden te veel toeschouwers, hetgeen blijkt uit hun lage opkomst bij verkiezingen, een laag vertrouwen, de daling van partijlidmaatschappen en de toename van protest tegen beslissingen.

 

Impliciet rust de suggestie op de ernst van het probleem aan de input-zijdevan het democratisch proces in een representatief regime. Men kan daar de vraag tegenover plaatsen of het probleem zich niet eerder aan de output-zijdevan het democratisch proces bevindt, zelfs als er aan de input-zijde verbeteringen zouden mogelijk zijn.

XXX

Itinera is een onafhankelijke denktank, opgericht door ondernemers en academici. Ze wordt integraal privaat gefinancierd door ondernemingen, ondernemers en families, die totale intellectuele onafhankelijkheid garanderen. De zorg van de ondernemers, families en academici die in 2006 het initiatief namen, was de vraag of België, en zijn verschillende beleidsniveaus,  aan de toekomstige generaties de welvaart kon garanderen die de naoorlogse generaties kenden.

Itinera maakt wetenschappelijk onderbouwde analyses – de zgn. “facts & figures”– van de grote maatschappelijke dossiers, en verbindt daaraan aanbevelingen met het oog op beter bestuur in België. Het hanteert daarbij een visie op iets langere termijn van ong. 10 jaar.

Itinera vertrekt van het belang van de waardecreatie in België, en de dominante verantwoordelijkheid die ondernemers en ondernemingen daarin hebben, bepleit een inclusieve samenleving waar eenieder bijhoort, en actief burgerschap van burgers in die samenleving.

Itinera let voortdurend op de rol van vier actoren in de samenleving: ondernemingen, overheden, middenveld, burgers. Elk van die actoren dient zijn rol positief te spelen, eigen verantwoordelijkheid te nemen, zich te focussen op kerntaken en zijn acties te richten op welvaartscreatie en –herverdeling op de langere termijn, op sociaal correcte en duurzame wijze. Algemeen belang primeert altijd op bijzondere belangen.

Samengevat is de actie van Itinera altijd gericht op de bevordering van goed bestuurop alle beleidsniveaus in het land. Itinera zal derhalve de vragen van uw commissie behandelen door de invalshoek van goed bestuur.

In deze nota kijken we naar de problematiek van het democratisch proces.

DE SITUATIE VAN DE DEMOCRATIE: NAAR POST-DEMOCRATIE ?

Recent heeft de Franse filosoof Tavoillot gewaarschuwd voor de neergang van democratie, of zelfs voor een post-democratisch tijdperk [ii]. Er zijn, aldus Tavoillot, een drietal oorzaken aan te wijzen voor de hedendaagse teleurstelling over de representatieve democratie: ze lijdt, vooreerst, onder een vreselijke crisis van de representatie, vervolgens, onder een ernstige publieke machteloosheid, en, tenslotte, een diep aangevoeld gebrek aan zingeving.

Dat betekent het volgende :

  • we zijn de mensen, het volk, dat ten grondslag ligt aan de representatieve democratie, voor een stuk verloren;
  • eveneens kunnen we niet meer rekenen op de regering wiens taak het is om de democratie te onderhouden;
  • en we zijn de horizon kwijtgeraakt, het vooruitizcht of het perspectief, dat in een democratie richtinggevend moet zijn.

Wat we hebben aanzien als verworven vooruitgang – de democratie – is in werkelijkheid, aldus Tavoillot, een duizelingwekkende werf geworden. We zweven tussen de nachtmerrie van de publieke machteloosheid en het spook van autoritarisme, en we staan voor de opdracht om de vrijheid van de burgers opnieuw te verzoenen met de efficiëntie van de machtsuitoefening.

Hij pleit voor de kunst om ons te laten besturen, en noemt dit het geheim van vrijwillige gehoorzaamheid,  “une obéissance volontaire” : ”I’art de gouverner est surtout un art d’être gouverné”.

Zijn stelling lijkt te bevestigen dat de gebrekkige steun voor de politiek veroorzaakt is door de falende output van het democratisch procesin een representatieve context. Men haakt af omdat regeringen geen perspectief meer representeren, geen zingeving weten op te bouwen, noch de samenleving weten te begeesteren.

Tevens is wat men ziet en hoort van het democratisch proces weinig geloofwaardig, en geeft het allerminst de indruk dat de politiek bezig is met de vraagstukken van de burgers, en waarvoor het bij verkiezingen mogelijk zelfs aangenomen had dat de kandidaten er zich bewust van waren en er werk van zouden maken[iii].

 

Burgers hebben vooral nood aan perspectief dat politiek ook concrete zaken realiseert. We kunnen onderscheid maken tussen beleid (‘policy’) en politiek (‘politics’). Beleid voeren impliceert het opstellen van doelstellingen op zo’n manier dan de bevolking ook weet wat het project is, wat de grote assen zijn die men wil realiseren. Vervolgens hoort bij onderbouwd beleid ook een evaluatie ex post van de resultaten. Essentieel is dat uit zo’n evaluatie ook conclusies getrokken worden door beleid zo nodig bij te sturen. De politiek kan enorm aan geloofwaardigheid winnen door beleid veel meer te onderbouwen.

HET BELANG VAN WAARDEN EN INSTITUTIES

Burgers hebben een omgeving nodig die hen kadert en beschermt. Onze zgn. “waarden en instituties” spelen die rol: ze stellen samenlevingen in staat stellen om belangrijke economische activiteit te ontwikkelen op lange termijn, en welvaart te creëren[iv]. Dat gaat van waarden zoals rechtszekerheid, en de wettelijke erkenning van de rechtswaarde van contracten, over individuele vrijheden – waaronder de vrijheid van handel en nijverheid[v], of nog, gelijkheid en goed bestuur.

 

Dat gaat ook over de rechten en vrijheden in het algemeen, en de vrijheid van mening en van meningsuiting in het bijzonder, die  van belang is omdat zonder die vrijheden de vaststelling en publicatie van accurate feiten en waardevolle opinies niet mogelijk is. De “free trade in ideas”, ook gekend als “the marketplace of ideas”,drukt de kracht uit van ideeën die sterk genoeg moeten zijn om overeind te blijven in een open concurrentie van verschillende ideeën.

Diezelfde vrijheden borgen ook de mogelijkheid tot ontwikkeling en zelf-ontplooiing van individuen, die ook nodig is als grondslag voor actief burgerschap in een democratische samenleving, en zijn ook de grondslag van toezicht en controle op het handelen van overheden.[vi]

We doen te weinig om onze waarden in instituties tot leven te brengen in de samenleving, zowel in het onderwijs als in het publiek debat. Democratie is moeilijk en houdt imperfecties in, de vermeende perfectie doet zich slechts voor in autoritaire regimes en dictaturen. Maar democratie moet constant uitgelegd worden. Voornamelijk omdat vrijheid en rechtsstaat optimistische idealen zijn, gehinderd door menselijke gebreken en maatschappelijke obstakels. De fundamentele keuze is om het risico van de vrijheid te verkiezen boven het risico en de imperfectie van de onvrijheid[vii]. Dat vergt voortdurend toelichting en samenlevings-wijsheid, burgereducatie en open dialoog… en daarin zijn we niet sterk…

Dit brengt ons bij een doorslaggevend element van het democratisch proces: de noodzaak om verantwoordingaf te leggen over doen en laten, en het kernbegrip van politieke verantwoordelijkheid. Die beide elementen zijn verregaand geërodeerd.

Het is niet overdreven om te stellen dat ze zijn opgegaan in procedures zonder gevolg. De jaarboeken van het Rekenhof – in de volksmond gekend als “blunderboek” – leiden nauwelijks tot debat en zichtbare wanprestaties – elk van u kan zich hierbij een serie van zaken voor de geest halen – blijven in de regel zelfs zonder gevolg.

CHAOS DOOR SOCIAL MEDIA?

Social media spelen een rol, zoals uw bevraging terecht stelt. McLuhan leerde dat, naast media-inhoud, voornamelijk de invloed van media op sociale relaties van belang is[viii]. Dat is sedertdien wel gebleken, doch niet zozeer met de nu bijna idyllisch klinkende betekenis die McLuhan aan nieuwe mediavormen leek toe te schrijven :

“In the mid-1960s, Canadian cultural scholar Marshall McLuhan (1964) wrote that, with the rise of electronic media, “we have extended our central nervous system itself in a global embrace. McLuhan belíeved that the rise of electronic media marked a new phase in human history. For the first time, physical distance was no longer a barrier, and instantaneous mass communication across the globe was possible. The result was McLuhan’s notion of “global village”, in which the people of the world would be brought closer together as they made their voices heard. Such an information environment, according to McLuhan, “compels commitment and participation. We have become irrevocably involved with, and responsible for, each other[ix].

 

Integendeel, vandaag, na de opkomst van audiovisuele communicatie, en met de zgn. sociale mediaplatformen, spreken we van …

an overheated political climatethat appears increasingly unstable, riven with místrust and mutual intolerance, fuelled by wild accusatíons and online bullying, a dialogue of the deaf drowning each other out with noise. (…)

Democracy is starting to look unhinged”, aldus David Runciman[x].

We moeten beseffen dat (de  algoritmen van de) “social media” marketínginstrumenten zijn. Ze profileren de gebruikers van zgn. “gratis” diensten op basis van alle data die ze van hen “stelen” door hun surfgedrag voortdurend te bespieden en data te collecteren. ln de marketing verhoogt dat aanzienlijk de efficiëntie. Immers, gebruikers van “social media” worden integraal geprofileerd: “social media” capteren àlle data van gebruikers op basis van de inhoud van mails, de sites die worden bezocht en de duur die  er wordt besteed, de “Iikes” en “friends” of duimpjes die uitgedeeld worden, enz. Dat laat toe om advertenties zeer specifiek op potentieel geïnteresseerde gebruikers te richten . Op die wijze komen gemakkelijker transacties tot stand, wat deadverteerders helpt. En consumenten worden minder geplaagd met reclame-aanbiedingen voor producten en diensten waarvoor ze geen belangstelling hebben.

Het belangrijkste is dat personen er herleid worden tot een data-profiel, en daarmee worden geïdentificeerd. Dat is – té beknopt samengevat – wat algoritmen doen, en Al kan daar een boost opzetten. Algoritmen en  Al kunnen tot enorme maatschappelijke en persoonlijke voordelen leiden – we staan nog maar aan het begin van die evolutie[xi].

Dit marketingmodel, op basis waarvan de “social media” functioneren, heeft evenwel

desastreuze effecten voor het democratisch proces. Het bevordert niét de uitwisseling van

zinvolle opinies, stimuleert geen redelijke tegenspraak, voedt het publiek debat niét met

gevalideerde content, bevordert zingeving niet, en inspireert noch vertrouwen noch

verbondenheid. Dit zijn nochtans de noodzakelijke basiskenmerken van een democratische

samenleving die steunt op actief burgerschap: zonder die kenmerken en fundering verdampt de democratische samenleving en komt democratie in problemen.

Zover zijn we.

Het marketinginstrument is inmiddels verderdoorgeslagen naar inhoud. Niet alleen is het actief ten aanzien van de efficiëntie van advertenties en hun bereik, maar het werkt ook door op de inhoud die iemand via “social media” opzoekt. Zo stellen die tech-platformen steeds meer inhoud voor van het type dat iemand opzoekt, en op die wijze creëert men zgn. “bubbels” van gelijkgestemden.

Personen worden op die manier, langzaam maar zeker, opgesloten in een cirkel van

dezelfde inhoud, van het eigen gelijk en de voortdurende bevestiging. De kritische bevraging

van opinies en ideeën wordt marginaal of verdwijnt, en de illusie van het eigen groot gelijk

wordt gevoed. Naarmate steeds meer extreme inhoud via de tech-platformen wordt

verspreid, neemt de radicalisering en polarisering toe, en neemt de kritische attitude ten

aanzien van informatie af. Hoewel de tech-platformen ons informatief bereik aanzienlijk

hebben vergroot, vergt het steeds meer alerte gebruikers, indien men wil voorkomen dat

opiniëring verarmt en verdamptl[xii].

Zo verwierven Al en algoritmen ook een vernietigende invloed op het publiek debat,

dat ten grondslag ligt aan een democratische rechtsstaat. Het is net op basis van de open

uitwisseling van ideeën dat een democratische samenleving kan bestaan.

Freedom House sluit zijn laatstejaarverslag over “social media” in 2019 af met de titel “The Crisis of Social Media”[xiii]. lnternetvrijheid, aldus Freedom House, wordt steeds meer bedreigd door de instrumenten en tactieken van digitaal autoritarisme, die zich snel over de hele wereld hebben verspreid. Repressieve regimes, verkozen leiders met autoritaire ambities en gewetenloze partijdige functionarissen hebben de niet-gereguleerde ruimtes van sociale mediaplatforms geëxploiteerd en omgezet in instrumenten voor politieke distorsie en maatschappelijke controle.

Hoewel “social media” soms hebben gediend als een gelijk speelveld voor

maatschappelijke discussie, neigen ze nu gevaarlijk naar “ílliberalisme[xiv]”, waardoor burgers

worden blootgesteld aan een ongekend hardhandig optreden tegen hun fundamentele

vrijheden. Bovendien zet een verbazingwekkende verscheidenheid van overheden

geavanceerde hulpmiddelen in om gebruikers op een enorme schaal te identificeren en te

volgen.

POORTWACHTERS EN ECHOKAMERS

Yascha Mounk wees er op dat techno-optimisten vooral veel heil zagen in de nieuwe

media. Die zouden burgers in staat stellen om zelf verslag uit te brengen over nieuws, misbruiken aan de kaak te stellen, vrije opinies te verspreiden, overheidshandelen op te volgen en burgerparticipatie te bevorderen. Men verwees naar evoluties van Malaysia over de Filippijnen tot China en de zgn. “Arabische lente”, waar kogels werden beantwoord met

tweets[xv]. De voorbeelden inspireren toch eerder twijfel, omdat de democratische winst in de genoemde landen beperkter is dan men aanvankelijk dacht.

Er zijn ook stemmen, zoals Mozorov[xvi]of, Cass Sunstein[xvii]die voorzichtiger argumenteren. Vrijheid, aldus Sunstein, veronderstelt de mogelijkheid om zijn leven vrij in te richten, richting te geven zoals men dat zelf ziet.

Mensen hebben er behoefte aan om te zien hoe ze hun toekomst kunnen tot stand brengen.Als ze dat niet kunnen zien, voelen ze zich te beperkt in hun mogelijkheden en riskeren ze af te haken. En het internet desoriënteert mogelijk meer dan het oriënteert: internetgebruikers kunnen zelf hun informatiebronnen selecteren – of ze denken toch dat te doen – maar zo ontstaan de fameuze “bubbles” of “echokamers” tussen gelijkgestemden[xviii].

Paradoxaal genoeg is het dus mogelijk dat het toegenomen gemak van communicatie met iedereen ter wereld toch leidt tot veel minder communicatie over de meest opvallende sociale en politieke verschilpunten.

Yascha Mounk wijst er op dat de sociale media voornamelijk de poortwachters (“gatekeepers”)van communicatie hebben weggenomen. Voor er “social media” waren, bewaakten overheden en grote mediabedrijven meer een soort van “standaard van aanvaardbaar publiek debat”. ln een goede democratie stond op die manier een grote rem op zaken zoals puur racistische inhoud, samenzweringstheorieën en patente leugens; zo werd de liberale democratie gestabiliseerd. Onder autocratisch bewind perken poortwachters daarentegen mogelijke kritiek op de dictator ` in, en wordt democratisering net tegengewerkt[xix].

ln hun boek “Digital Transformation” hadden Caudron en Van Peteghem dergelijke stelling al eerder uitgewerkt[xx].

WAAKT “THE PUBLIC WATCHDOG OF DEMOCRACY” NOG VOLDOENDE ?

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens herhaalt voortdurend dat expressievrijheid één van de essentiële fundamenten is van een democratische samenleving, en één van de basisvoorwaarden voor haar vooruitgang en voor de zelfontplooiing van elk individu. Ze beschermt zowel informatie en opinies die men gunstig beoordeelt of met onverschilligheid bejegent, als degene die ons choqueren, verontrusten of zelfs beledigen. Dat wordt immers gevergd door pluralisme, verdraagzaamheid en ruimdenkendheid, zonder dewelke er geen democratische samenleving denkbaar is[xxi].

In het bijzonder wat de rol van pers en media betreft in een democratische samenleving, wijst het Hof er voortdurend op dat zij zeker wel bepaalde grenzen moetenrespecteren, o.m. de vrijwaring van andermans eer en goede naam of privacy, doch dat hettoch hun essentiële plicht is om, op een wijze die verenigbaar is met haar essentiële plichtenen verantwoordelijkheden, informatie en ideeën te verspreiden over alle maatschappelijkeaangelegenheden van algemeen belang[xxii]. Het blijft in het belang van een democratische samenleving om een vrije pers in staat te stellen om haar vitale rol van“public watchdog of democracy” uit te oefenen, door haar mogelijkheden te vrijwaren om vrij over alle maatschappelijke zaken van algemeen belang te kunnen publiceren.

Het is essentieel om de bovenstaande beginselen altijd voor ogen te houden. Wanneer we de rol van informatie- en expressievrijheid in en voor een democratische samenleving onderzoeken: dit zijn de standaarden – ook ten aanzien van die informatie die bewerkt zou zijn met Al en algoritmen. We moeten voor ogen houden dat het daarbij gaat over digitale technieken – essentieel zelfs marketingtechnieken – die inhouden dat ze kunnen worden ingezet voor manipulatie.

Bij ons wezen Caudron en Van Peteghem wezen er al eerder op dat digitale transformatie op informatief vlak, een neiging stimuleert naar minder “content” of kwaliteit.

Summiere informatie, “headIines” of korte “reviews” volstaan :

“We judge by new criteria: short reviews, comments, recommendotions, and ratings. Often it becomes very difficult to differentiate on quality content. Many of the paid-for models of online newspapers are based on “quality behind the paywal”. The problem with this is that most people settle for the quantity before the paywall. lt they get the summary, the headlines, the conclusions, that often is enough. Good is good enough.”[xxiii]

Het is zelfs de vraag of gewone moderne journalistiek eigenlijk nog wel voldoende kwalitatief en kritisch is voor wat moderne democratische samenlevingen, met een zekere graad van complexiteit, nodig hebben. Rolf Dobelli publiceerde al in 2010 zijn zeer kritisch pamflet over journalistiek[xxiv]. Het is zopas als boek uitgegeven, met dezelfde inhoud. Journalistiek, aldus Dobelli is irrelevant geworden, de focus ligt te veel op onbenulligheden, en de zaken die ertoe doen worden niet echt behandeld. Een mens functioneert, aldus Dobelli, beter als hij zijn geest niét vergiftigt met al die gepubliceerde en uitgezonden rommel, verkeerde selectieen oppervlakkige analysen.[xxv]

Steven Pinker herinnerde in dit verband aan de povere selectiecriteria van nieuws en journalistiek in het algemeen. Ze dateren van de 60’er jaren en bevoordelen berichtgeving over abnormale, spectaculaire en negatieve zaken; zo ontstaat wat Pinker noemt “progressophobia”,de angst voor vooruitgang. Vooruitgang doet zich eerder geleidelijk voor

en relatief lineair; zelden is ze echt spectaculair. Met de aandacht gericht op negativiteit en,

dus, ook eerder op mislukkingen dan successen, doet men mensen denken dat vroeger alles

beter was, dat de toekomst er somber uitziet en dat we alleen nog achteruit kunnen gaan en aan onze kinderen een slechter perspectief kunnen bieden dan we zelf kenden. Er waren zelden zo veel en zo vaak gereproduceerde apocalyptische geluiden als vandaag[xxvi].

“LlVlNG TOGETHER”, “VIVRE ENSEMBLE”, “SAMEN-LEVEN”

Zodra omstreden zaken van maatschappelijk belang aan de orde zijn die tot polarisering leiden, zijn de fundamenten van de samenleving in het geding. Dan is het van het grootste belang dat overheden maatschappelijke keuzen maken. Overheden moeten dan echt op hun strepen staan in verband met de basisregels van sociale communicatie, en de eisen van “vivre ensemble”.Overheden moeten de beginselen van interactie tussen individuen beschermen, want die zijn essentieel is voor waarden zoals pluralisme, tolerantie en ruimdenkendheid, zonder dewelke er geen democratische samenleving is.

Dààr ligt een echte kerntaak voor overheden, en een fundamentele zorg in onze moderne democratie. Uiteraard moeten zulke keuzen gemaakt worden binnen het kader van het Mensenrechtenverdrag. Dat kwam goed aan bod in een arrest van 1 juli 2014 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende het zgn. “boerkaverbod” in

Frankrijk[xxvii], en wel in de volgende bewoordingen:

  • 153. Furthermore, admittedly, as the applicant painted out, by prohibiting everyone

from wearing clothing designed to conceal the face in public places, the respondent

State has to a certain extent restricted the reach of pluralism, since the ban prevents

certain women from expressing their personality and their beliefs by wearing the full-

face veil in public. However, for their part, the Government indicated that it was a

question of responding to a practice that the State deemed incompatible, in French

society, with the ground rules of social communication and more broadly the

requirements of “living together”. From that perspective, the respondent State is

seeking to protect a principle of interaction between individuals, which in its view is

essential for the expression not only of pluralism, but also of tolerance and

broadmindedness without which there is no democratic society(see

paragraph 128 above). lt can thus be said that the question whether or not it should be permitted to wear the full-face veil in public places constitutes a choice of society. “

De eisen van “samen-leven”, “le vivre ensemble”, “the requirements of living together” kunnen dus beperkingen opleggen aan individuele rechten, waaruit voortvloeit dat ze voorrang hebben op de uitoefening van fundamentele vrijheden. De verantwoording daarvan raakt precies de kern van een “democratische samenleving” en rechtsstaat. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens drukt dit in het arrest als volgt uit:

“§ 128. Pluralism, tolerance and broadmíndedness are hallmarks of a

“democratic society”. Although individual interests must on occasion be subordinated

to those of a group, democracy does not simply mean that the views of a majority must always prevail: a balance must be achieved which ensures the fair treatment of people from minorities and avoids any abuse of a dominant position (see, mutatis

mutandis, Young, James and Webster v. the United Kingdom, 13 August 1981, §

63, Series A no. 44, and Chassagnou and Others v. France [GC],

nos. 25088/94, 28331/95 and 28443/95, § 112, ECHR 1999-lll).

Pluralism and democracy must also be based on dialogue and a spirit of compromise necessarily entailing various concessions on the part of individuals or groups of individuals which are justifled in order to maintain and promote the ideals and values of a democratic society(see, mutatis mutandis, United Communist Party of Turkey and Others v. Turkey, 30 January 1998, § 45, Reports 1998-I, and Refah Partisi (the welfare Party) and Others, cited above, § 99). Where these “rights and freedoms of others” are themselves among those guaranteed by the Convention or the Protocols thereto, it must be accepted that the need to protect them may lead States to restrict other rights or freedoms Iikewise set forth in the Convention. lt is precisely this constant search for a balance between the fundamental rights of each individual which constitutes the foundation of a “democratic society” (see Chassagnou and Others, cited above, § 113; see also Leyla ,$ahin, cited above, § 108). ”

                        Tenslotte waarschuwt het EHRM ervoor om te veel voort te gaan op emoties. In de rechtsstaat zijn mensenrechten niet onderworpen aan beperkingen om tegemoet te komen aan een dictaat van pubieke verontwaardiging: de democratische rechtsstaat moet zijn oordeel altijd doen steunen op argumenten en redelijkheid in plaats van op emoties. De samenleving moet altijd redelijk –reasonable – blijven in haar oordeel[xxviii]:

a legal system which applies restrictions on human rights in order to satisfy the dictates of public feeling – real or imaginary – cannot be regarded as meeting the pressing social needs recognised in a democratic society, since that society must remain reasonable in its judgement[xxix]”.

VERTROUWEN EN PUBLIEK DEBAT

Internationaal wordt een achteruitgang geregistreerd van het aantal burgers in de

wereld dat leeft onder democratische regimes, ten voordele van autocratische leiders. Het

laatste jaarverslag van Freedom House over de stand van zaken van de democratie in de

wereld draagt als titel: “Democracy in Retreat. Freedom in the World 2019.[xxx]

In democratische staten is de tevredenheid van burgers over de werking van hun democratie maar matig. Zo spreekt, volgens de Eurobarometer, slechts 50% van de burgers in de EU zijn tevredenheid over de democratie uit, terwijl 65% van de burgers in Vlaanderen tevreden is over de democratie.

Burgers spreken eveneens geen overdreven vertrouwen uit in hun instellingen[xxxi].

Slechts in onderwijs, politie en gemeentelijke administratie spreekt meer dan 50% van de

Vlamingen vertrouwen uit. Het vertrouwen in andere instellingen is lager, met minder dan

25% van de bevolking dat nog vertrouwen uitspreekt in de Vlaamse regering, pers of

parlement, de federale regering en parlement, of nog, vakorganisaties en politieke partijen.

Over veel instellingen neemt tot de helft van de burgers neemt geen uitgesproken standpunt. De cijfers voor franstalig België zijn nog lager[xxxii].

Dit zijn zorgwekkende cijfers, die tot actie nopen. Een democratische rechtsstaat kan

niet behoorlijk functioneren zonder uitgesproken vertrouwen van zijn burgers

DE WAARDE VAN EEN REPRESENTATIEF REGIME

Het “We, the People” van de US Constitution spreekt niet rechtstreeks, doch via representatie. Dat is de enig mogelijke manier om een grotere bevolking toch bij zijn bestuur te betrekken. Populistische verwachting, eisen, passies en vooroordelen moéten gefilterd worden vooraleer je wetgeving kan maken: er is een mediator nodig die de verlangens van het volk toch goed kan capteren om dan beleid uit te tekenen dat goed is voor het algemeen belang en het welzijn van eenieder[xxxiii].

In een democratie zijn de zgn. “checks and balances”,zoals die grondwettelijk zijn uitgewerkt van bijzonder belang.  Zo is, o.m. een representatief regime zelf, al een vorm van “checks and baIances”, omdat het volk zich uitspreekt via het stemrecht, en het woord dan legitiem wordt gevoerd door de verkozenen[xxxiv].

Zaken als recurrente vrije verkiezingen, algemeen stemrecht, of nog, de scheiding van wetgevend, uitvoerende en rechterlijke macht e.dgl. behoren tot dat arsenaal. Die “checks and baIances” moeten beschermen tegen deviatie van de ene of de andere in het systeem van machtsuitoefening, en ook een zekere stroomlijn brengen in de te grote veelheid van gedachten en opinies van eenieder, en het rechtsstatelijk democratisch kader bewaken.

Met andere woorden: een representatief regime heeft zeer veel zin. Het is de enige vorm die beschermt tegen de chaos van de zgn. publieke opine van een gehele bevolking[xxxv]. Wie daar nog aan zou twijfelen, kan zich vergewissen van de extreme en vulgaire uitlatingen op de zgn. “social media”.

Daarnaast doen ook ongeschreven democratische normen de democratie beter functioneren. Levitski en Zyblatt voeren aan dat er zo ongeschreven vuistregels zijn die de formele Amerikaanse “checks and balances” mee hebben gevrijwaard: vooreerst het concept van wederzijdse tolerantie, of het begrip dat concurrerende partijen elkaar accepteren als legitieme rivalen, en, vervolgens, een zekere terughoudendheid (”forbearance”), of het idee dat politici terughoudend moeten zijn in en met de uitoefening van hun prerogatieven[xxxvi].

Rivaliserende leiders dienen elkaar als legitieme tegenstrevers te zien en ze moeten aan de verleiding weerstaan om hun tijdelijke controle over instellingen te misbruiken om een partijdig voordeel te maximaliseren. Die vuistregels inzake tolerantie en terughoudendheid zijn “de vangrails van een liberale democratie”[xxxvii].

Gaandeweg zijn we in de voorbije jaren de wijsheid van die vuistregels, en hun vitaal

belang voor een gezonde democratie uit het oog verloren. Politieke leiders ondernamen

steeds meer pogingen om het extreme uit hun tijdelijke bevoegdheden te halen, en

respecteerden steeds minder de legitimiteit van hun tegenstrevers. Het hedendaags politiek discours spreekt in dit verband – internationaal, maar ook nationaal – boekdelen.

XXX

ln België zijn deze fenomenen goed gekend door elementen zoals verzuiIing[xxxviii], waarbij partijen uitdeinden tot goed gesubsidieerde dienstverlenende elementen van de bevriende zuil, die ook ruim bedacht werden met de uitvoering van overheidstaken in onderaanneming.

Een tweede verschijningsvorm, in België, van de erosie van de ongeschreven vuistregels is de zgn.particratie[xxxix], waarin alles door de bril van het partijbelang wordt geëvalueerd, ten nadele van het algemeen belang. Een afgeleide daarvan is een zekere mate van corporatísme, waarbij particuliere belangen zwaarder gaan doorwegen dan het algemeen belang, of het algemeen belang gesubstitueerd wordt door een optelling van een selectie van verbonden en gepriviligiëerde particuliere of bijzondere belangen.

België heeft, naast de politieke democratie, nog een tweede kans-democratie, in de vorm van het  fors verankerde sociaal overleg, met hoofdzakelijk gevestigde werkgevers- en werknemersorganisaties – waarbij deze laatste geaffilieerd zijn aan de hierboven genoemde zuilen. Dit is een redelijk unieke vorm van burgerparticipatie, die, mogelijk, de geanalyseerde nadelen van de politieke representatieve democratie wel heeft overgenomen.

 

Deze elementen leiden tot polarisatie, omdat partijen rivalen worden in de zonet beschreven voordelenwedloop, en tegenstrevers als vijanden worden gebrandmerkt waarvoor men geen respect meer opbrengt. Extreme polarisatie is dodelijk voor een liberale democratie, dat is de basisstelling van Levitsky en Ziblatt. Dit zijn factoren die ons ver buiten “de vangrails van de democratie”[xl]hebben gebracht.

Maar, zoals bij aanvang gesuggereerd, ze gaan niet over de input-zijde, maar over de output-zijde, over gewoonten en attitude van de professionals IN het democratisch proces.

PERSPECTIEF, KENNIS, ZINGEVING

Het ontbreekt in de samenleving aan een wervend verhaal. De grote ideologieën vervelden, en verbinden blijkbaar niet meer. Het is ùw taak, een essentieel onderdeel van ùw mandaat, om dat verhaal samen te stellen, te communiceren, te doen leven. Nu er geen meerderheden meer zijn, maar optelsommen van minderheden, is het ook ùw taak om dergelijk verhaal samen te stellen met het oog op de lange termijn.

Electoraal gewin van gisteren of electoraal gespin voor morgen ondermijnt het. Zijn partijen niet te zeer voortdurend in een electorale modus, die het verworven mandaat herleidt tot een faciliteit voor de verzekering van een volgend mandaat?

Social media dragen enkel daartoe bij, ook al omdat politieke partijen (met hun rijkelijke publieke financiering) massaal investeren in communicatie op social media, en de infernale spiraal die zo nadelig is voor een volwaardig publiek debat mee voeden en daardoor ook lijken te legitimeren.

XXX

Er is veel evidentie dat verzorgingsstaten als groot nadeel hebben dat ze een zekere passiviteit bij burgers inspireren; men heeft “recht” op veel voorzieningen, en dat wekt de indruk dat het gaat om automatismen. Betrokkenheidwordt afgebouwd, het “quid-pro-quo”-idee of de nobele gedachten over solidariteit verdwijnt op de achtergrond. Hoe meer voorzieningen de verzorgingsstaat aanbiedt, hoe meer burgers lijken af te haken.

Zowel wat men in Nederland “de zgn. ‘protestantse ethiek’ noemt – zichzelf maatschappelijk ‘verbeteren’ door hard werken, sparen en carrière maken – alsook die welke was verbonden met de socialistische maatschappijbeschouwing, geconcretiseerd in collectieve solidariteit. Beide grondhoudingen zijn door de verzorgingsstaat min of meer overbodig geworden[xli].

Overheden, politici of partijen stralen niet langer een positief toekomstperspectief uit, ze lijken te worstelen met het heden, lijken overweldigd door de technische eisen en complexiteit van bestuur en werven of verbinden niet meer – terwijl we in een welvarend gebied van de wereld leven en al decennialang vrede kennen en vooruitgang. Dàt is de kern van het vraagstuk van het democratisch proces. Nogmaals: het betreft niet de input, het gaat over de output.

We missen een “man on the moon- “verhaal, zoals President John Kennedy dat in 1962 in de USA lanceerde[xlii]. Zijn oproep suggereerde de ruimte als nieuwe grens, en appelleerde aan de Amerikaanse pioniersgeest; tegen de achtergrond van de zgn. Koude Oorlog voedde hij zijn toespraak met een gevoel van urgentie en bestemming, en hij beklemtoonde de vrijheid die Amerikanen genoten om hun bestemming te kiezen in plaats van ze te laten opdringen door omstandigheden of derden.

De speech heeft alle kenmerken van een toekomstgericht wervend appel dat we vandaag node missen, en zonder hetwelk een goed democratisch bewind ook teloor gaat. Hij overschaduwde de vragen over de kosten en de uiteindelijke meerwaarde van zijn voorstel, en in Juli 1969 zetten Neil Armstrong en Buzz Aldrin, met de Apollo 11-missie, voet op de maan.

Kennedy kapitaliseerde op waarden zoals fierheid, wetenschap, kennis, vooruitgang,

technologie, excellentie:

“There is no strife, no prejudice, na national conflict in outer space as yet. Its hazards

are hostile to us all. lts conquest desen/es the best of all mankind, and its opportunity

for peaceful cooperation may never come again. (…)

We choose to go to the Moon…We choose to go to the Moon in this decade and do the

other things, not because they are easy, but because they are hard; because that goal

will serve to organize and measure the best of our energies and skills, because that

challenge is one that we are willing to accept, one we are unwílling to postpone, and

one we intend to win, and the others, too.”

Op een ogenblik van grote kennis, net nu we geconfronteerd worden met een schaduwzijde, zoals de toepassing van het marketingmodel van algoritmen op globale communicaties via de “social media”, moeten we de moed hebben om het belang van kennis te restaureren, om wetenschap en evidentie ten grondslag te leggen aan beleid, maar ook aan de strijd tegen misbruiken. De waarde van kennis wordt onderschat, en soms gedenigreerd, het algoritme-misbruik en de desastreuze gevolgen ervan voor democratie, actief burgerschap en rechtsstaat zijn dramatisch.

Ook in de behartiging van de publieke zaak, kunnen we niet zonder de re-evaluatie van grondslag van expertise en kennis[xliii].

We moeten opnieuw zin geven aan onze toekomst, “purpose”,de behartiging heruitvinden van “the common good”.Zowel Nobelprijswinnaar Jean Tirole als Aaron Hurst riepen er al toe op[xliv]. Een niet zo onbelangrijk deel van de schade die we lijden ingevolge de

beschreven negatieve invloed van het “social media”-marketingmodel op de democratie, is maar mogelijk omdat in de moderne democratieën een vacuüm heerst dat hen ondermijnt.

Dat vacuüm kunnen en moeten we aanpakken, met burgers en échte politieke leiders die opnieuw een perspectief op lange termijn uitwerken, daadkracht tonen en leiderschap.

Zopas nog werd deze behoefte aan perspectief, doelstelling en vooruitzicht – in deze

zgn. “VUCA”-tijden – “volatile, uncertain, complex and ambiguous”– beschreven, en werd er

perspectief tegenover gesteld[xlv]. Dat is één van de beste manieren om de kwalijke gevolgen

van de aanwending van een marketingmodel op de publieke zaak te keren. Niet de enige. Ook de tech-platformen dragen een gigantische verantwoordelijkheid, ze keken te lang de andere kant op; wellicht moeten ze ook  aangepakt worden. Politici, tenslotte, moeten het inzicht en de moed hebben om te herpakken en zich in te zetten voor de toekomst

van de volgende generaties. Dat is hun échte verantwoordelijkheid.

ln deze meest welvarende contreien van de wereld hebben we de gedeelde verantwoordelijkheid om dit beter aan te pakken. We kunnen dit niet langer op zijn beloop

laten.Verantwoordelijkheid,daadkracht en perspectief kunnen de infernale spiraal waarin we dreigen terecht te komen overstijgen.

GOED BESTUUR

Itinera heeft 30 internationale landenindexen op zijn website geplaatst: samen geven die een redelijk objectief beeld van de prestaties van landen[xlvi]. Het beeld van België toont vooral middelmaat. België is nergens top, en presteert duidelijk onder zijn potentieel. We hinken fors achterop bij vergelijkbare landen[xlvii].

 

Er zijn geen goede redenen waarom landen zoals Nederland, Zwitserland en Denemarken in de IMD-Competitiveness Index op plaatsen 4, 5 en 6 staan, en België pas op plaats 26; we gingen daarenboven systematisch achteruit over de laatste jaren.

VOKA publiceert een “Value-for-money-index”,die de kost van een overheid vergelijkt met haar prestaties. België behaalt maar een 18deplaats op 26 onderzochte landen; Ierland, Zwitserland en Nederland zijn de toppers. Ook zij hebben relatief zware overheden die veel aanbieden aan hun burgers, maar aan significant lagere kost. België scoort in de top-5 qua kosten, maar bengelt bij de laatste 6 inzake prestaties[xlviii]. En ook hier zakken we naar beneden.

 

Vergelijkbare landen die systematisch beter scoren beschikken niet over wondermiddelen. Wat hen onderscheidt van België is: goed bestuur.

GOED GEORGANISEERDE BELEIDSNIVEAUS

Goed bestuur veronderstelt goed georganiseerde beleidsniveaus. Elk bestuursniveau dient over een helder bevoegdheidspakket te beschikken, met compacte en volwaardige domeinen, zodat doelstellingen kunnen bereikt worden.

Een basisbeginsel over de gezamenlijke verantwoordelijkheid om altijd het beste resultaat te bereiken voor het algemeen belang – een vorm van “Bundestreue” –is nodig als richtinggevend beginsel voor het handelen van élk bevoegdheidsniveau.

Een bijzonder sterk orgaan is nodig voor overleg tussen bevoegdheidsniveaus voor de prompte oplossing van problemen van coördinatie en samenwerking.

Op elk van deze punten faalt de constitutionele regeling na de diverse staatshervormingen totaal. Hier is dringend bijsturing nodig.

 

FOCUS OP HELDERE DOELSTELLINGEN

Goed bestuur rust op de vaardigheid om heldere doelstellingen te definiëren, in een correcte relatie tot andere maatschappelijke belangrijke doelstellingen, en daar vervolgens een projectmatig plan voor uit te werken waarbij de noodzakelijke middelen en de tijdslijn worden bepaald. Dit heeft eveneens te maken met de behoefte aan een focus op kerntaken, waarvan de ambitie moet zijn om die altijd voorrang te geven en excellent te vervullen.

Deze fase moet rusten op kennis enerzijds, zodat beleid evidence-based is, en op legitimiteit anderzijds, zodat beleid aanvaard wordt en door burgers gedragen wordt. In essentie is dat de politieke fase van goed bestuur, of het geheel van politieke beslissingen die dienen te worden genomen als basis van goed bestuur.

Terloops weze opgemerkt dat de focus van uw commissie op zgn. burgerparticipatie  blijkbaar doelt  op het legitimiteitselement. Burgerparticipatie is, misschien,  een onderdeel van de oplossing, maar niet de panacea.

 

STOP SLECHTE PARTICRATIE

Verder rust goed bestuur op beleidsuitvoering zonder  politisering, door professionele en neutrale ambtenaren met het oog op de realisatie van de doelstellingen, op ethische wijze, en in een kader van algemeen belang. Dat vergt beleidsuitvoering door een goed opgeleide en goed georganiseerde “civil service” die transparant werkt en verantwoording aflegt.

Te vaak handelen regeringen in een grote mate van isolement van de samenleving en van expertise. De kwalijke gewoonte om niet met de administratie te werken, doch zich daarvan te isoleren in zgn. kabinetten, dient beëindigd.

Beleidsvoorbereiding en –opvolging geschiedt essentieel door de administraties; zij hebben het voordeel van een continuïteit over electorale limieten heen, en van expertise in de beleidsdomeinen op grond van hun bekwaamheid, opleiding en ervaring.

Dat zijn dan ook de enige aanwervingscriteria, wat het verbod inhoudt van zgn. politieke benoemingen op gelijk welk niveau, en de overbodigheid van een instituut zoals Selor.

 

MAAK BELEIDSEVALUATIES

Goed bestuur evalueert regelmatig en stuurt bij waar nodig. Het respecteert tijdslijnen en te behalen stappen in de uitvoering van het plan.

Evaluatie van het gevoerd beleid geschiedt regelmatig of voortdurend vanuit de doelstellingen en de afspraken inzake middelen, tijdslijn, en bereikte evaluatiepunten.

 

VOER PROMPT EEN ANDERE BELEIDSCULTUUR IN. ERKEN DE ROL VAN KENNIS

De Belgische politieke cultuur is uit zichzelf niet bevorderlijk is voor goed bestuur. Zonder dat daar hier diep op kan worden ingegaan, kan worden opgemaakt dat we niet altijd helder zijn in de omschrijving van beleidsdoelstellingen of hun relatie met andere – mogelijk strijdende of versterkende – doelstellingen, en al evenmin in projectmatige plannen.

Te vaak wordt gehandeld in de electorale cyclus, d.i. op te korte termijn, naar te partiële (weliswaar zichtbare of spectaculaire) doelstellingen, en op basis van te weinig kennis.

Nu er soms gesproken wordt van een experten-regering, is het misschien goed om te wijzen op het belang van expertise als grondslag van de politieke besluitvorming. Politici zijn verkozen en gemandateerd om de politieke beslissingen te treffen, maar ze horen dat te doen op basis van de best beschikbare kennis – die we massaal hebben bij universiteiten, in onderzoekscentra of diverse instituties, zoals een Nationale Bank of Planbureau, of nog, thinktanks.

Beter dan een regering, samengesteld uit experten, is een regering die besluiten neemt op basis van expertise. Dit leidt tot beter beleid, en legitimeert beleid ook beter.

 

VOLWASSEN DIALOOG REGERING-PARLEMENT

Regelmatige evaluatie dient te geschieden in en gedragen hoogstaande dialoog tussen parlement en regering, waar het voorgelegd plan wordt geëvalueerd op basis van kennis en expertise, en wordt geëvalueerd op basis van vooraf vastgelegde evaluatiepunten. Meerderheid en oppositie hebben daarbij een volwaardige rol: wie vandaag tot de oppositie behoort, kan morgen deel uitmaken van de meerderheid, en omgekeerd.

Te vaak handelen regeringen in een grote mate van isolement van de samenleving en van expertise. De kwalijke gewoonte om niet met de administratie te werken, doch zich daarvan te isoleren in zgn. kabinetten, dient beëindigd.

 

DUIDELIJKE REGELGEVING. RECHTSZEKERHEID

Goed bestuur veronderstelt een helder en stabiel wettelijk en reglementair kader dat toelaat om de bestuursbeslissingen geldig te nemen en ze in stand te laten.

Vandaag worden te veel overheidsbeslissingen in rechte aangevochten – omdat we het evenwicht tussen rechtszekerheid en rechtsbescherming uit het oog verloren zijn – en worden daarenboven te veel overheidsbeslissingen geschorst of vernietigd. Dit wil zeggen dat onze overheden nog moeilijk in staat zijn om geldige besluiten te nemen. Dit vergt een aanzienlijke vereenvoudiging van het onderliggend materieel recht en van het bestuursrecht.

Een herstel van rechtszekerheid als waarde in de rechtsstaat is nodig, ook al blijft rechtsbescherming belangrijk.

 

BESTUREN MOET

Goed bestuur vooronderstelt dat er bestuurd wordt.

Sedert het ontslag van de regering-Michel zijn meer dan 430 verlopen zonder effectieve federale regering met volheid van bevoegdheid. Na de verkiezing van 13 juni 2010 duurde het 541 dagen eer een federale regering werd gevormd. Samen zijn we dus in de jongste 10 jaar gedurende bijna 30% van de tijd zonder effectieve federale regering geweest met volheid van bevoegdheid.

Dit betekent dat de politieke wereld, vlak na verkiezingen, langdurig de rug keert naar de kiezers. Het is eigenaardig om van burgerinitiatieven te spreken, wanneer men niet in staat is om de gewone electorale basis van regeringsactie te doen werken, et name de tijdslijn van (i) ontbinding van de Kamers, (ii) verkiezingen, (iii) regeringsvorming te doen slagen binnen redelijke termijn. Dit heeft te maken met een gebrekkig ambitieniveau om goed te besturen.

Het is een elementaire plicht van politici om deze cyclus dringend te reanimeren. Ze is de basis van de kern-democratie, die de legitimiteit van het politiek proces maakt of kraakt. Zonder die basis is sleutelen aan andere aspecten van het democratisch proces betekenisloos.

Lezing, hoorzitting Senaat, 10 februari 2020, Commissie voor Democratische Vernieuwing en Burgerschap.

VOETNOTEN

[i]Senaat, Zitting 2019-2020, nr. 7-117 dd 12 nov. 2019.

[ii]Pierre Tavoillot, Comment gouvemer un peuple-roi ? L`art d’être gouvemé, 2019.

[iii]Zie ook P. Mair, Ruling the Void. The Hollowing of Western Democracy, 2013.

[iv]I. Van de Cloot. Waarden als Economische Fundamenten. in: L. Neels, T. Beeckman, M.

De Vos en 1. Van de Cloot, De Verlichting uit evenwicht ? Over Normen en Waarden, Vrije

Meningsuiting en Dominante Religies, 2016, p. 73-93.

[v]Dit is het zgn. Decreet d’Allarde van 2 en 17 maart 1791, vlak na de “Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen” van 1789. Het kerngedeelte ervan luidt : “II sera libre à toute personne de faire tel négoce ou d’exercer telle professíon, art ou métier qu’elle trouvera bon.”. Het geldt in het Belgisch recht als een algemeen rechtsbeginsel, dat vandaag ook in Titel 3 van Boek ll van het Wetboek van Economisch Recht is verankerd als volgt: ”Art. lI.2: “Dit Wetboek strekt ertoe de vrijheid van ondernemen en de loyauteit van economische transacties te verzekeren, en een hoog niveau van bescherming van de consument te waarborgen. Art. IIII.3:“Iedereen is vrij om enige economische activiteit naar keuze uit te

oefenen.”

[vi]Eric Bahrendt, Freedom of Speech, 2005, p. 6 e.v.

[vii]M. De Vos, « De Rechtsstaat : Vrijheid onder het Recht », in : L. Neels e.a., De Verlichting, gec., p. 33.

[viii]Marshall McLuhan, Understanding Media: The Extensions of Man, 1964;

[ix]D. Croteau, W. Hoynes, Media & Society : Industries, Images and Audiences. 2014, p. 334.

[x]David Runciman,How Democracy Ends, 2018. p. 2-3.

[xi]Th. Geerts, Digitalis, Hoe we onze wereld kunnen heruitvinden, 2018.

[xii]J. Billiet e.a., De Strijd om de Waarheid. Over nepnieuws en desinformatie in de digitale

mediawereld, KVAB-Standpunt, 2018; Andrew Keen, The Cult of the Amateur: How Blogs,

MySpace, YouTube and the rest of today/s user-generated media are destroying our

Economy, our Culture and our Values, 2001; Franklin Foer, World Without Mind. The

Existential Threat of Big Tech, 2017; Andrew Keen, How to Fix the Future, 2018; Andrew

Keen, Tomorrows vs. Yesterdays: Conversations in defence of the Future, 2020.

[xiii]www.freedomonthenet.org/report/freedom-on-the-net/2019/the-crisis-of-social-

media

[xiv]Wikipedia (English) definieert ”illibera/ democracy” als volgt: Een illiberale democratie, ook wel gedeeltelijke democratie, lage-intensiteitdemocratie, lege democratie, hybride regime of geleide democratie genoemd, is een regeringssysteem waarbij burgers worden afgesneden van kennis over de activiteiten van degenen die echte macht oefenen, en wel door de afwezigheid van burgerlijke vrijheden? Het is dus geen “open samenleving”. Er zijn veel landen die nu worden gecategoriseerd als noch “vrij “noch “onvrij “, maar als “waarschijnlijk vrij”, ergens tussen democratische en niet-democratische regimes. Dit kan zijn omdatdegenen die de macht uitoefenen de vrijheden van de burgers negeren of onderdrukken, hoewel er een Grondwet is die theoretisch de bevoegdheden van machthebbers beperkt. Het kan ook zijn omdat een adequaat juridisch constitutioneel kader van vrijheden niet eens bestaat.

[xv]Yaschka Mounk, The People vs. Democracy. Why our Freedom is in Danger & How to save it, 2018, p. 142.

[xvi]Evgeny Mozorov, The Net Delusion, The Dark Side of internet Freedom, 2012.

[xvii]Cass R. Sunsteín. #republic. Divided Democracy in the Age of Social media. 2017 ; Cass R.

Sunstein, On Freedom, 2019.

[xviii]Sunstein, #republic, gec. Het inzicht over de « bubbles » wordt ook tegengesproken : Axel Bruns, « It’s not the Technology, Stupid. » http://snurb.info/files/2019/It%E2%80%99s%20Not%20the%20Technology%2C%20Stupid.pdf?source=post_page—————————

[xix]Yascha Mounk, p. 144.

[xx]Jo Caudron & Dado Van Peteghem. Digital Transformation, 2014, p. 212 e.v.

[xxi]ECHR Bergens Tidendev Norway, 2 juli 2ooo, § 48 e.v.

[xxii]Ook: Eric Bahrendt, gec., p. 39 – 72; Eric Bahrendt e.a., Media Law: Text, Cases and Materials, 2014, Stéphane Hoebeke et Bernard Mouffe, Le Droite de la Presse, 2005; Koen Lemmens, La Presse et la Protection juridique de l’individu, Attention aux chiens de garde! 2004.

[xxiii]Caudron en Van Peteghem,p. 219.

[xxiv]Rolf Dobelli, Avoid News : towards a healthy News Diet, www.dobelli.com , 2010.

[xxv]Rolf Dobelli, Stop reading the News. How to cope with the Information Overload and

Think more Clearly, 2020.

[xxvi]Steven Pinker,Enlightemnent Now, The Case for Reason, Science, Humanism and

Progress, 2018, p. 39-52.

[xxvii]EHRM, Arrest van 1 juli 2014, in de zaak S.A.S. v France.

[xxviii]ECHR, Arrest van 5 juli 2008, Vajnai v Hungary.

[xxix]ECHR, Arrest van 5 juli 2008, Vajnai v Hungary, § 57.

[xxx]https://freedomhouse.org/report/freedom-world/freedom-world-2019;

https://www.freedomonthenet.org/report/freedom-on-the-net/2019/the-crisis-of-social-media

[xxxi]VRIND-Indicatoren, 2017, p. 79 e.v.

[xxxii]  https://www.institut-solidaris.be/index.php/barometre-wallonie-bruxelles/

[xxxiii]Cass E. Sunstein, #republic, p. 45.

[xxxiv]Cass R. Sunstein, #republic, gec.; Cass R. Sunstein, #republic.

[xxxv]Ph. Pettit, Republicanism : A Theory of Freeom and Governement, 1999 ; A. Gutmann & D. Thompson, Democracy and Disagreement, 1988.

[xxxvi]Steven Levitsky & Daniel Ziblatt, How Democracies Die, What history reveals about our

Future, 2018, p. 8.

[xxxvii]Levitsky & Ziblatt, p. 9 en 118 – 144.

[xxxviii]A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, 1968; L. Huyse, De Gewapende Vrede. Politiek in België na 1945, 1987.

[xxxix]Wilfried Dewachter, De trukendoos van de belgische particratie, een Europese schande,

2014; H. Vuye en V. Wouters, Schone Schijn. Particratie wurgt Democratie, 2019.

[xl]Levitsky & Ziblatt, p. 9 en 118 – 144.

[xli]J.A.A. van Doorn & C.l.M. Schuyt, De stagnerende verzorgingsstaat. Boom, Meppel /

Amsterdam, 1982 (derde druk), Voorwoord.

[xlii]https://en.wikipedia.org/wiki/We_choose_to_go_to_the_Moon

[xliii]Tom Nichols, The Death of Expertise. The Campaign against Established Knowledge and

Why it Matters, 2017.

[xliv]Jean Tirole, Economie du Bien Commun, 2016; Economics for the Common Good, 2017;

Aaron Hurst, The Purpose Economy. How your Desire for Impact, Personal Growth and

Community is changing the World, 2014,

[xlv]Jo Caudron, De Wereld is Rond. Een optimistisch Masterplan voor de Transformatie van Business en de Maatschappij, 2019; ook : H. Toch en A. Maes, The Positive Sum Game, 2019.

[xlvi]https://www.itinerainstitute.org/nl/indices/; L. Neels, e.a., Itinera, Een Plan voor het Land, Un Projet pour la Belgique, 2019.

[xlvii]https://www.itinerainstitute.org/wp-content/uploads/2018/09/Indices-2019.pdf

[xlviii]https://www.itinerainstitute.org/nl/index/value-for-money-index/

Carnaval en Shoah, niet te verzoenen. Net zo min als Censuur en Uitingsvrijheid.

            In DE MORGEN (18 februari) publiceren enkele academici een ”pleidooi voor historische gevoeligheid bij Aalst Carnaval”. Hun oproep is niet gericht tot de carnavalisten die al hadden aangekondigd de vorig jaar fel gehekelde representatie van Joden te zullen hernemen. Ze richten hun oproep specifiek tot de pers, en dringen er op aan “om bij de beschrijving van de verdere polarisatie die eventueel opgezocht wordt met nieuwe anti-Joodse karikaturen, daarvan geen beelden te laten zien of deze beelden steeds te (doen) vergezellen van een beschrijving van de historische achtergrond en betekenis ervan. Dus geen pleidooi voor censuur, maar een oproep – voorbij de sensatie, populisme en polarisatie – tot zorgvuldigheid, historische gevoeligheid en inzicht.” Hun motief is dat een heroplevend antisemitisme en de beeldvorming rond Joodse mensen in het bijzonder, en minderheidsgroepen in het algemeen, de broze samenleving die we kennen kunnen bedreigen.

 

            Carnaval is, volgens Wikipedia, een feest van zotheid, spot en uitbundigheid. Het is “een levende spotprent in stoetvorm”, dixit De Standaard (15 02), men lacht er met alles en met iedereen. Vorig jaar dreigde Carnaval Aalst van de Unesco-Werelderfgoed-lijst te vliegen, waar het tot verbazing van velen op prijkte, na felle reacties van, o.m., het Forum der Joodse Organisaties en het Coördinatiecomité van Joodse Organisaties in België. Het incident haalde de internationale pers, ongetwijfeld meer ingevolge die reacties dan ingevolge de stoet zelf.  Toen werd de stoet gehekeld als uiting van antisemitisme, vandaag wordt ervoor gewaarschuwd omdat de stoet instrumenteel zou zijn in de verdere verspreiding van antisemitisme.

            In Aalst denkt men “het laatste bastion te zijn van de vrije meningsuiting” (DS 15 02), en de Stad stond op zijn “recht” op carnaval en stapte zelf op bij de Unesco-Werelderfgoedlijst om de blamage voor te blijven. Zijn ze daar, écht, “het laatste bastion van de uitingsvrijheid? Dat is toch echt onzin.

CARNAVAL CHOQUEERT. ET ALORS ?

            Vorig jaar schreven wij al dat de stereotiepe afbeelding van de Joodse mannen misplaatste humor is, ongepaste bejegening, oerdom, stuitend en weerzinwekkend (De Aalsterse Praalwagen: misplaatst zeker, maar strafbaar? 06 03 2019). Het is toch eigenaardig om zo veel onfatsoen te willen voorstellen als een hoogtepunt van de expressievrijheid…?! Dat is het dan ook niet, want ook die vrijheid bestaat in beginsel binnen de rechtsstaat, en die vooronderstelt respect voor de waardigheid van elke menselijke persoon, ongeacht haar of zijn bijzondere kenmerken of eigenschappen.

            Carnaval heeft nu wel, als volksfeest, de afwijkende eigenaardigheid dat het eenieder te kijk kan zetten en te schande kan maken. In beginsel kan dat dus, en ook dat valt binnen de beschermde uitingsvrijheid, met name omdat deze niet alleen uitingen beschermt die ons onverschillig laten, maar ook degene die ons choqueren,  verontrusten of beledigen. Dat is de geijkte motivering van bijna alle arresten van het   Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Fijnzinnigheid of fatsoen, historisch bewustzijn of betekenis zijn daarbij op zichzelf niet aan de orde.

TEGENSPRAAK IS HET STERKSTE WAPEN

            Tegelijk moeten we ons wel durven verzetten tegen een zgn. “recht om te beledigen”, waarvan sommigen beweren dat het zou bestaan. In onze rechtsstaat is dat niet zo: belediging is altijd een misdrijf gebleven, en terecht. Dat geeft de spanning aan die er is tussen ruime uitingsvrijheid enerzijds en menselijke waardigheid anderzijds. Eenieder heeft er recht op om niet beledigd te worden, maar tegelijk moet eenieder over een groot incasseringsvermogen beschikken ten opzichte van onwelgevallige, verontrustende, choquerende en beledigende uitingen, ook ten aanzien van zijn of haar persoon. Dat is de spanning tussen twee strijdende rechten.

In een democratische rechtsstaat wordt dan traditioneel gekozen voor een zeer ruime uitingsvrijheid. Immers, het betere antwoord is om te antwoorden, om te reageren met andere uitingen, om tegengas te bieden met tegenspraak. Het betere antwoord op bad speech is niet less speech, maar more speech. Die optie is fundamenteel.

EEN BEETJE CENSUUR, TOCH MAAR DAN?

            De academici doen met hun oproep het omgekeerde. Ze willen toch dat de media, tja… niét zouden publiceren wat er in Aalst opnieuw gaat gebeuren: de representatie van Joden die een geheel van hilarische, satirische en sarcastische kenmerken die men aan ze toeschrijft uitvergroot en stereotypeert. De onthouding van publicatie lijkt toch wel erg op censuur, ook als men zou volhouden dat het dat niet zou zijn.   Is het hun wens dat journalistiek in de toekomst de werkelijkheid verbloemt of vertekent? Ik kan het bijna niet aannemen, maar het is wel de strekking van hun vriendelijk verzoek: “Dames en heren van de pers, gelieve vanaf heden fake news te organiseren, het is voor de goede zaak”. Het lijkt toch een beetje ondoordacht als stellingname.

            Destijds bestond de indruk dat men vooral wilde reageren tegen antisemitisme, als uiting van de – bij definitie aanwezig geachte – antisemitische gevoelens van degenen die de stereotypering gebruikten, met name de carnavalisten. Er is een sterk vermoeden dat zij zich in die toegeschreven gevoelens niet herkenden, en eerder op onnozele manier naar stereotyperingen hadden gegrepen zonder daarbij verder stil te staan. Vandaag wordt opgeroepen om geen visuele ruchtbaarheid te geven aan carnavaleske representaties van joden, om een vastgestelde groei van antisemitisme niet verder aan te wakkeren.

WEL OERDOM EN ONFATSOENLIJK, MAAR GEEN STRAFBARE DISCRIMINATIE

            De forse reactie van vorig jaar riep op tot strafbare veroordeling van wat naar ons recht niet strafbaar is. Dat is inmiddels ook het uitstekend geargumenteerd oordeel van Unia (https://www.unia.be/files/Documenten/Publicaties_docs/Carnaval_2019_NL.pdf).

De verontwaardiging en de grootschaligheid van de roep om veroordeling van de Joodse organisaties van vorig jaar, gaf   een niet een te vermijden grote aandacht  aan deze zaak. Daardoor werd de representatie uit de carnavalcontext getild, op een niveau van intellectueel debat. Die combinatie spoort, uiteraard, niet. Het ging “maar” om een carnaval-item, naast tientallen andere schandaalverwekkende expressies. Maar de concrete omstandigheden, in dit geval dus precies carnaval, plaatsen de representatie buiten bereik van legale kritiek: zo is nu eenmaal de vaste rechtspraak.

HET GAT ZIT NU IN DE HAAG

            Men kan wel aanvoeren dat het gaat om afbeeldingen die precies refereren naar wat in de afschuwelijke jaren ’30 de aanzet werd tot de Shoah, maar zijn daar geen zaken verbonden die contextueel echt niet te verbinden zijn? Nu deze verbinding gemaakt is, is ze ook niet meer weg te denken: het blijft altijd een onwerkzame poging om het gat uit de haag te knippen.

            Het gaat om te ver uit elkaar liggende categorieën, waarvan het … euh… waardenkader niet goed te verzoenen is. De draak steken met alles, versus een rauwe kreet van onverwerkbaar Shoah-leed… Kan men dat type van gevoeligheid doen binnendringen in de carnavaleske sfeer die bruist van totale afwezigheid van eerbied, terughoudendheid en finesse, ja van brutaliteit, onfatsoen, provocatie en vulgariteit? Ik geloof het niet echt.

In het Vlaamse Parlement werd terecht naar voor gebracht dat sommige uitingen die men kan doen binnen de ruime grenzen van onze vrije meningsuiting, toch moreel verkeerd en totaal fout zijn. Oproepen om de camera stil te leggen bij verslaggeving zijn voor redacties ondenkbaar, en ze werken ook niet in een wereld van “social media”. Ze ontroeren een beetje door simplisme.

Het is zoals Journaals, Terzakes en Afspraken wereldbekendheid gaven aan de domme mysogyne uitspraken van een plastisch chirurg in een zaaltje voor enkele tientallen studenten van de UGent, omdat de journalistieke agenda nu eenmaal die van de “social media” imiteert.

Dat is spijtig, maar het is niet anders. Daar is veel ruimte voor redactionele verbetering, maar een oproep aan redacties om hun werk niét te doen, draagt daar niet echt toe bij. Ze moeten hun werk doen, daar is correcte verslaggeving van een rauwe werkelijkheid bij. Maar ze kunnen op veel vlakken ook beter.

 

 

 

 

 

Zijn we verdeeld door onze vrijheid ?

Vrijheid van mening, van meningsuiting en van godsdienst leveren vandaag vaak het slagveld van waarden en normen. Ik gebruik het woord “slagveld”, omdat er zich tegenwoordig zo vaak incidenten voordoen.

In de Dossinkazerne bleek het plots niet mogelijk om de Pax Christi-Vredesprijs uit te reiken; aan de UGent ontstond commotie  naar aanleiding van mysogyne uitlatingen van een plastisch chirurg voor enkele KVHV-studenten; de New York Times besloot in 2019 om de dagelijkse politieke cartoon uit de internationale editie te schrappen, nadat de krant nog in 2018 een Pulitzer-prijs had ontvangen voor “political cartooning”.Vorige week was het prijs in Frankrijk, met het Instagrammeisje Milla en haar ongepaste opmerkingen over de profeet; de Franse justitieminister suggereerde klaarblijkelijk herinvoering van blasfemie als misdrijf. En ik mag Aalst niet vergeten, met de stigmatiserende Joden-representatie op een praalwagen.

Blijkbaar zijn we we “verdeeld   door onze vrijheid”. Dat werd op een vrijwel vanzelfsprekende wijze het thema van deze lezingenreeks. Volgens de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, beschermt de vrijheid van mening en van meningsuiting niet alleen uitingen die ons onverschillig laten of algemeen aanvaard zijn, doch ook degene die ons choqueren, verontrusten of beledigen. “Beledigen” is opmerkelijk in het lijstje, want art. 448 SWB merkt belediging nog steeds aan als misdrijf. Het spanningsveld is dus voor de hand liggend.

LIBERTE EN TOUT ET POUR TOUS

Dat heb je met vrijheden, zelfs als – zoals wijlen collega Karel RImanque opmerkte – de Grondwetgever van 1831 bijzonder vrijheidslievend was: la liberté en tout et pour tous, was het leidend beginsel. Daarrond vonden, toen, Katholieken en volgelingen van de Verlichting – bemerk de antithetische suggestie – een vergelijk. De toenmalige Aartsbisschop van Mechelen, de Méan, die nog Prinsbisschop van Luik was geweest, ligt mee aan de grondslag hiervan. Na strubbelingen hierover met het Hollands Bewind, eiste hij van het Nationaal Congres in een opmerkelijke brief de volstrekte vrijheid van eredienst, totale onafhankelijkheid van de Kerk, vrijheid van onderwijs en vrijheid van vereniging – met het oog op katholiek onderricht en op herstel van de kloosterorden. De erfgenamen van de Verlichting en van “liberté, égalité, fraternité” voegden er de vrijheid van meningsuiting, van drukpers en  van vergadering aan toe. Op die wijze vond een hele catalogus van vrijheden ruim zijn weg naar Titel II van de Belgische Grondwet van 7 februari 1831 – waar ze nog steeds staan, netjes voorafgaand aan de Titel over de machtsuitoefening.

EEN BIJZONDERE VRIJHEID

In belangrijke mate hebben we expressievrijheid vrijgesteld van sancties die we vrij makkelijk toepassen op ander mogelijk schadelijk gedrag; op dit vlak wantrouwen we autoriteiten nog wat meer dan anders, en al zeker hun regulering.

Bij de rechtvaardiging daarvoor treffen we argumenten aan de zoektocht naar waarheid, de zelfontplooiing van mensen, en de betere mogelijkheid om te participeren aan“government of, by and for the people” –de vaak aan Lincoln toegeschreven samenvatting van een democratie.

DE VRIJHEID VAN GESCHONDEN GEVOELENS?

Een opmerkelijke wending deed zich inmiddels voor in de visie op expressievrijheid: van de nadruk op wat er moest kunnen geuit worden, verschoof de belangstelling naar wie door een uiting kon geraakt worden. Huldigde men gedurende vele jaren de vrijheid van degene die het woord nam, en moesten anderen daar maar tolerant tegenover staan, steeds meer kwam de kwetsbaarheid van anderen naar voor, die met zaken werden geconfronteerd die hen hadden geraakt.

En zo verschoof de aandacht van het dogma van de vrijheid van de spreker, naar de zorg voor de geschonden gevoelens van de toehoorder – en al snel riskeerden we buiten de lijnen te kleuren van wat geldt als de fameuze “aanzetting tot haat of geweld”als beperkingsgrond voor uitingsvrijheid.

Uiteraard moet iemands uitingsvrijheid afgewogen worden tegen andermans vrijheden en rechten, maar gaandeweg rees ook de vraag of ze niet ook moet afgewogen worden tegen een recht om niét gekwetst, geconfronteerd of in zijn gevoelens of overtuigingen geraakt te worden. Dan lijkt men toch in een ander paradigma te verzeilen, waar de oorspronkelijk geprezen vrijheid systematisch van een fors vraagteken werd voorzien.

WORSTELEN MET DE VRIJHEID VAN GODSDIENST

Worstelen we vandaag op al even bizarre wijze met de vrijheid van godsdienst? De vrijheid was beoogd om de door de Franse Revolutie bijna geruïneerde rooms-katholieke godsdienst te herstellen, maar ook om kerkelijk gezag definitief ondergeschikt te maken aan wereldlijk gezag. Wat er ook van zij, de katholieke godsdienst werd wel bijzonder snel terug dominant, en drong diep door in het Belgisch Burgerlijk Wetboek, waar met name de rechtsregels inzake  personen- en familierecht,  erfrecht en  huwelijksvermogensrecht stoelen op de oude morele inzichten van de rooms-katholieke Kerk – opgelegd aan àlle Belgen. Zelfs met de belangrijke secularisering van de bevolking ,   bleef dit zo, tot ver in de vorige eeuw, waar pas in de laatste decennia van de 20steeeuw die leerstukken werden herzien.

Vandaag worstelen we met grote onbeholpenheid ten aanzien van godsdienstige uitingen die zich kunnen voordoen in het straatbeeld, met name van andere proselitische godsdiensten – om de Islam niet te noemen – en het openlijk vertoon van beweerdelijk door religieuze regels voorgeschreven klederdracht voor moslima’s, de fameuze hoofddoek. Te vaak spreken we over “het hoofddoekenverbod”, want in beginsel is de dracht ervan vrij. Enkele uitzonderingen bevestigen de regel.

We hanteren tamelijk absoluut het beginsel van de zgn. scheiding van Kerk en Staat ten aanzien van de katholieke godsdienst, ook al erkennen we godsdiensten en subsidiëren we die ongelijk. Maar we schijnen niet te overwegen om evenzeer de scheiding van kerk en buitenlandse staat te hanteren, en gedogen dat buitenlandse regimes, zoals Turkije en de VAE, rechtstreeks moskeeën subsidiëren en er de imams benoemen – ook wanneer ze, zoals de VAE, een extreme versie van de Islam voorstaan.

Kortom, onbeholpenheid lijkt hier wel het belangrijkste kenmerk van ons beleid, en die onbeholpenheid problematiseert het actueel begrip van godsdienstvrijheid nog meer. De vrijheid van godsdienst lijkt ook in de jurisprudentie van het EHRM een voorkeurpositie te genieten.

Godsdienstvrijheid wordt  al geschonden geacht bij een zgn. aanzetting tot religieuze intolerantie; bij de uitingsvrijheid ligt de grens bij aanzetting tot haat of geweld. Is dit verschil in behandeling gerechtvaardigd? Is de voorkeurbehandeling van godsdienstvrijheid niet voorbijgestreefd, en missen we in de jurisprudentie niet te veel het argument dat de bescherming van godsdienstvrijheid – zoals die van andere rechten en vrijheden – altijd moet gesitueerd blijven binnen het rechtstatelijk kader?

DISCRIMINATIE-INSTITUTEN

Inmiddels kennen we overheidsinstanties – jawel – die ongelijkheid, onder de vorm van discriminaties, moeten bewaken en bestrijden, we kennen er zelfs twee. Daarmee zijn we wel ver van het aanvankelijk wantrouwen ten opzichte van overheden, en verwachten we positieve actie van hen ten aanzien van discriminerende handelingen, … of zou het ook zijn ten aanzien van discriminerende uitingen?

Liefst 19 discriminatiegronden gelden er voor de ene institutie, Unia, en nog 1 voor de andere, het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen. Waarom 19? Dat lijkt willekeurig, en de catalogus is te casuïstisch en te weinig principieel.   Ik begrijp het niet steeds, net zoals ik veronderstel niet de enige te zijn die geen lijn kan trekken in de gelijkheidsarresten  van het Grondwettelijk Hof.

DE VRIJHEID OM TE DEMONSTREREN EN TE BETOGEN

We vergeten niet de vrijheid van vereniging en vergadering, in haar verschijningsvorm van de demonstraties en betogingen. Deze vrijheid is niet zo onbelangrijk onder de uitingsvrijheden, laten we dat niet vergeten. De uitoefening ervan heeft mee de geschiedenis van dit land bepaald,  niet in het minst in zijn sociale componenten, zoals het sociaal recht en de sociale zekerheid. Werden zij niet de wat late vertalingen van de solidaritévan 1789 en 1830, en een invulling van het gelijkheidsbeginsel, dat altijd al prominent in de Grondwet stond maar niet altijd even enthousiast werd begrepen?

Demonstraties en betogingen, zonder hen zijn er geen vrije samenlevingen, en in onvrije samenlevingen zijn ze hét vehikel van burgers die naar vrijheid streven. Ze verjongen en moderniseren ook, zoals blijkt uit scholenacties en scholierendemonstraties.

VRIJHEDEN EN DE ROL VAN DE STAAT

De lezingenreeks eindigt met de confrontatie met de rol van de staat – die we meestal grotendeels buiten het kader van de fundamentele rechten en vrijheden  plaatsen. Of lijkt dat maar zo?  Daarvoor nodigen we een buitenlandse gast uit, prof. Paul Frissen, autoriteit in Nederland, vrijwel ongekend in België.  Ik hoop dat u er niet de bedenking aan koppelt dat het altijd vrijer spreken is in een ander land…, dat is niet de bedoeling. Maar weinig auteurs hebben zo veel aandacht geschonken aan het fenomeen van “de staat” als Frissen.

VRIJHEDEN ZIJN EEN ONGEMAKKELIJK BEZIT

Vrijheden zijn een ongemakkelijk bezit. Velen strijden ervoor om ze te af te dwingen of te vrijwaren; velen kunnen er niet eens van dromen.

Tot het einde van de vorige eeuw nam het aantal Staten dat behoorlijke grondwetten kreeg en fundamentele rechten en vrijheden onderschreef, gestaag toe. Sedert 2005 rapporteren NGO’s zoals Freedom House of Amnesty International een systematische neergang van rechtstatelijke regimes naar meer autoritaire trekken, over het eufemisme van “illiberalisme”naar vrijwel pure dictaturen, zelfs binnen de Raad van Europa en de Europese Unie.

VERTROUWEN IN INSTITUTIES

In onze regio, die bij  de meest welvarende én meest herverdelende regio’s van de wereld hoort, keert een meerderheid van de bevolking zijn rug naar de instellingen en naar de politieke leiders: slechts 30% spreekt, volgens de VRIND-indicatoren, nog vertrouwen uit in onze instituties.

Dat is een ongemakkelijke waarheid, het is ook een aspect van onze verdeeldheid door vrijheid. Het blijkt moeilijker om ermee om te gaan dan gedacht. Denk niet alleen aan de bestuurlijke chaos die verkozenen zich permitteren door eenvoudigweg niet te besturen.

Denk ook aan de minderwaardige communicatie op zgn. “social media”. We hebben ons ontdaan van de censoren van de overheid, en van de poortwachters van redacties, of andere filters. Maar blijkbaar levert dat vooral bagger op, minderwaardige en denigrerende praat en vulgariteit. Ook al een ongemakkelijke waarheid…

Er is dus reden om de focus te richten op verbinding door vrijheid, op wat reëel waarde heeft in de samen-leving, het vivre ensemble, zoals het EHRM het uitdrukt, en dat zijn die waarden. Dàt is het verbindend thema van deze reeks.

TENSLOTTE

Ik ben ervan overtuigd dat onze eminente sprekers van deze reeks, die allen op eerste verzoek hebben aanvaard om hier het woord te nemen, deze boodschap gemeen hebben. Alleen dat al, samen met hun talent, rechtvaardigt uw grote belangstelling.

Ziehier, Dames en Heren – en om niemand te discrimineren, verwelkom ik tevens al degenen die zich niet tot deze achterhaalde binaire verwelkoming wensen te bekennen… – enkele overwegingen bij opening van de lezingenreeks ZIJN WE VERDEELD DOOR ONZE VRIJHEID?

 

Openingslezing van de cyclus VERDEELD DOOR ONZE VRIJHEID?

UANTWERPEN, 4 februari 2020