Deuren dicht of… Ramen en Deuren open ?!

Op zondag 26 mei bekenden bijna alle politici dat ze het signaal van de kiezer begrepen hadden: de toestand was ernstig, en ze zouden ernaar handelen. Zou het?

            “Het kiesstelsel van België verloopt in twee ronden. In de eerste ronde spreekt de kiezer. Dan sluit men de deuren en zijn de partijen aan zet. Wie een meerderheid achter zich kan scharen, wordt Eerste Minister.” Het is een uitspraak van Vice-premier Reynders in een RTBf-interview in 2007.

            Sedert 27 mei lijken de deuren inderdaad dicht. Een pleidooi om de ramen open te gooien.

Onze verkiezingen verlopen sereen en ordentelijk, en resultaten worden niet onrechtmatig beïnvloed. We hebben dan ook geen probleem aan de input-zijde. Toch richten velen de blik daarop, met pleidooien voor referenda, voor raadpleging van wie zijn stemrecht niet benutte, via een overheveling van bevoegdheden naar burgerinitiatieven, over ideeën van parlementaire hoorzittingen met wie de rug keert naar de instellingen, naar – godbetert! – suggesties om verkiezingen te vervangen door loterijen en ga zo maar door.

Maar nogmaals: ons écht politiek probleem zit niet aan de input-zijde van politieke besluitvorming, het échte probleem zit aan de output van het politiek proces.

DE ARMOEDE VAN HET VERKIEZINGSDEBAT

Er is natuurlijk ruimte voor verbetering aan de inputzijde. De armoede van het publiek debat, de afwezigheid van facts and figures in de analyses, de marginale rol van de partijprogramma’s, de dovemansgesprekken op radio en televisie, of nog, de leegte van het gekibbel onder politici zijn symptomen van slechte particratie. Die moet eruit.

De platte politieke verkiezingsmarketing, verpakt in oneliners en twitterbare quotes is dodelijk. Verkiezingen moeten  in een echte democratie het hoogtepunt zijn van een inspirerende en wervende politieke socialiserings- en mobiliseringsperiode van burgers.  Geen enkele partij heeft daarop ingezet; het lijken haast allemaal traditionele partijen, in de beste traditie van de slechte particratie.

VERTROUWEN OPGEZEGD

Het bewijs daarvan is gekend. Sedert lang rapporteren vertrouwensmetingen dat een meerderheid van de burgers in onze democratische rechtsstaat geen vertrouwen meer uitspreekt in zijn instellingen en leiders. Die leiders merken dat blijkbaar maar om de vijf jaar op, op de avond van de verkiezingen, wanneer ze spreken over “het signaal”. ’s Anderendaags is het signaal al vergeten. Een levendige democratie kan je nochtans niet bouwen met “niet-aanwezige burgers”: die omschrijving komt uit de titel van het proefschift van prof. em. Luc Huyse dat 50 jaar geleden is gepubliceerd.

HEBBEN VERKIEZINGEN EEN DOEL?

Het doel van verkiezingen is dat de bevolking aan de verkozenen de opdracht geeft om de publieke zaak naar best vermogen te behartigen, om de samenleving vooruit te brengen en om de welvaart en het welzijn van eenieder te bevorderen. En dat in een samenleving die rust op vrijheid en solidariteit, de fameuze waarden van de Verlichting.

In de 19deen 20ste eeuw werd de nachtwakersstaat een verzorgingsstaat en die werd een investeringsstaat. Sommige partijen en vakorganisaties waren toen de grootste sociale hervormers en vernieuwers, en ze dwongen een groots schema van sociale zekerheid af. Dat was de meest ingrijpende innovatie en verandering van onze samenleving.

Vandaag zijn partijen en vakorganisaties conservatieve en immobiele molochen geworden die te veel denken dat ze het verleden  kunnen beschermen tegen de toekomst. Ze verwaarlozen de toekomst, die voornamelijk de kinderen en kleinkinderen van hun leden betreft, ten voordele van het korte termijn-idee dat tot stilstand inspireert. Onbegrijpelijk voor de innovatoren van de vorige eeuw.

MACHT CORRUMPEERT

Politieke partijen associeerden zich te veel met denken in de verleidelijke termen van macht en machtsuitoefening. Montesquieu waarschuwde er in zijn De l’Esprit des Lois (1748) al voor, met de magistrale zin : “Le pouvoir corrompt le pouvoir”.Die corrumpering geschiedt net wanneer men verslaafd wordt aan het bezit en bespelen van macht, en uit het oog verliest dat men die niet om zichzelf verwerft, maar om er het geheel van de samenleving mee vooruit te helpen. Met een doel, een objectief, met name de behartiging van het fameuze algemeen belang.

Al in 1921 schreef Paul Hymans,  “columnist” avant la lettre en liberaal parlementslid, het volgende: “Partijen zijn te beschouwen als kliekjes,  een soort van electorale keuken waar lijsten met kandidaten worden gebrouwd, die alleen persoonlijke ambities of speciale belangen dienen”.Dit citaat komt uit het vlammend boek “De trukendoos van de Belgische particratie” van em. Prof. Wilfried Dewachter (2014), net zoals het eerdere citaat van Didier Reynders.

POLITIEK MOET AMBITIE FORMULEREN EN LEIDEN

Politici moeten de samenleving leiden, dàt is de verantwoordelijkheid van partijen en van de sociale partners. Ze moeten vooruitkijken en ambities uitspreken: de historische “man op de maan”-toespraak van John Kennedy van 1962 is het iconisch voorbeeld. Een wervend toekomstproject dat tot waarachtige fierheid stemt, dat verenigt, dat de gehele bevolking aanspreekt en mobiliseert. Het gaat om het ambitieus perspectief en een realistisch plan om het te bereiken. Dat leidt tot inclusie, hoop, vooruitgangsgeloof voor allen.

Met andere woorden: politici moeten verantwoordelijkheid nemen, dàt is hun mandaat. Angst en behoudsgezindheid zijn de slechtste raadgevers. Bij hun mandaat hoort ook dat ze moeilijkheden moeten uitleggen: burgers snappen dat, die ondervinden ook in hun dagelijks leven dat niet alles op rozengeur en maneschijn is.

De deuren moeten dus niet dicht, deuren en ramen moeten open. De bevolking mag en moet van politici verwachten dat ze een wervende ambitie projecteren waar ze de gehele samenleving mee kunnen mobiliseren. Dat is het signaal van 26 juni, de rest is naast de kwestie.

“FACTS AND FIGURES”

Na jaren van verwaarlozing, moeten we de basiskenmerken van de Belgische samenleving en economie durven rechttrekken. De kern is de moeilijke waarheid dat onze waardecreatie onvoldoende is om onze verzorgingsstaat te financieren. Dat is de voornaamste prioriteit van de volgende federale én regionale regeringen, het is trouwens een gedeelde verantwoordelijkheid.  De verkozen leiders in Noord en Zuid moeten na 26 mei die verantwoordelijkheid opnemen; anders zijn ze hun mandaat niet waard.

Om waarde te blijven herverdelen, moet ze eerst tot stand gebracht worden. Dat is wat ondernemingen doen. Dat vergt een samenleving waarvan de basiskenmerken kloppen: een performante overheid die snel en lucide beslist en zuinig opereert, geen 10% minder actieven dan landen die beter presteren, terug aansluiten bij de traditioneel hogere productiviteitsgroei, lagere maar efficiënte fiscaliteit, reanimatie van het onderwijs, de uitvoering van het pensioenplan, regelgeving die rechtszekerheid creëert… op al die basiselementen  gaan we al jaren achteruit.

De evidentie voor onze achteruitgang is overweldigend, enkele voorbeelden illustreren dit. Hoewel we lang uitblonken in logistiek, verstoren de groteske files systematisch onze mobiliteit en  verloren we bijna alle nieuwe investeringen in magazijnen voor de e-commerce aan de buurlanden. Een recente OESO-studie bewees nog maar eens dat onze traditionele voorsprong in productiviteitsgroei  zienderogen slinkt. De Waalse regionalistische denktank Institut Destrée waste de franstalige politieke wereld fors de oren in december : “Si la Wallonie n’est plus en déclin, elle ne se redresse pas”, zei Philippe Destatte in L’Echo van 29 dec. 2018. Zijn analyse geldt – mutatis mutandis –ook voor Vlaanderen en voor het land.

RECHT DE RUG, VORM DE REGERINGEN EN SLA DE HANDEN AAN DE PLOEG

De rituelen van de slechts particratie volstaan niet. Formuleer nu eens een gezamenlijke ambitie, bijvoorbeeld om België op het niveau van echt functionerende verzorgingsstaten te brengen, zoals Zwitserland of Denemarken, Duitsland of Zweden. Er zijn voorbeelden genoeg.

Verenig de gehele bevolking met een groots objectief: België van de 21steplaats in de internationale vergelijking naar top-5 (IMD, Competitiveness Index 2019). Vraag de kennisinstellingen om een plan voor dat traject op te stellen, laat de vooruitgang meten, en stuur bij.
Alle landen die betere resultaten hebben dan wij, handelen op die manier. Het kan dus. Ze hebben dezelfde politieke vraagstukken als wij, maar ze gaan vooruit en ze verzoenden hun burgers opnieuw met hun instellingen.

Onze ellendige stilstand en lethargie en onze stuitende besluiteloosheid zal niet worden beëindigd met verwijten over en weer of met totemdansen. Herstel van het staatsbudget en de economie, efficiënt en goed bestuur, de bevolking verenigen rond positieve ambitie… dat vergt leiding. Kortom: dames en heren politici, verlaat de tergende en roekeloze kwakzalverij, kom met beslissingen, handel. Dàt is uw mandaat.

Deze politieke generatie moet kiezen: wil ze de toekomst voorbereiden, of laat ze, met de recepten van een vorige eeuw en de wetmatigheden van de slechte particratie,  de achteruitgang van regio en land aanslepen ?

Ook op http://www.knack.be/doordenkers

 

 

 

 

Graag goede journalistiek aub!

Journalistiek geniet terecht van bijzonder grote vrijheid in een democratische rechtsstaat, en die uit zich, onder meer, in een groot publiek vertrouwen in zelfregulering en professionaliteit. Dat legt de lat hoog voor goede journalistiek, en de indruk ontstaat soms dat daar wat achteloos mee wordt omgegaan. Gelet op de vitale rol van goede journalistiek in een democratie, de fameuze “public watchdog”-functie, moeten redacties professioneel en  verantwoordelijk omgaan met hun ruime vrijheid. Journalistiek die terecht oproept om te stoppen met slechte politiek, moet kunnen stoppen met slechte journalistiek.

De journalistieke deontologische code voor journalisten houdt een fair play-regel in, die loyauteit en discretie oplegt ten aanzien van personen in een maatschappelijk kwetsbare situatie, zoals minderjarigen,  of slachtoffers van criminaliteit. Toch presteert Het Laatste Nieuws het, bij drie recente gezinsdrama’s waarin een man zijn partner of gezin (en zichzelf) van het leven berooft, om hierbij zomaar familiefoto’s en familieverhalen te publiceren. Er was een tijd dat men dergelijke werkwijzen met misprijzen overliet aan wat neerbuigend ‘de gespecialiseerde pers’ werd genoemd, waarmee in werkelijkheid Dag Allemaal werd bedoeld in de tijden van hoge oplagen.

Dat gaf destijds aanleiding tot aanscherping van deontologische regels, maar vandaag sijpelen zulke inbreuken op de privacy binnen in de gewone journalistiek, die dreigt te  dag-allemaliseren. We zijn geneigd daar licht over te stappen, in tijden van formidabele achteloosheid rond fundamentele beginselen en rechten, maar dat kunnen we ons in een rechtsstaat niet permitteren. De toepassing van deontologische beginselen, en van goede beginselen van nieuwsgaring en –behandeling moet strakker.

PR IS GEEN JOURNALISTIEK

Er zijn meerdere voorbeelden van. Het gemak waarmee een verkeersminister of een verantwoordelijke van een kleine zelfstandigenorganisatie tijdens de weekenden in journaals kunnen opdraven met totaal onbelangrijke “nieuwsfeiten”, zegt meer over hun public relations dan over journalistieke ijver. Een geschilderde verkeerspaal, of een onnozele statistiek over kleinhandel zijn niet altijd nieuws, ook niet bij weekeinde- of vakantiebezettingen van redacties.

WETENSCHAPPELIJKE EVIDENTIE IS GEEN VRIJBLIJVENDE MENING

Redacties mogen dus kritischer zijn in de journalistieke analyse. Nog deze week kwam de osteopathiekwestie aan bod in een radio-uitzending, naar aanleiding van een principiële veroordeling van een osteopaat. De redactrice belde met een persoon die pleitte voor de snelle erkenning van osteopathie door de Minister van Volksgezondheid, dat vergt slechts een kwartiertje tijd, zo voerde hij aan. Einde van het item.

Klaarblijkelijk weet een redactie vandaag niet dat de wettige uitoefening van de geneeskunde bij ons beperkt is tot de geneeskunde die op wetenschappelijke evidentie berust, en dat dat ook geldt voor de terugbetaling? Weet men niet dat de wetenschappelijke evidentie voor die zgn. alternatieve geneeswijzen erg beperkt is? Al in  2011 publiceerde het KCE daar een omvangrijke studie over (
https://kce.fgov.be/sites/default/files/atoms/files/kce_148a_osteopatie_en_chiropraxie_in_belgië_0.pdf), die ook goed de paradox belichtte tussen de populariteit van alternatieve praktijken en de afwezigheid van overtuigende evidentie.

Niet in alle journalistieke middens is blijkbaar bekend dat recent nog pogingen werden ondernomen om die alternatieve geneeswijzen toch open te stellen voor terugbetaling, en dat de medische faculteiten weigerden daaraan mee te werken. In de maand van het overlijden van prof Willem Betz, onvolprezen oprichten van SKEPP (www.skepp.be), die de alternatieve behandelingen systematisch als kwakzalverij aanmerkte, moeten we dus vaststellen dat er ruimte is voor verbetering.

Journalistiek moet de kern van de zaken vatten, met gevalideerde informatie. Goede journalistiek reikt ook context aan, omstandigheden en kennis over de aangelegenheid die in het nieuws is. Als men daar niet toe in staat is, is het item niet af en hoort het niet op de agenda. Er is écht te veel praatshow-gemakzucht en te weinig redactionele ambitie en fierheid.

RECLAME IS GEEN JOURNALISTIEK

Niet zo lang geleden voerden nieuwsmedia  een dame op met het fantastisch verhaal dat ze  Boeing had gedagvaard, omdat haar ex was omgekomen bij de vliegramp in Ethiopië, een Nederlands-Rwandese uit Brussel. Ze figureerde aanvang april in Het Laatste Nieuws, De Afspraak en op Nieuwsuur (NPO2). De werkelijkheid is allicht dat het eerder ging om een initiatief van Amerikaanse advocatenfirma’s die hier klanten ronselden, zoals Kreindler & Kreindler, of nog, Podhurst Orseck. Anders dan Belgische advocaten, mag dat in de USA. Ze werken op een “no cure no pay”-basis: de klant betaalt niets, maar bekomt 20 tot 30% van de uitgekeerde vergoeding bij goede afloop.

Die kantoren stellen zelf de bewijslast samen voor procedures voor Amerikaanse rechtbanken, die in de regel met jury-rechtspraak werken. Het gaat altijd om schadezaken tegen “deep pockets”: bedrijven met véél geld. Veel van die cases rusten op de zgn. “nuisance value”, de enorme aandacht en investering die grote bedrijven die ermee bestookt worden eraan moeten besteden. Ze kopen die dan af met een “settlement”. Dat is mogelijk omdat de Amerikaanse rechtspraak zgn. bestraffende schadevergoedingen toekent, enorme bedragen voor de beweerde slachtoffers die buitenproportioneel het zgn. “leed en smarten” moeten vergoeden, de immateriële schade.

De publicitaire waarde van die misplaatste redactionele aandacht is enorm, maar de nieuwswaarde ervan is qausi-onbestaande. Toch trappen diverse redacties daar argeloos in. Nieuwsselectie kan dus scherper.

DE ANTIVACCINATIELOBBY IS GEEN WETENSCHAP

Ook recent werd weer veel aandacht besteed aan het belang van vaccinatie, dat niet kan overschat worden. De vaststaande wetenschappelijk evidentie is het nut en de voordelen van grootschalige vaccinatie; toch groeit en bloeit er een opinie-industrie tégen vaccinatie, die vertrok van pure wetenschapsvervalsing. Sedertdien krijgt de anti-vaccinatiestem in media ruime aandacht. Alsof een jarenlang opgebouwde, vaststaande en beproefde wetenschappelijke overtuiging, die rust op gecontroleerd wetenschappelijk bewijs, op gelijke voet kan worden gesteld met een willekeurig idee van iemand die caféretoriek verkoopt. Het komt nog altijd voor dat journalisten in die valkuil trappen, de hoofdredacteur van het VTM-journaal heeft er zich recent uitgebreid voor verontschuldigd, maar ik hoorde en las links en rechts nog vaak de stem van vaccinatietwijfelaars – hoewel het om onzin gaat.  Hier wordt al jarenlang tegen gemiliteerd door een arts, die toen wetenschapsredacteur was van The Guardian, Ben Goldacre. Is dit nu nog niet doorgedrongen in journalistieke middens, zodat zulke fouten niét meer gemaakt worden? Waar is de kritische journalistiek?

IS ER EEN UNIEKE KLIMAATWAARHEID ?

Geldt hetzelfde ook voor de klimaatzaak? Daar lijkt er maar één waarheid te zijn, deze van het UNO-Intergovernmental Panel on Climate Change. In mijn begrip is de wetenschappelijke consensus over de oorzaken van klimaatveranderingen, de draagwijdte en de beste aanpak nog beperkt. Er is wel wetenschappelijke consensus over de invloed van menselijk handelen, maar voor het overige lijkt er nog weinig échte wetenschappelijke consensus.

Toch komt in gevestigde media bijna uitsluitend de unieke waarheid van dat UNO-panel aan bod, en moet wetenschappelijke tegenspraak het doen met weinig of geen journalistieke aandacht… tenzij voor de klimaatjongeren en hun roep naar directe en simpele oplossingen, die er niet zijn.

NIEMAND GELOOFT NOG DE FEITEN

“Niemand gelooft nog de feiten. Dat is ook de schuld van de pers.” Zo ziet Alan Rusbridger het (DS Weekblad,1 juni), een (gewezen) journalist in hart en nieren, Voorzitter van het Reuters Institute for Journalism in Oxford, en 20 jaar lang hoofdredacteur van The Guardian. Hij combineerde er de creatie van gigantische financiële verliezen met een spectaculaire groei van het bereik. De gratis toegankelijke webstek van The Guardian is daardoor nog altijd een zegen voor de internationale publieke opinie. Zijn boek Breaking News getuigt van zijn journalistieke queeste, en het is geenszins verwonderlijk dat hij een grote verantwoordelijkheid voor de neergang van het vertrouwen in de pers plaatst bij de mediabedrijven en hun redacties.

Leo Neels

Media- en Communicatierecht

21 juni 2019

Leve de Verkiezingen ! Handen aan de Ploeg !

Democratie is”, zo hield Churchill voor, “de slechtste van alle regeringsvormen, met uitzondering van alle andere die al eens zijn uitgeprobeerd.”De sterkte ervan is dat de bevolking, die in een democratische rechtsstaat  de grootste vrijheden geniet, en in een moderne verzorgingsstaat de grootste solidariteit, de kaarten legt met het uitbrengen van een vrije stem, in verkiezingen waarvan het resultaat gerespecteerd wordt.

In de hele wereld willen mensen  die niet in een democratie leven, het autocratisch regime van hun land veranderen, of willen ze hun land verlaten. Een historisch voorbeeld werd in Europa geleverd op 9 november 1989, toen de Berlijnse Muur viel : er is geen énkel geval gerapporteerd van personen uit West-Duitsland die naar Oost-Duitsland vluchtten. De Berlijnse muur diende enkel om de eigen burgers in Oost-Duitsland te houden, niet om instromers de toegang te beletten.

DEMOCRATIE IS EEN WERKWOORD

Maar democratie is ook moeilijk :  in veel democratische rechtsstaten haken mensen af. Er wordt vaak verwezen naar de opkomst van populisten in Italië, Spanje, Oostenrijk, en nu ook Nederland, of nog, Hongarije en Polen met hun zgn. « illiberal democracies ». Dat is spraakverwarring : democratie vertrekt van vrije burgers; zonder rechten en vrijheden van burgers, en met een negatie van de rechtsstaat zelf, is er geen democratie.

De kaping van het politiek bestel door Trump in de USA,  en de onbehouwen bestuursretoriek van de 45ste President zijn een schoolvoorbeeld van demagogie ; ook de  Brexit-stuurloosheid in het Verenigd Koninkrijk – met de Magna Charta (1215)één van  de bakermatten van de democratie – geldt als een uiting daarvan.

De kern is de aantasting van de kwaliteit van het publiek debat, de vervanging van de uitwisseling van argumenten door emotie en morele verontwaardiging. Die degradatie is al lang aan de gang en bereikt een zorgwekkend niveau.

« La démocratie ne cesse de décevoir ceux qui sont blasés de ses trésors » : al wie voordelen van een democratie geniet, lijkt er voortdurend door te worden ontgoocheld, zo schrijft de Franse filosoof in zijn pas verschenen boek  « Comment gouverner un peuple-roi ?  Traité nouveau d’art politique » (2019). Hij onderscheidt naast het stemrecht, ook « l’art d’être gouverné »,een interessante denkoefening.

SIMPLISME KAN VERLEIDEN MAAR NIET OPLOSSEN

Er zijn nu vele analyses van demagogie, soms ook populisme genoemd, dat zich op diverse manieren kan uiten : de weigering om aan verkiezingen deel te nemen,  een blanco-stem, of een  stem voor extreme partijen op links of rechts, die forse kritiek kunnen ventileren omdat ze niet de ambitie hebben om te besturen.

Eén van de moeilijkste vragen is hoe men in een democratie ook de opinie van deze medeburgers respecteert, terwijl men de zgn. antwoorden van de extremistische partijen niet ernstig kan nemen. Het simplisme van die extreme partijen van links en rechts is verleidelijk, ze lossen de vraagstukken op door ze af te schaffen, ze zenden « de elite »weg – een « wij » staat er altijd tegenover een « zij »–  en klaar ! Deze rattenvangers van Hamelen capteren wel goed het maatschappelijk ongenoegen, maar hun voorstellen van simpele en radicale verandering zijn maar houdbaar zolang ze die niet in de werkelijkheid moeten omzetten.

Burgers, aldus Easterbrook, zijn voornamelijk getroffen door een zekere angst, ingegeven door gebeurtenissen die nog moeilijk te overzien zijn, zoals de globalisering van de economie, of de vluchtelingenstroom van 2015 (Gregg Easterbrook, « It’s Better than it Looks. Reasons for Optimism in an age of Fear », 2018). Hij wijst er op dat de onvermijdelijkheid van veranderingen, en de toename van de snelheid ervan, mensen onzeker maakt en angstig. Veel verandering, aldus Easterbrook, leidt tot verbetering, maar verandering zelf stresseert mensen en werkt ze op hun zenuwen : ze overzien niet langer wat er gebeurt en zijn sneller onder de indruk van de onzekere toekomst dan van de verbetering die ze kan inhouden.

Zijn analyse sluit aan bij de vaststelling dat burgers  in democratische rechtsstaten hun vertrouwen in hun instellingen hebben opgezegd. Volgens de Vlaamse VRIND-indicatoren (VRIND 2017) sprak 60% van de Vlamingen zijn bezorgdheid uit over de politiek, en spreekt minder dan 30% van de Vlamingen nog vertrouwen uit in de Vlaamse of federale instellingen en politici. Dat spoort met internationale metingen, zoals de Eurobarometer, die aangeeft dat slechts 35% van de Europese burgers vertrouwen in haar of zijn regering en instellingen uitspreekt. Let wel : in de bakermat van de Verlichting, en in de EU,  de meest welvarende democratische regio van de wereld, keert een grote meerderheid van de bevolking dus de rug naar bestuur.

HET VERLEIDELIJK IDEE VAN NEERGANG

Ook Vlaanderen ontsnapt niet aan het neergangsidee, integendeel : al vanaf 2006 mat de VUB-socioloog Marc Elchardus dat jongeren forse aanhangers werden van het « declinisme », het geloof in de neergang van de samenleving, het inzicht dat zij zelf het wellicht nog wel zullen redden, maar dat de samenleving rondom hen hen steeds minder te bieden zal hebben. Elchardus noemde het toen al… een geloof (« Voorbij het Narratief van de Neergang », 2015).

Een geloof is iets dat sterker is dan feiten en dat tegen feiten in stand kan houden. Ook als we binnen Europa, en zelfs binnen België, in de regio leven die het opmerkelijk beter doet dan andere, blijft het neergangsgeloof overeind bij een groot deel van de bevolking, inbegrepen de jongeren.

Easterbrook  onderscheidt zekerheden  of feiten van geloof en van meningen, doch ook van « wat we willen geloven » . Dat laatste is een nieuwe kategorie van opvattingen die ingaat tegen feiten, die aangenomen wordt tegen alle beschikbare evidentie in. Optimisme is nu uit de mode, declinisme is de nieuwe trend ! Het is de koppige opvatting dat men gerold wordt door wie de macht uitoefent, en het weerbarstig geloof dat het altijd maar slechter zal gaan. Ook al wijzen ongeveer alle maatschappelijke indicatoren in de andere richting.

WHAT-THE-FUCK-RATTA-TATTA-TA

Natuurlijk werkt democratie niet perfect, en vanzelfsprekend zijn er in de complexe verzorgingsstaten van vandaag nog altijd grote noden waarvoor we nog geen adequate oplossingen hebben. Dat we het in het geheel, met zijn allen, véél beter stellen is een feit, maar rechtmatige kritiek op de gaten in de solidariteit voeden het neergangsgeloof bij al wie dit aanhangt. Wat Easterbrook de « what-the-fuck-ratta-tatta-ta» van de sociale media noemt, megafoneert dit geloof nu voortdurend rond, herhaalt en bevestigt het. En wat ook niet helpt is dat al wat « trending » is op sociale media, vandaag ook bovenaan staat in de nieuwsselectie-criteria van journalistiek.

« Geen enkele partij zag zich gedwongen om het debat ten gronde te voeren ». Zo titelde een krant :  « … Het zou de constante worden in een stuurloze campagne zonder heldere inzet. Daardoor passeerden veel belangrijke thema’s de revue – mobiliteit, migratie, onderwijs, justitie, pensioenen, koopkracht ) maar geen ervan werd op scherp gesteld »(De Standaard 25 mei, « Een campagne zonder dash »).

Lang is aangenomen dat de vierde macht, de pers, juist die rol van publieke waakhond zou spelen. Dat vrije journalistiek altijd de maatschappelijk relevante thema’s zou agenderen, de juiste vragen zou blijven stellen, de politici zou blijven bestoken met kritische vragen en interpellaties. Helaas,  media beginnen nu af en toe toe te geven dat ze daar niet altijd in slagen. Ze weten wat politici eten, hoe ze zich kleden of zich bij de kapper gedragen of in hun tuin, en ze kennen hun sportprestaties, voorkeurwijn of hobby’s,  maar kritische bejegening is er te vaak niet bij.

GEPRAAT VERVANGT DEBAT

Vaak werd gekozen om rivaliserende politici tegen elkaar uit te spelen in allerlei praatprogramma’s, en ze dan hoofdzakelijk te laten praten, ook wanneer ze door elkaar spraken of riepen. De redacteur of redactrice plooide te vaak terug op een achteroverleunende rol in een talkshowformaat, die politici onderling onvriendelijkheden liet uitwisselen, zonder nog op basis van kennis veel vragen te stellen of kritisch tussen te komen.

Het is wellicht dé mediatrend van de verkiezingen geworden, de journalistieke abdicatie terwijl nog nooit zo veel bladzijden of zendminuten aan verkiezingen werden besteed. Waarschijnlijk zijn er uitzonderingen te vinden die de regel bevestigen, maar media kunnen zich niet langer meer achter een smoes verschuilen voor een kritische vaststelling.

Al in 1965 analyseerde Galtung de nieuws-selectiecriteria, met hun nadruk op plotse zaken, korte termijn, negativiteit, simpele dingen en wat aansluit bij vooroordelen. In journalistiek is er weinig of niet gewerkt aan een grondige revisie van deze nieuwscriteria, die meer dan 50 jaar oud zijn en eigenlijk nog altijd als handleiding meegaan.

In zijn magistraal werk Enlightenment Now (2018) is Harvard-man Steven Pinker keihard over moderne journalisten : de onheilsprofeten zijn er de vedetten. Ze geloven dat ze, door het negatieve te accentueren, hun plicht vervullen als waakhonden, klokkenluiders en maatschappelijke critici. Ze doen alles lijken op symptomen  van een zieke samenleving.

Wat de vorm betreft, wordt nieuws steeds meer voorgesteld als een verslag van een  sportwedstrijd, met winnaars en losers.Pinker beveelt aan dat journalisten hun “Chicago- manier van debatteren”dringend zouden verlaten:  wanneer de ene zijn mes trekt, dan richt de andere zijn pistool. Een deftig publiek debat, zonder hetwelk een democratie niet kan functioneren, voed je daarmee niet, en de behoefte aan een betere werking van de vierde macht is zeker even groot als de noodzaak van betere attitudes van de politieke wereld zelf – aldus Pinker.

VERKIEZINGSPROGRAMMA’S VOOR ANDERE LANDEN

De meeste politieke partijen hebben verkiezingsprogramma’s voorgesteld die uitstekend geschikt waren voor… een ander land. Te vaak ontbrak het aan echte oplossingen voor basiselementen van de verzorgings- en investeringsstaat die we willen zijn, zoals de dringende correctie van het begrotingstekort, dat geraamd wordt tussen 3 en 15 miljard. Of nog, de te lage werkzaamheidsgraad, die ruim 10 % (of 500.000 banen) lager is dan in Nederland of Duitsland die bijna 80% scoren, met 75% actieven in Vlaanderen en slechts 64% in Wallonië en 61% in Brussel.

De overheidskost blijft veel hoger dan in vergelijkbare verzorgingsstaten, zoals deze van Nederland of Scandinavië, en  verdubbelde zelfs in nominale bedragen sedert 1997; historisch was onze hogere productiviteitsgroei een groot voordeel, vandaag is deze gezakt onder het gemiddelde van de productiviteitsgroei in de OESO-landen.

Een derde van onze pensioenen wordt niet meer gefinancierd op basis van werk of bijdragen, en we misten de kans om de pensioenzekerheid voor de volgende generaties te garanderen. Hiervoor bestond een uitstekend lange termijnplan dat zeer ruime instemming genoot doch niet uitgevoerd raakte. Waarom kunnen werknemers in andere landen gemiddeld gedurende een loopbaan van 42 jaar werken, en in België slechts 36 ? Onze pensioenbeloften zijn daardoor al jarenlang ondergefinancierd. Het pensioenplan stond vol ingenieuze oplossingen voor iedereen, maar werd domweg geblokkeerd… al evenzeer om puur demagogische redenen.  Pensioenzekerheid – hét criterium van een goed pensioenbeleid –  kwam er nog meer mee onder druk, begrijpe wie kan ! Slecht bestuur voedt angst… en angst voedt het neergangsgeloof en wantrouwen.

ASOCIALE PARTNERS ?

De sociale partners dragen daarin een grote verantwoordelijkheid. De historische verdienste van vakorganisaties is groot : zij waren de belangrijkste maatschappelijke  innovatoren van de vorige eeuw, grondleggers van de sociale zekerheid die het solidariteitsbeginsel krachtig verankerde.

Vandaag zijn ze voornamelijk de bewakers van het status-quo voor hun leden, en zo werden ze de meest conservatieve krachten in de samenleving, die het verleden krampachtig trachten te beschermen tegen de toekomst.  Ze benadelen er de toekomst van de kinderen en kleinkinderen van hun leden mee. Die komen  vandaag ter wereld met een eigen relatief aandeel in de staatsschuld van bijna 43.000€. Solidair ?

LANDEN DIE BETER PRESTEREN HEBBEN GOED BESTUUR

Het beleid moet om, en politieke besluitvorming moet anders. Terwijl onze overheidskost aanzienlijk toenam, was het politiek mantra er vaak één van hervorming en besparingen. Andere landen zochten efficiëntiewinsten in hun beleid, en konden hun eigen kost terugdringen zonder aan de normale voorzieningen van hun verzorgingsstaat te raken. Zonder uitzondering presteren die landen in vrijwel elke internationale vergelijking beter dan België (https://www.itinerainstitute.org/nl/boek/what-is-at-stake-in-the-2019-elections/).  De ruimte voor een betere aanpak in België is bijzonder groot.

Alle landen die het beter doen dan België, hebben één groot verschil : goed bestuur (Itinera, Een Plan voor het Land, 2019). Ze formuleren heldere, ambitieuze en wervende doelstellingen en werken daar planmatig en met grote kosten-efficiëntie naartoe : Zweden, Denemarken, Nederland, Duitsland, Zwitserland, …

Laat ons de ambitie tonen om dat ook te doen : er is geen excuus, zeker niet naar de volgende generaties. Er zijn voldoende bewezen praktijkvoorbeelden in andere staten, die met dezelfde politieke demonen worstelden als België.

VERLAAT DE ZELFGENOEGZAAMHEID

Formuleer een brede wervende doelstelling, bvb dat we ons tussen Nederland en Duitsland rangschikken in de internationale index concurrentievermogen (WEF) – met heel veel maatschappelijke relevante criteria, van efficiëntie naar milieu, gezondheidszorg en sociaal beleid. Nu zakken we elk jaar weg, we staan op 21, en laten Nederland op plaats 4 en Duitsland op plaats 6 te ver boven ons staan. België kan naar plaats 5, is dat geen wervend en verbindend plan voor ieder ?

Onze politici sluiten zich best niet nachtenlang op in een kasteel, maar kunnen een ongelooflijk kennispotentieel aan het werk zetten om het plan uit te werken : universiteiten, Planbureau, Nationale Bank en zovele kennisinstellingen kunnen dat plan maken. Alle materiaal dat ze ervoor nodig hebben, is er.

FRANSTALIG BELGIË MOET MEE

De Franstalige Belgen moeten mee in dat bad. Philippe Destatte, directeur van het Institut Jules Destréedat voor Waalse regionalisme pleit, heeft er nog recent op gewezen dat Wallonië zich zeer dringend moet herpakken (L’Echo, 29 dec. 2018). Misschien, zo schreef hij, gaat het niet echt verder achteruit, maar het gaat zeker ook niet vooruit. Hij stelt het onevenwicht aan de kaak tussen de waardecreatie die nodig is in de welvaartsstaat, en een maatschappelijke sfeer die alleen maar waarde wil herverdelen zonder ze tot stand te brengen. De beleidsopties in het Zuiden van het land, aldus Destatte, hebben niet gewerkt, we missen zeker 100.000 banen die tot de welvaartsgroei bijdragen, en geen enkel van onze plannen slaagde erin om daar verandering in te brengen.

Di Rupo, die zich opwerpt als de herrezen leider van franstalig België, sprak zich fors uit voor de Belgische staat zoals die is, en waarin de Vlamingen vooral zorgen voor de fiscale en parafiscale inkomsten, en franstalig België jaarlijks een transfer van 5 miljard € blijft nodig hebben. (Le Soir, 14 januari 2019). Dat is niet in overeenstemming met het discours van Franstalige en Vlaamse bedrijfsleiders (Il manque un cap à ce pays, L’Echo, 4 mei 2019 ; Ons land heeft ambitie nodig, De Tijd, 4 mei 2019). In een federale staat, met al zijn gebreken en tekorten, moet men ook de wil tonen en het leiderschap aan de dag leggen om samen vooruitgang te boeken. Het door Di Rupo openlijk bepleit transfer-federalisme is een eindig model dat de Franstalige Belgen een rad voor de ogen draait.

VAN SLECHTE PARTICRATIE NAAR : HANDEN AAN DE PLOEG !

België presteert onder zijn potentieel. Het permitteert zich gedateerde politieke zeden, waaronder de prominente plaats die slechte particratie nog altijd heeft. Zij leidt tot te dure besluitvorming, onheldere doelstellingen en geweldige inefficiëntie in de uitvoering van plannen die te vaak draken van compromissen werden.

Politieke benoemingen zijn er één van de kankers van, of nog, de verloedering van de infrastructuur, het wanbeheer en de wanprestatie van  openbaar vervoer, de « afschaffing » van kabinetten, provincies of de Senaat, de goedkeuring van geïmproviseerde wetgeving, en het onvermogen om nog grootse wervende plannen tot stand te brengen én  uit te voeren.

We haakten ook af inzake de verantwoordingsplicht die de hoeksteen is van democratie : politici en bestuurders leggen nauwelijks nog rekenschap af voor gevoerd beleid en laten soms desastreuze gevolgen voor wat ze zijn. We halen de schouders op voor het jaarlijks volumineuzer Blunderboek van het Rekenhof. Dat is een uitstekend recept voor wantrouwen en vergrootte de ruimte waarin demagogie succesrijk werd.

Andere landen, die vergelijkbare moeilijkheden hadden, deden ons voor dat het anders kan. Er is niets wervender dan een goed en realistisch plan dat ons land terug in het koppeloton van vergelijkbare landen zou brengen. Dàt kan iedereen verenigen, en de angst doorbreken die mensen nu hebben, voornamelijk omdat ze te veel en te drastische verandering om zich heen zien waar geen leiderschap meer tegenover staat. Migratie, energie en klimaat zijn voorbeelden van moeilijke thema’s, net zoals integratie, onderwijs en werkzaamheidsgraad.  Angst ervoor voedt het neergangsgeloof, daadkracht, aanpak en executie zijn  het enige medicijn dat daartegen in kan gaan.

Al die problemen kùnnen worden aangepakt. De analyses zijn gemaakt, de kennis is beschikbaar. De verkiezingsresultaten van gisteren doen nu inzien dat de nieuwe toestand een nieuwe aanpak vergt, de tijd van politieke praatjes is voorbij nu.

Handen aan de ploeg !

Prof dr Leo NEELS 27 mei 2019

 

De Aalsterse Sabbat-Praalwagen: misplaatst zeker, maar strafbaar?

 

De Aalsterse praalwagen met de afbeelding van Chassidim-joden was ongetwijfeld smakeloos en misplaatst. Vanuit de Belgische Joodse gemeenschap werd, zoals gebruikelijk, direct gereageerd op de dubieuze uitbeelding van de ethnisch-religieuze groep, o.m. door het Forum der Joodse Organisaties en het Coördinatiecomité van Joodse Organisaties in België.

Ditmaal kwam ook vanuit de Europese Commissie vrijwel direct een strenge mondelinge veroordeling,  die werd gekaderd in de strijd van de Commissie tegen alle vormen van antisemitisme, van alledaagse online en offline haatboodschappen tot fysieke aanvallen, met een herinnering aan de Holocaust. Het is, aldus de woordvoerder van de Commissie, aan de nationale autoriteiten om actie te ondernemen in individuele zaken, op basis van de toepasselijke wet.

Die laatste verwijzing is niet gratuit, want het staat m.i. allerminst vast dat de weliswaar wansmakelijke praalwagen een inbreuk zou vormen op het verbod van discriminatie op etnische of religieuze grond.

Het gaat om de wijze waarop men naar de zaken kijkt, en daarin treedt zeker een verschuiving op.  Gedurende decennia werd uitingsvrijheid voornamelijk beoordeeld vanuit het standpunt van degene die zich uit. Ongepaste, radicale, extreme, banale, stuitende of weerzinwekkende uitingen : het valt allemaal onder het grondwettelijk gewaarborgd recht om op elk gebied zijn mening te uiten. Volgens de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de mens dekt de vrijheid van meningsuiting immers ook de uiting van opinies die choqueren, storen of beledigen.

UITINGSVRIJHEID VERGT INCASSERINGSVERMOGEN

De kern van de ruime uitingsvrijheid is immers net de vrijheid om iets te zeggen waarmee anderen het niet eens zijn. Die vergt dus van toehoorders of van degenen die het voorwerp zijn van een uiting een ruim incasseringsvermogen.

Men voelt het spanningsveld, en dat blijkt uit de omstandigheid dat belediging, of laster en eerroof – het bewust toebrengen van reputatieschade – in het Strafwetboek steeds strafbaar waren en het ook zijn gebleven. Maar het zwaartepunt lag toch beslist bij ruime uitingsvrijheid, die grote tolerantie vooronderstelt bij wie van sommige meer extreme of misplaatste uitingen niet gediend is.

VAN GELIJKHEID NAAR NON-DISCRIMINATIE

Langzaam maar zeker is dan aan dat fors standpunt een dimensie toegevoegd, en is men de uitoefening van uitingsvrijheid ook meer en meer gaan bekijken vanuit het standpunt van de mogelijke ontvangers, of van degenen waarover de uitingen gaan.

Zo werden in het verlengde van het gelijkheidsbeginsel steeds meer expliciete rechtsbeschermingsgronden aangevoerd, onder de vorm van bescherming tegen discriminatie : beschermig tegen elke vorm van ongepaste discriminerende behandeling omwille van het ene of andere kenmerk.

Typisch ging het dan om herkomst, huidskleur, zgn. raciale kenmerken of religieuze overtuiging. Vandaag gaat het om een hele reeks criteria zoals handicap, leeftijd, geslacht, sexuele geaardheid, gezondheistoestand, vermogen, fysieke kenmerken, burgerlijke staat, politieke of syndicale overtuiging, geboorte, of nog, sociale afkomst e.dgl.

Men bemerkt aan de steeds uitgebreider geworden catalogus van mogelijke discriminatiegronden dat dit nieuwe denken redelijk ver opgerekt is : de catalogus van mogelijke discriminatiegronden is voortduren uitgebreid. Als men er logisch over doordenkt, is zulke catalogus bij definitie altijd te beperkt, niet ? Maar de geest is uit de fles.

ZIJN ALLE MENSEN NU GELIJK OF ZIJN ZE VERSCHILLEND ?

En zo staan we steeds verder af van de aanvankelijke gelijkheidsopvatting volgens dewelke al dergelijke kenmerken in beginsel geen afbreuk konden doen aan het recht op gelijke behandeling door overheden of derden. Ze werden volstekt geneutraliseerd : alle mensen zijn verschillend, en met die verschillen houden we geen énkele rekening : dàt is – of moet ik nu schrijven « was « – toch de kern van het gelijkheidsbeginsel. Een filosoof zou zeggen : we zijn allen metafysisch gelijk. We worden geacht ons te gedragen alsof al die vaak goed waar te nemen verschillen tussen personen er niét zijn. Eeniéder heeft recht op gelijke behandeling. Een sterk beginsel, toch !

RECHT OP BESCHERMING TEGEN TOEGEBRACHT LEED

De nieuwe lezing nu is evenwel dat dergelijke kenmerken wél een versterkte bescherming geven. Men wordt nu beschermd tegen toegebracht leed ingevolge handelingen die op ongepaste wijze een gedifferentieerde behandeling voorbehouden aan personen omwille van een kenmerk dat als discriminatiegrond is aangemerkt. Voorbeelden legio : de weigering van een job omdat een kandidaat van het ene of het andere geslacht is is, of de weigering van toegang tot een publiek toegankelijke gelegenheid omwille van huidskleur of zgn. raciale kenmerken, enz.

DE TECTONISCHE PLATEN VAN DE MENSENRECHTEN VERSCHUIVEN DRASTISCH

Allemaal goedbedoeld maar deze drastische conceptuele verschuiving van de tectonische platen van de mensenrechten is in werkelijkheid impressionant. Ze is ook nog weinig geanalyseerd in haar conceptuele constitutionele grondslag, en derhalve nog steeds enigszins confuus. Zou het om die reden zijn dat er nu overheidsorganen, zoals UNIA, mee belast zijn om te waken over dergelijke discriminatiegronden? De klassieke leer van de mensenrechten hield destijds spontaan in dat overheden zich vooral erg terughoudend moesten opstellen op dit domein, maar nu werden we plots voorstanders van overheidsactivisme tegen sommige gevolgen van de uitoefening van fundamentele rechten en vrijheden. Tja…

ZIJN UITINGEN OOK HANDELINGEN ?

Aan de moeilijkheid werd nog een dimensie toegevoegd toen ook uitingen als « handelingen » werden beschouwd die onder toepassing vallen van de discriminatieverboden. Daar was een behoorlijk grondwettelijk argument tégen, nl. dat uitingen nu nét een grondwettelijke en verdragsrechtelijke uitzonderingspositie hebben die ze onderscheidt van alle andere handelingen. Maar daar is in één pennetrek overheen gestapt. Wel heeft verdere rechtspraak de meest fatale gevolgen van deze jurisprudentiële misstap beperkt, door dan te vergen dat men een bijzonder opzet moet kunnen aantonen voor strafbaarstelling van discriminerende uitingen.

TERUG NAAR DE PRAALWAGEN

En zo belanden we terug bij de Aalsterse praalwagen. Voorzeker beeldt die de Chassidimmannen uit op stereotype wijze, de afbeeldingen zijn helder. Men kan het er snel over eens zijn dat dit misplaatste humor is, ongepaste bejegening van personen, en oerdom. Maar zou de praalwagen, in de omstandigheden van het geval, ook een strafbare uiting kunnen zijn? Dat is voor grote twijfel vatbaar, precies omwille van de uitzonderlijke omstandigheden waarin de stuitende vertoning werd opgevoerd: het Aalsters karnaval. Voor sommigen het hoogtepunt van het jaar, en een toppunt van humor. Voor anderen over de top, stuitend en weerzinwekkend.

Welke mening men op dat vlak ook toegedaan is, één zaak is wel dat met karnaval in Aalst met àlles en eeniéder op respectloze wijze de draak wordt gestoken. Met mannen, vrouwen, politici, BV’s, televisiegezichten, voetballers en andere publieke figuren en met alle mogelijke groepen uit de samenlevingen, ongeacht… juist ja: ongeacht al die kenmerken die eerder in deze tekst in het lijstje van de discriminatiewet voorkwamen.

Eenieder wordt ongenadig over de hekel gehaald en in zijn gezicht uitgelachen of voor gek versleten. Het is daar geen cursus in wellevendheid of goed gedrag, het gaat net om het tegendeel, vaak meer om decadentie dan humor. Maar fijnzinnigheid is geen juridisch criterium.

 DE RECHTER EN KARNAVAL

Rechters moeten bij de beoordeling van opiniedelicten die omstandigheden mee in hun afweging betrekken. En dan blijkt dat er bij de meeste veroordelingen voor racistische of antisemitische uitingen geen dergelijke context was, of dat er toevoegingen waren van negationistische aard of van oproepen tot haat of geweld jegens de bedoelde personen of groepen van personen.

De Aalsterse praalwagen, de karikaturale en satirische afbeelding van Chassidimmannen, hoe misplaatst ook, mist naar mijn oordeel net de kenmerken die tot strafbaarheid  kunnen leiden. Minstens schijnt het bijzonder opzet te ontbreken, het gaat om een verkeerde inschatting van humor.

Stuitend maar, zoals het hoort onder een ruim vrijheidsregime, toch niet strafbaar. Woord en wederwoord, en  repliek zijn van groter belang dan een verbod.

Hoe groter de vrijheid, hoe vrijer Chassidim, net zoals anderen die wel eens onvriendelijk worden bejegend, hun leven kunnen leiden. Dat is toch de kern van het samen leven van allen, in al onze verscheidenheid, dat we willen?

 

 

 

 

 

Eigen religie eerst?

De heren Said Bataray en Othman El Hammouchi uitten in een opiniestuk op de website vrt.nu forse kritiek op het Antwerps bestuursakkoord (“SP-A pleegt in Antwerpen verraad ten aanzien van de islamitische kiezers”, 24 dec.). Dat is hun goed recht: in de Belgische rechtsstaat kunnen ze vrij hun opinie uiten, ook op radicale wijze.

Doch met hun retoriek zetten ze zich buiten de grenzen van een moderne liberale rechtsstaat. Eigen religie komt daar niét eerst.

De heren klagen aan dat er in het Antwerps beleid onvoldoende beleidswijziging komt inzake de islamitische religieuze vrijheden, met als kroonjuweel het hoofddoekenverbod. Voor moslims, aldus hun betoog, is de vrijheid om hun godsdienst zonder onnodige obstakels te praktiseren van fundamenteel belang, en daarom zetten ze zich heftig af tegen “het verlichtingsfundamentalistische en antireligieuze beleid“ van het bestuursakkoord.

LEVE DE VERLICHTINGSWAARDEN

De ironie van hun stelling is dat het net de verlichtingswaarden zijn die hen toelaten hun radicale mening in alle vrijheid te uiten. Op grond van diezelfde waarden en van de vrijheid van godsdienst, kunnen moslims bij ons hun islamitische religieuze vrijheden inderdaad zonder onnodige obstakels praktiseren.

In onze rechtsstaat, die uit een christelijke traditie komt, behoort dat tot de normaliteit. Die vrijheid bestaat net dankzij de erkenning van de vrijheid van godsdienst. Die vrijheid is in een liberale rechtsstaat noodzakelijk een vrijheid van alle godsdiensten. Dat moet voor elke godsdienst al tot enige terughoudendheid leiden: geen enkele godsdienst is superieur of dominant.

AFSCHEID VAN EEN DOMINANTE RELIGIE

Wij hebben dat moeten leren, en dat heeft tijd gekost. Sedert de afkondiging van de Belgische Grondwet hebben we er vrijwel 150 jaar over gedaan eer we onze voorheen dominante rooms-katholieke godsdienst een betere en meer bescheiden plaats konden geven in onze samenleving. Tot nog ongeveer 40 jaar geleden domineerde de rooms-katholieke moraal ons personen- en familierecht, ons erfrecht en huwelijksgoederenrecht. Het hele Belgisch Burgerlijk Wetboek ademde de moraal van één godsdienst, destijds de overheersende godsdienst, maar het Wetboek gold onverkort voor alle Belgen, ook vrijzinnigen of deze die een andere godsdienst beleden.

We leerden ook, met de Verlichting, dat macht niet kan steunen op een religieuze predestinatie of rechtvaardiging: ze steunt op het volk, op stemrecht van allen in geordende en recurrente verkiezingen. We noemen dit de “scheiding van kerk en staat”. Het recht gaat voor op de godsdienst. Civiel gezag heeft voorrang op religieus gezag, en dat laatste heeft slechts binnenkerkelijke betekenis.

GODSDIENSTVRIJHEID IS NIET ABSOLUUT

De vrijheid van godsdienst bestaat dus binnen de rechtsorde, en niet daarbuiten of daarboven. En de godsdienstvrijheid is fundamenteel, maar niet absoluut. In het belang van de openbare veiligheid, de openbare orde, de gezondheid of goede zeden, en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, kan de vrijheid van godsdienst worden beperkt. Dat is niet zo’n eenvoudig te begrijpen leerstuk voor islamitische tradities die religieuze teksten boven de wet plaatsen of die godsdienstige regels als wet willen doen gelden. Die opvatting moet in een rechtsstaat altijd wijken.

Toch laten die beperkingen  veel ruimte voor een godsdienstige praktijk, zowel in de private woning als de gebedshuizen en ook in de openbare ruimte – ook al zien we dat in rechtsstaten de publieke belijding van godsdienst en geloof afneemt, en er, ook onder invloed van de algemene secularisering, een terugtred uit de openbare ruimte is voor de vroeger dominante christelijke erediensten.

Toch zijn er maar weinig beperkingen aan openbare uitoefening van godsdienstvrijheid, ook de islamitische, zoals blijkt uit het straatbeeld waarin we in al onze steden moslima’s met hoofddoek zien. Dat beeld behoort vandaag tot onze normaliteit: de religieuze betekenis die door vele moslims aan de dracht van de hoofddoek door vrouwen wordt toegekend vormt daar geen beletsel voor, de religieuze betekenis versterkt zelfs het argument voor die openbare dracht. Dat is al lang geen punt meer, het is er zelfs nooit een geweest. Er is dus geen sprake van “het hoofddoekenverbod”, dat heeft nooit bestaan.

DE NOODZAKELIJKE NEUTRALITEIT VAN OVERHEDEN

Er zijn maar twee precieze omstandigheden waarin het dragen van de hoofddoek aan beperkingen kan onderhevig zijn.

De eerste omstandigheid geldt voor moslima’s die een publieke functie uitoefenen namens een openbare overheid: die moeten tijdens de uitoefening van zulke publieksfunctie optreden zonder enig religieus symbool, inbegrepen de hoofddoek.

De vrijheid van godsdienst brengt immers mee dat overheden die vrijheden in hoofde van al hun burgers moeten erkennen, en daaruit vloeit noodzakelijk voort dat overheden per definitie religieus neutraal moeten zijn in al hun uitingen en gedragingen. Ook dat hebben we maar traag verworven op onze dominante rooms-katholieke godsdienst, wiens kruisbeelden nog tot enkele decennia geleden in alle openbare gebouwen hingen en wiens God werd aanroepen in de wettelijke eedformules.

Maar dat overheden neutraal moeten zijn – politiek, religieus, filosofisch of syndicaal – is verworven: ze moeten alle burgers, ongeacht al hun verscheiden meningen, geloof of opvattingen op al die vlakken, gelijk behandelen. Omgekeerd moeten overheden zich totaal neutraal opstellen in al hun contacten met hun burgers: die eis brengt mee dat ambtenaren of overheidswerknemers die namens hun publieke functie in aanraking zijn met het publiek, geen politieke, religieuze of andere geloofs- of opiniesymbolen dragen. Een militant voor een politieke partij, een syndicaat of een maatschappelijk standpunt, mag daar ook geen uitwendige tekens van dragen in een publieksfunctie namens een overheid. Zij beelden op die wijze de neutraliteit uit waarmee overheden hun burgers, al hun burgers, tegemoet treden. Ook dat is een belangrijke verworvenheid uit de inzichten van de verlichting, die we langzaam maar zeker leerden toe te passen.

ORDENTELIJK SAMENLEVEN OP SCHOOL

De tweede omstandigheid waarin religieuze symbolen kunnen worden verboden, doet zich voor in schoolgemeenschappen – van het zgn. vrij katholiek onderwijsnet of andere – waar het dragen of niet dragen van een hoofddoek door leerlingen het voorwerp kan zijn van groepsdruk, indoctrinatie of bekeringsijver (proselitisme).

Indien scholen daar evidentie voor kunnen aanvoeren, zijn dit redelijke argumenten om een hoofddoekenverbod in te voeren voor de leerlingen in de school. Het GO had in 2013 een algemeen verbod uitgevaardigd, dat door de Raad van State in 2014 ongrondwettelijk werd bevonden omwille van zijn algemeen karakter. De rechtspraak vergt nu dat een school concrete evidentie kan aandragen van groepsdruk, indoctrinatie of overdreven bekeringsijver. Dat is ook het officiële standpunt van de Vlaamse onderwijsminister.

Kortom, het zgn. “hoofddoekenverbod” is een beperking op dit religieus symbool in twee concrete omstandigheden. Ofwél gaat het erom dat de neutraliteit van onze overheden voorgaat op het individuele geloof van een overheidsmedewerkster, ofwel gaat het er om dat men jonge meisjes wil onttrekken aan groepsdruk, indoctrinatie of bekeringsijver op school.

We deden er in België lang over  om de eertijds dominante plek van de meest beleden rooms-katholieke godsdienst tot zijn genormaliseerde proporties terug te brengen. Voor aanhangers van andere proselitische godsdiensten, zoals de islam, kan dit een weerbarstig leerstuk zijn.

KRITISCH TEGENOVER IDENTITAIRE ARGUMENTEN

Toch moeten liberale samenlevingen zich verweren tegen illiberale houdingen, precies om ten volle de vrijheid van allen te ontplooien (naar Paul Scheffer, De Vorm van Vrijheid, 2018, p. 50). Dat is des te meer het geval, nu sommige islamstrekkingen net vanuit illiberale staatsautoriteiten gestuurd worden, o.m. de Turkse of deze van de Verenigde Arabische Emiraten. Dat voegt een complicatie toe aan het debat die ook niet onderschat mag worden als we succes willen boeken op het moeizaam integratiepad.

Zijn de heren Bataray en El Hammouchi  er zich bewust van, hoe dicht hun identitaire aanspraken liggen bij een verwerpelijke retoriek die “eigen volk” of, in dit geval, “eigen religie” eerst wil plaatsen? Juist de afstand die we van dergelijke opinies willen nemen, was destijds het motief van de besturen om onder omstandigheden specifieke beperkingen op te leggen aan een religieus symbool, zonder onnodig obstakel op te werpen voor de werkelijke religieuze beleving van moslima’s.

Na jaren van non-beleid (B. Benyaich, Klokslag Twaalf: Tijd voor een ander migratie- en integratiebeleid, Itinera, 2014), kan je geen ommeslag verwachten in één decennium: België besteedde anderhalve eeuw aan het leerproces met de omgang met de verlichtingswaarden.

Op basis van identitaire aanspraken is het integratiedebat niet te voeren; de samen-leving als uitgangspunt levert de valabele insteek om polarisatie te voorkomen.

 

 

 

 

PAMFLETTAIR RECHT IN DE RECHTSSTAAT ? Bedenkingen bij het Marrakech-Compact

            In 2014 concludeerde Bilal Benyaich dat België een echt immigratieland werd, dat bovengemiddeld veel verblijfsmachtigingen om familiale redenen toekent: geen land van gekozen immigratie, maar een land van ‘ondergane immigratie’ (Itinera, Klokslag 12. Tijd voor een ander migratie- en integratiebeleid, 2014) .

Bovendien is België, aldus Benyaich, een land waarin de participatiekloof tussen Belgen met een migratie-achtergrond en autochtone Belgen hardnekkig groot blijft, hét kenmerk van een mislukt integratiebeleid. Er werd toen al gepleit voor een doordacht en gedragen migratiebeleid, een kordaat en rechtvaardig asiel- en volgmigratiebeleid, en een selectief arbeidsmigratiebeleid. Dat zijn de noodzakelijke instrumenten om een succesvolle immigratienatie te kunnen worden.

GEEN GELSAAGD IMMIGRATIELAND

In alle bescheidenheid moeten we vandaag bekennen dat we nauwelijks verder staan. Deels is dat het gevolg van de grote vluchtelingenstromen en ongecontroleerde migratiebewegingen sedert 2015, deels van de omstandigheid dat hier geen degelijk draagvlak is uitgebouwd voor een waarachtig migratiebeleid, laat staan voor een volwaardig integratiebeleid.

De pijnlijke werkelijkheid is dat we een quasi-gesegregeerd land werden waarin bevolkingsgroepen eerder naast elkaar leven zonder wederkerig vertrouwen ; dat geldt zowel tussen diverse groepen van Belgen van buitenlandse herkomst, als tussen nieuwe en oude Belgen, als tussen frans- en nederlandstalige Belgen onderling: installeerden we immers niet een vorm van apartheidsregime in onze eigen Grondwet ?

LEVE MIGRATIE : ZOU HET ?

Tegen die achtergrond is het verwonderlijk dat de geweldige lofzang op migratie, waarmee het Global Compact for Migration aanvangt, in België op zo veel steun kan rekenen. Die steun was er alvast niet om een degelijk  migratiebeleid uit te bouwen. Overigens… noch in België, noch in de Europese Unie.

Geloven we, écht, dat migratie « een bron is van welvaart, innovatie en duurzame ontwikkeling in deze geglobaliseerde wereld » ? Geloven we, écht, dat « de grote meerderheid van migranten zich vandaag globaal verplaatsen op een veilige, ordelijke en legale wijze » ?

Dergelijke ronkende verklaringen waarmee het Compactgrossiert zijn strijdig met de pijnlijke werkelijkheid van elke dag. Voor de families en de vrouwen die achtergelaten worden in vele landen van herkomst, is migratie  eerder een verliespost  van jeugd, talent, veiligheid, inkomensbron en arbeidskracht.  Voor veel landen van aankomst is migratie vandaag zelden een grote bijdrage tot welvaart en duurzame ontwikkeling.

Dat is een eerste reden om niet te naïef te kijken naar het Global Compact.

LEVE DE  « ILLEBERALE DEMOCRATIEËN « ?

Een tweede reden is dat dergelijke teksten in internationale gremia tot stand komen tussen een meerderheid van landen met eigenaardige regimes, hele of halve autocratische staten, waar rechten en vrijheden niet worden gerespecteerd en vaak corruptie heerst. Het is veelzeggend dat we daar nu een nieuw eufemisme voor hebben : « illiberale democratieën », een contradictio in terminis : democratie rust immers op vrijheid, zonder vrijheid is de democratie zelf onbestaande.

FreedomHouse rapporteert er voortdurend over : er zijn sedert 12 jaar steeds meer landen die als democratie achteruitgaan, en steeds minder die vooruitgang boeken (www.freedomhouse.org, Freedom in the World 2018). Hoe meer landen minder democratisch en meer repressief worden, hoe driester hun leiders er te werk gaan,  hoe onstabieler de regio wordt, en hoe groter de ruimte wordt voor extremisme. Dat is de internationale werkelijkheid.

Realiseren we ons dat in te veel internationale gremia, zoals de UNO, dit soort van landen vandaag de dienst uitmaakt ? FreedomHouse zegt het helder : autocraten onderwerpen hun burgers in hun land aan arbitrair bewind, terwijl ze zich ontdoen van alle beperkingen op hun drieste machtsuitoefening, waarmee ze een vicieuze cirkel aandrijven van misbruik, radicalisering en geweld.

Met andere woorden, de meerderheid van de landen die op dat niveau zulke teksten voorstaan, zijn net landen die geen respect hebben voor die teksten, en ze dus met gemak tekenen. Dat moet toch te denken geven : de internationale rechtsorde bevindt zich in een vorm van onevenwicht, dat nog versterkt werd door de brutale Amerikaanse vlucht als leidende diplomatie van de zgn. vrije wereld.

Is dit het goede moment om nieuwe sloganmatige teksten van dit type te onderschrijven? In dit verband is opmerkelijk  dat de tekst nauwelijks onderscheid maakt tussen wat men reguliere en irreguliere migratie noemt, en deze quasi gelijkschakelt, zij het met lippendienst aan de mogelijkheid van landen om irreguliere migratie aan te pakken ? De onvoorzichtigheid op dit punt maakt van de tekst een uitgelezen grondslag voor het businessmodel van de mensenhandel die vandaag de dominante kracht is van de irreguliere migratiestromen.  Dat is toch we het laatste dat de wereld nodig heeft ter bevordering van welzijn en welvaart.

TEKSTEN BINDEN

Een derde argument is dat van de bindende kracht van de tekst. De tekst zelf bevat een bepaling die die bindende kracht ontkent, maar hij wemelt tegelijk van de engagementen en de verbintenissen. Hoofdzakelijk  overigens voorlanden van aankomst, voor de landen van herkomst is de tekst meer bescheiden.

Dit type van teksten is ideologisch en politiek en creëert een schijn van rechtsbron. Het is altijd een inspiratiebron voor beleid, en daar komt de kat op de koord. Bij grote maatschappelijke verschuivingen of breuken – zoals de grote vluchtenlingenstroom, de massale migratiebewegingen, of nog, het nieuwe fenomeen van transmigratie – loopt nieuw beleid achter de feiten aan, het is niet anders.

En dan wordt steeds meer en steeds systematischer beroep gedaan op de rechter, daar zijn ook in België talloze voorbeelden van, soms met tientallen verzoeken en beroepen voor dezelfde personen. Voor hoven en rechtbanken wordt dit soort teksten altijd ingeroepen, en zo werken ze door in de rechtspraak.

Immers, zulke rechtszaken worden altijd gevoerd in een klimaat van morele verontwaardiging. Wat is er dan meer bruikbaar dan teksten die moreel bevlogen zijn en internationale status hebben? De kwestie van de juridische bindende kracht verliest dan haar waarde, omdat de moraliteit leidend wordt. En zo worden nieuwe rechten gecreëerd, ook voor wie zich onrechtmatig op het grondgebied van een land bevindt en tegen overheden die wettig handelen.

De eerste pijler van de rechtsstaat zijn degelijke en betrouwbare teksten die rechtszekerheid creëren.  Het pamflet van Marrakech draagt daar niet toe bij, integendeel.

 

Prof dr Leo Neels

28 nov 2018

 

 

Blinddoekendebat

Ook het hoofddoekendebat moet zorgvuldig gevoerd worden.

            In de Stad Antwerpen is al langer een verbod van kracht voor stadsambtenaren die in contact zijn met het publiek – “loketbedienden” – om politieke, syndicale of religieuze symbolen te dragen. Groen kondigde aan van de opheffing van die regeling een breekpunt te maken.  Het betrokken stedelijk reglement is nochtans geheel in overeenstemming met de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het politiek voluntarisme van Groen is wellicht in strijd met het neutraliteitsbeginsel uit de Grondwet.

De vrijheid van godsdienst is een belangrijk grondwettelijk beginsel. Het hield aanvankelijk voornamelijk in dat overheden personen niet anders mogen behandelen omwille van hun geloof. Met andere woorden: overheden moeten hun burgers gelijk behandelen, ongeacht de religieuze overtuiging die ze aanhangen.

VRIJHEID VAN GODSDIENST = VRIJHEID VAN ALLE GODSDIENSTEN

Uit dat beginsel volgt, logisch, dat er vrijheid is van alle godsdiensten: als burgers vrij zijn om de godsdienst van hun keuze aan te hangen of te belijden, dan kan de overheid – uiteraard – geen voorkeurgodsdienst hebben. Lange tijd hingen nochtans in openbare gebouwen, zoals gemeentehuizen, scholen of hoven en rechtbanken kruisbeelden: dat was het symbool van de dominante plaats die, toen, nog aan de katholieke kerk werd toegekend. Dat stond uiteraard op gespannen voet met de godsdienstvrijheid: voortschrijdend inzicht heeft die dominante plaats afgebouwd, en de kruisbeelden verdwenen uit openbare gebouwen. De doorslaggevende positie van de katholieke religieuze moraal in het oude Belgisch Burgerlijk Wetboek overheerste zeer lang het personen- en familierecht, de huwelijksvermogensregeling en het erfrecht. Ook daarvan zijn nu er geen sporen meer.

OVERHEDEN ZIJN NEUTRAAL

Uit de combinatie van de godsdienstvrijheid en het gelijkheidsbeginsel, volgt dat overheden neutraal moeten zijn in hun optreden naar burgers. Er wordt soms aangevoerd dat de strakke laïciteitsopvatting, die Frankrijk heeft, bij ons niet zou gelden. Wat daar ook van zou zijn: ook onze overheden moeten ten aanzien van diverse religieuze opvattingen neutraal optreden. Overheden moeten hun neutraliteit ook uitstralen en tonen. Gaandeweg kwamen, om die reden, de kruisbeelden in openbare gebouwen in het vizier en ze zijn er dan ook terecht verwijderd. Zoals eenieder kan vaststellen: de oude prominente plaats van religie in de publieke ruimte is aanzienlijk gekrompen.

Om dezelfde reden hebben vele overheden neutraliteitsregelingen ten aanzien van hun personeel dat professioneel, namens een overheid, in contact staat met het publiek, de zgn. “loketbediende”. Zulke ambtenaar vertegenwoordigt tegenover bezoekers en publiek de neutrale overheid en moet die neutraliteit ook uitstralen.

LOKETBEDIENDEN REPRESENTEREN DE NEUTRALITEIT VAN HUN OVERHEID

Daarin ligt de grondwettelijke grondslag van de neutraliteit van overheidspersoneel dat professioneel functies uitoefent waarvan de essentie het contact is met het publiek. Dergelijke ambtenaren mogen individueel hun eigen politieke, syndicale, maatschappelijke of religieuze overtuigingen hebben, dat is hùn vrijheid. Maar in de uitoefening van hun publieksfunctie namens de overheid mogen ze niets doen, dragen of uiten wat hun persoonlijke overtuiging zou doen blijken. Ze moeten precies het tegendeel doen: ongeacht hun persoonlijke overtuiging, en hoe sterk ze die ook zouden willen belijden, moeten ze zich neutraal opstellen, kleden, gedragen en uiten. Dit zijn verworvenheden van het leerstuk van de godsdienstvrijheid en de daaruit voortvloeiende “scheiding van kerk en staat”, zoals de gekende samenvatting van het neutraliteitsleerstuk luidt.

VOORTSCHRIJDEND INZICHT

We zijn daar historisch niet altijd even zorgvuldig mee omgesprongen, dat is waar. En veel van de in 1831 in de Belgische Grondwet beleden grote beginselen uit de verlichting, hebben een lange incubatietijd gehad eer ze de daaraan niet beantwoordende gebruiken en usantiën uit het verleden konden overwinnen. Denk aan het vrij gebruik van talen, dat tot het einde van de 19deeeuw niet in de weg stond aan de uitbanning van het Nederlands uit het administratie, onderwijs en gerecht, of nog, aan het stemrecht dat, in weerwil van de gelijkheidsbepaling, tot 1948 aan vrouwen onthouden werd. Dat is het voortschrijdend inzicht in een democratische rechtsstaat, en het kan lang duren eer daar stappen in gezet worden. Mét onze instituties en waarden kàn men zulke stappen zetten, zonder dat men er elkaar voor opblaast of onthoofdt.

HOOFDDOEKENVRIJHEID EN HOOFDDOEKENVERBOD

Vandaag is het “bon ton” om nu te spreken van “het hoofddoekenverbod”. Dat is eigenlijk totaal verkeerde semantiek. Hoofddoeken zijn in onze samenleving niet verboden, zie maar in het straatbeeld. Maar het dragen van hoofddoeken kan onder omstandigheden in scholen verboden zijn voor leerkrachten en zelfs voor leerlingen, en het kan in openbare dienst verboden worden voor publieksfuncties, indien de overheid een algemeen neutraliteitsreglement aanneemt voor haar personeel. Zo lang het grondwettelijk neutraliteitsbeginsel geldt, vergt de Grondwet eigenlijk dat al onze overheden zulk reglement aannemen. Er zijn er die dat vandaag theatraal niét doen of een oud reglement opheffen, en we zijn  te lankmoedig om onze waarden en instituties correct uit te leggen en te verdedigen. Dat is een grote fout die we ons in een democratische rechtsstaat eigenlijk niet kunnen veroorloven.

ONZORGVULDIG PUBLIEK DEBAT

Nog pas gaf de groene oekaze aanleiding tot een tv-debat (De Afspraak dd 23 okt.) waarin die onachtzaamheid bleek. Daarin verdedigde stafhouder Verstrepen, zonder passende tegenspraak, een stelling waarvoor geen rechtsgrond bestaat. Haar redenering vertrok  van de moslima-loketbediende en haar individueel recht op vrijheid van godsdienst en de vrijheid daar ook voor uit te komen: een puur identitair argument, zoals vandaag vaak de mode is. Dat argument faalt: vrijheid van godsdienst is een fundamentele vrijheid, maar de identitaire redenering maakt er een absolute vrijheid van, waarvoor andere beginselen zouden moeten wijken – ook het grondwettelijk neutraliteitsbeginsel. Dat is verkeerd: net zoals andere fundamentele rechten en vrijheden, is godsdienstvrijheid onderworpen aan beperkingen: fundamenteel, maar niet absoluut.

De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de mens (Straatsburg) en van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Luxemburg) zijn daar zeer helder in. Overheden, en zelfs private partijen zoals bedrijven, kunnen legitiem algemene neutraliteitsreglementen aannemen voor personeel in publieksfuncties. Het individuele recht van een ambtenaar of werknemer moet daarvoor dan wijken wanneer die personeelsleden functies willen blijven uitoefenen die essentieel bestaan in contact met het publiek.

ONZE WAARDEN EN VRIJHEDEN VERGEN ONDERHOUD

Onze instituties en waarden moeten onderhouden worden door iedereen: overheden, wetenschap, onderwijs, media, gezinnen, individuen. Wij moeten zonder meer voortdurend in staat zijn om over deze beginselen te spreken en ze te verspreiden, we mogen daar niet zo onachtzaam mee omgaan. Juist personen in belangrijke functies moeten die rol van aandacht en verspreiding opnemen. In publieke mediadebatten moeten ze dit correct durven voorstellen, en afstand nemen van ideologische opinies die tegen de grondslag van onze samenleving ingaan.

Immers, de beperking aan godsdienstvrijheid die men in een “hoofddoekenverbod” zou kunnen zien, berust nu juist op de noodzaak van wat men noemt “le vivre ensemble”,“living together”, “samen leven”. Er zou niets verkeerd mee zijn dat élk mediadebat daar altijd aan herinnert. Er is immers niets mooier dan  mét onze waarden en normen vreedzaam en daadwerkelijk … samen te leven.

Prof dr Leo Neels

 

 

Democratie…. Pfff….

 Een kwart van de 360.000 Vlaamse jongeren die binnenkort voor het eerst gaan stemmen, verkiest een autoritaire leider boven de democratie. Ruim de helft is niet of nauwelijks geïnteresseerd in politiek; het laat hen koud dat ze voor het eerst mogen stemmen. Jongeren weten niet welke partijen besturen en een meerderheid kent haar of zijn burgemeester niet.Dit zijn onthutsende resultaten van een enquête bij Vlaamse jongeren die op last van  VRTNWS werd uitgevoerd. 

België is een stabiele democratische rechtsstaat, met hoge welvaart en redelijk – vroeger schreven we “uitstekend” – onderwijs. En kijk, een relevant deel van de jongeren is niet geboeid door de publieke zaak en keert zich af van de democratie. Bijzonder zorgwekkend. Het moet confronterend zijn voor ouders,  onderwijsverantwoordelijken en redacties. Het moet vooral aanleiding zijn tot groot alarm over de staat van onze samenleving. Dat een relevant deel van de jongeren de waarden en grondslag daarvan begint af te wijzen,  wijst op een samenleving in grote moeilijkheden, en vergt een intelligente doch drastische aanpak. Er was maar weinig over te vernemen…

De jongeren die de democratie afwijzen, beseffen wellicht nauwelijks dat ze dat alleen kunnen doen… in een democratie. Onder een autocratische leider zouden ze, bij afwijzing van het regime, het voorwerp worden van repressie en vervolging. Wellicht beseffen ze die paradox niet eens, maar het kan een goede insteek zijn voor een plan van aanpak.

In een democratie handelen burgers maximaal autonoom, dat is hun vrijheid: de vrijheid om zich vrij te bewegen, hun gedachten en meningen vrij te vormen en te uiten, de vrijheid om eigen keuzen te maken op vele gebieden. Onze jeugd is, in het algemeen, op al die vlakken verwend met vele persoonlijke rechten en vrijheden, die ze steeds jonger kunnen uitoefenen. En toch zet een relevant deel van de jeugd zich met de rug naar de democratie.

“CHECKS AND BALANCES”

In een democratie pogen overheden een soort van duurzame evenwichtige orde tot stand te brengen en dat lijkt paradoxaal ten opzichte van de grote vrijheden van de burgers, maar is het niet. Het is net de balans tussen en geordende behartiging van het publiek belang en een maximale vrijheid van alle burgers die de basis is van rechtsstaat en democratie.
Die balans – het is de “balance” uit de Amerikaanse “checks and balances” – is nu net de verworvenheid van de verlichtingswaarden, de verzoening van de grootst mogelijke vrijheid met een transparante en belangeloze behartiging van het algemeen belang door mensen van goede wil, die zich engageren in de politiek: o.m. “ministers”, letterlijk: dienaren van het algemeen belang.
Dergelijke bevlogen woorden doen al snel de wenkbrauwen fronsen, zeker voor wie dezer dagen wel eens een verkiezingsdebat volgt; zelden is dat verheffend en motiverend, meestal is dat niet veel meer dan gekibbel en gekissebis. Veel beleid laat ook grote gaten, of het nu om onze infrastructuur gaat, energievoorziening of de kwaliteit van onderwijs.

DE IMPERFECTIE VAN DE VRIJHEID

De moderne democratie nam de vorm aan van een supermarkt van de verzorgingsstaat. Die kreunt onder de hoge verwachtingen die ze oproept en niet altijd meer kan waarmaken. Autoritaire regimes roepen een vermeende indruk van perfectie op, in een democratie is het resultaat van de politieke besluitvorming imperfect, moeizaam, soms zelfs surrealistisch of kolderesk; alle Belgen kennen daar voorbeelden van. Is het het gebrek aan perfectie dat jongeren inspireert in hun keuze? Zouden ze, wérkelijk, bereid zijn hun grote persoonlijke vrijheden op te offeren ten voordele van een échte autoritaire leider? Misschien moeten ze allen eens op “Erasmustrimester” naar Turkije, Hongarije, Polen, Iran of Noord-Korea?

ACHTELOOSHEID

Wellicht getuigt het ontstellend resultaat van de jongerenpeiling van de achteloosheid waarmee we de “waarden van de verlichting” bewaken. Plannen voor een robuust veiligheidsbeleid verkennen er al vaak de grenzen van, de bejegening van echte vluchtelingen – een term uit het humanitair recht (sic!) – lijdt onder de erosie van die waarden.

We leggen die waarden niet of nauwelijks uit, de grenzen ervan worden afgetast in de opiniëring, zeker in de zgn. “social media”, waar getier en gescheld in 140 tekens, intentieprocessen, verontwaardiging en verwijten het debat en de uitwisseling van argumenten al lang hebben vervangen. Wat zetten we hier aan opleiding in burgerzin, politieke socialisatie en burgerschapsvorming tegenover? ’n Lesuurtje, zo vernamen we, waar sommigen – horresco referens –een lesuur eigen taal voor schrappen… wat een armoedebod, alsof het om een vrijblijvend vervelend extraatje zou gaan waar we het ook nog eens over moeten hebben…

Van 1968 naar 2018, 50 jaar, van een ijzersterk geloof in de definitief verworven emancipatie van vrouwen en jongeren, en vande definitieve vestiging van de liberale democratie – remember Francis Fukuyama – naar…     ja, naar wat eigenlijk?

Leo Neels

Op 6 oktober 2018 op vrt.be/vrtnws geplaatst

 

 

Het Vermoeden van Schuld

Me too, met al zijn voor- en nadelen, heeft onmiskenbaar een weinig besproken nadeel, dat men er wat achteloos lijkt bij te nemen: het vermoeden van onschuld wordt een vermoeden van schuld. Aanklachten geschieden publiek, nog een enkele keer door media, maar steeds vaker via media.

“Slachtoffers” treden naar voren, vaak in groep nu, met rauwe aanklachten van gebeurtenissen en ervaringen die ongefilterd op het publieke forum worden gebracht met grote emotie en verontwaardiging. Emotie en verontwaardiging zijn niet geringer wanneer het om feiten gaat van vele jaren geleden, integendeel. Tegenspraak is voor hen niet belangrijk, slachtoffers reageren op basis van een vermeende schending van rechten die zou toelaten andermans rechten te negeren.

De danseressen van Troubleyn, de groep van Jan Fabre, sluiten zich daarmee aan bij een nu al goed uitgebouwde traditie van “me too”-outing. Fabre krijgt een wederwoord via een persbericht dat men obligaat publiceert, in de marge van nu paginalange beschrijvingen van ervaringen en verhalen. Vroeger bestond voor zulk materiaal een zgn. “Gespecialiseerde pers”,  type Dag Allemaal, waarop de ernstige journalistiek neerkeek. Vandaag verschijnt dit op de voorpagina’s van de grote kranten, met editorialen toe, en verdere uiteenzettingen en toelichtingen in de binnenpagina’s. Het werd… gewoon nieuws, de standrechtelijke veroordeling komt mee als “collateral damage”.

HET VERMOEDEN VAN ONSCHULD

Het vermoeden van onschuld houdt in dat men onschuldig is tot er in rechte definitief anders over is geoordeeld, dat men beschikt over de volle rechten van verdediging tegen élke beschuldiging, hoe zwaar ook, en onbeperkt recht heeft om zich juridisch te verantwoorden voor de onafhankelijke rechter in een geordend tegensprekelijk proces. Men dient derhalve door de samenleving als onschuldige persoon te worden behandeld. Dit is toch ook één van de verworvenheden die teruggaan op de erkenning van de waardigheid van elk menselijk individu, en de ontwikkeling van het moderne strafrecht in een democratische rechtsstaat. Geen geringe zaak dus.

Het vermoeden van onschuld houdt ook in dat berichtgeving altijd moet uitgaan van dit vermoeden zolang het geldt, dit is dus tot een definitieve rechterlijke veroordeling. Aanklachten, hoe scherp ook geformuleerd, hoezeer ook herhaald, hoe concreet of klemmend ze ook zouden zijn, heffen het vermoeden van onschuld niet op, uiteraard niet. Aanklachten kunnen wel nieuwswaarde hebben, uiteraard, vele zijn er vandaag  wellicht op gericht om nieuws te genereren. Dat kan journalistiek ze niet links laten liggen.

Maar dan komt de echte opdracht van goede journalistiek: hoe verzoen ik deze aanklacht die nieuwswaarde heeft met het vermoeden van onschuld waarover ik als journalist moet waken?

Dat kan enkel door evenwicht, door woord en wederwoord, door achtzaamheid en zorgvuldigheid in de toon en bij de opmaak en presentatie. Het nieuws kan zijn wat het is, het is wellicht belangrijk, mogelijk ook schokkend. Toch geldt een journalistieke zorgvuldigheidsplicht die moet leiden tot balans, delicatesse en finesse in de wijze waarop men dergelijke aanklacht naar voor brengt, en ook in de manier waarop men let op het onschuldbeginsel. Dat is moeilijk, maar goede journalistiek is moeilijk, en kan onder omstandigheden uiterste beheersing vergen.

Tegen die achtergrond zijn sommige media, naar mijn oordeel, uit de bocht gegaan in de voorbije dagen, en werd Fabre niet alleen van zijn voetstuk gekegeld, maar ook onder de grond geschoffeld, met nauwelijks meer dan een obligate opname van zijn persbericht dat niet zeer veelzeggend was. Er bestaan ook geen handboek hoe men zich behoorlijk kan verweren tegen aantijgingen op het publieke forum, laat staan aantijgingen van dit kaliber en met deze nadruk; wie er het voorwerp van wordt rest vaak niet veel keuze dan stilzwijgen – dat altijd verkeerd wordt uitgelegd – of reageren via een geschreven tekst – die altijd te veel of te weinig zegt.

Ervaring leerde me dat personen die forse aantijgingen over zich heen kregen, in de eerste uren, dagen, weken… eenvoudig niet in staat zijn om mondeling te reageren met sereniteit. Met moet niet onderschatten wat de publieke ‘naming and shaming’ met iemand doet, degenen die het niet hebben meegemaakt, beseffen dit nauwelijks. Het slaat je volkomen buiten westen en maakt je monddood.

In DS (13 sept.) werd gesuggereerd dat er een “exceptio artis” zou zijn, die de toepassing van geldende regels buiten werking zou stellen, doch kunst biedt geen vrijhaven. Impliciet rust zulke akte van verdediging, die het editoriaal deels was, op een vermoeden van schuld dat moest tegengesproken worden. Is dat de taak van journalistiek? Of zou die op dat ogenblik er zich moeten toe beperken om sereniteit te brengen en debat, rationaliteit waar emotie overheerst, duiding zonder te willen oordelen. Zeker niet veroordelen, en zeker ook niet half willen goedpraten.

De Morgen, op 14 september schrijft dat iedereen de misbruiken die nu werden aangeklaagd al lang kende, dat een boek van 1987 daar, naar ruime bekendheid, zonder meer over al ging, en dat iedereen al die tijd heeft gezwegen. “Niemand heeft er over gepiept”, 30jaar lang niet: geen kunsthistoricus, geen collega, geen toezichthouder en geen journalist, schrijft Bart Eeckhout in een helder editoriaal. Het  is een forse aanklacht tegen velen, inbegrepen toch de pers die grote privileges geniet om misbruiken van alle aard op passende wijze te onderzoeken en naar buiten te brengen. Zeker als het gaat, zoals nu overal te lezen staat, om misbruik van macht. Als dat het geval is, dan zijn veel personen en instituties betrokken bij dwaling en verzuim; dan heeft hun stilzwijgen mogelijk zaken gelegitimeerd die niet door de beugel kunnen.

HET WOORD IS AAN HET GERECHT

Het gerecht zal dit nu moeten uitzoeken, onafhankelijk, zonder acht te slagen op de publicaties die al oordeelden. Alleen onafhankelijk en sereen gerechtelijk werk hoort dat in een geciviliseerde samenleving te doen, omdat veel onrecht kan gezeten hebben, zowel in de onderliggende feiten waarvan we nu een partijdige visie kennen, als in de standrechtelijke executie op het publieke forum waar rechters zich onafhankelijk boven moeten stellen. Ook dat hoort tot het leerstuk van het vermoeden van onschuld.

De rechtsstaat kan het vermoeden van onschuld niet missen. Het recent gejuich over “me too” heeft het vermoeden in de berm gereden en dat is niet goed genoeg in de wereld die we beschaafd willen houden, of opnieuw beschaafd moeten maken. JOurnalistiek moet ook dan nieuws kunnen brengen, maar met het professionalisme en de deontologie die verslaggeving objectiveert en nuanceert, en een grote inspanning om het trial by media nièt te voeren.

Op 16 sept. 2018 gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws 

Waardige reacties op onwaardige uitingen. Overwegingen bij het Schild & Vrienden-debat

“Choquerend, storend en beledigend”: dat waren de meeste beelden die de PANO-reportage van Tim Verheyden toonde over de geheime “memes” en uitingen van Schild en Vrienden. Zulke uitingen zijn net beschermd door de vrijheid van meningsuiting. Uitingsvrijheid beschermt immers net zo goed onvriendelijke, onfatsoenlijke walgelijke, stuitende, of immorele uitingen als brave, fatsoenlijke of algemeen gedeelde meningen.

Juridisch gezien, is het dus zeer de vraag of Schild en Vrienden wel strafrechtelijk kan veroordeeld worden voor wat ze publiceerde op zijn occulte site. Waarschijnlijk valt de inhoud van wat daar circuleerde binnen de grenzen van beschermde uitingen onder het leerstuk van expressievrijheid.

Deze beschermt extreme en radicale opinies. Fatsoen of walging zijn er geen afwegingscriteria, noch de vraag of iets stuitend is of immoreel. Onder een vrijheidsregime is de keuze precies om zo veel mogelijk afwijkende, abnormale of schokkende opinies te vrijwaren: het antwoord is niet een publicatieverbod of rechterlijke veroordeling, het antwoord is een debat met argumenten: degenen die rare zaken naar voor brengen worden dan geconfronteerd met overwegingen die hen tot andere inzichten kunnen leiden.

VERWERPELIJKE MENINGEN

“C’est du choc des idées que jaillit la lumière”,zo luidt de zegswijze van Nicolas Boileau: wanneer we onthutst zijn door wat daar wordt voorgehouden, moeten we het beter maatschappelijk discours daar tegenover stellen. “Ik zal uw verwerpelijke mening altijd bestrijden, doch uw recht om die verkeerde zaken te uiten, ook altijd verdedigen”, zo luidt de aan Voltaire toegeschreven samenvatting van dit kernidee van de Verlichting.

Gebeurde hier niet net het omgekeerde? Werd de kennisname van deze walgelijke ideeën, en de lichtzinnigheid waarmee deze jongelui ermee omspringen, niet direct omgezet in aanvallen op de personen, gesymboliseerd door hun leider?

Dat is net het omgekeerde van wat de kern van de verlichtingsideeën, waarop we ons beroepen ter vrijwaring van de rechtsstaat, voorhoudt: bestrijdt de ideeën, maar niet de personen.

TEGEN DE PERSOONLIJKE AANVAL

Dat de confrontatie met deze uitingen leidde tot morele verontwaardiging, is goed, ze toont aan dat de maatschappelijke barometer voor ethische grenzen nog functioneert.

De directe stap van de morele verontwaardiging naar de scherpe aanval  ad personam  past evenwel niet bij de ethiek die de rechtsstaat kenmerkt. De terechtwijzing moet niet ontaarden in een aanval ad personam, belangrijker zijn argument en het debat, woord en wederwoord. Scherpe persoonlijke veroordeling kan emotioneel opluchten, maar biedt  geen goede voedingsbodem voor een correct debat.

PUIKE JOURNALISTIEK

De Pano-reportage “Wie is Schild & Vrienden echt?” deed haar titel alle eer aan. Ze ging, letterlijk, kijken achter de schermen, waar deze club er een onthutsend discours op nahield, aanschurkend tegen fascisme en nazisme, en dat in de virtuele onderwereld van het internet.

Een puik voorbeeld van onderzoeksjournalistiek: die neemt geen genoegen met het officiële verhaal, in dit geval een amalgaam van Vlaamse waarden en conservatisme, gekoppeld aan de retoriek van de Vlaamse Beweging en aan de fratsen van een studentenclub.

Dit is geen geringe verdienste van de reportage; immers, Schild & Vrienden was al eens grondig geanalyseerd, in een minder opgemerkt intellectueel discours  (Ico Maly, Nieuw Rechts, 2018).  Pano rukte, met zijn blik achter de schermen,  pas echt het deksel van het vuilnisvat.

In de bovenwereld was  een relatief klein clubje er in geslaagd om doelgericht zetels te veroveren in de Jeugdraad of in de Raad van Bestuur van de Universiteit van Gent. Het verwierf ook gemakkelijk een stoeltje aan de tafel van Terzake. In februari werd  de nu weggehoonde Dries Van Langenhove er als honorabele conservatieve Vlaamse stem uitgenodigd in debat met Petra De Sutter over de zgn. transgenderproblematiek. Het werd een tenenkrullend debat van een jonkie met weinig of geen kennis tegenover de altijd waardige Petra De Sutter.  Voor redacties is de les ongetwijfeld ook dat een tweetje niet per definitie aanduidt dat iemand met kennis van zaken spreekt.

CIVIELE FACADE OP EEN SOKKEL VAN SMEERLAPPERIJ

We weten nu dat de civiele en studentikoze façade rust op een verborgen sokkel van smeerlapperij, en dat de fatsoenspose samengaat met een veroveringsstrategie van een  maatschappelijk relevante posities om het publiek debat te forceren in een nauwe identitaire en retrograde antiverlichtingsrichting. De onderliggende ‘memes’en trollen die de jongelui rondjagen in hun internetbubbels zijn walgelijk en stuitend. Naar de bovenwereld werken hun internetbombardementen met trollen om het publiek debat scheef te trekken, met tweets om op de redactionele schermen te komen, en eigenlijk gewoon met leugens en bedrog.

Schild en Vrienden veroverde er formele zitjes mee in instituties en een plek in de  sociale mediasfeer. Opnieuw bleek hoe makkelijk dat online kan opgezet worden, en hoe snel een door fascisme geïnspireerd discours over normen en waarden eerbaar kan lijken.

TRIAL BY MEDIA

Redacties en instituties moeten onthouden hoe lichtzinnig ze in die val zijn getrapt. We kunnen met zijn allen leren hoe snel morele verontwaardiging ertoe leidt dat we vergeten te reageren volgens de beginselen van de rechtsstaat zelf. Terwijl die gasten de rechtsstaat beweerden te willen herstellen met de meest afschuwelijke middelen, reageerden velen met standrechtelijke executie van de personen.

De Gentse rector Vandewalle reageerde krachtig: uitsluiting als student! De vraag is op welke basis, en of dit geschiedde in overeenstemming met het tuchtreglement van studenten. Nog fundamenteler is evenwel de vraag of een universiteit niet bij uitstek de biotoop is voor héle breed maatschappelijk debat; zijn er niet aan alle universiteiten  studentenverenigingen met extreme standpunten die men steunt?

Zou het niet eerder aanbeveling hebben verdiend dat de Rector een vraag had gesteld bij het mandaat van de leider van Schild en Vrienden in het bestuur van de universiteit, dan hem als student te willen verwijderen? zou het geen aanbeveling verdienen dat de Rector het hele clubje  een geleid bezoek aan de Dossinkazerne aanbiedt? Het is immers te betwijfelen of deze jongelui  enige notie hebben van wat fascisme en nazisme écht betekenden. Beter blijven ze student, dan komen ze nog een keer écht iets te weten over de zaken waarmee ze nu lacherig, kinderachtig en sloganmatig badineerden.

DE RECHTSSTAAT VERGT VOORTDUREND ONDERHOUD, DAT VERGETEN WE TE GEMAKKELIJK

De onderwijsnetten doen er goed aan om na te denken of ze niet nog meer adequaat materiaal moeten aanbieden aan scholieren om ze voor mentale fuiken en valkuilen te behoeden.

Media moeten, ook buiten occasionele onderzoeksjournalistiek, attenter zijn op de personen aan wie ze het woord verlenen.  Het was ook geen gelukkige ingeving van de redactie van Terzake om het debat op dezelfde dag partijpolitiek te oriënteren. Daardoor verzandde het weer voorspelbaar in gratuite verwijten.

Normen en waarden zijn wel even een meer grondige aandacht waard, met stemmen die authentiek naar de kern kunnen gaan, zoals prof. Bruno De Wever of Rector Van Goethem deden.

ook om http://www.vrt.be/vrtnws 8 sept 2018