Journalistieke Kortademigheid

Een gebeurtenis uit… 2010 wordt plots weer grote actualiteit: een aangehouden jongeman sterft in een politiecel, nadat hij door een bijzonder bijstandsteam van de Antwerpse politie is aangepakt, mogelijk ingevolge de combinatie van zijn druggebruik en geweld. Volgens de media heeft zijn vader de opnamen van de politiecamera in de cel verkregen via zijn inzagerecht van het gerechtelijk dossier en ze doorgespeeld aan Panorama. En dan, na drie jaar: groot nieuws!

Hoe wanhopig moet een vader zijn om de denigrerende en hallucinante beelden van de laatste minuten van het leven van zijn zoon aan de openbaarheid prijs te geven? Iedereen herinnert zich enkele nieuwsflitsen van ooit, en werd nu geconfronteerd met de pijnlijke stilte sedertdien. Na drie jaar is er nog géén resultaat van het gerechtelijk onderzoek en geen rechterlijke beoordeling. In België is dat een korte termijn, in werkelijkheid is zulke termijn ergerlijk lang. Geen prioriteit.

Ook de media, destijds (2010) toch alert voor de toenmalige actualiteit (“Jongeman sterft in politiecel”), vergaten de zaak verder, en toeteren nu groot schandaal. Ze vergeten daarbij niet zonder enige gretigheid de foto’s van de jongeman op groot formaat af te drukken en te herhalen.

Schande, inderdaad, doch ook voor het onvermogen van media om zulke zaken op te volgen, en als volwaardige “public watchdog of democracy” toe te zien op mogelijke wantoestanden, deze aan te klagen, ertoe bij te dragen dat ze worden gesanctioneerd en gecorrigeerd, en te bevorderen dat ze worden voorkomen.

Daar staat tegenover dat Panorama (VRT), uiteindelijk, in 2013, nu wel uitlokte dat de zaak opnieuw werd geagendeerd… maar, mogelijk, nu, ook met schending van het onderzoeksgeheim – potentieel een risico voor een normale verdere rechtsgang.

De gehele toestand is schrijnend voor de staat waarin de democratische rechtsstaat zich in ons land bevindt. Zulke bijzondere bijstandsteams zijn, voor bijzondere toestanden, onmisbaar en bewijzen vaak grote diensten, maar klaarblijkelijk zijn er ook al sedert 2003 rapporten van comité’s die aan het parlement verslag uitbrengen over potentieel overdadig geweld door zulke teams. Het resultaat daarvan is eenvoudig: niéts. Vroegere korpschefs en de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie roepen nu manmoedig op tot onderzoek en actie, dat is gemakkelijk. Maar wat moeten de autoriteiten, die het dossier erfden, daarmee? En wat deden degenen die daarvoor bevoegd waren, al die jaren met het rapport van het Controlecomité voor de Politie?

Ook redacties gaan niet vrijuit. Huppelen ze niet té snel van de ene naar de andere urgentie met te weinig geheugen? Maken ze hun promesse aan de democratische rechtsstaat waar, dat de functionering daarvan beter loopt met onafhankelijke en kritische beoordeling door de media? The Economist schreef nog op 9 juni 2012: nieuws is in toenemende mate instant-nieuws, altijd hetzelfde en een verhandelbaar produkt, er zijn maar weinig uitzonderingen op de regel dat vaak het goedkoop nieuws aandacht krijgt dat een breed publiek aanspreekt. Het moeilijk nieuws – zoals het opvolgen of bovenspitten van een dossier – blijft dan liggen.

Dat kan onze samenleving zich niet permitteren, ze heeft behoefte aan attente, alerte, professionele media met een lange termijn-visie en een zekere mate van journalistieke volharding, juist inzake complexe dossiers. Journalistieke kortademigheid kan aantrekkelijk zijn, doch bestendigt het kort geheugen van beleidsinstanties.

Leo NEELS
Media- en Communicatierecht KULeuven en UAntwerpen
24 febr. 2013

Sereen Voyeurisme

Recent verzuchtte Tom Naegels, in zijn hoedanigheid van DS-Ombudsman, dat het zo’n deugd zou doen als er eens iemand in de journalistiek heel hard op de rem zou gaan staan (DS 6 febr.). Het leverde hem een zetje op van zijn hoofdredactie (DS 9-10 febr.) … zijn remmen en journalistiek met elkaar in tegenspraak?

Meningsuiting zonder remmen is zeldzaam. Meningsuiting geschiedt in een kader, zoals een gesprek, een toespraak, een artikel of reportage. Zulke kaders leggen beperkingen op die veelal spontaan worden in acht genomen. Mogelijk zijn omstandigheden denkbaar waarin aan openbare meningsuiting géén remmen worden gesteld, een soort van vrijhandelszone voor de uiting van extreme meningen in alle betekenissen?

Humor, parodie of sarcasme zouden in die richting kunnen gaan, doch het mediarecht biedt geen vanzelfsprekende “exceptio humoris”: ook dan vergen aansprakelijkheidsnormen, fatsoensregels, eerlijke gebruiken, billijke vergoedingen en dgl. beperkingen. Meestal zijn er dus remmen. “Checks and balances”, evenwicht en afwegingen en die zowel verwijzen naar rechtmatige belangen als rechten en, uiteindelijk, waarden. Waarden inspireren beperkingen.

Ook, bijvoorbeeld, in hoofde van reportagemakers die het woord verleenden aan ouders van in Sierre verongelukte kinderen (Telefacts, VTM 12 febr.). Iedereen respecteert hun extreem verdriet. Maar zij hadden ook respect moeten tonen voor de nagedachtenis van de chauffeur van de bus waarin hun kind verongelukte. Het tegendeel geschiedde, ze ventileerden lichtzinnig zware beschuldigingen aan zijn adres, en de Telefactsredactie faalde journalistiek door niét te remmen. Elk evenwicht werd verbroken, het ene en eenzijdig onpeilbaar verdriet rechtvaardigde niét de zware publieke insinuaties en belediging zonder reactie.

Zulke blunder is ook de invasie van camera en microfoon in een therapeutische ruimte waar met kinderen wordt gewerkt na ernstige trauma’s, zoals scheiding of zelfdoding. Iedereen kan accepteren dat de therapeute en de journaliste door goede bedoelingen zijn geïnspireerd, dat zij aandacht willen vragen voor zulke vraagstukken van kinderen, dat zij het belang van therapeutische begeleiding willen propageren, en dat zij hun best deden. Maar geen énkel argument rechtvaardigt dat geluids- en beeldopnamen, gemaakt in een therapeutische setting met minderjarigen, aan de openbaarheid worden prijsgegeven – ook niet de geclaimde sereniteit (contra: Tom Naegels, DS 16 febr.). Er bestaat niet zoiets als sereen voyeurisme. Reality-tv met kinderen in hulpbehoevende situaties, laat staan tijdens therapeutische sessies, is ontoelaatbaar. Bart Eeckhout schreef, terecht, dat kinderen soms tegen zichzelf beschermd moeten worden (DM 13 febr.).

Dat kan ook het geval zijn met therapeuten en journalisten. Ethische basisbeginselen van journalistiek verzetten zich klip en klaar tegen de openbaarmaking van beeld- en geluidsopnamen van de kinderen die in een instelling zoals De Bleekweide in behandeling zijn, net overigens zoals ethische basisbeginselen over psychotherapie of psychiatrie. Zouden de Richtlijn van de RVDJ over de omgang van de pers met slachtoffers (http://www.rvdj.be/sites/default/files/pdf/ pers_en_slachtoffers.pdf, 2003), de Tips ivm de berichtgeving over psychisch ziek zijn (http://www.rvdj.be/sites/default/files/pdf/tips_psychisch_ziek_zijn.pdf ), of nog, de Internationale Madrid Declaration on Ethical Standards for Psychiatric Practice (1996, 2011:http://www.wpanet.org/detail.php?section_id=5&content_id=48 hier – bij analogie – geen betekenis hebben?

Wanneer u dit leest, is de kans groot dat u het volgende op de openbare omroep hebt gezien: “Thibault is 13 jaar als hij in De Bleekweide aanklopt. Enkele weken voorheen is zijn zus Lisa (16) uit het leven gestapt, na een massale pestactie op Facebook”. Zo luidde de programma-aankondiging voor de tweede aflevering. Eeckhout stelde de terechte vragen: “Moeten we dit wel willen zien? Moeten we toelaten dat jonge, gekwetste kinderen zo te kijk gezet worden?”. De oorverdovende stilte aan de zijde van de programmamaaksters en de openbare omroep is onaanvaardbaar.

Beeld- en geluidsmateriaal van minderjarigen in penibele omstandigheden én in therapeutisch midden wordt aan de openbaarheid prijsgegeven. Het zal in die openbaarheid blijven circuleren voor de eeuwigheid én één dag, en het kàn hen, te pas en te onpas, terug voor de kiezen worden geschoven in hun hele latere leven. Iemand eigende zich misplaatste machtsuitoefening toe, vertrouwens- en waardenbreuk in een therapeutische setting die haaks staat op de nagestreefde publiciteit. In een waardenkader is dit niet uit te leggen.

Leo NEELS
Media- en Communicatierecht KULeuven en UAntwerpen
16 febr. 2013

Benoemingscensuur

Na De Morgen en de Stad Amsterdam, gaat ook het Gentse Stadsbestuur het gebruik van het woord “allochtoon” ontmoedigen. De Morgen pakte er enkele maanden geleden onverwacht mee uit, als verzet tegen de “betekenisvervuiling”, (…) die zorgvuldige berichtgeving in de weg zou staan. Het begrip zou ten onrechte de indruk wekken dat alle burgers met vreemde roots tot dezelfde aparte doelgroep horen, en het stopwoord zou de “allochtoon” en diens nakomelingen opsluiten in een “semantisch getto, waaruit ontsnapping onmogelijk is: wij-zijdenken dat het verschil betonneert en problematiseert ” (DM, 12 februari).

Alleen correcte en taboeloze benoeming van samenlevingsproblemen helpt vooruit – aldus de Stad Amsterdam: “In het maatschappelijk debat van de afgelopen jaren is de tegenstelling tussen allochtoon en autochtoon door sommigen scherp aangezet. Die tegenstelling past niet bij de missie van de gemeente Amsterdam, die er voor alle Amsterdammers wil zijn. Geen uitsluiting maar insluiting, is het motto” (www.amsterdam.nl).

Het minderhedenforum (www.minderhedenforum.be) suggereert, naar eigen zeggen, deze semantische uitzuivering al jaren, en gebruikt zelf “personen met een migratieachtergrond”. De materie ligt gevoelig. Het Minderhedenforum pleitte via Mevr. Naima Charkaoui in Terzake (14 febr.) fors pro, de andere “persoon met een migratieachtergrond”, filmmaker Adil El Arbi relativeerde haar boude stelling drastisch.

Wat heeft een jonge Turk of Marokkaanse aan de benoeming “Belgische Turk of Marokkaan”, wanneer enkel nog haar grootuders ooit in dat land van familieherkomst woonden? Méér of minder dan aan “allochtoon”? En waarom zou “allochtoon” méér labelen dan “persoon met een migratie-achtergrond”? Zijn dat geen arbitraire toegeschreven oordelen die niet aan de taal vasthangen, maar aan de toevoeging aan taal? Zouden personen die die denkmatige toevoegingen deden bij het “oude” woord, dat nu niét doen bij het nieuwe woord?

Benoeming en verwoording van maatschappelijke vraagstukken zijn essentiële processen die moeilijk stuurbaar zijn, soms onzorgvuldig geschieden en tijd vergen. Crozier heeft daar een heel boek over geschreven, met de simpele titel…: “On ne change pas la société par décret” (1979). Het ging meer over de maatschappelijke lethargie tegen verandering, doch hier moeten intentieprocessen een semantisch dictaat rechtvaardigen. Dat is de wereld op zijn kop. Er bestaan tientallen teksten met het woord “allochtoon”, zoals beleidsstukken of opiniestukken, waarbij het nooit bij iemand zou opkomen dat de auteurs – bestuurders of redacteurs – een discriminerend oogmerk hadden. Hier is dus sprake van intellectuele onzorgvuldigheid, in de equatie “allochtoon” = label = discriminerend.

Die kan leiden tot de nieuwe vorm van censuur, benoemingscensuur. Uit een of ander, overigens nooit gedefinieerd, concept van “politieke correctheid” – wordt nu aanbevolen aan woordcensuur te doen. Niet omwille van de omstandigheid dat een woord zijn fatsoensgehalte heeft verloren (zoals het geval werd met de vroeger spraakgebruikelijke term “neger”), maar uit hoofde van een intentieproces: teneinde personen te beschermen tegen een door derden vermoed discriminatie-oogmerk, of –effect.

Destijds was men verontrust door censuur van meningen. Er duikt een gemuteerde versie van censuur op, de woordcensuur. Vermits het woord kàn worden misbruikt, moét nu een weldenkendheid worden voorgeschreven: taal evolueert niet meer als proces dat woorden in onbruik doet vervallen, maar wordt het voorwerp van geforceerde wenselijkheid.

Zo ging het vroeger met onwelgevallig geachte opinies. Ergens, in hogere kringen, werd uitgemaakt wat de juiste opinies waren, de andere werden van overheidswege ontmoedigd, vervolgd, strafbaar gesteld. Opinierepressie. Met de verlichting veranderde al het inzicht, maar het heeft nog lang geduurd eer ook de maatschappelijke praxis volgde: langzaam maar zeker leerden we omgaan met een brede verscheidenheid aan conflicterende meningen, en werden overheden op dat vlak teruggedrongen in hun missie. Meer en meer werd die er één van onthouding, de incriminatie van strafbaar racisme – waarover we 20 jaar deden (!) – is de uitzondering die de regel bevestigt, en veel nieuwere opiniedelicten zijn er, gelukkig, niet meer ingevoerd.

Maar nu gaan we fluks naar de nieuwe censuur, een keizerkosterlijk verbod op woordkeuze die niet eens aanstootgevend hoeft te zijn maar het, bij decreet van een zekere weldenkendheid, wel geacht wordt te zijn.

Dat iemand die hier al in tweede of derde generatie is geboren, maar familiaal een buitenlandse herkomst heeft, is gelukkig steeds vaker zonder relevantie, zij het nog niet altijd en nog niet overal. Relevanter dan dat, zijn – mogelijk – hun blijvende huidskleur of raciaal uiterlijk, dat je niet met woordenzeep kan wissen, en daar zullen we in dagelijkse attitude beter mee moeten leren omgaan. Relevanter ook zijn de mate waarin die personen met een migratie-achtergrond zichzelf inschakelen in lokale zeden en gewoonten en ze mee beïnvloeden. Dat vergt tijd en visie, ook van die personen zelf, net zoals van alle Belgische Belgen.

Maar dat woordcensuur daartoe gaat bijdragen, is twijfelachtig. Uitingsbeperkingen zijn altijd verdacht, ook de goedbedoelde; immers, ook de ouderwetse censuur werd jarenlang met grote declaraties van goede intenties overeind gehouden.