Publieke schimpscheuten waarop men niet reageert

In een scherp stuk op de website van de nv-a (25 juli) viel Bart De Wever uit tegen De Standaard, meer bepaald naar aanleiding van een artikel van Bart Brinckman in DS van dezelfde dag, die de aansprakelijkheid voor de ontsnapping van twee gevangen bij de lokale politie van Antwerpen legde. Zoals bekend had Burgemeester De Wever, die ook hoofd is van de stedelijke politie, de aansprakelijkheid daarvoor gelegd bij Koen Geens, die als Minister van Justitie het zgn. veiligheidskorps moet organiseren dat lokale politie voor zulke taken moet bijstaan.

Het stuk van De Wever is fors, maar ook genuanceerd. Hij schreef zelfs letterlijk: “Als je dit incident als een geïsoleerd feit beschouwt, is dit (BDW doelt hiermee op fouten van de lokale politie) mogelijk correct”.  Maar zijn stelling is dat de overbrenging van gevangenen een gedeelde verantwoordelijkheid van justitie en lokale politie, waarbij deze laatste aan haar lot wordt overgelaten omdat justitie de federale component niet correct invult. Dan is misschien de exclusieve blamage voor de lokale politie wat overdreven of feitelijk onjuist? Hij stelt om die reden voor dat DS de stukken van Brinckman in de toekomst “zet waar ze thuis horen: op de opiniepagina’s. Het gaat immers vaak om roddels en intentieprocessen, ten onrechte verpakt als verslaggeving”. En tot slot schrijft De Wever : “Helaas stel ik vast dat de notie ‘verantwoordelijkheid’ bij De Standaard een abstract, zelfs verdacht begrip is geworden”.

DE HAAT/LIEFDE VERHOUDING TUSSEN POLITICI EN JOURNALISTEN

Het is lang niet voor het eerst dat toppolitici uitvaren tegen journalistiek. Ze doen dat meestal op discrete wijze, maar velen deden het ook open en bloot. Eén van de fameuze incidenten betrof overigens De Standaard, waar in 2002 redacteur Dirk Jan Eppink, naar zijn zeggen, door de hoofdredactie de wacht werd aangezegd na een oekaze van Premier Verhofstadt. Ook dat behoort tot de ‘legacy’ van DS, en Premier Verhofstadt was zeker zo activistisch als De Wever (Zie ‘Is het nu gedaan met die kloterij?’, van Caroline De Gruyter dd  16 nov. 2002, nog steeds op www.nrc.nl ).

Recent schreef ik nog het volgende. In gewone omstandigheden hebben politici een haat-liefde-relatie met journalistiek. Ze houden van journalistiek die verslag brengt van wat ze doen en de lof zingt van hun strategie en resultaten, ze staan graag op goede voet met journalisten en bestoken hen met wetenswaardigheden die ze graag als nieuws voorschotelen. Daarvoor beschikken ze over een leger woordvoerders en pennenridders, vaak journalisten die eens wat anders willen doen. Maar politici ergeren zich ook aan journalistiek die hun plannen kraakt, de mislukking van beleid fileert en ze over de knie legt wanneer het niet zo goed loopt. Deze ambigue relatie kan soms leiden tot een vriendschappelijkheid die professioneel handelen aan de zijde van de journalistiek niet bevordert.”

INTERESSANTE POLITICI ZIJN WEL EENS AMBETANT

Bart De Wever vervelde van een welbespraakt intellectueel met een veranderingsproject, sedert de eclatante verkiezingsoverwinning en regeringsdeelname op federaal en Vlaams vlak, tot een pure machtspoliticus. In 2010 bleek hij zijn franstalige tegenvoeters nauwelijks te kennen en geen methode te hebben om met ze te onderhandelen. Hij schoof met gemak zijn communautair en vervolgens ook zijn hervormingsprogramma op de lange baan. Hij blijft veruit de interessante politicus van het de laatste jaren en leeft, zoals vele van zijn voorgangers in die rol, in een perfecte haat-liefde-verhouding met journalistiek. Als men wat ruimer kijkt, is dat eerder de regel dan de uitzondering; wijlen Jean-Luc Dehaene is de bijgebleven iconische uitzondering.

Al was dus het stuk van BDW met zijn  openlijke aanval op DS opmerkelijk, het deed niet veel meer dan suggereren dat er meer opinie dan feitenonderzoek in het stuk van Brinkman zat. Dat rechtvaardigde volgens BDW dat zulke stukken op de opiniepagina thuishoren. En verder lucht hij zijn gemoed over de journalistieke onderprestatie van DS, een gekend refrein waarvan BDW overigens bijlange het monopolie niet van heeft.

REDACTIES GEVEN ZICHZELF GELIJK

In een omstandig opiniestuk in de eigen krant (DS 27 juli) voert hoofdredacteur Verhoeven aan dat hij niet reageert op publieke schimpscheuten, en zijn non-reactie staat in een fors eigen opiniestuk in de eigen krant (DS 27 juli). Het  verwondert niet, schrijft Verhoeven, dat kritische journalistiek frustratie en boosheid opwekt. Hij noemt het pestgedrag van De Wever brutaal, irrationeel en niet te tolereren. Verhoeven bestijgt als de witte ridder van de kritische journalistiek zijn paard en galoppeert over high moral ground. Het siert hem dat hij zijn redacteur verdedigt, doch hij legt weinig afstandelijkheid aan de dag, en onderneemt geen poging om iets te leren uit de kritische reflectie van De Wever, of zelfs om er genuanceerd op te reageren. Er wordt met de voeten vooruit gereageerd.

De journalistieke Pawlowreflex is voorspelbaar. Als ik wat mag chargeren voor de duidelijkheid luidt het gekend refrein als volgt.  “Dé” kritische journalistiek verdedigt “dé” democratie, en dus bewijst kritiek dat men goed bezig is en dat wie opmerkingen maakt het slecht met persvrijheid en de democratie voor heeft. Ai ai ai.

Verhoeven kwalificeert Brinckmans’s stuk als “een kritische maar evenwichtige analyse over de spanningen tussen politie en justitie”. Daarmee gaat hij er aan voorbij dat Brinckman toch meer poneert dan aantoont. Mogelijk is zijn bewering de conclusie van een uitgebreid onderzoek van de feiten, maar dat weten we niet want van zulk onderzoek doet het stuk niet blijken. En Brinckman geeft ook aan dat het federaal veiligheidskorps, dat assistentie moet verlenen, ruim onderbemand blijft, terwijl hij toch de gehele verantwoordelijkheid bij de lokale politie situeert. Erg overtuigend is dat niet.

REDACTIES CONVERSEREN NIET

Wat belet hoofdredacties om lering te trekken uit opmerkingen?  Verhoeven reageerde al even gepikeerd toen Rik Torfs zijn regelmatige medewerking aan DS opzegde en bleef toen ook blind voor wat DS uit de opmerkingen van Torfs had kunnen leren. Ik heb er eerder over geschreven (‘Journalisten maken nooit fouten. Of toch wel? Op www.deredactie.be, 2 juni). Ook hier had een zinvolle gedachtenwisseling kunnen ontstaan, zowel over het veiligheidsbeleid van justitie en politie, als over goede journalistiek. Niet dus: “dé” journalistiek, minstens “onze” is goed, punt.

De meeste bedrijven trachten lessen te trekken uit bedenkingen van klanten of zgn. stakeholders. Dat wordt zelfs aanbevolen, zoals blijkt uit de bestseller van Steven Van Belleghem, The Conversation Manager en The Conversation Company. Bij redacties werkt dat zo niet. Wie kritiek heeft op mijn redactie heeft ongelijk. De redactie gebruikt zonder voorbehoud haar eigen pagina’s om de opmerkingen van critici te weerleggen. En directies van mediabedrijven zijn monddood gemaakt door een verkeerd begrip van de notie journalistieke onafhankelijkheid; nochtans is dit ook hùn debat, net zo goed als dat van hun redactie.

Het meest opmerkelijk is de blinde vlek van Verhoeven. Hij beschrijft hoe nv-a nu beredeneerd en intensief gebruik maakt van sociale media om zijn boodschappen rechtstreeks en ongefilterd in het publiek debat te injecteren, hij geeft toe dat De Wever die vaardigheid perfect beheerst. En toch laat hij de kans liggen om met deze topspeler een interessante conversatie te voeren, hij moet op zijn plaats worden gezet, want de journalistiek van DS is perfect. Zou het?

Misschien een kleine objectiverende maatstaf. Volgens de  vertrouwensmetingen van de Vlaamse Regering (VRIND-indicatoren) spreekt nog minder dan 30% van de Vlamingen vertrouwen uit in de Vlaamse pers. Gewone bedrijven zouden crisisberaad houden bij zulke vaststelling, redacties zien het als een erecode van hun professioneel kunnen.

 

Op 30 juli 2017 gepubliceerd op http://www.deredactie.be

 

 

 

De dramaqueens van de Sensatieredacties

Goede journalistiek heeft geen inbreuken op het privé-leven nodig, en slaagt er in op waardige wijze verslag te brengen van verschrikkelijke levensdelicten, zonder de privacy van de slachtoffers te grabbel te gooien en zonder het leed van de nabestaanden te vergroten.

Wat is nieuws? De verdrinking van een scoutsjongen die met zijn groep op kamp was is zeker nieuws, zijn leeftijd allicht ook. Maar moet het publiek zijn naam, zijn gemeente van  herkomst, zijn leeftijd of zijn ziektebeeld kennen? Ongetwijfeld waren sommige van die elementen  belangrijk voor het opsporingsbericht, maar de vermelding van het autisme-ziektebeeld is ook in een opsporingsbericht eigenaardig.

Op zaterdag 22 juli werd de verdwijning van een Vlaamse scoutsjongen aan het meer van Bütgenbach nieuws, op zondag 23 juli meldt het radionieuws dat zijn stoffelijk overschot is teruggevonden in het meer. Op de nieuwssites van verschillende kranten zien we  zijn foto: “Sebastiaan Vandommele, 15 jaar, autist” staat erbij op hln.be – ook vandaag nog. Dat is nog het opsporingsbericht van de politie van de avond voordien. Andere nieuwssites geven de foto niet of niet meer, of vermelden de naam niet of de afkomst, en al zeker niet  de verwijzing naar een ziektebeeld.  Daar wordt blijkbaar beter nagedacht over privacy en deontologie.

JOURNALISTIEKE DEONTOLOGIE

Blijven elementen die de politie voor een opsporingsbericht gebruikt, behoren tot het publiek domein, vermits ze dan toch al eens gepubliceerd zijn? Daaraan kan toch getwijfeld worden: voor de informatie van het publiek over het nieuwsfeit van een verdrinking zijn zulke elementen zonder belang. Het is niet in te zien welk belangrijk maatschappelijk belang de inbreuk op de privacy van deze jongen en zijn familie zou rechtvaardigen. Dan is het een  inbreuk op de rechten van de jongen en van zijn familie, zo zijn de deontologische beginselen, samengevat in de Code van de Raad voor Journalistiek (www.rvdj.be ).

Soms wordt geoordeeld dat wat bekend geworden is, nu eenmaal tot het publiek domein behoort en dat dat ook zo blijft. Daar staat het inzicht tegenover dat wat, mogelijk, bekendmaking van sommige details rechtvaardigde tijdens een opsporingsfase van een ‘onrustwekkende verdwijning’, er niet meer toe doet na de vaststelling van een overlijden, en derhalve niet meer hernomen wordt in latere actualiteitsverslaggeving.

Die laatste stelling ligt aan de basis van de bepalingen van de deontologische Code van de Vlaamse Raad voor de Journalistiek die voor dergelijke situaties gelden. Ze verwijst, indirect, naar het zgn. ‘recht op vergetelheid’, het recht om terug uit de publieke aandacht te verdwijnen. De identificeerbaarheid van betrokkenen die slachtoffer waren van een ramp of misdrijf, en a fortiori van minderjarigen in die situatie, is niet nodig om verslag te kunnen uitbrengen van het nieuwsfeit dat de ramp of het misdrijf fataal altijd is.

FAIR PLAY BIJ BERICHTGEVING IS DE NORM

Hier speelt het zgn. fair play-beginsel  ten aanzien van minderjarigen, slachtoffers van rampen en ongevallen en  hun familie. Dat vergt dat journalisten het belang van de minderjarige voor ogen houden, en aandacht hebben voor zijn recht op bescherming; dat recht blijft ook postuum bestaan. Hij wordt maar herkenbaar in beeld gebracht mits toestemming; er is een uitzondering voor overname van herkenbare beelden die door officiële instanties werden verspreid, maar  het zou verkieslijk zijn geweest om de foto, na het terugvinden van het stoffelijk overschot, en dus zodra het opsporingsbericht met de foto voorbijgestreefd was, niet meer weer te geven. Dat is  de draagwijdte van de bepaling in de toelichting bij de Code, dat journalisten altijd moeten overwegen om minderjarigen onherkenbaar te maken bij de weergave van beelden.

HERKENBARE ONHERKENBAARHEID

In dezelfde week werd in grote opmaak bericht over de zelfdoding van een man van 40, die zijn beide minderjarige kinderen van 6 en 9 samen met zichzelf verstikte (HLN 20 juli). Over een halve pagina werd een fotocollage afgedrukt van de man en, groter nog, van de beide kinderen. Met blokjes werden hun ogen, neus en mond aan het beeld onttrokken – maar je kan moeilijk beweren dat vader en dochtertjes niet meer herkenbaar waren. We lezen in welke gemeente de man woonde, en opdat we ons niet zouden vergissen, wordt een foto van zijn huurhuis bij het artikel geplaatst. Het artikel vermeldt ook het beroep van de moeder van de vermoorde kindjes en de plaats van haar tewerkstelling. Onherkenbaar?

De weergave van deze details is niet nodig om over het actualiteitsfeit van een familiedrama te berichten, daarvoor zijn het overbodige details. Het effect is dat de familie vrij herkenbaar wordt voorgesteld, zeker in de eigen omgeving.

BIJZONDERE OMZICHTIGHEID IN KWETSBARE SITUATIES

Art. 23 van de Journalistieke Code vergt nochtans respect  voor het privéleven van personen, en legt op dat journalisten in het bijzonder omzichtig omgaan met mensen in een maatschappelijk kwetsbare situatie, zoals minderjarigen of slachtoffers van criminaliteit en rampen. Herkenbaarheid moet de uitzondering blijven. Is het zo moeilijk om zulk eenvoudig beginsel te respecteren? Stop toch met de flauwekul om kinderen op zulke foto’s alsnog herkenbaar af te beelden, door doordacht voldoende elementen van herkenbaarheid te vrijwaren buiten de beperkte ruimte waarin de foto wordt “gescrambled”.

Op 25 juli was het weer prijs (HLN 25 juli). Op de één wordt de foto van een op haar buitenlandse huwelijksreis vermoorde dame afgebeeld, met de gekende truuk van te weinig “scrambling”, zodat ze goed herkenbaar in beeld wordt gebracht, en op p. 3 treffen we een liefdevolle foto aan waar haar man – nu volgens de berichtgeving ook haar moordenaar – haar kust. Blokje voor de ogen, maar beiden zijn perfect herkenbaar.

TOESTEMMING GEVRAAGD EN GEKREGEN ?

Behalve dat zulke foto’s niet herkenbaar mogen zijn, is er ook toestemming voor nodig om ze te mogen afdrukken. Zou de redactie over die toestemming beschikken, of zijn ze gewoon gecopieerd van “sociale media”, waar de betrokkenen ze eerder zelf hadden gepubliceerd? Is er enig “gewichtig maatschappelijk belang”, zoals de journalistieke Code dat vergt, om deze foto’s te publiceren?

Er is bijzondere terughoudendheid vereist, aldus de Code, wanneer informatie of beeldmateriaal wordt gebruikt dat in een totaal andere context of met een totaal andere bedoeling op het net werd geplaatst dan die van de nieuwsfeiten waarover wordt bericht. En de  beginselen wegen nog zwaarder door bij personen in een maatschappelijk kwetsbare positie, zoals… slachtoffers van criminaliteit.

26 juli, zelfde krant, p. 1: “Ex-lief steekt meisje (17) en grootouders dood”. Op blz. 4 een grote huwelijksfoto. Identieke problematiek: bewust enkele te kleine blokjes op de ogen plaatsen, zodat de herkenbaarheid verzekerd blijkt. Slachtoffer van een moord? Minderjarige? Nog eens op een foto op 27 juli, van het slachoffer en de dader. Slachtoffer herkenbaar “onherkenbaar”, naar goede gewoonte, de dader eerder onherkenbaar; maar dat zwakke punt werd goedgemaakt in de reuzegrote foto van de dader naast de eerst.

In dezelfde krant (HLN 27 juli) prijkt ook een grote foto van de Leuvense neurochirurge die is opgepakt op vermoeden van moord op haar dochter. Obligate blokjes voor de ogen, goed herkenbaar toch. Als mogelijke dader toch een persoon in een maatschappelijk kwetsbare positie. Bij aanhouding verplicht de politiewet aan politiefunctionarissen om ervoor te zorgen dat deze personen niet herkenbaar worden voorgeleid. Hier gaat het mogelijk om een foto van sociale media, die mag men niet zomaar gebruiken. Zou er toestemming voor gevraagd zijn en bekomen? Voegt de herkenbare foto toe aan de verslaggeving van het gruwelijke feit? Nee toch!

Foert, de helden van de krant publiceren deze foto’s op deze manier. Brutale inbreuk op de journalistieke deontologie ten opzichte van personen in een maatschappelijk kwetsbare situatie. Dat gebeurt bewust, met volharding en bij herhaling. Zouden hoofdredacties daar eens niet moeten naar kijken? Dit is journalistiek hooliganisme, en ook een grootpubliekskrant heeft dat niet nodig.

Goede journalistiek heeft geen inbreuken op het privé-leven nodig, en slaagt er in op waardige wijze verslag te brengen van verschrikkelijke levensdelicten, zonder de privacy van de slachtoffers te grabbel te gooien en zonder het leed van de nabestaanden te vergroten.

Dat wordt aangetoond door websites van media – andere kranten en omroepen – die sober blijven in de selectie van foto’s en de berichtgeving over drama’s. Verdrinking, zelfdoding en moord zijn voldoende tragisch. Daar hoeven de dramaqueens van sensatieredacties echt niets aan toe te voegen.

 

 

Op 28 juli 2017 gepubliceerd op http://www.deredactie.be 

Fake News : Wie zijn nog “de media” ?

De slogan “fake news” is confronterend:  moet nieuws dan niet waar zijn? Is nieuws niet slechts nieuws wanneer het gecontroleerd is? Kan iets “nieuws” zijn dat misschien niet eens gebeurd is?  

Zijn de media die door de US President systematisch aangevallen worden, dan vervalsers? Brengen de gevestigde media dan bewust verkeerde berichtgeving?

En… wie zijn vandaag “de media”?

Een pleidooi voor de herwaardering van professionele journalistiek.

 

De US President heeft er een prioriteit van gemaakt: altijd de gevestigde media aanvallen en journalisten verdacht maken. Het is een overlevingsstrategie van een soms al dubieuze zakenman die zichzelf  wist te profileren als de vijand van het establishment, de man van het volk. De ironie is dat zijn werkwijze hem gigantische journalistieke aandacht oplevert.

In gewone omstandigheden hebben politici een haat-liefde-relatie met journalistiek. Ze houden van journalistiek die verslag brengt van wat ze doen – denk aan het vaste weekeinde-nieuwsitem van Ben Weyts – en de lof zingt van hun strategie en resultaten, ze staan graag op goede voet met journalisten en bestoken hen met wetenswaardigheden die ze graag als nieuws voorschotelen. Daarvoor beschikken ze over een leger woordvoerders en pennenridders, vaak journalisten die eens wat anders willen doen. Maar politici ergeren zich ook aan journalistiek die hun plannen kraakt, de mislukking van beleid fileert en ze over de knie legt wanneer het niet zo goed loopt.

Deze ambigue relatie kan soms leiden tot een vriendschappelijkheid die professioneel handelen aan de zijde van de journalistiek niet bevordert. We herinneren ons het voorbeeld van een Minister die zich vorstelijk liet interviewen door zijn vriendin, toen nog journaliste, of van journalistieke trouwpartijen waarbij men zich in de Wetstraat waande.

Moet nieuws behagen ?

De VS-President volgt een andere strategie. Vermits er veel op de man, zijn verkiezingscampagne, zijn belangenconflicten en non-beleid aan te merken is, kiest hij voor de voortdurende aanval: alle onwelgevallig nieuws wordt weggezet als fake news en journalisten worden afgeschilderd als onbekwaam of te kwader trouw. Het vergt groot professionalisme van Amerikaanse journalisten om niet in die val te trappen: kan je tegelijkertijd vermijden  om  elke presidentiële tweet uit te vergroten, en  toch professionele journalistiek bedrijven ten aanzien van zijn beleid?

Verschillende Amerikaanse commentatoren beginnen aan te geven dat ze zich wellicht beter minder laten afleiden door de twittersalvo’s uit het Witte Huis en meer aandacht geven aan normale journalistieke bejegening van de daadwerkelijke beleidshandelingen van de President. Geen makkelijke opgave. We weten het nog nauwelijks, maar de bumpersticker van George W. Bush in zijn herverkiezingscampagne in 1992 luidde al: “Annoy the media, elect Bush”: werk de media op hun zenuwen, herverkies Bush!  Het recept van Trump komt dus uit het klassiek kookboek van politieke campagnevoering – zij het dat de man in campagnemodus blijft hangen.

MODERNE JOURNALISTIEK

Sommige kenmerken van moderne journalistiek bevorderen, volgens de wetenschappelijke analyse, het succes van die dubieuze mediastrategieën. Te veel journalistiek is gericht op de aanduiding van winnaars en verliezers, alsof het om een dagelijks gevecht moet gaan, polariserend. Ook de neiging tot overdrijvingen – alles is zwart-wit – maakt journalistiek tot een makkelijke bondgenoot van tweetende herrieschoppers. En de omstandigheid dat kritisch feitenonderzoek snel wijkt voor prompte beoordeling, draagt bij tot het succes van de radicale tweeter. Vroeger leidde de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie tot poëzie, vandaag  volstaat ze  voor de meningenindustrie die journalistiek te vaak is.

Daar komt bij dat mensen graag in hun eigen opinie versterkt worden: de “like”-cultuur van de zgn. sociale media creëert zulke bubbels van eigen gelijk. Ook dat verschijnsel draagt bij tot de afkalving van geloof in journalistiek. De publieke opinie is kritisch ten opzichte van journalistiek, omdat die veel miste; zo waren media niet bij machte om het politieke simplisme van de “weapons of mass destruction” van Bush en Blair te keren, om desastreuze misbruiken in de internationale financiële sector tijdig te analyseren, of om mandatencollectie en dubieuze vergoedingen in de politiek adequaat en kritisch aan te kaarten.

TERUGKEER VAN HET JOURNALISTIEK VAKMANSCHAP

Ironisch genoeg leidt de verwondering over fake news tot nieuwe kansen voor goede journalistiek:  we bemerken terug de noodzaak van professioneel journalistiek vakmanschap. Feiten onderzoeken en valideren. Met oog voor nuance, argument en debat. Lezers, luisteraars en kijkers onderschatten hoe moeilijk het soms is om de werkelijke feiten te kennen, laat staan om ze te controleren, en om ze te controleren en valideren binnen een beperkt tijdsbestek. En dat is de moeilijkheid, maar ook de mérite van goede journalistiek.

Vrije meningsvorming via goede journalistiek is een noodzakelijk onderdeel van de democratie. Niet alleen om verslag te doen over wat in politieke kringen gebeurt, ook om verslag te doen van wat leeft in de samenleving. Dat voedt een gedegen publiek debat, met argumenten, op basis van onderzochte feiten. Van die journalistiek hebben we nooit genoeg. En ze wordt best bedreven door professionele redacties, in de gevestigde mediabedrijven: het is een vak.

GEVESTIGDE MEDIABEDRIJVEN vs. SOCIALE MEDIAMASTODONTEN

De ruis in de sociale media voegt voornamelijk toe wat het woord zegt: ruis. En Facebook werd hét vehikel hiervoor. Een technologisch platform, dat het “nieuws” dat via zijn netwerk verspreid wordt, niet maakt: geen journalistiek onderzoek, geen redactioneel werk. Dus zijn we, aldus Zuckerberg, een technologisch platform maar geen mediabedrijf, een ‘technologisch platform van een bijzondere soort’. Het vergemakkelijkt de vrije stroom van ieders bericht via sociale media – waarmee het bijdraagt tot het maatschappelijk debat –  maar dus ook dat van “fake news”, bewuste vervalsingen – waarmee het bijdraagt tot maatschappelijke afbraak.

Facebook functioneert met een businessmodel op grond van zijn pijplijn-activiteit en van de omstandigheid dat zijn product – dat zijn in werkelijkheid de data van zijn gebruikers – capteert en monetariseert bij adverteerders. Dat laatste is een typisch kenmerk van mediabedrijven, zodat de sociale media nu de grootste concurrent zijn van mediabedrijven. Maar Facebook wil zich blijven profileren als technologisch platform, en verzet zich tegen de kwalifikatie als mediabedrijf. En daar is een hele goede, doch ontluisterende, reden voor: als pure tech-player is Facebook juridisch immers niet verantwoordelijk voor wat er door zijn vehikel stroomt, als mediabedrijf zou het daar wel op aangesproken worden.

Onder druk deed Facebook al een proef met zgn. curatoren van de newsfeeds over zijn netwerk,  later met algoritmes die moesten beschermen tegen fake news, maar die deden het niet goed, en nu, voorzichtig aan, met fact check-services. Facebook vervelt dus, langzaam maar zeker, van een geslachtsloze technische operator naar een content-provider met een soort van “crowd-raised content”, gratis door zijn gebruikers aangeleverde inhoud, niet geredigeerd en nog nauwelijks gecontroleerd. Echt of fake. Voorlopig houdt Zuckerberg vol dat zijn Facebook een platform is, zij het van een bijzondere aard, en weigert hij de kwalifikatie als mediabedrijf. Dat zou immers plichten en verantwoordelijkheden met zich brengen,  eerder dan dollars.

 

Op 24 juli 2017 gepubliceerd op http://www.deredactie.be/permalink/1.3029073 

 

 

 

 

Intimidatie van Journalisten schendt persvrijheid

Toen in mei het Samusocial-schandaal losbarstte, zond dr. Degueldre, Voorzitter van de Raad van Bestuur van Samusocial, een mail naar zijn woordvoerder, met de vraag “een diepgaand onderzoek in te stellen naar het leven, de studies, de gewoonten en overtuigingen, de vriendenkring en de familie van de journalistieke vedetten van Le Vif en RTBf en van de verkozene van Ecolo”. Het was zijn reactie op de bekendmaking, door Christof Leroy (Le Vif), Kemal Fadoul (RTBf) en Alain Maron (Ecolo) van de eerste feiten van wat snel het Samusocial-schandaal zou worden. Degueldre wenste “beter hun motieven begrijpen, hun banden en mogelijke bedoelingen”. “De tijd om vriendelijk te zijn”, aldus sloot de mail, “is voorbij”. Inmiddels kennen we, dank zij de bestemmelingen van deze mail, wel de omvang van deze beerput van de Brusselse bestuurlijke elite.

Daarmee beschikken we over het bewijs van de start van een regelrechte intimidatiepoging naar journalisten en een politiek mandataris, omdat ze zeer zware misbruiken uitbrachten. In ons land is patente intimidatie van journalisten zeldzaam, maar het gebeurt toch soms, zij het niet altijd op de stuitende wijze zoals hier. Meer subtiele methoden zijn, bijvoorbeeld, juridische ingebrekestellingen die meer weg hebben van dreigbrieven die “alle opties openlaten” als de bestemmeling niet het gewenste gevolg zou geven aan de missive. Of nog, de betekening van dagvaardingen die strekken tot veroordeling tot manifest overdreven schadevergoedingen.

In sommige landen lopen journalisten tegen kogels aan, zoals Rusland, of worden ze zonder meer worden gevangen gezet, en worden kranten en omroepen gesloten, zoals in Turkije; beide landen ondertekenden, zoals België, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Bij ons in Limburg werd vorig jaar de Turkse krant Zaman stopgezet onder druk van regelrechte bedreigingen en rellen binnen de Limburgse Turkse gemeenschap (HBVL, 30 augustus 2016).  Hoewel het officiële mantra luidt dat we de Turkse binnenlandse problemen niet willen importeren, lieten we begaan…

De bescherming van uitingsvrijheid houdt meer in dan de vrijwaring tegen beperkingen; ze verplicht Staten ook om positieve maatregelen te nemen om het daadwerkelijk gebruik van meningsuiting door iedereen mogelijk te maken. Staten moeten zich inspannen zodat mediavrijheid werkelijk bestaat en journalisten hun werk op een normale manier kunnen doen. Zo werd Turkije door het Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg in 2010 veroordeeld omdat het de uitingsvrijheid van een journalist had beperkt door hem te vervolgen en veroordelen, en tevens omdat te weinig effectieve maatregelen waren genomen die hadden kunnen verhinderen dat hij nadien werd vermoord. Ook in de zaak van de krant Ozgür Gündem was Turkije al in 2000 veroordeeld omdat het met een resem acties de effectieve verschijning van de krant had bemoeilijkt en uiteindelijk onmogelijk gemaakt. In beide arresten komt de positieve zorgplicht van de overheden in verband met de daadwerkelijke persvrijheid uitgebreid aan bod.

Mediavrijheid is uitzonderlijk goed beschermd omwille van de noodzakelijke rol die vrije berichtgeving heeft in een democratische rechtsstaat: media zijn de “publieke waakhond” van de democratie, en journalisten hebben de plicht om die rol ernstig en binnen de perken van hun deontologie te vervullen. Niemand mag hen daartoe ontmoedigen – integendeel, autoriteiten moeten de voorwaarden scheppen en bewaken opdat redacties die geweldige taak ook effectief kunnen verrichten. In de rechtspraak wordt het ontmoedigend effect van veroordelingen voor mediafouten al vaak gezien als een onterechte ontmoediging van uitingsvrijheid van journalisten, maar intimidatie met bedreigingen voor het privaat leven, vriendenkring of familieleden is uiteraard volstrekt onaanvaardbaar. Overheden moeten daar hard tegen optreden.

Het gemak waarmee dr. Degueldre zijn mail verzond, wijst op een corrupte cultuur, waarin intimidatie mogelijk tot het maffieus bestuursinstrumentarium behoorde. Gelukkig  werd de mail gelekt en strandde deze intimidatiepoging vooraleer er gevolg aan werd gegeven. Met enkele goedkope slogans over een nieuwe politieke cultuur, beleden door de manschappen die dit refrein al een tiental jaar zingen, gaan we er niet komen.

Gepubliceerd op http://www.deredactie.be op 14 juli 2017

 

 

 

Geen commentaar

 

Iedereen heeft een mening over media. Een staal van wat de voorbije dagen door mijn handen ging. Beraden redacties hier over? Of beschouwen ze het als gezeur van een onvermijdelijk basso continuo dat bij hun emplooi hoort?

 

“Only bad news is news: door die mediawet wodt maatschappelijke zwartgalligheid verspreid en worden bij veel mensen burn-outs verwekt”. Zo ziet Marc Eyskens het (Knack, 28 juni).

“Ik kan me nog ontzettend opwinden in een knullig stuk van een journalist die het in mijn ogen niet begrepen heeft. Dossierkennis en journalistiek gaan niet altijd samen. Het verhaal achter de feiten, de fond van het dossier, blijft vaak onderbelicht. Zo blijft alleen de perceptie over. Dat is onaangenaam, en oneerlijk’. Zo ziet Rob Van de Velde het (DT 1 juli).

“Ook de politieke redacties van de schrijvende en de audiovisuele pers gaan niet vrijuit. Er is in de berichtgeving over de politiek vaak evenzeer sprake van een obsessieve aandacht voor verkiezingen. Maanden op voorhand slaat ook daar de koorts toe. Het gevecht om de beste plaatsen wordt breed uitgesmeerd in krantenpapier en in zendtijd. Week na week, dag na dag. De gebruikte terminologie liegt er niet om. De moeder van alle verkiezingen! De strijd der titanen! Dat verkiezingen vandaag ontwaarde macht opleveren lijkt van geen tel te zijn. De beroepspolitici zal je daarover niet horen klagen. Zij hebben de aandacht van de persmensen broodnodig. Precies omdat zij macht verloren heeft, zoekt de politieke klasse in de campagnes het licht van de media. Het levert hen alsnog wat prestige op. Op dat vlak zijn pers en politici dus gelukkig getrouwd.” Zo ziet Luc Huyse het (Red de Verkiezingen, 2017: www.luchuyse.be ).

“De Standaard en ikzelf zijn de jongste jaren uit elkaar gegroeid, zoals vrienden vreemden worden, en partners waarnemers van elkaars gebreken. Ik neem het niemand kwalijk, we hebben een andere mensvisie, huldigen een andere ethiek… Ik verlaat De Standaard om ethische redenen.” Zo ziet Rik Torfs het (DS 29 mei).

“En het gaat niet enkel over de naam of de foto. Als je een aanslag pleegt, mag je er rustig van uitgaan dat de hele wereld zal schrijven over je afkomst, je familie, je schoolprestaties, je liefdesleven, en eventuele strafblad en wat de buren van je vonden. Eigenlijk verschil je in nagenoeg niets van andere terroristen, maar wij spitten je korte levensverhaal uit met een ijver en een belangstelling die je bij leven nooit hebt gekend.” Zo ziet David Van Reybrouck het (DM, 1 juli).

“Verslaggevers en politici zitten in dit land te dicht op elkaar, onder dezelfde stolp. Het heeft een deel van mijn generatie politieke verslaggevers bijziend gemaakt. Te veel aandacht gaat naar het spel, te weinig naar de knikkers. We denken dat we over de macht berichten, maar we nemen vrede met een poppenkast. We berichten over de strijd om het fractieleiderschap bij partij X of om het lijsttrekkerschap in stad Y, maar we zien niet hoe achter de schermen de macht versluierd en verdeeld wordt.” Zo ziet Bart Eeckhout het (DM 26 juni), in een stuk met de titel: “Het systeem maakt de schurk”. Het sloeg op de journalistieke bijziendheid die blind was gebleven voor de Brussels schandalen, maar  ook over het systeem dat journalisten te dicht tegen de borst drukt, zodat ze er te week van worden: “Alle mediakritiek op die laattijdige belangstelling is terecht. Ook hier is de verklaring van de rotte appels – de journalisten die zich laten inviteren aan rijke tafels, in ruil voor een milde behandeling – onvolkomen. Ook politieke verslaggeving maakt deel uit van het systeem. Systeemjournalistiek levert gezag op. En het levert ‘exclusieve’ scoops op, vaak in ruil voor een mild interview.”

“De Vlaamse Minister van Welzijn, Jo Vandeurzen (CD&V) is niet te spreken en zelfs ‘gefrustreerd’ over media die de richtlijnen rond zelfdoding aan hun laars lappen. Hij wil suïcide-experts, de journalistenvereniging en de media uitnodigen voor een gesprek. (…)  “De manier waarop verschillende media de afgelopen dagen hebben bericht over een drama met een vijftienjarige jongen in het Oost-Vlaamse Appelterre is duidelijk in strijd met de mediaricht­lijnen rond suïcide”. Zo ziet Jo Vandeurzen het (DS, 15 juni).

“Het mag soms wat minder hijgerig. Dat journalisten zich ook op belangrijke nieuwsmomenten bewust blijven van hun opdracht en niet meelopen met elk gerucht, zou vanzelfsprekend moeten zijn.” Zo ziet Bart Eeckhout het, Opiniërend hoofdredacteur (DM, 1 juli).

‘Verschillende media zijn uit de bocht gegaan in mijn ogen, maar de artikelen op hln.be en vandaag (gisteren, red.) in Het Laatste Nieuws gingen echt over de schreef. Wat mij stoort zijn niet alleen de grove feitelijke onjuistheden, maar ook de arrogantie waarmee de krant een vraag naast zich neerlegt.’  Zo ziet Vlaams Parlementslid De Bruyn het (DS, 15 juni).

‘Ik denk niet dat de media daar in zijn geheel verantwoordelijk voor zijn, maar ze dragen wel bij aan cynisme en ontevredenheid van de kiezer. Negatieve berichtgeving is de afgelopen jaren toegenomen, net als de aandacht die media besteden aan het politieke spel en de strategieën die partijen hanteren. In plaats van alleen over de inhoud te informeren.  In het interview geeft de politicoloog aan dat er in de media een toegenomen aandacht voor conflictjes, strategie en de laatste peilingen is. ‘Dit draagt er niet aan bij om de burger inhoudelijk te informeren.’ Zo ziet Rens Vliegenthart het (“U klets uit uw nek”, 2012)

“Ik lees van alles over mijzelf in de kranten. Dat klopt ook niet allemaal. Zo gaat dat, als publiek persoon.” Zo ziet Zuhal Demir het (DT 1 juli).

 

 

Op 7 juli 2017 gepubliceerd op http://www.deredactie.be

Spiegel je als overheid eens aan performantiemetingen, innovatieritme en daadkracht van toppers in de private sector.

 

Het rapport van de OESO over België (OECD Economic Surveys, 2017) werd bijna gereduceerd tot gelukwensen voor een land dat progressie boekt. De OESO erkent weliswaar geboekte vooruitgang maar blijft kritisch en spoort aan tot doortastendheid.

Daar zijn ook andere indicatoren voor. In reputatiemetingen scoort België matig, we verloren in 2016 heel wat punten na de aanslagen (www.reputationinstitute.com). Reputatie meet vertrouwen, waardering, bewondering en gevoel. We scoren op veel criteria redelijk, maar verliezen punten op het vertrouwenscriterium. Vertrouwen verdien je met een goed ondernemingsklimaat en een efficiënt overheidsapparaat. Met de internationale zetels van de Nato en de Europese Unie kan België uiteraard niet anders dan hier goed scoren, maar conservatief beleid en bedenkelijke overheidsefficiëntie reduceren ons tot mediocriteit. De aanslagen kostten forse punten, en België, dat sedert 2011 in 2015 naar een 10de plaats was gestegen, tuimelde na de aanslagen naar de 15de. Te middelmatig toch voor een land met zo veel mogelijkheden en zo veel troeven?

Hetzelfde beeld in de Competitiviteitsindex van IMD, waarin België een plaats daalt naar 23 van 63 vergeleken landen (www.imd.org). De “future readiness” in de digitaliseringsindex van IMD spoort duidelijk met de globale competitiviteit van een land. België bungelt rond de 20e plaats, terwijl Zwitserland, Nederland, Ierland, Denemarken, Luxemburg, Zweden, Noorwegen, Duitsland, Finland en het Verenigd Koninkrijk het in Europa beter doen. Is de werkelijkheid niet dat we te vaak onze middelmatigheid prijzen?

Bij het WEF (www.weforum.org) staat België op de 17de plaats in de competitiviteitsindex, twee plaatsen beter dan een jaar geleden, maar ver achter Nederland en Duitsland die op de vierde en vijfde plaats scoren. Waarom nemen we daar eigenlijk genoegen mee?

Onze basics scoren te matig: performantie van onze instellingen, reguleringslast, publiek vertrouwen, infrastructuur en macro-economische data zoals staatsschuld. Diverse elementen bevorderen wel de efficiëntie: ons onderwijs, marktefficiëntie, en de eerste belangrijke maar kleine verbeteringen aan de rigide arbeidsmarkt, maar we zijn niet klaar voor de toekomst.

Het zijn onze ‘business sophistication’ – de modus operandi van onze bedrijven – en nadruk op R&D en innovatie die ons significant hoger piloteren. We hebben, met de KULeuven en Leuven R&D, Europa’s meest innovatieve universiteit (Reuters’ Europe’s Most Innovative Universities) in huis, wereldspelers zoals Imec of i-Minds (nu samen Imec), fundamentele researchcentra zoals het VIB, en private wereltoppers zoals GSK in Waver of Janssen Pharmaceutica in Beerse. Oef! Deze laatste clusters redden de eer en compenseren bestuurlijke zwakte en politieke besluiteloosheid. Maar: hoe lang nog?

Thomas Friedman schreef dat de tectonische platen van technologie, markt (globalisering) en natuur (klimaatverandering) alsmaar sneller veranderen, en dat overheden moeten leren zichzelf te hervormen aan de snelheid van Moore’s law  (Thomas L. Friedman, Thank You for being Late, 2016).  Dat vergt overheden met visie, een blik op de toekomst en een helder plan dat voortdurend wordt bijgesteld. Een regeerakkoord van 2014 is in 2015 voorbijgestreefd.

Om het ritme van Moore’s law, waarover Friedman schreef, aan te geven: indien de VW-Kever van 1971 geëvolueerd zou zijn aan de snelheid van Moore’s law – capaciteitsverdubbeling van microships om de twee jaar – dan zou hij nu 300.000 km per uur rijden, 0,1 ml benzine verbruiken per 100 km, en te koop zijn voor 4 cent.

Parlementen verliezen zich nu in een nieuwe tak van sport – onderzoekscommissies – en verloren hun wetgevende inspiratie en kracht. Regeringen zijn uit op behoud van wankele meerderheden en besturen met klamme hand en stramme voet. Het middenveld stagneert en krijgt geen deuk meer in een pak boter. We zijn niet rijk genoeg meer voor zoveel stilstand.

Krijgt iemand de federale regering, de Brusselse regeringen – als ze tenminste uit hun stammentwisten willen komen – de Waalse Gewest- en de franstalige Gemeenschapsregeringen, de Regering van de duitstalige Gemeenschap en de Vlaamse Regering (oef…!) samen voor een super-ministerraad die het Plan België 2030 lanceert en daar een Raad van Bestuur voor aanduidt? Met mandmoedige visie, perspectief en daadkracht moet je regio’s, meerderheden en opposities  kunnen verenigen, en de burgers – àlle burgers – weer mee bij de klas kunnen krijgen. Spreek eens terug de rol van initiatief, en het primordiaal belang van waarde-creatie! Dat zijn de noodzakelijke voorwaarden voor instandhouding van de sociale welvaartsstaat. Spiegel je als overheid eens aan performantiemetingen, innovatieritme en daadkracht van toppers in de private sector.

Waar wachten onze beleidsmakers eigenlijk op? Hun en onze kinderen hebben er recht op dat ze diep ademhalen en de rug rechten. We moeten weer de hoofd- van de bijzaken onderscheiden en onmiddellijk aan de slag gaan.

Op 6 juli gepubliceerd op http://www.knack.be in de reeks DOORDENKERS

 

 

Vrijheid van Mening & Vrijheid van Ontslag

Uitingsvrijheid is een klein laboratorium van de moderniteit, het lijkt wel een mijnenveld. Particulieren en overheden worstelen er geregeld mee, zeker wanneer het gaat  om uitspraken die verband houden met identiteit, religie of diversiteit. Diversiteit kan ook diversiteit van mening inhouden, of leidt die op overheidsniveau snel tot ontslag?

Unia is een overheidsinstituut dat de toepassing van de non-discriminatiewetgeving moet bevorderen. Het viel al regelmatig op door stellingnamen die het maatschappelijk draagvlak voor het te bereiken doel eerder aantasten dan bevorderen.

De anti-discriminatiewetgeving gaat nu al over liefst 23 criteria op basis waarvan men niet mag discrimineren, en het discriminatieverbod treft nu ook uitingen. Unia heeft daardoor kenmerken gekregen van een gedachtenpolitie, met een miljoenenbudget en 100 medewerk(st)ers. Hebben we dat nodig?

Enkele maanden geleden ontstond weer commotie, naar aanleiding van een interview van een deeltijds medewerkster van Unia. En de directie  besloot die medewerkster, naar aanleiding van een interview,  te ontslaan. Zoals gebruikelijk werden nog snel wat andere ontslaggronden aangesleept, maar de essentie was toch haar interview. Ontslag wegens uitingen? Willen we zulke samenleving? Ik dacht het niet.

Unia heeft zichzelf in moeilijkheden gewerkt door een artieste deeltijds in dienst te nemen als juriste. De artieste geniet van de zeer sterke bescherming van artistieke uitingen, terwijl de contractuele medewerkster  uitingsvrijheid heeft, maar ook een loyauteitsverplichting naar haar werkgever moet honoreren.

Men voelt aan dat dit wringt en, in werkelijkheid, nauwelijks verenigbaar is. Meestal vangt men dan de loyauteitsverplichting op door procedurevoorschriften, zoals voorlegging van een interviewaanvraag en dergelijke. Voor zover die er bij Unia zijn, werden die, naar verluidt, nageleefd. Het interview gaf ook aan dat Mevr. Rachida Lamrabet in persoonlijke naam sprak (www.knack.be, 21 maart 2017) en niet namens Unia.

Evoceert ze in haar interview het fictieve personage uit haar kortfilm, die zich erover beklaagt dat haar het recht is ontnomen haar boerka te dragen? Of brengt ze een juridische stelling naar voor? Dat is niet op te maken uit de tekst op de website, maar beide mogelijkheden bestaan. Mag ze in persoonlijke naam juridische standpunten innemen die niet verenigbaar zijn met die van haar werkgever? Dat is delicater, gelet op haar loyauteitsplicht. Maar het is niet mogelijk één Rachida Lamrabet te hebben die  artieste is en van een versterkte uitingsvrijheid geniet, en een tweede Rachida Lamrabet die zich moet inhouden.

Inhoudelijk klaagt Mevr. Lamrabet – of, zo men wil, haar artistiek persona – aan dat in Europa al tien jaar een proces bezig is dat vrouwen tot elke prijs wil ontsluieren. Dit is, zo zegt ze, een verregaande inbreuk op de vrijheid en de privacy van vrouwen, en een paternalistisch signaal. Haar lichaam is privé en ze wil onzichtbaar blijven voor de buitenwereld. Ze plaatst zich buiten de samenleving en richt haar gesluierd bestaan op het hiernamaals.

Dat is nogal wat, en de uitspraken veroorzaakten uiteraard commotie. Waren ze, mogelijk, ironisch bedoeld, in het kader van haar artistiek project en de kortfilm waarover ze sprak? Gaven ze de gedachtegang weer van een artistiek persona, de gesluierde vrouw in haar kortfilm? We weten het niet goed, maar dat is ook niet de kern van de kwestie.

De kern is de dubbelzinnigheid die Unia georganiseerd heeft van bij de deeltijdse aanwerving: de combinatie van deze instelling, een deeltijdse contractuele  rol als juriste, en van een artiestiek statuut is nauwelijks goed te beheersen – tenzij Mevr. Lamrabet altijd zou zwijgen, maar dat kan in een rechtsstaat geen optie zijn.

Juridisch is er nogal wat aan te merken op haar uitspraken. Ze geven aan het recht op privacy een draagwijdte die het niet heeft, tenzij in het intieme kader van de woning, en daarover gaat het wettelijk boerkaverbod niet.  Lamrabet’s these veronachtzaamt dat fundamentele rechten niet absoluut zijn, maar worden afgewogen tegen andere rechten en vrijheden en tegen de rechten en vrijheden van anderen. En ze negeert dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, precies in het arrest over het Franse boerkaverbod, de samenleving (“vivre ensemble”) als doorslaggevend criterium aanwendde. Met andere woorden, Lamrabet’s uitspraken zijn juridisch weinig steekhoudend, ongenuanceerd tot verkeerd,  en maatschappelijk extreem en radicaal. Het is dus niet verwonderlijk dat er emotioneel op werd gereageerd.

Maar dient dat, in een rechtsstaat die rust op ruime vrijheidsrechten, te leiden tot ontslag van de werkneemster? Door een directie die zelf de dubbelzinnigheid van haar tewerkstelling heeft georganiseerd? Willen we naar een regime waaruit uitingen die mogelijk ongepast waren, leiden tot ontslag? Nee toch? Willen we zulke overheden en instituties? Het logisch vervolg van dit potsierlijk directiebesluit is dat we geen overheidsinstituut met gedachtenpolitionele bevoegdheden nodig hebben. Punt.

Ontslaan is blijkbaar populair, want de Vlaamse Regering zette recent ook haar onafhankelijke diversiteitsambtenaar, Mevr. Alona Lyubayeva, aan de deur. Buiten! Net zoals Mevr. Lamrabet, ook naar aanleiding van een uiting. Ze had, in haar functie als onafhankelijk diversiteitsambtenaar, commentaar gegeven bij de objectief vastgestelde daling van het aantal vrouwen in de top van de Vlaamse administratie, terwijl het beleid net streefde naar een beter evenwicht. Haar commentaar rustte op een correcte feitelijke grondslag, behoorde tot de kern van haar functie en was factueel correct. Resultaat van de beraadslaging van de Vlaamse Regering: ontslag. Ontslag bij een uiting, minstens naar aanleiding ervan. Zoals bij Lamrabet en Unia, voert men voor de vorm nog wat andere zgn. argumenten aan en klaar.

Ook hier moeten we de vraag stellen: willen we zulke samenleving? Neen, toch? Welke betekenis heeft zulke ‘onafhankelijke ambtenaar’ als de ongepaste emotie van een Vlaams regeringslid volstaat om haar te ontslaan?

Gepubliceerd op http://www.deredactie.be op 22 juni 2017

Het gelijk van de redactie

 

Redacties moeten geloven in de waarde van de producten die ze afleveren, maar worstelen er soms mee om niet te vervallen in redactionele hardnekkigheid. Het is dan moeilijk om te nuanceren, laat staan om bij gelegenheid  eens  ongelijk te bekennen of een nuance aan te brengen. Dit is geen slogan uit de anti-media-bibliotheek, maar de conclusie van een ervaren journalist, Craig Silverman, die aanklaagt dat journalisten te weinig bereid zijn om eigen fouten recht te zetten. Kleine foutjes, zo voert hij aan, worden rechtgezet, maar substantiële fouten worden onder het journalistieke tapijt geveegd (Craig Silverman, Regret the Error, 2007, en: https://www.poynter.org/tag/regret-the-error/). Hij bepleit de behoefte aan journalistieke accuraatheid, en probeert nu al tien jaar om “de kunst van de rechtzetting” nieuw leven in te blazen.

Mensen maken fouten, maar journalisten doen het voorkomen alsof zij daar niet vatbaar voor zijn. Ze worstelen met rechtzetting van fouten en negeren die te vaak. Het kan niet, aldus Silverman, dat journalisten iedereen over de knie leggen, maar zichzelf als onfeilbaar blijven zien.

Ik moest hieraan terugdenken bij het commentaar van Verhoeven in DS (30 mei 2017), nadat Rik Torfs had aangekondigd (DS 29 mei 2017) niet meer als columnist voor DS te willen fungeren. Hij wreef DS extreem moralisme aan, meer bepaald in een spectaculaire artikelenreeks van Maxie Eckert over een ontslagen arts van Gasthuisberg, dr. Van Gool (DS 27, 28 en 30 maart).  Aan Torfs persoonlijk werd verweten niet alle elementen van dat ontslag te hebben publiek gemaakt, met de puur speculatieve suggestie dat dit gebeurde om een financieel belang te vrijwaren.

Hoofdredacteur Verhoeven galoppeert on high moral ground, en verwijt Torfs voor minder transparantie te pleiten. Dat doet geen recht aan de genuanceerde woorden van Torfs. Die pleitte voor andere transparantie, niet voor minder, en de hoofdredacteur gebruikt zijn laatste woord om zijn  groot gelijk nog eens uit te schrijven. Het getuigt van weinig subtiliteit. De theorie is dat botsende meningen leiden tot meer helder inzicht, daarvan was hier weinig te merken.

Het ontslag van een topresearcher in Gasthuisberg wegens administratieve onregelmatigheden bij klinische studies is zeker een ernstige aangelegenheid van maatschappelijk belang, waarover media vrij moeten kunnen berichten. De toonzetting was dat de KULeuven het ontslag aan de openbaarheid zou hebben onttrokken. Verhoeven argumenteert (DS 31 mei) : “Wij hebben bijna een jaar gezocht naar de echte redenen voor dat onverklaarbare ontslag van het goudhaantje van het Leuvense Universitair Ziekenhuis. En naar de documenten die dat staafden.” Dat roept de suggestie op van moeilijk en grondig journalistiek werk, waarbij allerlei occulte elementen moesten worden bovengespit.

Er is toch ruimte voor enige nuancering. DS had ook de Artsenkrant kunnen lezen van 15 mei 2015, waarin het ontslag werd beschreven. Het dossier was bovendien lang gekend in al de relevante middens. De gehele beleidswereld inzake Gezondheidszorg was op de hoogte omdat de kern goed was geanalyseerd in documenten van het Verzekeringscomité van het RIZIV (Nota CG 2015/308 van 5 oktober 2015). Het ging om administratieve nalatigheid inzake de ethische voorschriften bij klinische studies. Dat leidde tot ontslag van de arts. Alle ouders van patiënten werden correct ingelicht, en de wetenschappelijke tijdschrijften waarin dr Van Gool over deze klinische studie publiceerde, ontvingen een “Expression of Concern”, een melding die de wetenschappelijke betrouwbaarheid van zulke publicaties fataal aantast. De studie werd stopgezet, het Riziv werd ingelicht,  de patiëntjes werden verder behandeld met de beschikbare therapieën.

DS voert aan dat belangen van toekomstige patiënten  of van zij die in de kracht van Van Gools geneeskunde geloven, met die acties onvoldoende werden behartigd, en dat die belangen zouden  pleiten voor radicale openheid. Torfs voert aan dat transparantie onder omstandigheden kan begrensd zijn door een zekere mate van discretie, gelet op alle belangen; hij noemt het een bescheiden transparantie, die grenzen kent en die ons beschermt tegen de schandpaal van de Middeleeuwen.

Zou transparantie nooit kunnen of moeten stoten op legitieme grenzen, en is het niet soms aangewezen om er op te letten dat niet nog meer schade wordt aangericht? Ook daar moet er ruimte zijn voor nuance, moraliteit in de transparantie, rechtmatige beperking van schade voor allen. Of moet men aannemen dat zulke houding altijd en per definitie geïnspireerd door kwade trouw? Torfs opende het debat, Verhoeven sloot het. Dat is jammer: miste DS niet een grote kans om de nuance te capteren in plaats van ze te negeren? De radicale toon van de stukken van DS stond haaks op de delicate gebeurtenissen inzake klinische medische experimenten voor jonge patiënten met een zeer kleine overlevingskans, en had ook kenmerken van een persoonlijke aanval op Rik Torfs.

Zulke dingen gebeuren in journalistiek, ze zouden niet mogen gebeuren. Ook journalistiek is mensenwerk, en vatbaar voor gebrek aan nuance of fouten. Dat journalisten wel eens fouten maken, is niet erg, schrijft Silverman, het zijn ook mensen en alle mensen maken wel eens een fout. Maar het onvermogen van journalisten om eigen fouten  te zien en hun gesukkel om fouten recht te zetten is een professionele tekortkoming. Ook daar moet men aan denken wanneer men anderen de mantel uitveegt.

Er is, tenslotte, nog een eigenaardigheid. De zaak Van Gool speelde in 2014-2015, de publieke elementen zijn gekend sedert  2015. DS beweert er een jaar naar gezocht te hebben, en publiceert in 2017. Dat suggereert dat de krant zijn publicatiedatum bewust heeft uitgekozen. Het zal een toeval geweest zijn dat gekozen werd voor publicatie  in de aanloop naar de rectorverkiezingen in Leuven, men mag er niet aan denken dat dit een goed bestudeerd publicatiemoment was voor gedateerde informatie, aangedikt met suggestieve vragen. Gewoon moralisme zou in de journalistiek soms al volstaan.

Gepubliceerd op http://www.deredactie.be 2 juni 2017 

Media kleuren

Vorige maandag nam een praatgast bij De Afspraak (VRT, één, 26 06) meteen na zijn intro het initiatief van Bart Schols over: “Ik wil toch meteen met de deur in huis vallen want de intro die u mij gaf was oneerlijk en flauw. Ik hoop niet dat de kijkers nu meteen het verkeerde beeld krijgen. Zo zegt u ‘Thierry Baudet vindt ook dat vrouwen minder ambitie hebben’, dat is niet waar, dat heb ik ook nooit gezegd. Waar het over ging was topposities in het bedrijfsleven. Wat ik toen heb gezegd is dat je ziet dat heel veel vrouwen er voor kiezen om part-time te gaan werken. Of ze dat wel of niet moeten doen, daar heb ik helemaal niets over gezegd.” Bart Schols, altijd honkvast in het format van zijn programma, geraakte er even van van zijn melk, maar Baudet ging rustig verder: “Ik vind het dus framing en kwalijk. Dat is iets waar we het met Forum voor Democratie vaak over hebben. Dat de media hun rol niet goed spelen. Jullie moeten neutraal iemand introduceren en niet meteen een kleur geven aan het gesprek.”

 Thierry Baudet is één van de verkozen spraakwaters van het Nederlands Forum voor Democratie, één van de aanstokers van het onnozel Oekraïne-referendum ook. En het Forum probeert fors anti-establishment te zijn vanuit de rechterhoek, flink tegen immigratie, met vermijding van  ranzige  racistische randjes. Fatsoenlijker verpakt populisme, fors gebekt, goed verwoord. Oneliners, maar zelf wel gepromoveerd in de rechtsfilosofie,  auteur van negen boeken, en een bevlogen spreker die ook lang het woord durft te nemen, flink het debat aangaat en zich dus niet zo gauw laat wegdrummen.

Ook niet door Bart Schols, dus, die direct door Baudet werd geïnterpelleerd.  Met zijn media-ervaring zette Baudet er fors de beuk in.

Framing is de manier waarop iedereen kijkt naar de dingen, ze registreert en ermee omgaat: we hebben allen zo’n primair kader waarmee we de zaken die we observeren betekenis geven. Het inzicht ontstond in de jaren ’70 en werd voor het eerst verwoord door Erving Goffman (Frame Analysis. An essay on the Organisation of Experience, 1974). Jonathan Haidt schreef er recent een schitterend boek over – The Righteous Mind – met als ondertitel: Waarom goede mensen toch verdeeld zijn door religie en politiek (2012). Intuïtief oordelen we eerst, en pas dan gaan we analyseren.

Meteen zie je dat frames ook anders kunnen worden gebruikt, en zo werd het een sleutelbegrip in de communicatie, en beïnvloedt het vandaag media en politiek. Het werd een overtuigingstechniek, om op een impliciete wijze voor- of afkeur te laten blijken.

En dat is wat Schols trachtte te doen – Baudet wegzetten als iemand die geen al te hoge dunk zou hebben van ambities van vrouwen. Het is niet uniek dat dit gebeurt, het gebeurt voortdurend, zeker in politiek en journalistiek. Het opvallende is dat Baudet meteen het woord nam en dit rechtzette. Dat kwam niet onverwacht, want het Forum voor Democratie heeft natuurlijk ook een voorspelbaar media-hoofdstuk in zijn partijprogramma: fors voor vrije meningsuiting, hard tégen de openbare omroep, en op de barricaden voor de “juiste” meningen. Van die obediëntie gaan er dertien in een dozijn.

Uit het incidentje zijn drie lessen te trekken. Voor de gasten van talkshows: het is te hopen dat zij het genoegen om uitgenodigd te zijn overstijgen en reageren op de journalistieke trukendoos. En voor de presentatoren van talkshows: zij zouden hun voordeel kunnen doen met de vuistregel van Baruch Spinoza in zijn Tractatus Politicus (1676): ‘Ik heb ernaar gestreefd om niet te lachen met wat mensen doen, er niet mee te wenen, noch ze erom te haten, maar ze te begrijpen.’

 

 

Eerste blogbericht

Welkom op mijn Mediablog.
Goede journalistiek, via alle media, is van groot belang voor de samenleving en de democratie. Zonder vrije journalistiek is er geen democratie en zonder rechtsstaat, democratie en respect voor universele mensenrechten is er geen uitingsvrijheid of vrije journalistiek.
Journalistiek heeft dus een onmisbare taak in de samenleving. Goede journalistiek voedt en inspireert het publiek debat.

Dat is een belangrijke taak die een grote verantwoordelijkheid meebrengt.
Daarover gaat mijn Mediablog.