Amalgaamjournalistiek

Overdrijving  en provocatie zijn gekende journalistieke stijlfiguren waarin redacties zeer bedreven zijn; ze zijn gelegitimeerd in de vaste mediarechtspraak van het Hof in Straatsburg.  Dat is niet het geval met amalgaamjournalistiek, het op één lijn stellen van onvergelijkbare zaken. Dat kan een keer aardig overkomen, maar vaak bruskeert die stijlfiguur terwijl er behoefte was aan nuance en zin voor detail. Dan ondersteunt de vorm niet meer de inhoud, maar lijdt de inhoud onder de vorm.

Waarom komt de Europese Commissie wel met een forse aanbeveling over de rechtsstaat in Polen, en liet ze dit na toen in Spanje verkozenen van het volk werden aangehouden omwille van een meningsuiting? Die vraag duikt op in nationale en internationale journalistiek.  De Spaanse toestand had eenzelfde uitbrander verdiend als de Poolse, dan zou de Europese Commissie niet het verwijt krijgen van een ongelijke behandeling van de Poolse situatie, zo luidde in veel gevallen het journalistiek refrein.

Dit is een typisch voorbeeld van amalgaamjournalistiek. De ene situatie is bij nauwkeurige analyse totaal verschillend van de andere. De verschillende wijze waarop de Europese autoriteiten erop reageren rust op dit fundamenteel verschil en is totaal gerechtvaardigd. Een nauwkeurig onderzoek van de feiten zou journalisten tot dat inzicht hebben gebracht; een oppervlakkige kennisname van het verschil in Europese reactie inspireerde een valse gelijkschakeling van zeer verschillende omstandigheden.

De huidige Poolse regering zet stappen die niet verenigbaar zijn met de Poolse Grondwet, en in strijd met de waarden van de Europese Unie en het Europees Mensenrechtenverdrag. Die basisbeginselen zijn:  eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten. De rechtsstaat (“rule of law”) is geen geringe zaak, en vereist onder meer dat het rechtskader voorgaat op àlles – ook op de handelingen van regeringen of overheden. Iedereen is gebonden door het dezelfde rechtsregels, alle overheden en alle burgers: dàt is de kern van de rechtstatelijke afspraak. De reden is dat buiten het recht enkel de vernietiging van universele mensenrechten rest, kortom:  favoritisme, privileges en willekeur.

Het is dus nodig dat journalistiek zorgvuldig de feitelijke werkelijkheid analyseert, en niet meehuilt met ideologische of populistische slogans. Inzake Polen is de eenvoudige werkelijkheid dat de Poolse regering de rechterlijke controle van haar beslissingen wil ondermijnen. Daartoe keurde ze wetswijzigingen goed die plots de leeftijdsgrens van de hoogste Poolse magistraten drastisch verlaagt zodat ze moeten opstappen. En ook werd het benoemingsorgaan ontmanteld zodat het bevolkt kan worden met trouwe partijleden van de huidige meerderheid. Op die manier kan men onderdanige, partijdige rechters benoemen en kan de regering de eigen Poolse Grondwet aan haar laars lappen. Dat is strijdig met de Europese beginselen, en dus moet Eruopa, na meerdere waarschuwingen en besprekingen, kordaat optreden.

In Spanje daarentegen overtrad de Voormalige Catalaanse regering de Spaanse Grondwet en de arresten van het Grondwettelijk Hof, en legde het de waarschuwingen en besluiten van de Spaanse regering naast zich neer. Die kon niet anders dan ingrijpen en het referendum, waarvan iedereen wist dat het onwettig was, verbieden. Ze moest ook reageren tegen de Catalaanse autoriteit die rechtsgevolg wilde toekennen aan het onwettig referendum. Zo wil het de Spaanse Grondwet en wetgeving in de Spaanse rechtsstaat: die moest zichzelf beschermen tegen onwettig optreden van een deelregering. De Europese autoriteiten hebben geen enkele bevoegdheid om daarin tussen te komen; in juridische termen is dat een pure binnenlandse aangelegenheid. Het politie-optreden was te streng en er werd onnodig geweld gebruikt, maar daarover gaan de Europese autoriteiten niet. Niemand is in Spanje vervolgd voor zijn loutere mening, voor de uiting van haar of zijn wens dat Catalonië onafhankelijk zou worden. Die leugen werd en wordt er nochtans hier bij ons fors ingehamerd, dat is verkeerd. Zowel politici als media moeten beseffen dat het publiek debat behoefte heeft aan de juiste feiten, niet aan “alternative facts”.

Polen negeerde kernbeginselen van de rechtsstaat, Spanje handhaafde ze. Ten opzichte van Polen moest de Europese Commissie optreden, tegenover Spanje kon ze dat niet en was er ook geen aanleiding voor. Er werd niet gehandeld met “twee maten en twee gewichten” zoals sommigen oppervlakkig voorhielden.

Onafhankelijke rechterlijke controle op de manier waarop regeringen handelen is een sluitstuk van de “rule of law” of van de rechtsstaat, en het is in een democratie levensnoodzakelijk. Als we daarop toegeven, laten we toe dat rechterlijke autoriteiten worden onderuit gehaald wanneer ze niet in de pas lopen van een heersende elite. Turkije leverde een tragisch voorbeeld: magistraten die “verkeerde” uitspraken deden werden er afgezet en aangehouden, ze werden vervangen door partijdige rechters die naar de pijpen dansen van de heersende elite van de AKP-partij en President Erdogan. De rechtsstaat is er vernietigd. Trump schopt en slaat verbaal naar onafhankelijke magistraten en draagt onbekwame federale rechters voor, die gelukkig stootten op de “check and balances” van de Senaat. En nu de patron van de FBI  met zijn onafhankelijk Ruslandonderzoek wel heel dicht in de buurt van het Witte Huis komt, dreigt Trump er ook weer mee de man af zetten. Trump’s roeptoeter FOX NEWS, een pure propagandazender, bereidt de weg al voor. In Engeland werden de rechters die, geheel in overeenstemming met de constitutionele beginselen van het UK, oordeelden dat de uitvoering van het Brexit-referendum een wettelijke grondslag nodig had door een stemming in het House of Commons,  door de populistische tabloids gebrandmerkt als “enemies of the people”.

Dat zijn praktijken die niet verenigbaar zijn met onze waarden. Journalisten zijn daarvan een garant, dat is hun kerntaak. Dat veronderstelt diepe kennis van de onderliggende materie in verband met de rechtsstaat, en van de verschillen tussen verschillende situaties. De amalgaamredenering leidt nooit tot goede journalistiek.

Op 21.12.2017 gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws

 

 

 

 

Journalistiek Fair Play

 

Journalistiek gebeurt met fair play, dat is een belangrijk beginsel van de journalistieke deontologie (http://www.rvdj.be/sites/default/files/pdf/code-rvdj.pdf). Fair play houdt in dat journalisten loyale methodes gebruiken om informatie, foto’s, beelden en documenten te verkrijgen of te verwerken. Bij het vergaren van informatie maken journalisten zich bekend, en delen ze ook het doel van hun optreden openlijk mee. Die beginselen lijken vanzelfsprekend, maar soms is de toepassing ervan problematisch.

In een land met bijzonder ruime mediavrijheid kunnen journalisten zich in de regel vrij bekend  maken  bij de uitoefening van hun beroep, en hoeven ze niet snel af te wijken van het gebruik van loyale methoden bij nieuwsgaring. Fair play is geen lichte waarde.

Toch komt het voor dat zgn. bijzondere journalistieke methoden worden aangewend die een uitzondering zijn op de fair play-regels uit de Code. Een dergelijke uitzondering is het gebruik van de verborgen camera; vaak gaat dat gepaard met incognito-optreden waarbij men zijn hoedanigheid als journalist niet meldt, of een pseudoniem of alias opgeeft. De journalistieke deontologie stelt uiteraard strenge eisen aan uitzonderingen op de fair play-regel. Het gaat om twee voorwaarden die samen moeten vervuld zijn: uiteraard moet de zaak waarover men met verborgen camera wil berichten van voldoende of gewichtig maatschappelijk belang zijn. Bovendien is de oneigenlijke methode slechts verantwoord indien ze informatie oplevert niet op een andere manier kan verkregen worden. Het betreft hier uiteraard de informatie die het gebruik van de verborgen camera oplevert.

Mijn stellingname van vorige week leidde tot  opmerkingen links en rechts. Eerst werd aangevoerd dat de beelden aan de deur van ’t Fornuis beelden zijn van publieke personen in de publieke ruimte. Dat zou het gebruik van de verborgen camera verantwoorden. Dat is niet zo. Wel wordt aangenomen dat een beeldopname van publieke personen in de uitoefening van een ambtsverplichting in de openbare ruimte  geen inbreuk maakt op het beschermde recht op afbeelding van personen. Dat is een onderdeel van de bescherming van de privacy, die de reproductie van foto’s van personen aan beperkingen  onderwerpt. Dit brengt geen argument bij om met een verborgen camera te gebruiken.

Vervolgens werd aangevoerd dat in mijn optiek de informatie over de Land Invest Group-zaak niet van maatschappelijk belang zou zijn. Dat is niet de juiste lezing van mijn standpunt. Mijn punt was dat hetgeen met de verborgen camera was geregistreerd – de ontvangst van de Burgemeester en enkele Schepenen door de projectontwikkelaat aan ’t Fornuis – geen enkele informatie naar voor bracht die niet op een andere manier kon verkregen worden.  De hele saga rond de Antwerpse projecten van Van der Paal en de Land invest Group is uiteraard een zaak van maatschappelijk belang omdat het gaat om gebruik van publieke financiële middelen en het bekomen van vergunning. Die zaken zijn al lang publiek bekend. De kern van mijn punt is: de verborgen camera-opname voegde hieraan geen informatie van maatschappelijk belang toe. Dat de Stad Antwerpen – overigens het vorig zowel als het huidig bestuur – met deze groep handelde was al lang publiek bekend. Dus waren de voorwaarden om de fair play-verplichting te negeren niet niet vervuld.

De enige “nieuwe” informatie die naar aanleiding van de opgenomen beelden van de handdrukken naar voor kwam, waren suggesties van onregelmatig bestuurlijk handelen of van bevoordeling en misbruik. Daarvoor werd geen enkele feitelijke grondslag aangedragen. Dat is geen nuttige of nieuwe informatie die van algemeen belang is, noch zijn zulke suggesties iets wat niet verkregen kan worden zonder verborgen camera. Dat verklaart mijn titel boven het stuk: “Eerst de opinie, dan de feiten”. De normale volgorde is uiteraard de omgekeerde.

Om welke beelden ging het? Enkel om begroetingen aan de ingang van ’t Fornuis,  niets meer. Die bevestigen slechts wat we al wisten:  de Stad en dat bedrijf doen zaken met elkaar. Vermits we dat al lang wisten, en de verborgen camera niets nieuws aanbracht, was niet voldaan aan de voorwaarden voor het gebruik van verborgen camera die de Code eist: als de beelden geen  nieuwe informatie bijbrengen die op geen andere wijze kan verkregen worden, vervalt de rechtvaardiging van het gebruik van de verborgen camera.

In strenge bewoordingen eist de pers integriteit en fair play van de bestuurders van de Stad in de uitvoering van haar beleid met zakelijke partners, en terecht. Er moet dan een héle zwaarwichtige reden zijn voor media om zelf te mogen afwijken van de eigen deontologische fair play-regel voor beeld- en geluidsopnamen. Die was er niet.

 

Gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws op 15 december 2017

 

 

Eerst de opinie, dan de feiten ?

Was er een grote maatschappelijke aangelegenheid van algemeen belang die kon verantwoorden dat opnamen werden gemaakt met een verborgen camera? Die deontologische vraag is ondergesneeuwd in de meningenindustrie rond een drink. Maar waren er ook belangrijke feiten die werden onthuld en nader onderzocht?

 

Hét basismateriaal van journalistiek zijn feiten. Redacties krijgen ze aangereikt of sporen ze op, ze controleren ze bij andere bronnen en valideren ze. Dat is het kernidee van journalistiek: uitleggen wat op een bepaald ogenblik, na zorgvuldig redactioneel onderzoek, de aannemelijke feitelijke toedracht was van bepaalde gebeurtenissen. Op basis daarvan kan dan een commentaar worden toegevoegd of duiding.

MAATSCHAPPELIJKE AANGELEGENHEDEN VAN ALGEMEEN BELANG

Goede journalistiek gaat bij voorkeur over een heel breed gamma van maatschappelijke zaken, zoals onderwijs, staatsschuld, fiscaliteit, gezondheidszorg, pensioenen, klimaatzorg, energiebevoorrading, mobiliteit, enz., en ook over het beleid, het doen en laten van verkozen mandatarissen, ambtenaren en bestuurders.  Het epicentrum daarvan is het algemeen belang: handelen bestuurders en ambtenaren altijd en overal in het algemeen belang, op basis van een wettelijke grondslag en zonder eigenbelang of belangenneming? In die zaken is de mediavrijheid het grootst en aanvaardt de rechtspraak een zwaarwichtig belang bij ruime bescherming van de journalistieke vrijheid.

FAIR PLAY IN DE JOURNALISTIEK

Dan nog moeten journalisten altijd handelen met fair play, zoals geformuleerd in de Code voor de Journalistiek (www.rvdj.be ). Die Code bevat de elementaire ethische regels van het journalistieke vak. Art. 15 en 17 luiden als volgt: Journalisten gebruiken loyale methodes om informatie, foto’s, beelden en documenten te verkrijgen of te verwerken, en bij het vergaren van informatie maken journalisten zichzelf en het doel van hun optreden bekend. Dit houdt in dat journalisten in de regel met open vizier handelen. Opnamen met verborgen camera die incognito zijn dan slechts verantwoord indien de informatie niet op een andere manier kan verkregen worden en wanneer er voldoende maatschappelijk belang is. Bovendien moet er in beginsel voor worden gezorgd dat de betrokkenen niet identificeerbaar zijn.

DE VERDACHTMAKING VAN EEN DRINK

Deze ethische regels problematiseren de opname van de ontvangst van de genodigden aan de deur van ’t Fornuis op 20 oktober. De Antwerpse Burgemeester en enkele Schepenen begroetten er de jarige projectontwikkelaar Erik Van der Paal van Land Invest Group bij de receptie voor diens verjaardag. Meteen zat het spel op de wagen. De oppositie suggereerde bevoordeling en misbruik, waarbij investeerders stedenbouwkundige voordelen zouden verkrijgen in ruil voor geld. Er werd niets meer onderzocht, en evenmin werd veel moeite gedaan om de suggestie van persoonlijke belangenneming door politici te vermijden. En  plots werd het ruimtelijk beleid, op basis van  impressies, aangemerkt als grijs.

VERBORGEN CAMERA ONTHULT EEN NON-FEIT

Dit is onvoldoende voor goede journalistiek. Het enig bekend geworden feit was toen het bezoek aan een verjaardagsreceptie van een projectontwikkelaar. En dan? Niets werd onderzocht, geen enkel misbruik werd naar voor gebracht, het bleef bij insinuaties en intentieprocessen. Dan rust het gebruik van zgn. “bijzondere journalistieke methoden” op een wankele basis.

GOED BESTUUR

Steden en gemeenten voeren al langer een beleid waarbij ze onderhandelen met projectontwikkelaars die kunnen bijdragen tot de realisering van de stedenbouwkundige ingrepen. Een deel van de stedelijke ontwikkelingskosten wordt ten laste van die ondernemingen gelegd, om zaken gedaan te krijgen die de financiële mogelijkheden van het bestuur overstijgen.  Dat is een gevestigde praktijk die geldt als voorbeeld van goed bestuur. Die onderhandeling rust op een reglementaire basis, die gekend is bij alle overheden.   Vergunningen zijn publiek en aanvechtbaar, gemeenteraadsleden hebben ruime inzagerechten, hogere overheden houden toezicht. Dat zijn de manieren waarop bestuur transparantie creëert. Men kan altijd pogen nog de laatste komma preventief te reglementeren, maar men moet vermijden de zaken kapot te juridiseren en het immobilisme van vroeger te reanimeren.  Terwijl gezond wantrouwen in bestuur goed is, is een beetje kritisch vertrouwen niet verkeerd.

De moeilijke financiële toestand van steden en gemeenten inspireerde een bestuurspraktijk die al jaren bestaat en zelden heeft geleid tot grote misbruiken. Daar waken de administratie, de oppositie en het administratief toezicht door de hogere overheden nauwgezet over. Dan is een persoonlijk contact met een onderneming geen grote maatschappelijke aangelegenheid van algemeen belang. Of wil men opnieuw pleiten voor een bestuurlijke kaste die afgezonderd moet worden in haar ivoren toren? Dat zijn belangrijke thema’s die nauwelijks werden aangeraakt, en journalistiek introspectie is al helemaal afwezig.

NIET VEROORDELEN MAAR BEGRIJPEN

Men moet menselijke handelingen niet bespotten, niet betreuren, niet veroordelen, doch begrijpen. Zo verwoordde Spinoza het in 1670.  Minstens moet men eerst trachten te begrijpen vooraleer men veroordeelt. Eerst de feiten die er werkelijk toe doen. Dan de mening. Er was een tijd, zo schreef Jean-François Revel, dat de feiten heilig waren en de meningen vrij; vandaag, aldus Revel zien we vaak het omgekeerde.

 

Op 10 december 2017 gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws 

 

 

 

 

Wetenschapsevidentie vs. Journalistieke Hardnekkigheid

Mogelijk kankerverwekkend” glyfosaat bestaat niet. Het is een willekeurige uitdrukking die de actuele stand van de wetenschap ontkent. Nochtans gebruikten alle media vorige week de term naar aanleiding van de Europese beslissing om het gebruik van dit onkruidverdelgingsmiddel in de E.U. verder toe te laten. Het woordgebruik illustreert de moeilijke relatie tussen journalistiek en wetenschap.

             Eigenlijk moet dat verwonderen want journalistiek streeft naar waarheidsgetrouwe berichtgeving, en wetenschap bestaat er precies in om kennis vast te leggen volgens een aanvaarde wetenschappelijke methode, met gevalideerde standaarden (https://science-explained.com/nl/theorie/de-wetenschappelijke-methode/). Zo ontstaat een bestand van gekende wetenschappelijke waarheden, die worden ondersteund door de kennisclaims die rusten op wetenschappelijke methoden. Die wetenschappelijke waarheden  zijn degelijk gecontroleerde feiten.

Wetenschap moet dus net een preferentiële bron zijn voor degelijke journalistiek, en dat is niet altijd het geval. Ben Goldacre, wetenschapper en journalist publiceerde er eerder al over: Bad Science (2008) en I think you’ll find it’s a bit more complicated than that (2014).  Zijn boek bevat een onderdeel met de titel Bad Journalism. Over povere gezondheidsinformatie in de media hebben we ook bij ons een degelijke website (https://www.gezondheidenwetenschap.be) en over nepwetenschap is er ook opmerkelijke informatie beschikbaar: https://skepp.be .

WETENSCHAP EVOLUEERT EN PRODUCEERT FEITEN

Uiteraard doen nieuwe inzichten en kennis een wetenschappelijk standpunt voortdurend evolueren. Voorwaarde is dat de nieuwe kennis ook rust op nieuw wetenschappelijk bewijs. Daarmee zou men verwachten dat wetenschap voor journalistiek een zegen is. Journalistieke waarheidsgetrouwheid kan net veel waarde ontlenen aan  vaststaande kennis die wetenschap levert. Wetenschappelijke kennis bestaat immers uit feiten: wat bewezen is volgens de wetenschappelijke methode, staat vast.  Dat is toch een buitengewoon uitgangspunt voor journalistiek?

Niet, dus. Daarom vermeldden alle media het “mogelijk kankerverwekkend glyfosaat”. Wat gebeurde met glyfosaat is dat het International Agency for Research on Cancer (IARC)  had geconcludeerd dat glyfosaat “waarschijnlijk kankerverwekkend” zou zijn (2015). Die studie is door het Europees Agentschap voor Voedselveiligheid (EFSA) grondig onderzocht volgens de wetenschappelijke methodiek en heeft geen stand gehouden. Ook vele andere studies zijn gecontroleerd door experten van àlle EU-lidstaten. Resultaat: het product mag verder gebruikt worden. Glyfosaat is niét “mogelijk kankerverwekkend”.

De gehele procedure en het dossier van EFSA, in totaal een pakket van 6.000 pagina’s, is publiek beschikbaar : http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4302. Ook EOS-Wetenschap publiceert veel informatie: https://www.eoswetenschap.eu/natuur-milieu/glyfosaat-bron-van-alle-kwaad, net zoals de Belgische Overheidsdienst  Volksgezondheid : www.fytoweb.be/nl/search/site/glyfosaat .

En toch blijft journalistiek hangen bij achterhaalde standpunten.

VERZET TEGEN FEITEN

Het is waar dat er weerstand was tegen de nieuwe goedkeuring van glyfosaat. Die rustte op het  IARC-rapport dat dus door de latere toets van wetenschappelijke controle en nieuw wetenschappelijk studiemateriaal is voorbijgestreefd.

Dat leidt tot eigenaardige reacties. Men valt nu de wetenschappers aan en haalt hun integriteit onderuit. Men maakt de procedure verdacht. Het verwijt wordt nu dat de beslissing rekening heeft gehouden met de door  aanvrager Monsanto ingediende informatie die door wetenschappers is aangeleverd. Nochtans is het precies de taak van de EFSA en ECHA, om die studies en het hele aanvraagdossier net zo kritisch tegen het licht te houden als de studie die van een waarschijnlijk kankerrisico sprak.

INTENTIEPROCESSEN

Nog meer bijzonder is dat niemand heeft aangetoond dat de analyses van Monsanto,  EFSA en van ECHA niet zouden beantwoorden aan de wetenschappelijke criteria. Het énige aanvaardbaar argument zou immers het bewijs zijn dat de studies waarop de beslissing rust niet aan de wetenschappelijke standaarden beantwoorden en de afweging niet correct verliep. Zulk bewijs is er niet, er zijn enkel  intentieprocessen, verdachtmakingen en insinuaties. Die kunnen geen deugdelijk antwoord zijn op wetenschappelijke evidentie. Milieubewegingen weten dat ook wel, maar de emotionele uitval bekt beter, doch dat is een zwaktebod. Journalisten horen zonder meer beter te weten, en zij zijn professioneel en deontologisch verplicht om dieper te graven dan deze emotionele bovenlaag.

MEDIA FALEN IN HUN KRITISCHE ANALYSE

Toch namen redacties genoegen met  insinuaties en intentieprocessen. Zij gebruiken nog wél de term “mogelijk kankerverwekkend”, wat  nu strijdig is met de wetenschappelijke waarheid.  Dat is bijzonder problematisch.

Ook wetenschapsberichtgeving moet waarheidsgetrouw zijn, daar mogen we niet dubbelzinnig over doen. Immers, de verkeerde journalistieke voorstelling maakt burgers ten onrechte ongerust en inspireert overbodige angst. Zo voedt middelmatige journalistiek angst voor goedgekeurde producten, argwaan   tegenover  autoriteiten, en wantrouwen ten opzichte van  wetenschappers die meewerkten met de autoriteiten.  Goede journalistiek moet daarentegen door de emoties heen kijken, de feiten zo objectief mogelijk analyseren op hun waarachtigheid, de bronnen toelichten, emotionele standpunten confronteren met feiten. Dat is van belang omdat het maatschappelijk vertrouwen nu wordt aangetast op grond van loze beweringen. Wetenschap, met zijn rigide methodiek, is één van de instituties die continu meebouwt aan een gedeelde sokkel van kennis en waarden van de samenleving. Het is niet toelaatbaar dat journalistiek daar lichtzinnig twijfel over zaait.

Het is bijzonder verontrustend dat journalisten zonder meer  stilvallen bij uitlatingen die niét gaan over de geldigheid van de wetenschappelijke evidentie. Ze sluiten hun verslag met, bijvoorbeeld, een citaat van Greenpeace dat beweert dat de EU… de volksgezondheid uit het oog heeft verloren en gekozen heeft voor de belangen van een multinational (sic!).

Goede journalistiek stelt daar sterke vragen bij, en dat geschiedde vrijwel nergens. NGO’s krijgen te vaak automatisch gelijk van redacties, zonder kritische reflectie, ook tegen voorliggende evidentie in. Insinuaties en verwijten volstaan: negatieve opinies en verwijten krijgen daarmee voorrang op feiten – zelfs wanneer de opiniëring elke ernstige feitelijke grondslag mist. Dat is geen journalistiek maar wetenschapsnegationisme.

GEMAKKELIJKE BESLUITEN ZIJN VAAK DE SLECHTSTE.

De Belgische regering stemde tegen de ontwerp-beslissing en negeert dus de wetenschappelijke evidentie. Welk signaal zendt ze daarmee naar wetenschappers, naar de Europese en de Belgische voedsel- en gezondheidsautoriteiten en naar de bevolking? Ook de Belgische regering bracht geen énkele evidentie aan die de conclusie van de Europese wetenschappers en autoriteiten tegenspreekt.  De negatieve stem van de Belgische minister in de Europese Raad lokte opnieuw geen kritische vragen uit van redacties. Nochtans moet een overheidsbeslissing correct gemotiveerd zijn, anders is ze ondeugdelijk en geeft ze blijk van willekeur.

Wie roept de Belgische regering dan ter verantwoording voor een willekeurige Belgische stem in de Europese Ministerraad? Hier ligt  een dringende journalistieke opdracht, maar dan moeten redacties hun journalistieke hardnekkigheid verlaten en hun eigen blik opnieuw richten op feiten en wetenschap, hun beste bondgenoten in hun waarachtige kritische rol. De redacties hebben het woord!

 

Ook op http://www.vrt.be/vrtnws op 1 december 2017.

De schandpaal is slechte journalistiek

‘Trial by media’ werd in de voorbije weken opnieuw een thema, het is hét spanningsveld tussen media en justitie. Aan de ene kant moet journalistiek  gaan over de grote maatschappelijke aangelegenheden  van algemeen belang, en geldt de pers  als de ‘publieke waakhond’. Die moet dus ook de goede gang van zaken bewaken, en één van de methoden om dat te doen is om de zaken die verkeerd dreigen te lopen op te sporen en kritisch  te analyseren. Aan de andere zijde worden  strafzaken door justitie behandeld, maar men beseft onmiddellijk dat er tussen justitie met zijn trage en formele behandeling van rechtszaken, en media met hun hoog ritme en grote publiciteit een flink spanningsveld bestaat.

Het thema ‘trial by media’ wijst op overdreven media-aandacht voor spectaculaire zaken, vandaag vaak al in de fase van de opsporing en het gerechtelijk onderzoek. Als daar aanhoudingen of huiszoekingen bij te pas komen, of inbeslagnames, dan zijn er direct al publieke elementen die hun weg naar de publiciteit vinden via toevallige getuigen met een smartphone, en het spel zit op de wagen. Dat kan de latere serene rechterlijke beoordeling van de schuldvraag onder druk zetten. Denk aan de Bende, de Kasteelmoord, … de lijst is ellendig lang.

EERST OORDELEN, DAN BEGRIJPEN ?

Er zit een weerkerende dynamiek in zulke zaken. Een bepaalde aangelegenheid trekt buitensporige aandacht, en er wordt sneller ge-, be- en veroordeeld dan dat de onderliggende feiten bekend zijn. Recent was er nog de mediatieke brandstapel waarop een eerder gevierd tv-figuur terecht kwam toen hij zijn eigen You Tube-filmpje over zijn misplaatste smsj’jes had gepost. Al de rest kon er achteraan lopen, en het was kwaad was geschied. Bij zoverre dat de advocate van de bestemmelingen van de sms’jes inmiddels voorhoudt dat de man al zwaar gestraft werd (DT 18 nov). Ze heeft helemaal gelijk. De goede volgende vraag is dan: wat nu?

MEDIATIEK SNELRECHT

Het cocktail van het mediaproces is gekend: overdreven aandacht, vooroordeel, direct negatief oordeel en veroordeling ten overstaan van  de publieke opinie. Het stigmatiseert en kan het vermoeden van onschuld van de betrokkene in het gedrang brengen, en de actoren in de latere juridische procedure beïnvloeden in hun sereen oordeelsvermogen.

Bewegingen zoals #metoo kunnen snel leiden tot sanering van onaanvaardbare attitudes uit het verleden, en dat kan goed zijn, maar ze vergen een grote tol door hun brutale werkwijze. Daar is grote ruimte voor verbetering en de rol van opiniemakers en media is daarin  doorslaggevend.

GOEDE GERECHTSJOURNALISTIEK IS GENUANCEERD

Let wel, rechtsbedeling is een belangrijke maatschappelijke zaak van algemeen belang en moet media-aandacht krijgen. Die aandacht kan, conform de vaste rechtspraak, zowel kritisch als radicaal zijn.

Maar ze mag en moet vooral toch degelijk zijn, gesteund op een gedegen kennis van de feitelijke grondslag en de rechtmatige belangen en rechten van alle betrokkenen. Mediatiek snelrecht beantwoordt nooit aan die criteria, het heeft iets van de middeleeuwse standrechtelijke executie.

Journalistieke aandacht moet reserve inbouwen voor haar eigen nevenwerkingen. Zeker de onderzoeksfase is delicaat omdat ze nog rust op vermoedens, veel onbekende factoren en onzekerheden, en – tegelijk – fataal publiek kenbare elementen. Om die redenen zijn zulke onderzoeken in de regel geheim, en moeten politionele ambtenaren met delicatesse optreden bij gebruik van geweld, vrijheidsberoving en voorleiding.

JOURNALISTEN ZIJN VRIJ MAAR DAT HOUDT GEEN VRIJBRIEF IN

En neen, journalisten zijn geen medewerkers van justitie, ze zijn ook op dat vlak onafhankelijk. Ze zijn ook niet partijdig aan de zijde van mogelijke slachtoffers, noch pleitbezorgers van potentiële verdachten. Dat eist hun onafhankelijkheid.

Hun rol is kritisch te zijn naar het proces, naar de bejegening van het delict door autoriteiten, hun rol is niet om de potentiële dader van een eventueel delict aan de publieke verachting bloot te stellen.

Het is vaak verleidelijk om emotioneel aan de slachtofferzijde te gaan staan en te oordelen en veroordelen: ook dat is makkelijker dan observeren, verslag uitbrengen en op een serene wijze kritisch te zijn. Voorop dient te staan het algemeen belang dat we hebben bij goed  verloop van rechtsbedeling en bij  de zoektocht van de maatschappij naar wat werkelijk gebeurd is en hoe we daar in een rechtsstaat correct en rechtvaardig moeten mee omgaan. Zulke kritische en serene journalistiek functioneert dan ten bate van de samenleving, van de rechten van de slachtoffers én van de rechten van verdediging van de mogelijke dader(s). Daarin is het vermoeden van onschuld van kardinaal belang.

KRITISCH MEDIAVERTROUWEN IN JUSTITIE

Spektakeljournalistiek staat daaraan in de weg. Het Hof voor de Rechten van de Mens heeft hier al eerder op gewezen: wanneer, aldus het Hof in Straatsburg, het publiek gewoon zou worden aan het regelmatig weerkerend spektakel van pseudoprocessen in de media, heeft dat op termijn  desastreuze gevolgen voor de aanvaarding door de publieke opinie van hoven en rechtbanken als de geëigende fora om te oordelen over iemands schuld of vrijspraak in strafzaken.

JOURNALISTIEK JE M’EN FOUTISME ?

Uit de juiste vaststelling dat journalisten geen medewerkers zijn van justitie, werd recent botweg  afgeleid dat journalisten dan ook niet gebonden zijn door het vermoeden van onschuld ten aanzien van wie gerechtelijk geïnterpelleerd wordt (
https://www.knack.be/nieuws/belgie/journalisten-zijn-geen-medewerkers-van-justitie-en-zijn-niet-gebonden-door-het-vermoeden-van-onschuld/article-opinion-928479.html ). Dat is uiteraard verkeerd. Het vermoeden van onschuld is het gevolg van het persoonlijkheidsrecht van alle burgers op vrijwaring van hun eer en goede naam, van hun integriteit ten opzichte van eenieder.  Iedereen moet daar respect voor opbrengen, ook journalisten.

Wanneer iemand het voorwerp wordt van een gerechtelijk onderzoek of zich strafrechtelijk moet verantwoorden, leidt het tot een vooroordeel van onschuld tot het tegendeel zou bewezen zijn en definitief uitgesproken. Dat houdt het recht in om zich correct en met alle juridische rechtsmiddelen te verdedigen tegen strafrechtelijke bezwaren. Ook journalisten moeten de rechten van personen, instellingen of bedrijven die in zulke positie zijn,  ontzien.

Toch mogen ze over onderzoeksmaatregelen (in de mate dat ze die rechtmatig kennen), inverdenkingstellingen en strafrechtelijke vervolgingen kritisch schrijven. Het zijn in de regel zaken van maatschappelijk belang, zeker bij opvallende delicten. Ze zijn ook vrij te schrijven over de geïnterpellerde personen, maar hun persoonlijkheidsrechten gelden ook ten aanzien van journalisten, en die rechten worden door de journalistieke missie absoluut niet buiten werking gesteld.

HET ECHTE FAIR PROCES HOORT IN DE RECHTSZAAL.

Het Hof in Straatsburg drukt dit als volgt uit: ook publieke figuren beschikken over alle garanties op een fair proces, en over het onverkorte recht om zich net zoals anderen in rechte te verdedigen voor een onafhankelijke rechtbank. Ook journalisten die over hangende rechtszaken verslag uitbrengen, moeten dit ten allen tijde voor ogen houden. De toelaatbaarheid van hun commentaar is immers beperkt doordat hun opinies noch bewust noch onbewust enig vooroordeel mogen inhouden, en ze mogen de kansen van de betrokkene op een eerlijk proces niet in de weg staan, noch het publiek vertrouwen in de rol van hoven en rechtbanken in de rechtsbedeling ondermijnen.

De behandeling die journalistiek reserveerde voor de destijds sympathieke televisiemaker is niet fraai. Alle betrokken partijen – niet in het minst de blunderende man en de advocate van de onheus bejegende vrouwen – kunnen elkaar een dienst bewijzen door de sereniteit te herstellen en een maatschappelijk correcte oplossing na te streven die waardiger is dan de mediatieke dood met de kogel.

 

Ook gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws op 24 november 2017