Vrijheid van emotionele Meningsuiting

Regelmatig wordt de ondermijning van de vrijheid van meningsuiting afgekondigd in indringende termen. Zo deden het ook meer dan 1.000 academici, ondertekenaars van een Open Brief (https://www.petities24.com/menselijkheid). Ze waarschuwen tegen “een klimaat dat kan leiden tot gevaarlijke situaties waarbij de academische vrijheid wordt beknot”, en “academici geen standpunten meer durven in te nemen”.

Hun Open Brief is wel een bewijs van het tegendeel, dat moet hen ontgaan zijn: vrij geschreven, vrij gepubliceerd, vrij ondertekend en door de media héél fors verspreid. De gespecialiseerde petitie-website (www.petities24.com) floreert trouwens als nooit tevoren. Als u eens iets wil tekenen: allen daarheen!

Wat vooral treft aan de Open Brief is de emotionele alarmkreet, alsof er in ons land een terreurregime dreigt of heerst rond meningsuiting. Het tegendeel is waar: gedachten zijn vrij, de uiting ervan is vrij. Inbegrepen de vrije uiting van extreme of radicale meningen. Ook slimme meningen of minder slimme, algemeen gedeelde meningen of heel geïsoleerde, fors geargumenteerde uitingen of emotionele, … ze kunnen in totale vrijheid geuit worden. Soms zonder de poortwachters van de journalistiek, of anders door deze poortwachters geselecteerd en gepromoveerd tot nieuws, zoals het nu in grote opmaak gebeurde. Tot zover de ondermijning van de vrije meningsuiting.

DE BOOMERANG VAN DE STAATSSECRETARIS

De aanleiding voor de Open Brief was de botte reactie van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie op de Open Brief van de 11 rectoren, die humaniteit bepleitten in ons asiel- en migratiebeleid, en daar een pleidooi voor één individuele oplossing in één individueel geval aan toevoegden. Dat was de definitieve regularisatie voor de ouders van het meisje dat omkwam in een schietincident tussen politie en mensenhandelaars die rondreden met een vol busje illegale transmigranten. Men kan zich afvragen of de rectoren systematisch het pad van “beleid per petitie” willen opgaan.

De Staatssecretaris had een misplaatste tweet gezonden waarin hij de rectoren kapittelde, door ermee te dreigen dat de rectoren “een boomerang in hun gezicht zouden terugkrijgen”.

De inkt van de tweet was nog niet droog of de Staatssecretaris trok zijn woorden al in, hij werd publiek op zijn plaats gezet door de Eerste Minister, en kreeg de hele journalistieke en  publieke opinie tegen zich. In Terzake van 6 juni (https://www.vrt.be/vrtnu/az/terzake/2018/terzake-d20180606/) had Annelies Beck dan weer wel haar handen vol aan de geenszins onredelijke beleidstoelichting van de Staatssecretaris, die net iets verder reikte dan de wat te makkelijke vragen.

DE VRIJHEID VAN DE ANDERE MENING

Kortom: de vrijheid van meningsuiting is niet bedreigd omdat iemand iets naar voor brengt wat men niet graag hoort, ongepast vindt of waar men tegen gekant is. Dat is er juist de kern van: tolerantie voor uitingen waarmee men het grondig oneens is, incasseringsvermogen voor wat men ervaart als andermans prietpraat of stommiteiten, verdraagzaamheid tegenover ongepaste of andere beweringen. Dé toets is de feitelijke grondslag van een opinie, en de uitwisseling van argumenten. Die zijn vatbaar voor discussie en tegenspraak, en vaak leren degenen die het met elkaar oneens zijn dan allemaal wat bij.

Op dat vlak schiet de zo enthousiast ondertekende Open brief van de wetenschappers tekort: het geschrift blijft hangen in de oppositie tegen een opinie. Die was bot, inderdaad; en ze was al door tegenspraak gecorrigeerd, daar was geen academische opinie voor nodig. Niemand stelde de vraag over welke boomerang een federaal Staatssecretaris beschikt om die terug op de hoofden van  rectoren of academici te doen belanden. Het ontnuchterend feitelijk antwoord is: geen enkele. Het is merkwaardig dat academici dit intimiderend noemden, om meer dan misplaatste bluf ging het niet.

De afkondiging van het einde van de meningsuiting, via een initiatief dat ruime verbreiding kende, was dus een slag in het water. Men kan gedacht hebben dat het nodig was om vooral hard en snel te roepen bij vermeende bedreigingen van fundamentele rechten. Nog beter was geweest de uiting van de Staatssecretaris op zijn feitelijke grondslag te toetsen, en vast te stellen dat hij er zich vooral mee in de voet had geschoten.

DEHUMANISERING OF BELEID?

De academici protesteerden ook tegen de zgn. dehumanisering van “de Ander”. Migranten zouden ontmenselijkt worden door de migratieproblematiek voor te stellen onder de noemer van vluchtelingenstromen of migratiegolven. Pardon?

Beleid kan alleen rusten op goed onderbouwd inzicht in de feiten en getallen: dat zijn de fameuze stromen en golven (B Benyaich, Klokslag 12, Tijd voor een ander migratie- en integratiebeleid, Itinera 2014). Wordt migreren als een te vervolgen crimineel feit beschouwd, zoals de Open Brief voorhoudt? Helemaal niet. Wel wordt wie zich buiten de rechtsstaat plaatst, zoals de zgn. transmigranten,  “illegaal” – precies zoals wie uitgewezen wordt, en dan onderduikt en in het land blijft hangen.

Om een analogie te maken: men kan toch niet ernstig beweren dat het Antwerps “Centrum voor Sociaal Beleid” met zijn jaarboeken over de armoede in België, de armen zou “de-humaniseren”? Het tracht, integendeel, het moeilijk grijpbaar fenomeen van armoede te voorzien van een beredeneerd inzicht en  feitelijke grondslag, noodzakelijke voorwaarde voor een degelijk beleid van armoedebestrijding, niet?

We hebben in België geen stabiel draagvlak voor migratie- en integratiebeleid, hoewel we grote migratiestromen hebben uitgelokt vanaf de jaren ’60. Daar hebben we  ook ooit de stopzetting van afgekondigd, maar toen was het hek al van de dam. Maar wat we doen – niet altijd even gecoördineerd en vaak meer gedreven door gebeurtenissen dan door planning – is humaan en humanitair geïnspireerd, ingebed in de canon van fundamentele rechten en vrijheden van de Grondwet en het Europees Mensenrechtenverdrag. Die fundamentele rechten worden in een rechtsstaat overigens ook onverkort toegekend aan wie zich door eigen handelen buiten de rechtsstaat plaatst, de zgn. ‘illegalen’ of ‘personen zonder papieren’.

EN BELEIDSVERRASSINGEN

Niemand was er op voorzien dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in 2012 in de zaak Hirsi Jamaa v Italië (2012) plots zou innoveren inzake de toepassing van het Mensenrechtenverdrag. Plots werden de zgn.  “pushbacks” van vluchtelingen vanuit Libië, in de territoriale wateren van de Middellandse Zee, strijdig verklaard met het Verdrag; voordien werd het als normaal beleid beschouwd. Dat was een nieuwe rechterlijke interpretatie, dat ertoe bijdroeg dat, met het wankelen van de dictatoriale regimes in Noord-Afrika en Syrië, plots door magistraten de deur werd opengezet voor de georganiseerde mensenhandel vanuit Centraal Afrika naar de Zuid-Europese lid-staten, die geen Europese buitengrenzen bleken te hebben.

Het siert ons niet dat we daar na 6 jaar nog geen degelijk antwoord op hebben, maar de waarheid is dat dat we sedertdien achter de feiten aanlopen zonder Europese buitengrenzen, met te weinig middelen, flauwe Europese solidariteit en recalcitrante lidstaten die wel de lusten van de EU willen, maar niet de lasten. In dat kader opereert het Belgisch migratiebeleid, dat reageert op gebeurtenissen elders – kijk naar de evenementen van deze week in Italië – op een wankel nationaal draagvlak, met inzet van veel middelen en energie, en op humanitaire basis. Daar is weinig academische aandacht voor, kennelijk minder dan voor een dwaze tweet.

VRIJE MENINGSUITING EN EXPERTISE

De cri de coeur van de meer dan 1.000 academici is wel een beschermde uiting in ons rechtsbestel. Van academici mag en moet de samenleving evenwel meer verwachten: dat ze door de emotie heen naar de feiten  gaan, dat ze niet direct alarmkreten slaken over hun bedreigde uitingsvrijheid (sic!), dat ze de publieke debatten voeden met kennis en inzicht.

Wie daaraan twijfelt, kan zijn voordeel doen met het recente boek van Tom Nichols, The Death of Expertise. The Campaign against Established Knowledge and Why it Matters (Oxford, 2017). Academici doen er goed aan om maatschappelijk standpunt in te nemen en het publiek debat te voeden. Maar het mag met meer zijn dan hun emotionele reflex, de samenleving rekent op hun nuchtere analyse en expertise. Laat het vooral geen Suicide of Expertise worden, dat kan de samenleving zich niet permitteren.

 

 

 

 

Botheid en Rede

We evolueren van kwaad naar erger inzake de kwaliteit van het publiek debat. Velen schijnen de remmen te verliezen, en menen dat elke emotionele uitbarsting een welgekomen bijdrage kan leveren – ook zonder feitelijke grondslag. Het was weer een drukke periode op dat vlak.

Waarschijnlijk hebben de 11 Belgische rectoren een bijdrage willen leveren tot een beter migratiebeleid, met hun open brief over “het huidig klimaat rond migranten, een afnemend respect voor de menselijke persoon, en de verminderde aandacht voor de bescherming van de meest kwetsbaren in onze samenleving” – een unicum. Nadat de Eerste Minister al had gesuggereerd dat de regering voor deze migranten, die zich buiten elke wettelijkheid bevonden, aan een tijdelijke oplossing op humanitaire grondslag zou werken, bepleitten de rectoren hun definitieve regularisatie.

Naar mijn oordeel is het goed dat academici hun stem laten horen in de grote maatschappelijke debatten, maar een pleidooi voor één, radicale, oplossing in één individueel dossier is toch iets anders. Een algemeen appel op humaniteit, de waarden van de rechtsstaat en redelijkheid zou m.i. meer hebben kunnen overtuigen, ook al was het al voorbijgestreefd door de aankondiging van de Eerste Minister.

Staatssecretaris Francken reageerde op de rectorenbrief als door een wesp gestoken met één van zijn gekende tweets, met een voorwaardelijk verwijt van politieke spelletjes, en de waarschuwing dat de rectoren “de boemerang terug in hun gezicht kunnen krijgen”. Ongepast en bot, en een gemiste kans voor de bevordering van een debat met redelijkheid.

NU WEL NAAR EEN DRAAGVLAK VOOR MIGRATIEBELEID?

Nochtans is dat wat we missen, een debat met redelijkheid. Nu zwaaien de morele verontwaardigingen op steriele wijze heen en weer, ieder blijft bij zijn groot gelijk: einde discussie. Zo bouwen we in een samen-leving niet aan inclusiviteit – één van haar moeilijkste opdrachten, en die kan niet lukken zonder grote rationaliteit in de argumenten en redelijkheid in het debat en met emotionele intelligentie; dat is iets anders dan emotie zonder meer.

Er is in dit land geen stabiel consensueel draagvlak voor een migratie- en integratiebeleid (B. Benyaich, Klokslag 12, Tijd voor een ander migratie- en integratiebeleid, Itinera, 2014) – vandaag net zo min als vroeger. Er gebeurt “van alles”, zoals zo vaak, maar een doordacht migratiebeleid en een werkende integratiepolitiek zijn er niet.

De belangrijkste verworvenheid van goed beleid zou dus nu kunnen zijn om een stabiel draagvlak voor een gedegen migratiebeleid te bevorderen. In een land dat eens voorloper was inzake mensenrechten en humanitaire acties, moet dat toch kunnen? De Staatssecretaris geniet van een uitzonderlijke hoge populariteitsscore in Vlaanderen en in franstalig België, ligt daar voor hem geen schitterende doelstelling?

GREENPEACE-FUNDAMENTALISME

Op een heel ander domein speelde dezelfde spanning tussen botheid en argument. Greenpeace wil actie voeren tegen de verkoop van sommige vleesprodukten, die aan  geldende warenvoorschriften beantwoorden. Het zet zich dus boven de wet; dat mag, maar dan moet je acties ondernemen om de wetgeving te wijzigen.

In zijn groot gelijk lanceerde Greenpeace  een aanval op een bedrijf dat heel ver buiten de focus opereert van het door Greenpeace beoogde doel, wijziging van de wetgeving inzake vleesconsumptie. Greenpeace liet een dure reclamespot maken met STUDIO100-figuurtje Maya De Bij, die roken aanprijst met, in het filmpje, een klein rokend meisje.

Het zou gaan om een analogie tussen het kankerverwekkend roken aan de ene zijde en potentieel kankerverwekkende effecten bij gebruik van bepaalde, legaal verhandelde, charcuterie. In plaats van een analogie werd het een amalgaam, met stuitende  overdrijving, storend misbruik van een minderjarig meisje in het filmpje, en de buitenproportionele afbeelding van dit meisje terwijl ze rookt.

Juridisch is  dit foutief gebruik en beschadiging, op basis van een bij de haren getrokken analogie. Studio100 investeert al jaren en internationaal vanuit Vlaanderen in dit figuurtje, met een zorgvuldig gecultiveerd imago; wie daaraan twijfelt kan het boek van Hans Bourlon nog eens rustig lezen, met zijn eerder in DE TIJD gepubliceerde opiniestukken (De Blik van Hans Bourlon, 2017).

Naar verluidt beroept Greenpeace zich op het begrip “parodie” uit het auteursrecht. Het parodierecht houdt in dat  gebruik met lichte en passende humor van een auteursrechtelijk beschermd werk (zoals Maya De Bij)  zonder toestemming van de rechtenhouder kan gebeuren; de wijziging aan het oorspronkelijk werk, of van het kader waarin het wordt gebruikt, moet moet getuigen van ironie of van een lichte spot.

Dat vergt een inzicht in humor dat de fundamentalisten van Greenpeace kennelijk niet hebben, het vergezocht karakter van hun analogie en de buitenproportionele overdrijving plaatsen het filmpje mijlenver buiten de vaste rechtspraak inzake parodie.

Men mag geen verwarring zaaien, men moet dus uitsluiten dat de parodie afkomstig zou kunnen zijn van de rechtenhouder; daar is niets toe ondernomen. En men mag niet denigreren…., aldus de duidelijke rechtsgrenzen: als je op zo grove wijze de zorgvuldige “character”-bewaking van een internationaal huis aantast, handel je foutief en inbreukmakend.

HET PUBLIEK DEBAT

Opnieuw: de botheid van radicaliteit, eigen gelijk in het kwadraat, op de kap van anderen. Het sluit aan bij een ongezonde en onhoudbare toonzetting in wat het publiek debat zou moeten zijn. Daar schiet onze samenleving niet mee op, en zo kunnen we  niet verder. Wanneer het publiek debat stilvalt onder zulke verbale bommen, sterft de democratie. Een levendige uitwisseling van voor en tegen, een confrontatie van argumenten met feiten en getallen, de opbouw van een redenering en de reactie met een weloverwogen vraag. Zo gemakkelijk zou het kunnen zijn. Zo gemakkelijk zou het, altijd, moéten zijn voor een autoriteit zoals een staatsecretaris of een niet-gouvernementele organisatie die teert op veel goodwill van jongeren.

DE PERTINENTIE VAN FORSE JOURNALISTIEKE VRAGEN

Dat zou ook mogen voor redacties en journalisten. Op de avond van de tragische moordaanslag in Luik, wanneer alle gerechtelijke, veiligheids- en politionele autoriteiten in volle onderzoek zijn, schiet een journalist niets op met een langdurige suggestieve herhaling naar een vraag van de aanwijzing van “de schuldige”. Die antwoorden zijn er op dat ogenblik niet. Iets meer rede kan dan ook bij vragen op zijn plaats zijn, journalistieke hardnekkigheid kan soms passend zijn, maar dan moet men bereid zijn om de juiste vragen stellen.

Mogelijk zullen er, altijd, fataliteiten zijn die we niet kunnen voorkomen binnen een rechtsstaat, ook daar liggen intelligente vragen.

En wanneer een minister niet aftreedt kunnen de vragen misschien minder aansluiten bij zijn emotioneel pleidooi over de veerkacht  van justitiële en penitentiaire ambtenaren?  Het is toch geen nieuws dat die zich niet altijd gesteund weten door een zwak beleid, of dat hun daadwerkelijke werkingsmiddelen in totale wanverhouding blijven staan tot wat van hun werk redelijkerwijze verwacht mag worden? Daar bleven veel pertinente journalistieke vragen liggen.

Ook gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws