De corona-opportuniteit. “Never let a good crisis go to waste”

We hebben in dit land uiteindelijk toch die dode nodig. Het werd een vaste uitdrukking in ons politiek jargon, de metafoor  voor de traagheid van inzicht en daadkracht bij onze overheden. Een taalkundige vondst voor mank leiderschap en aarzeling, die volgehouden worden tot men niet meer anders kan.

 

Bij de presentatie van zijn verzameling van 20 jaar opiniestukken wees Marc De Vos er op dat we in ons land pas echt in beweging komen onder grote externe druk, (https://www.itinerainstitute.org/wp-content/uploads/2020/01/Lezing-Marc.pdf). Grotere beslissingen komen er in België alleen onder grote druk; de laatste voorbeelden die Marc De Vos zag waren de devaluatie van wijlen Wilfried Martens, en het Globaal Plan van wijlen Jean-Luc Dehaene. Beide zijn beslissingen van de vorige eeuw, 1982 en 1993. Een drastische electroshock voor “de zieke man van Europa”, bijna 40 jaar geleden, en een forse re-set van de economische fundamenten van de Belgische staat, 27 jaar geleden, om de toetreding tot de Euro niet te missen.

NOODSCENARIO’S

In beide gevallen werden noodscenario’s uitgedokterd, zonder meer buiten de klassieke krijtlijnen van de politieke democratie of het sociaal overleg: devaluatie, volmachten, indexsprongen, …

Sedertdien is het al enkele decennia lang pappen en nathouden, en lijdt het land – federaal én regionaal – onder het onvermogen om een deftig project te lanceren, onder aarzeling en besluiteloosheid. Het resultaat is een middelmatig beleid dat vaak niet veel beters kan verzinnen dan het besparingsmantra in te roepen.

Zo geraakte de verzorgingsstaat ondergefinancierd, bleef de jaarlijkse overheidsgreep uit de economische welvaart faraonisch groot, en blinken we nog steeds  uit in inefficiëntie en symbolenpolitiek zonder beleid.

Eigen onverantwoordelijkheid eerst?!

IS CORONA DE “GAMECHANGER”?

Op dit ogenblik is het land in een gezondheidsoorlog met een onbekende vijand, het coronavirus dat wereldwijd toeslaat. We zagen het binnensluipen en zaten stil, geen van de 9 (sic!) excellenties die fracties van gezondheidsbeleid in hun bevoegdheid heeft ondernam snel genoeg actie. Een attitude die perfect past bij het binnenlands politiek klimaat na de verkiezingen van 26 mei 2019, nu 296 dagen of 10 maanden geleden: wachten.

De marketingretoriek van de electorale campagne bleek het grootste struikelblok voor de verkozenen zelf, ze hadden immers schitterende plannen aangeboden… voor een ander land (“Een mooie nota voor een ander land”, DS 29 november 2019). De regionale regeringen werden geïnstalleerd met lange regeringsverklaringen, meer tekstamalgaam dan project: weinig of geen dynamiek. De ontslagnemende federale minderheidsregering sukkelde voort, zonder zin voor beleid of visie op de toekomst. Koninklijke raadgevers defileerden, partijvoorzitters oreerden.

CONSTITUTIONEEL AVONTURISME

De voorbije week leerde ons dat zelfs een crisis van de corona-omvang niet meer helpt. Ze levert ons nu een minderheidsregering op, met beperkte legitimiteit, die gedurende zes maanden volmachten kan verkrijgen, doch enkel voor de bestrijding van de coronaplaag en haar gevolgen. Vertrouwen voor volmachtenbeleid, geen vertrouwen voor gewoon beleid. Paradoxaler wordt het niet: een politiek en constitutioneel wangedrocht, op of over de grenzen van de (grond-)wettigheid.

Een herhaling van onze traditie om bij crisis de politieke democratie en het overlegmodel buitenspel te zetten, omdat ze niet functioneren. Schema’s van de vorige eeuw: onaanvaardbaar.

GOED GEZONDHEIDSCRISISBELEID

De voornaamste les is voorlopig dat we een performant gezondheidscrisisbeleid kùnnen voeren. Onze gezondheidswerk(st)ers – van de topvirologen tot de zorgkundigen – staan model in daadkracht en verantwoordelijkheidszin. Bij aanvang werd veel politieke beslissingstijd verloren, maar eens de federale regering haar beleid wel deed steunen op kennis, schoot het op.

Het is opvallend, want we kenden eigenlijk geen eenheid van beleid meer, enkel nog de  hopeloze versnippering in bevoegdheidskwesties die élke band met de realiteit missen. We kennen ook geen beleid meer dat rust op kennis en expertise. Kennis en expertise zijn gemarginaliseerd, worden fijngemalen en politiek gekneed in eindeloze raden en commissies en finaal in de berm gereden in kabinetten en interkabinettenoverleg. Een moeilijk woord voor totale voorrang van politisering boven kennis.

Vergeleken daarbij is de aanpak van het coronavirus, zoals het vandaag is, een opluchting. Kennis is terug prominent aanwezig en heeft nu, ook door de bijzondere communicatievaardigheden van onze leidende virologen, de leiding. Beleid doet wat het dan hoort te doen: beleid baseren op wetenschappelijke kennis, inzicht en aanbevelingen. Met bijna geen partijdige dilutie, omwegen of verhulling meer. Oef!

HET PRIMAAT VAN DE POLITIEK IS WEG

Er is in dit land al oeverloos gepraat over het fameuze “primaat van de politiek”. Samengevat: de politici zijn verkozen, zij hebben het voor het zeggen. Punt. Dat is inderdaad hun mandaat, en dat past bij hun electoraal streven. Maar dat mandaat wordt niet meer ingevuld, het werd collectief te grabbel gegooid. Politici zijn verkozen om de leiding te nemen en ze kunnen het niet. Zelfs de quasi-totale verjonging van de politieke middens leidde niet tot een nieuwe dynamiek.

Suggesties te over: We hebben een nieuw begin nodig. In de marge van de coronazaak, die ernstig genoeg is en àlle aandacht zal opeisen, moeten de (vele) parlementsleden schitterende initiatieven nemen. Niet de pestwetjes die men goedkeurt om anderen een been uit te vijzen, dat is parlementair misbruik. Maar fundamenteel werk voor de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. Ze moeten er de kennisinstellingen en al hun expertise bij betrekken. Iedereen staat er klaar voor.

  1. Reorganiseer de beleidsniveaus tot rationele gehelen, met eenheid van leiding. Focus op overheidsefficiëntie en kostenefficiëntie als dominante parameter: het wordt de grootste en beste staatshervorming in de geschiedenis;
  2. Herdefinieer de bindende elementen van het land, het concept “Bundestreue”; sedert twee weken werkt het federaal-regionaal “overlegcomité” blijkbaar wél, dat is nieuw, zie het als een opportuniteit;
  3. Focus op heldere beleidsdoelstellingen en richt daar uw plan op. Een goed voorbeeld ivm corona is: voorkom, nù, de piek die we niet de baas kunnen. Tiens, kunnen we dat niet ook met andere urgenties?
  4. Evalueer uw beleid op heldere criteria en stuur voortdurend bij. Opnieuw, zie de escalatie inzake corona-maatregelen: yes we can!
  5. Restaureer het belang van kennis en expertise als basis voor beleid. Oei, dat zijn we nu al aan het doen. Dan kan het, toch?
  6. Verander de beleidscultuur. Depolitiseer de zaken die niet gepolitiseerd moeten zijn: administraties, benoemingen, dossiers, ministeriële medewerk(st)ers etc. etc. Oei,hier is er nog geen binnenlandse “best practice”: een leerpunt, àlle landen die beter presteren dan België, pakken het zo aan. Misschien is dat dan wel een goed idee?
  7. Stop de slechte particratie. Laat partijen focussen op hun maatschappijproject en dat met kennis en expertise onderbouwen. Strijd dan om de grote opties, stop het partijpolitiek micro-management, de slechtst denkbare toepassing van det zgn. “primaat” van de politiek. Echte politiek is maatschappelijke dienstbaarheid, geen partijpolitieke bevoordeling. Weg met zulke uitwassen!
  8. Herijk de arbeidsmarkt voor de volgende eeuw. Kom los van de filosofie van de verworven rechten, en bouw aan de gedeelde welvaart van de toekomst: het sociaal overleg – VBO, VOKA en UWE, samen met de vakorganisaties – moet dé motor zijn van sociale innovatie. Het moet, over de volgende tien jaar, de herfinanciering van de sociale zekerheid op luciede wijze tot stand brengen en een totale efficiëntie. De nieuwe verzorgingsstaat permitteert zich dan geen 15% armoede meer.
  9. Herstel een volwassen dialoog tussen regering en parlement. Oei, daar zetten we net stappen achteruit. Dat oppositiepartijen mogen deelnemen aan de kernkabinetten over volmachtenbesluiten is een aberratie, maar brengt geen werkbare en correcte werkrelatie tussen parlement en regering tot stand. Herstel het grote publieke debat, met het parlement als motor, en de kennisinstituties als aanbrengers.
  10. Herstel de verantwoordelijkheidscultuur. Veeg de zaken niet meer onder de mat. Focus de debatten niet op verontwaardiging maar op de analyse en het verbetertraject. Geen steekvlamretoriek maar analyse, argument en perspectief. Beoog impact, bijsturing en zichtbaar beter resultaat.
  11. Stop overregulering, en herstel rechtszekerheid als belangrijkste waarde van de rechtsstaat . Vindt een bestuursrecht uit voor déze eeuw, die van de verzorgings- en de (tijdelijke) investeringsstaat. Wanneer we de maatschappelijke en economische gaten “post-corona” gaan zien, zullen we beseffen dat we een uitstekend bestuursrecht nodig hebben voor de economische en maatschappelijke heropbouw “post-corona”. Blijvende volmachten zijn het enig alternatief, en dat is er dus geen.

Logos, pathos enethos zijn de drijvers, Aristoteles wist het al: gebruik uw verstand, laat uw hart spreken en gedraag u.

MOBILISEER ALLE TALENT

Er zit bijzonder veel talent in onze politieke gremia, maar men zit te nagelbijten onder een junta van partijleiders, die te haastig en te bitsig relevant willen zijn, op een te beperkte basis en met te weinig “check and balances” in hun eigen omgeving.

Geef de parlementaire assemblees de ruimte om dit te doen. Restaureer de Senaat tot échte reflectie, niet langer een politiek RVT en praatbarak. We hebben àlle talent nodig dat er is, en het is écht niet gering. Het is alleen bang, uitgeblust of monddood. Dat is net wat ze ons allen, voor 26 mei, beloofden om niét te zijn.

Er moét nu bestuurd worden, en corona is, als we dat willen, dé kans. Geen retoriek, maar daden. Het corona-labo kan ook de burgers en politici veel leren, net zoals de virologen dat deden. Neem een voorbeeld aan de daadkracht in onze gezondheidssector. We zijn, écht, met zijn allen nog tot héél veel in staat. Het momentum is er.

Never let a good crisis go to waste, zo formuleerde Churchill het.Crisissen zijn dé veranderingsmomenten, onze gezondheidswerk(st)ers staan al model voor daadkracht en verantwoordelijkheidszin. Laat ons dit momentum niét onderschatten. Met al 20 jaar van de 21steeeuw achter ons, moeten we afscheid nemen van de recepten van de 20ste.

Gepubliceerd op vrtnws.be

Sven Mary op de Brandstapel! Een rechtszaak is niet altijd de magische oplossing voor wie zich gediscrimineerd of slechts behandeld voelt.

Wie zich vandaag niet gediscrimineerd voelt of achtergesteld, en niet belaagd of anderszins strafbaar onheus bejegend, is nog niet helemaal mee. Gelijkheidsdenken en  pleidooien voor fatsoenlijk gedrag worden steeds meer in  wetten vastgelegd, strafwetten zelfs, en zo mogelijk met verhoogde straffen, bevel om ze effectief uit te voeren, en opheffing van verjaringsbepalingen.

We geven blijk van een ongebreideld geloof in juridisering van de menselijke omgang, en het parlement is het spoor op dit vlak totaal bijster. Het stort zich op onbedachtzame wijze op symboolwetgeving die goed justitieel beleid belemmert. We veronachtzamen dat rechtsregels eigen wetmatigheden kennen, en ook beperkingen, onder meer inzake handhaving.

Om met een ander voorbeeld te starten: onze fiscaliteit is een fiscaliteit van particuliere belangen: met enige overdrijving gesteld, elke vogelpikclub heeft of verdient haar fiscale aftrek. De chaos die hiervan het resultaat is, maakt verstandig fiscaal beleid onmogelijk, belastinginning inefficiënt en duur, en fatsoenlijke hervorming onmogelijk.

HET GELIJKHEIDSPRINCIPE. HELDER, TOCH?

Op dezelfde wijze knoeien we met de gelijkheid. In 1831 kon het nog met een korte principiële bepaling in de Grondwet, het duurde, uiteraard, decennia eer er werk werd van gemaakt. Maar de regel was helder, geïnspireerd door het revolutionair Verlichtingsidee hierover: mensen zijn onderling zéér verschillend, maar we abstraheren al die verschillen en behandelen elkaar wederkerig als gelijken, als personen met dezelfde waardigheid en rechten. Moeilijker is het niet.

Gelijkheidsdenken vergleed in de supermarkt van de verzorgingsstaat van kansengelijkheid naar resultaatsgelijkheid, voorts naar zgn. non-discriminatie, dan naar positieve discriminatie, en nu naar de huldiging van alle mogelijke identitaire kenmerken. We waren in de discriminatiewet al aan 19 potentiële discriminatiegronden (sic!), er waren de sexisme-discriminaties in een aparte wet, er schuilt nog een verbod van taaldiscriminatie in de talenwetgeving en ongetwijfeld vergeet ik er nog.

IS ER NOG EEN GEDISCRIMINEERDE IN DE ZAAL?

In zijn wijsheid heeft het parlement er weer een lange lijst aan toegevoegd. Met passende emotie, en dus unaniem. Discriminaties, aldus de huidige lijst, op grond van zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, moederschap, adoptie, medisch begeleide voortplanting, geslacht, geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie of seksekenmerken, en vaderschap of mee-moederschap zijn nu ook verboden. Oef! Die groepen waren tot recent ongetwijfeld schandelijk gediscrimineerd, want ze hadden nog niet hun eigen  benoemde anti-discriminatiebepaling…

Het gezond verstand is uit deze debatten weggeëbd, en morgen staat de vereniging van de blond- of ros-harigen aan de deuren van het parlement, en wordt er weer een noodwetje tot wijziging van de discriminatiewet gestemd. We zijn elk spoor nu bijster. (Zie ook mevr. Lahaye in DT van 6 maart). Is er daar nog iemand die overzicht behoudt, een beetje toezicht op wat verwettelijkt wordt, en hoe? Of laten we dat maar over aan de emotie van de dag? In een rechtsstaat – en er zijn er steeds minder in de wereld – is dat toch een merkwaardig achteloze omgang met één van onze grote historische verworvenheden.

EEN RECHTSBESTEL VERGT KWALITEIT

Een rechtsstaat stelt heel hoge kwaliteitseisen aan wie ermee omgaat. Dat geldt ook voor de wetgever, net zoals voor magistraten, advocaten of politici. Helaas, kwaliteit is in de moderne democratie niet gegarandeerd. Er is een “re-set” nodig op dit vlak.

Recht bestaat niet zonder handhaving, en met al die discriminatie-tierlantijntjes hebben we het gelijkheidsprincipe wel erg gebanaliseerd. Er komen nu al buiten-gerechtelijke  overheidsinstituties aan te pas om zaken te onderzoeken, klachten in te dienen en rapporten te schrijven. En het is nu mode om u verongelijkt te voelen, niet erkend als u bent in ùw meest intieme identitaire kenmerken. Vroeger leidde dat tot poëzie, vandaag tot rechtszaken.

RECHTSHANDHAVING OF HET VERMOEDEN VAN SCHULD?

De handhaving is problematisch, maar ook dat wordt veronachtzaamd. De eerste handhaving geschiedt nu in de emo-justitie van de publieke opinie, volgens de geijkte cyclus: verontwaardiging, eisen tot eliminatie, standrechtelijke media-executie. Klaar. We krijgen langzaam een lijst van personen die dit overkwam en die worstelen met de vraag of en hoe men zich tegen dit geweld kan verdedigen. Het vermoeden van onschuld werd het vermoeden van schuld. Er is een heel destructieve kant aan de identitaire en de me too-sensatie.

Eenieder heeft in de rechtsstaat recht op een ongeschonden reputatie, op vrijwaring van haar of zijn eer en goede naam. Zet je er maar eens aan zodra je genoemd wordt in een discriminatiezaak, een belagingszaak, een zaak van ongewenst gedrag. Magistraten moeten daarover nog professioneel en in eer en geweten kunnen oordelen, ook wanneer personen al journalistiek zijn fijngemalen.

Heeft men al eens nagedacht over de problematiek van écht bewijs in deze delicate zaken? Over het belang van de concrete omstandigheden, over de inschatting van intenties, of van de grens tussen handelingen met en zonder toestemming? Buiten de expliciete geweldsdelicten, en in private vertrouwelijke omstandigheden, zijn dit soort zaken moeilijk te bewijzen. Dat is objectief zo en het maakt vervolging complex. Eigenlijk maakt het juridisering complex, misschien zelfs onwenselijk. Daar denken we echter niet meer over na. Dat zou nochtans échte goede journalistiek zijn, kom daar maar eens om?

Het is inmiddels zo dat men zich bijna niet of helemaal niet meer kan verdedigen –  daar is geen oog meer voor. In de rechtsstaat zijn nochtans beide aspecten van gelijk belang: we gedogen geen oneigenlijk gedrag, maar we mogen ook geen veroordelingen willen die niet gebaseerd zijn op zeer soliede bewijslast. Het vermoeden van onschuld is er te belangrijk voor.

RECHT EN EMOTIE BEHOREN TOT EEN  VERSCHILLEND REGISTER

De omstandigheid alleen al dat een boekje is gepubliceerd zoals “Hoe legaal te flirten” van prof. Liesbet Stevens, zou komisch zijn als het niet zo tragisch was. Indirect maar zeker geeft het de fundamentele grens aan van juridisering in dergelijke materies. Natuurlijk wil niemand seksueel geweld, net zo min als ander geweld. Natuurlijk wil men dat seksuele handelingen nooit rusten op geweld, maar altijd geschieden met wederzijdse instemming.

De meeste personen voelen wel goed de grens aan, maar wat als iemand van idee verandert? Wat als men er zich achteraf toch over beklaagt? Wat als men dat niet alleen doet in intieme persoonlijke kring maar publiek, met de megafoon van de zgn. sociale media?

Om even een ander actueel vergelijkingspunt te nemen: het kon recent zelfs zo zijn dat familieleden die de euthanasie van hun zus bijwoonden, daar nadien strafklacht tegen neerlegden, én dat – godbetert ! – het parket jaren later de drie artsen voor het Hof van Assisen dagvaardde wegens “moord door vergiftiging”. Pardon? Jawel, 2019! Tragischer kan men de grens van juridisering niet vaststellen.

We verglijden nu naar publieke terechtstellingen à la minute. Kijk naar de dwaze testosteronuitspraak van mr. Mary in het wetenschappelijk tijdschrift Nina: direct afgebrand voor onnozele stoere praat op vrouwendag; deskundigen die in media de strafbaarheid aangeven van een provocatieve uitlating. Gaat het allemaal een beetje?

MEDIA WORDEN PARTIJ

Media kunnen de grens nog verder verleggen. In deze materie worden ze justitiële actoren, net zoals in één van de zwartste periodes van de Vlaamse gerechtsjournalistiek, toen – horresco referens– de zaak “Notaris X” speelde: pure journalistieke schuldigverklaring  van een persoon, op basis van een half gelekt gerechtelijk dossier, langdurige mediacampagne tot verdachtmaking van magistraten die er in hun juridische beoordeling anders over oordeelden. Een zwarte pagina in de Vlaamse journalistiek.

Het gebeurt opnieuw. Nu net omdat een procespartij, die mee aan de basis ligt van “het geval” media-aandacht poogt te vermijden. Men heeft er, zoals altijd, te weinig over nagedacht bij de goedkeuring van de belagingswetgeving en haar potentieel gerechtelijk gevolg. Een vertrouwelijk dossier van een integriteitspersoon binnen een bedrijf leidde tot de directe verbreking van de overeenkomst met een producer en schermgezicht, die sedertdien weggehoond wordt. Hoe kan zo’n man zich verdedigen? De schandpaal is slechte journalistiek, schreven we in november 2017; in een vergelijkbare zaak van een uroloog schreven we in 2019 over Het journalistiek schietkraam.

PLEITJOURNALISTIEK

Recent werd in een krant een flink deel uit het vertrouwelijk gerechtsdossier van de zaak van de tv-man gepubliceerd (DM 22 februari). Er werden zonder enige schroom elementen uit ondervragingen gepubliceerd, al dan niet correct –dat weten we niet. Men doet maar wat.

Schending toch van de vertrouwelijkheid van zulk dossier, en iets te makkelijke journalistiek op basis van eenzijdige lekken.  Ditmaal volgde – werkelijk! – een heus editoriaal, met een forse oproep aan de betrokkene om zijn procesattitude te veranderen. Dat is echte partijdigheid, destijds “dé” journalistieke doodzonde. Ja, het is zo dat er een publiek proces kan komen tegen de man; zijn reputatie ligt nu al jarenlang te grabbel, een beetje ook ingevolge zijn eigen wat naïeve video die hij destijds de wereld inzond. Maar vooral toch door de immense en ongenuanceerde journalistieke overdrijving.

FATSOENLIJK GEDRAG, OOK BIJ DE NAZORG

De kwestie van het publiek proces, waarin de identiteit van de tot nu toe niet gekende dames die zich onheus behandeld voelden, toch bekend zou worden, is een essentiële kwestie. Ten opzichte van zgn. slachtoffers van seksuele delicten geldt dat media hun identiteit niet bekend mogen maken; nooit hebben we evenwel slachtoffers van seksuele delicten beter gekend dan deze van de zaak-Dutroux. Men ziet de paradox.

Ten aanzien van belaging geldt het publicatieverbod niet. En nu kijken ze met vreze uit naar de opheffing van hun anonimiteit, wat ze niet wensten; ze wensten slechts de stopzetting van wat ze blijkbaar onoirbaar gedrag vonden. Opmerkelijk is dat media hun identiteit nooit hebben genoemd, een zeldzame demonstratie van terughoudendheid. Maar media zijn altijd wel doorgegaan met hun belaging van de verdacht gemaakte man, die sinds zijn ontslag lang aan de publieke verachting is blootgesteld.

En nu vindt een redactie er niets beters op dan, op basis van een selectie van het dossier, en al dan niet van verbeelding, publiek op te roepen tot wijziging van processtrategie! Een signaal te meer dat we de limieten van juridisering al ver hebben overschreden. Dit is geen materie voor journalisten, en eigenlijk leent een strafvordering, met al haar rigiditeit en wetmatigheden, zich in het geheel niet tot een goede maatschappelijke afhandeling van zulke zaken.

Goede maatschappelijke afhandeling vergt sereniteit, nuance, bedachtzaamheid, respect voor het leed van vrouwen die zich belaagd voelden, maar ook voor dat van de al standrechtelijk terechtgestelde man die hen mogelijk onheus bejegende.  Vaak zijn dan zaken beter oplosbaar in een goed gesprek dan met procedures. Is dat niet wat de raadsman van de dames in de zaak van de tv-man suggereerde, toen ze (DT 18.11.2017) verklaarde dat ze “als mens” vond dat de heer De Pauw al zwaar genoeg gestraft was?  Is dat niet een roep naar meer menselijkheid en minder procedure? Kan men een duidelijker voorbeeld bedenken van de grens van juridisering van wat zich daar eigenlijk nauwelijks toe leent?

Kortom, er is een re-set nodig van de onwenselijke juridisering van zaken die zich daar eigenlijk niet toe lenen. De verwachting in de magie van de juridische oplossing is onterecht, en soms creëert de juridisering meer problemen dan ze oplost. In een rechtsstaat is dat een héél ernstige zaak. Daar zou heel veel goede journalistiek over te plegen zijn.

 

Ook op vrtnws.be, 9 maart 2020

Democratische Vernieuwing en Burgerschap

INLEIDING

De Commissie voor de Democratische vernieuwing en Burgerschap van de Senaat wenst “een informatieverslag op te stellen betreffende de noodzaak om ons democratisch systeem te moderniseren door de representatieve democratie aan te vullen met meer burgerparticipatie in de besluitvorming op de verschillende bevoegdheidsniveaus alsook in de samenleving” [i].

Op dit ogenblik wenst de Commissie via hoorzittingen met diverse experten meer inzicht te verkrijgen in de materie. U verwacht van ons om ons uit te spreken over “de huidige toestand van de democratie”, met name een overzicht van de factoren die een modernisering van het huidige democratische systeem noodzakelijk maken. Die factoren kunnen slaan op diverse elementen, zoals de werking, knelpunten, lacunes in het huidige systeem.

Ze kunnen leiden tot aanbevelingen.

Uw Commissie heeft de volgende subthema’s gesuggereerd :

  1. Wat is de huidige situatie van de democratie ?
  2. Wat zijn de oorzaken van de kloof tussen volksvertegenwoordigers en vertegenwoordigden ?
  3. Welke rol spelen de media?
  4. Welke rol vervult de digitalisering ?

Uw Commissie vertrekt van de noodzaak om de representatieve democratie, die disfunctioneert, aan te vullen met burgerparticipatie. Burgers werden te veel toeschouwers, hetgeen blijkt uit hun lage opkomst bij verkiezingen, een laag vertrouwen, de daling van partijlidmaatschappen en de toename van protest tegen beslissingen.

 

Impliciet rust de suggestie op de ernst van het probleem aan de input-zijdevan het democratisch proces in een representatief regime. Men kan daar de vraag tegenover plaatsen of het probleem zich niet eerder aan de output-zijdevan het democratisch proces bevindt, zelfs als er aan de input-zijde verbeteringen zouden mogelijk zijn.

XXX

Itinera is een onafhankelijke denktank, opgericht door ondernemers en academici. Ze wordt integraal privaat gefinancierd door ondernemingen, ondernemers en families, die totale intellectuele onafhankelijkheid garanderen. De zorg van de ondernemers, families en academici die in 2006 het initiatief namen, was de vraag of België, en zijn verschillende beleidsniveaus,  aan de toekomstige generaties de welvaart kon garanderen die de naoorlogse generaties kenden.

Itinera maakt wetenschappelijk onderbouwde analyses – de zgn. “facts & figures”– van de grote maatschappelijke dossiers, en verbindt daaraan aanbevelingen met het oog op beter bestuur in België. Het hanteert daarbij een visie op iets langere termijn van ong. 10 jaar.

Itinera vertrekt van het belang van de waardecreatie in België, en de dominante verantwoordelijkheid die ondernemers en ondernemingen daarin hebben, bepleit een inclusieve samenleving waar eenieder bijhoort, en actief burgerschap van burgers in die samenleving.

Itinera let voortdurend op de rol van vier actoren in de samenleving: ondernemingen, overheden, middenveld, burgers. Elk van die actoren dient zijn rol positief te spelen, eigen verantwoordelijkheid te nemen, zich te focussen op kerntaken en zijn acties te richten op welvaartscreatie en –herverdeling op de langere termijn, op sociaal correcte en duurzame wijze. Algemeen belang primeert altijd op bijzondere belangen.

Samengevat is de actie van Itinera altijd gericht op de bevordering van goed bestuurop alle beleidsniveaus in het land. Itinera zal derhalve de vragen van uw commissie behandelen door de invalshoek van goed bestuur.

In deze nota kijken we naar de problematiek van het democratisch proces.

DE SITUATIE VAN DE DEMOCRATIE: NAAR POST-DEMOCRATIE ?

Recent heeft de Franse filosoof Tavoillot gewaarschuwd voor de neergang van democratie, of zelfs voor een post-democratisch tijdperk [ii]. Er zijn, aldus Tavoillot, een drietal oorzaken aan te wijzen voor de hedendaagse teleurstelling over de representatieve democratie: ze lijdt, vooreerst, onder een vreselijke crisis van de representatie, vervolgens, onder een ernstige publieke machteloosheid, en, tenslotte, een diep aangevoeld gebrek aan zingeving.

Dat betekent het volgende :

  • we zijn de mensen, het volk, dat ten grondslag ligt aan de representatieve democratie, voor een stuk verloren;
  • eveneens kunnen we niet meer rekenen op de regering wiens taak het is om de democratie te onderhouden;
  • en we zijn de horizon kwijtgeraakt, het vooruitizcht of het perspectief, dat in een democratie richtinggevend moet zijn.

Wat we hebben aanzien als verworven vooruitgang – de democratie – is in werkelijkheid, aldus Tavoillot, een duizelingwekkende werf geworden. We zweven tussen de nachtmerrie van de publieke machteloosheid en het spook van autoritarisme, en we staan voor de opdracht om de vrijheid van de burgers opnieuw te verzoenen met de efficiëntie van de machtsuitoefening.

Hij pleit voor de kunst om ons te laten besturen, en noemt dit het geheim van vrijwillige gehoorzaamheid,  “une obéissance volontaire” : ”I’art de gouverner est surtout un art d’être gouverné”.

Zijn stelling lijkt te bevestigen dat de gebrekkige steun voor de politiek veroorzaakt is door de falende output van het democratisch procesin een representatieve context. Men haakt af omdat regeringen geen perspectief meer representeren, geen zingeving weten op te bouwen, noch de samenleving weten te begeesteren.

Tevens is wat men ziet en hoort van het democratisch proces weinig geloofwaardig, en geeft het allerminst de indruk dat de politiek bezig is met de vraagstukken van de burgers, en waarvoor het bij verkiezingen mogelijk zelfs aangenomen had dat de kandidaten er zich bewust van waren en er werk van zouden maken[iii].

 

Burgers hebben vooral nood aan perspectief dat politiek ook concrete zaken realiseert. We kunnen onderscheid maken tussen beleid (‘policy’) en politiek (‘politics’). Beleid voeren impliceert het opstellen van doelstellingen op zo’n manier dan de bevolking ook weet wat het project is, wat de grote assen zijn die men wil realiseren. Vervolgens hoort bij onderbouwd beleid ook een evaluatie ex post van de resultaten. Essentieel is dat uit zo’n evaluatie ook conclusies getrokken worden door beleid zo nodig bij te sturen. De politiek kan enorm aan geloofwaardigheid winnen door beleid veel meer te onderbouwen.

HET BELANG VAN WAARDEN EN INSTITUTIES

Burgers hebben een omgeving nodig die hen kadert en beschermt. Onze zgn. “waarden en instituties” spelen die rol: ze stellen samenlevingen in staat stellen om belangrijke economische activiteit te ontwikkelen op lange termijn, en welvaart te creëren[iv]. Dat gaat van waarden zoals rechtszekerheid, en de wettelijke erkenning van de rechtswaarde van contracten, over individuele vrijheden – waaronder de vrijheid van handel en nijverheid[v], of nog, gelijkheid en goed bestuur.

 

Dat gaat ook over de rechten en vrijheden in het algemeen, en de vrijheid van mening en van meningsuiting in het bijzonder, die  van belang is omdat zonder die vrijheden de vaststelling en publicatie van accurate feiten en waardevolle opinies niet mogelijk is. De “free trade in ideas”, ook gekend als “the marketplace of ideas”,drukt de kracht uit van ideeën die sterk genoeg moeten zijn om overeind te blijven in een open concurrentie van verschillende ideeën.

Diezelfde vrijheden borgen ook de mogelijkheid tot ontwikkeling en zelf-ontplooiing van individuen, die ook nodig is als grondslag voor actief burgerschap in een democratische samenleving, en zijn ook de grondslag van toezicht en controle op het handelen van overheden.[vi]

We doen te weinig om onze waarden in instituties tot leven te brengen in de samenleving, zowel in het onderwijs als in het publiek debat. Democratie is moeilijk en houdt imperfecties in, de vermeende perfectie doet zich slechts voor in autoritaire regimes en dictaturen. Maar democratie moet constant uitgelegd worden. Voornamelijk omdat vrijheid en rechtsstaat optimistische idealen zijn, gehinderd door menselijke gebreken en maatschappelijke obstakels. De fundamentele keuze is om het risico van de vrijheid te verkiezen boven het risico en de imperfectie van de onvrijheid[vii]. Dat vergt voortdurend toelichting en samenlevings-wijsheid, burgereducatie en open dialoog… en daarin zijn we niet sterk…

Dit brengt ons bij een doorslaggevend element van het democratisch proces: de noodzaak om verantwoordingaf te leggen over doen en laten, en het kernbegrip van politieke verantwoordelijkheid. Die beide elementen zijn verregaand geërodeerd.

Het is niet overdreven om te stellen dat ze zijn opgegaan in procedures zonder gevolg. De jaarboeken van het Rekenhof – in de volksmond gekend als “blunderboek” – leiden nauwelijks tot debat en zichtbare wanprestaties – elk van u kan zich hierbij een serie van zaken voor de geest halen – blijven in de regel zelfs zonder gevolg.

CHAOS DOOR SOCIAL MEDIA?

Social media spelen een rol, zoals uw bevraging terecht stelt. McLuhan leerde dat, naast media-inhoud, voornamelijk de invloed van media op sociale relaties van belang is[viii]. Dat is sedertdien wel gebleken, doch niet zozeer met de nu bijna idyllisch klinkende betekenis die McLuhan aan nieuwe mediavormen leek toe te schrijven :

“In the mid-1960s, Canadian cultural scholar Marshall McLuhan (1964) wrote that, with the rise of electronic media, “we have extended our central nervous system itself in a global embrace. McLuhan belíeved that the rise of electronic media marked a new phase in human history. For the first time, physical distance was no longer a barrier, and instantaneous mass communication across the globe was possible. The result was McLuhan’s notion of “global village”, in which the people of the world would be brought closer together as they made their voices heard. Such an information environment, according to McLuhan, “compels commitment and participation. We have become irrevocably involved with, and responsible for, each other[ix].

 

Integendeel, vandaag, na de opkomst van audiovisuele communicatie, en met de zgn. sociale mediaplatformen, spreken we van …

an overheated political climatethat appears increasingly unstable, riven with místrust and mutual intolerance, fuelled by wild accusatíons and online bullying, a dialogue of the deaf drowning each other out with noise. (…)

Democracy is starting to look unhinged”, aldus David Runciman[x].

We moeten beseffen dat (de  algoritmen van de) “social media” marketínginstrumenten zijn. Ze profileren de gebruikers van zgn. “gratis” diensten op basis van alle data die ze van hen “stelen” door hun surfgedrag voortdurend te bespieden en data te collecteren. ln de marketing verhoogt dat aanzienlijk de efficiëntie. Immers, gebruikers van “social media” worden integraal geprofileerd: “social media” capteren àlle data van gebruikers op basis van de inhoud van mails, de sites die worden bezocht en de duur die  er wordt besteed, de “Iikes” en “friends” of duimpjes die uitgedeeld worden, enz. Dat laat toe om advertenties zeer specifiek op potentieel geïnteresseerde gebruikers te richten . Op die wijze komen gemakkelijker transacties tot stand, wat deadverteerders helpt. En consumenten worden minder geplaagd met reclame-aanbiedingen voor producten en diensten waarvoor ze geen belangstelling hebben.

Het belangrijkste is dat personen er herleid worden tot een data-profiel, en daarmee worden geïdentificeerd. Dat is – té beknopt samengevat – wat algoritmen doen, en Al kan daar een boost opzetten. Algoritmen en  Al kunnen tot enorme maatschappelijke en persoonlijke voordelen leiden – we staan nog maar aan het begin van die evolutie[xi].

Dit marketingmodel, op basis waarvan de “social media” functioneren, heeft evenwel

desastreuze effecten voor het democratisch proces. Het bevordert niét de uitwisseling van

zinvolle opinies, stimuleert geen redelijke tegenspraak, voedt het publiek debat niét met

gevalideerde content, bevordert zingeving niet, en inspireert noch vertrouwen noch

verbondenheid. Dit zijn nochtans de noodzakelijke basiskenmerken van een democratische

samenleving die steunt op actief burgerschap: zonder die kenmerken en fundering verdampt de democratische samenleving en komt democratie in problemen.

Zover zijn we.

Het marketinginstrument is inmiddels verderdoorgeslagen naar inhoud. Niet alleen is het actief ten aanzien van de efficiëntie van advertenties en hun bereik, maar het werkt ook door op de inhoud die iemand via “social media” opzoekt. Zo stellen die tech-platformen steeds meer inhoud voor van het type dat iemand opzoekt, en op die wijze creëert men zgn. “bubbels” van gelijkgestemden.

Personen worden op die manier, langzaam maar zeker, opgesloten in een cirkel van

dezelfde inhoud, van het eigen gelijk en de voortdurende bevestiging. De kritische bevraging

van opinies en ideeën wordt marginaal of verdwijnt, en de illusie van het eigen groot gelijk

wordt gevoed. Naarmate steeds meer extreme inhoud via de tech-platformen wordt

verspreid, neemt de radicalisering en polarisering toe, en neemt de kritische attitude ten

aanzien van informatie af. Hoewel de tech-platformen ons informatief bereik aanzienlijk

hebben vergroot, vergt het steeds meer alerte gebruikers, indien men wil voorkomen dat

opiniëring verarmt en verdamptl[xii].

Zo verwierven Al en algoritmen ook een vernietigende invloed op het publiek debat,

dat ten grondslag ligt aan een democratische rechtsstaat. Het is net op basis van de open

uitwisseling van ideeën dat een democratische samenleving kan bestaan.

Freedom House sluit zijn laatstejaarverslag over “social media” in 2019 af met de titel “The Crisis of Social Media”[xiii]. lnternetvrijheid, aldus Freedom House, wordt steeds meer bedreigd door de instrumenten en tactieken van digitaal autoritarisme, die zich snel over de hele wereld hebben verspreid. Repressieve regimes, verkozen leiders met autoritaire ambities en gewetenloze partijdige functionarissen hebben de niet-gereguleerde ruimtes van sociale mediaplatforms geëxploiteerd en omgezet in instrumenten voor politieke distorsie en maatschappelijke controle.

Hoewel “social media” soms hebben gediend als een gelijk speelveld voor

maatschappelijke discussie, neigen ze nu gevaarlijk naar “ílliberalisme[xiv]”, waardoor burgers

worden blootgesteld aan een ongekend hardhandig optreden tegen hun fundamentele

vrijheden. Bovendien zet een verbazingwekkende verscheidenheid van overheden

geavanceerde hulpmiddelen in om gebruikers op een enorme schaal te identificeren en te

volgen.

POORTWACHTERS EN ECHOKAMERS

Yascha Mounk wees er op dat techno-optimisten vooral veel heil zagen in de nieuwe

media. Die zouden burgers in staat stellen om zelf verslag uit te brengen over nieuws, misbruiken aan de kaak te stellen, vrije opinies te verspreiden, overheidshandelen op te volgen en burgerparticipatie te bevorderen. Men verwees naar evoluties van Malaysia over de Filippijnen tot China en de zgn. “Arabische lente”, waar kogels werden beantwoord met

tweets[xv]. De voorbeelden inspireren toch eerder twijfel, omdat de democratische winst in de genoemde landen beperkter is dan men aanvankelijk dacht.

Er zijn ook stemmen, zoals Mozorov[xvi]of, Cass Sunstein[xvii]die voorzichtiger argumenteren. Vrijheid, aldus Sunstein, veronderstelt de mogelijkheid om zijn leven vrij in te richten, richting te geven zoals men dat zelf ziet.

Mensen hebben er behoefte aan om te zien hoe ze hun toekomst kunnen tot stand brengen.Als ze dat niet kunnen zien, voelen ze zich te beperkt in hun mogelijkheden en riskeren ze af te haken. En het internet desoriënteert mogelijk meer dan het oriënteert: internetgebruikers kunnen zelf hun informatiebronnen selecteren – of ze denken toch dat te doen – maar zo ontstaan de fameuze “bubbles” of “echokamers” tussen gelijkgestemden[xviii].

Paradoxaal genoeg is het dus mogelijk dat het toegenomen gemak van communicatie met iedereen ter wereld toch leidt tot veel minder communicatie over de meest opvallende sociale en politieke verschilpunten.

Yascha Mounk wijst er op dat de sociale media voornamelijk de poortwachters (“gatekeepers”)van communicatie hebben weggenomen. Voor er “social media” waren, bewaakten overheden en grote mediabedrijven meer een soort van “standaard van aanvaardbaar publiek debat”. ln een goede democratie stond op die manier een grote rem op zaken zoals puur racistische inhoud, samenzweringstheorieën en patente leugens; zo werd de liberale democratie gestabiliseerd. Onder autocratisch bewind perken poortwachters daarentegen mogelijke kritiek op de dictator ` in, en wordt democratisering net tegengewerkt[xix].

ln hun boek “Digital Transformation” hadden Caudron en Van Peteghem dergelijke stelling al eerder uitgewerkt[xx].

WAAKT “THE PUBLIC WATCHDOG OF DEMOCRACY” NOG VOLDOENDE ?

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens herhaalt voortdurend dat expressievrijheid één van de essentiële fundamenten is van een democratische samenleving, en één van de basisvoorwaarden voor haar vooruitgang en voor de zelfontplooiing van elk individu. Ze beschermt zowel informatie en opinies die men gunstig beoordeelt of met onverschilligheid bejegent, als degene die ons choqueren, verontrusten of zelfs beledigen. Dat wordt immers gevergd door pluralisme, verdraagzaamheid en ruimdenkendheid, zonder dewelke er geen democratische samenleving denkbaar is[xxi].

In het bijzonder wat de rol van pers en media betreft in een democratische samenleving, wijst het Hof er voortdurend op dat zij zeker wel bepaalde grenzen moetenrespecteren, o.m. de vrijwaring van andermans eer en goede naam of privacy, doch dat hettoch hun essentiële plicht is om, op een wijze die verenigbaar is met haar essentiële plichtenen verantwoordelijkheden, informatie en ideeën te verspreiden over alle maatschappelijkeaangelegenheden van algemeen belang[xxii]. Het blijft in het belang van een democratische samenleving om een vrije pers in staat te stellen om haar vitale rol van“public watchdog of democracy” uit te oefenen, door haar mogelijkheden te vrijwaren om vrij over alle maatschappelijke zaken van algemeen belang te kunnen publiceren.

Het is essentieel om de bovenstaande beginselen altijd voor ogen te houden. Wanneer we de rol van informatie- en expressievrijheid in en voor een democratische samenleving onderzoeken: dit zijn de standaarden – ook ten aanzien van die informatie die bewerkt zou zijn met Al en algoritmen. We moeten voor ogen houden dat het daarbij gaat over digitale technieken – essentieel zelfs marketingtechnieken – die inhouden dat ze kunnen worden ingezet voor manipulatie.

Bij ons wezen Caudron en Van Peteghem wezen er al eerder op dat digitale transformatie op informatief vlak, een neiging stimuleert naar minder “content” of kwaliteit.

Summiere informatie, “headIines” of korte “reviews” volstaan :

“We judge by new criteria: short reviews, comments, recommendotions, and ratings. Often it becomes very difficult to differentiate on quality content. Many of the paid-for models of online newspapers are based on “quality behind the paywal”. The problem with this is that most people settle for the quantity before the paywall. lt they get the summary, the headlines, the conclusions, that often is enough. Good is good enough.”[xxiii]

Het is zelfs de vraag of gewone moderne journalistiek eigenlijk nog wel voldoende kwalitatief en kritisch is voor wat moderne democratische samenlevingen, met een zekere graad van complexiteit, nodig hebben. Rolf Dobelli publiceerde al in 2010 zijn zeer kritisch pamflet over journalistiek[xxiv]. Het is zopas als boek uitgegeven, met dezelfde inhoud. Journalistiek, aldus Dobelli is irrelevant geworden, de focus ligt te veel op onbenulligheden, en de zaken die ertoe doen worden niet echt behandeld. Een mens functioneert, aldus Dobelli, beter als hij zijn geest niét vergiftigt met al die gepubliceerde en uitgezonden rommel, verkeerde selectieen oppervlakkige analysen.[xxv]

Steven Pinker herinnerde in dit verband aan de povere selectiecriteria van nieuws en journalistiek in het algemeen. Ze dateren van de 60’er jaren en bevoordelen berichtgeving over abnormale, spectaculaire en negatieve zaken; zo ontstaat wat Pinker noemt “progressophobia”,de angst voor vooruitgang. Vooruitgang doet zich eerder geleidelijk voor

en relatief lineair; zelden is ze echt spectaculair. Met de aandacht gericht op negativiteit en,

dus, ook eerder op mislukkingen dan successen, doet men mensen denken dat vroeger alles

beter was, dat de toekomst er somber uitziet en dat we alleen nog achteruit kunnen gaan en aan onze kinderen een slechter perspectief kunnen bieden dan we zelf kenden. Er waren zelden zo veel en zo vaak gereproduceerde apocalyptische geluiden als vandaag[xxvi].

“LlVlNG TOGETHER”, “VIVRE ENSEMBLE”, “SAMEN-LEVEN”

Zodra omstreden zaken van maatschappelijk belang aan de orde zijn die tot polarisering leiden, zijn de fundamenten van de samenleving in het geding. Dan is het van het grootste belang dat overheden maatschappelijke keuzen maken. Overheden moeten dan echt op hun strepen staan in verband met de basisregels van sociale communicatie, en de eisen van “vivre ensemble”.Overheden moeten de beginselen van interactie tussen individuen beschermen, want die zijn essentieel is voor waarden zoals pluralisme, tolerantie en ruimdenkendheid, zonder dewelke er geen democratische samenleving is.

Dààr ligt een echte kerntaak voor overheden, en een fundamentele zorg in onze moderne democratie. Uiteraard moeten zulke keuzen gemaakt worden binnen het kader van het Mensenrechtenverdrag. Dat kwam goed aan bod in een arrest van 1 juli 2014 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende het zgn. “boerkaverbod” in

Frankrijk[xxvii], en wel in de volgende bewoordingen:

  • 153. Furthermore, admittedly, as the applicant painted out, by prohibiting everyone

from wearing clothing designed to conceal the face in public places, the respondent

State has to a certain extent restricted the reach of pluralism, since the ban prevents

certain women from expressing their personality and their beliefs by wearing the full-

face veil in public. However, for their part, the Government indicated that it was a

question of responding to a practice that the State deemed incompatible, in French

society, with the ground rules of social communication and more broadly the

requirements of “living together”. From that perspective, the respondent State is

seeking to protect a principle of interaction between individuals, which in its view is

essential for the expression not only of pluralism, but also of tolerance and

broadmindedness without which there is no democratic society(see

paragraph 128 above). lt can thus be said that the question whether or not it should be permitted to wear the full-face veil in public places constitutes a choice of society. “

De eisen van “samen-leven”, “le vivre ensemble”, “the requirements of living together” kunnen dus beperkingen opleggen aan individuele rechten, waaruit voortvloeit dat ze voorrang hebben op de uitoefening van fundamentele vrijheden. De verantwoording daarvan raakt precies de kern van een “democratische samenleving” en rechtsstaat. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens drukt dit in het arrest als volgt uit:

“§ 128. Pluralism, tolerance and broadmíndedness are hallmarks of a

“democratic society”. Although individual interests must on occasion be subordinated

to those of a group, democracy does not simply mean that the views of a majority must always prevail: a balance must be achieved which ensures the fair treatment of people from minorities and avoids any abuse of a dominant position (see, mutatis

mutandis, Young, James and Webster v. the United Kingdom, 13 August 1981, §

63, Series A no. 44, and Chassagnou and Others v. France [GC],

nos. 25088/94, 28331/95 and 28443/95, § 112, ECHR 1999-lll).

Pluralism and democracy must also be based on dialogue and a spirit of compromise necessarily entailing various concessions on the part of individuals or groups of individuals which are justifled in order to maintain and promote the ideals and values of a democratic society(see, mutatis mutandis, United Communist Party of Turkey and Others v. Turkey, 30 January 1998, § 45, Reports 1998-I, and Refah Partisi (the welfare Party) and Others, cited above, § 99). Where these “rights and freedoms of others” are themselves among those guaranteed by the Convention or the Protocols thereto, it must be accepted that the need to protect them may lead States to restrict other rights or freedoms Iikewise set forth in the Convention. lt is precisely this constant search for a balance between the fundamental rights of each individual which constitutes the foundation of a “democratic society” (see Chassagnou and Others, cited above, § 113; see also Leyla ,$ahin, cited above, § 108). ”

                        Tenslotte waarschuwt het EHRM ervoor om te veel voort te gaan op emoties. In de rechtsstaat zijn mensenrechten niet onderworpen aan beperkingen om tegemoet te komen aan een dictaat van pubieke verontwaardiging: de democratische rechtsstaat moet zijn oordeel altijd doen steunen op argumenten en redelijkheid in plaats van op emoties. De samenleving moet altijd redelijk –reasonable – blijven in haar oordeel[xxviii]:

a legal system which applies restrictions on human rights in order to satisfy the dictates of public feeling – real or imaginary – cannot be regarded as meeting the pressing social needs recognised in a democratic society, since that society must remain reasonable in its judgement[xxix]”.

VERTROUWEN EN PUBLIEK DEBAT

Internationaal wordt een achteruitgang geregistreerd van het aantal burgers in de

wereld dat leeft onder democratische regimes, ten voordele van autocratische leiders. Het

laatste jaarverslag van Freedom House over de stand van zaken van de democratie in de

wereld draagt als titel: “Democracy in Retreat. Freedom in the World 2019.[xxx]

In democratische staten is de tevredenheid van burgers over de werking van hun democratie maar matig. Zo spreekt, volgens de Eurobarometer, slechts 50% van de burgers in de EU zijn tevredenheid over de democratie uit, terwijl 65% van de burgers in Vlaanderen tevreden is over de democratie.

Burgers spreken eveneens geen overdreven vertrouwen uit in hun instellingen[xxxi].

Slechts in onderwijs, politie en gemeentelijke administratie spreekt meer dan 50% van de

Vlamingen vertrouwen uit. Het vertrouwen in andere instellingen is lager, met minder dan

25% van de bevolking dat nog vertrouwen uitspreekt in de Vlaamse regering, pers of

parlement, de federale regering en parlement, of nog, vakorganisaties en politieke partijen.

Over veel instellingen neemt tot de helft van de burgers neemt geen uitgesproken standpunt. De cijfers voor franstalig België zijn nog lager[xxxii].

Dit zijn zorgwekkende cijfers, die tot actie nopen. Een democratische rechtsstaat kan

niet behoorlijk functioneren zonder uitgesproken vertrouwen van zijn burgers

DE WAARDE VAN EEN REPRESENTATIEF REGIME

Het “We, the People” van de US Constitution spreekt niet rechtstreeks, doch via representatie. Dat is de enig mogelijke manier om een grotere bevolking toch bij zijn bestuur te betrekken. Populistische verwachting, eisen, passies en vooroordelen moéten gefilterd worden vooraleer je wetgeving kan maken: er is een mediator nodig die de verlangens van het volk toch goed kan capteren om dan beleid uit te tekenen dat goed is voor het algemeen belang en het welzijn van eenieder[xxxiii].

In een democratie zijn de zgn. “checks and balances”,zoals die grondwettelijk zijn uitgewerkt van bijzonder belang.  Zo is, o.m. een representatief regime zelf, al een vorm van “checks and baIances”, omdat het volk zich uitspreekt via het stemrecht, en het woord dan legitiem wordt gevoerd door de verkozenen[xxxiv].

Zaken als recurrente vrije verkiezingen, algemeen stemrecht, of nog, de scheiding van wetgevend, uitvoerende en rechterlijke macht e.dgl. behoren tot dat arsenaal. Die “checks and baIances” moeten beschermen tegen deviatie van de ene of de andere in het systeem van machtsuitoefening, en ook een zekere stroomlijn brengen in de te grote veelheid van gedachten en opinies van eenieder, en het rechtsstatelijk democratisch kader bewaken.

Met andere woorden: een representatief regime heeft zeer veel zin. Het is de enige vorm die beschermt tegen de chaos van de zgn. publieke opine van een gehele bevolking[xxxv]. Wie daar nog aan zou twijfelen, kan zich vergewissen van de extreme en vulgaire uitlatingen op de zgn. “social media”.

Daarnaast doen ook ongeschreven democratische normen de democratie beter functioneren. Levitski en Zyblatt voeren aan dat er zo ongeschreven vuistregels zijn die de formele Amerikaanse “checks and balances” mee hebben gevrijwaard: vooreerst het concept van wederzijdse tolerantie, of het begrip dat concurrerende partijen elkaar accepteren als legitieme rivalen, en, vervolgens, een zekere terughoudendheid (”forbearance”), of het idee dat politici terughoudend moeten zijn in en met de uitoefening van hun prerogatieven[xxxvi].

Rivaliserende leiders dienen elkaar als legitieme tegenstrevers te zien en ze moeten aan de verleiding weerstaan om hun tijdelijke controle over instellingen te misbruiken om een partijdig voordeel te maximaliseren. Die vuistregels inzake tolerantie en terughoudendheid zijn “de vangrails van een liberale democratie”[xxxvii].

Gaandeweg zijn we in de voorbije jaren de wijsheid van die vuistregels, en hun vitaal

belang voor een gezonde democratie uit het oog verloren. Politieke leiders ondernamen

steeds meer pogingen om het extreme uit hun tijdelijke bevoegdheden te halen, en

respecteerden steeds minder de legitimiteit van hun tegenstrevers. Het hedendaags politiek discours spreekt in dit verband – internationaal, maar ook nationaal – boekdelen.

XXX

ln België zijn deze fenomenen goed gekend door elementen zoals verzuiIing[xxxviii], waarbij partijen uitdeinden tot goed gesubsidieerde dienstverlenende elementen van de bevriende zuil, die ook ruim bedacht werden met de uitvoering van overheidstaken in onderaanneming.

Een tweede verschijningsvorm, in België, van de erosie van de ongeschreven vuistregels is de zgn.particratie[xxxix], waarin alles door de bril van het partijbelang wordt geëvalueerd, ten nadele van het algemeen belang. Een afgeleide daarvan is een zekere mate van corporatísme, waarbij particuliere belangen zwaarder gaan doorwegen dan het algemeen belang, of het algemeen belang gesubstitueerd wordt door een optelling van een selectie van verbonden en gepriviligiëerde particuliere of bijzondere belangen.

België heeft, naast de politieke democratie, nog een tweede kans-democratie, in de vorm van het  fors verankerde sociaal overleg, met hoofdzakelijk gevestigde werkgevers- en werknemersorganisaties – waarbij deze laatste geaffilieerd zijn aan de hierboven genoemde zuilen. Dit is een redelijk unieke vorm van burgerparticipatie, die, mogelijk, de geanalyseerde nadelen van de politieke representatieve democratie wel heeft overgenomen.

 

Deze elementen leiden tot polarisatie, omdat partijen rivalen worden in de zonet beschreven voordelenwedloop, en tegenstrevers als vijanden worden gebrandmerkt waarvoor men geen respect meer opbrengt. Extreme polarisatie is dodelijk voor een liberale democratie, dat is de basisstelling van Levitsky en Ziblatt. Dit zijn factoren die ons ver buiten “de vangrails van de democratie”[xl]hebben gebracht.

Maar, zoals bij aanvang gesuggereerd, ze gaan niet over de input-zijde, maar over de output-zijde, over gewoonten en attitude van de professionals IN het democratisch proces.

PERSPECTIEF, KENNIS, ZINGEVING

Het ontbreekt in de samenleving aan een wervend verhaal. De grote ideologieën vervelden, en verbinden blijkbaar niet meer. Het is ùw taak, een essentieel onderdeel van ùw mandaat, om dat verhaal samen te stellen, te communiceren, te doen leven. Nu er geen meerderheden meer zijn, maar optelsommen van minderheden, is het ook ùw taak om dergelijk verhaal samen te stellen met het oog op de lange termijn.

Electoraal gewin van gisteren of electoraal gespin voor morgen ondermijnt het. Zijn partijen niet te zeer voortdurend in een electorale modus, die het verworven mandaat herleidt tot een faciliteit voor de verzekering van een volgend mandaat?

Social media dragen enkel daartoe bij, ook al omdat politieke partijen (met hun rijkelijke publieke financiering) massaal investeren in communicatie op social media, en de infernale spiraal die zo nadelig is voor een volwaardig publiek debat mee voeden en daardoor ook lijken te legitimeren.

XXX

Er is veel evidentie dat verzorgingsstaten als groot nadeel hebben dat ze een zekere passiviteit bij burgers inspireren; men heeft “recht” op veel voorzieningen, en dat wekt de indruk dat het gaat om automatismen. Betrokkenheidwordt afgebouwd, het “quid-pro-quo”-idee of de nobele gedachten over solidariteit verdwijnt op de achtergrond. Hoe meer voorzieningen de verzorgingsstaat aanbiedt, hoe meer burgers lijken af te haken.

Zowel wat men in Nederland “de zgn. ‘protestantse ethiek’ noemt – zichzelf maatschappelijk ‘verbeteren’ door hard werken, sparen en carrière maken – alsook die welke was verbonden met de socialistische maatschappijbeschouwing, geconcretiseerd in collectieve solidariteit. Beide grondhoudingen zijn door de verzorgingsstaat min of meer overbodig geworden[xli].

Overheden, politici of partijen stralen niet langer een positief toekomstperspectief uit, ze lijken te worstelen met het heden, lijken overweldigd door de technische eisen en complexiteit van bestuur en werven of verbinden niet meer – terwijl we in een welvarend gebied van de wereld leven en al decennialang vrede kennen en vooruitgang. Dàt is de kern van het vraagstuk van het democratisch proces. Nogmaals: het betreft niet de input, het gaat over de output.

We missen een “man on the moon- “verhaal, zoals President John Kennedy dat in 1962 in de USA lanceerde[xlii]. Zijn oproep suggereerde de ruimte als nieuwe grens, en appelleerde aan de Amerikaanse pioniersgeest; tegen de achtergrond van de zgn. Koude Oorlog voedde hij zijn toespraak met een gevoel van urgentie en bestemming, en hij beklemtoonde de vrijheid die Amerikanen genoten om hun bestemming te kiezen in plaats van ze te laten opdringen door omstandigheden of derden.

De speech heeft alle kenmerken van een toekomstgericht wervend appel dat we vandaag node missen, en zonder hetwelk een goed democratisch bewind ook teloor gaat. Hij overschaduwde de vragen over de kosten en de uiteindelijke meerwaarde van zijn voorstel, en in Juli 1969 zetten Neil Armstrong en Buzz Aldrin, met de Apollo 11-missie, voet op de maan.

Kennedy kapitaliseerde op waarden zoals fierheid, wetenschap, kennis, vooruitgang,

technologie, excellentie:

“There is no strife, no prejudice, na national conflict in outer space as yet. Its hazards

are hostile to us all. lts conquest desen/es the best of all mankind, and its opportunity

for peaceful cooperation may never come again. (…)

We choose to go to the Moon…We choose to go to the Moon in this decade and do the

other things, not because they are easy, but because they are hard; because that goal

will serve to organize and measure the best of our energies and skills, because that

challenge is one that we are willing to accept, one we are unwílling to postpone, and

one we intend to win, and the others, too.”

Op een ogenblik van grote kennis, net nu we geconfronteerd worden met een schaduwzijde, zoals de toepassing van het marketingmodel van algoritmen op globale communicaties via de “social media”, moeten we de moed hebben om het belang van kennis te restaureren, om wetenschap en evidentie ten grondslag te leggen aan beleid, maar ook aan de strijd tegen misbruiken. De waarde van kennis wordt onderschat, en soms gedenigreerd, het algoritme-misbruik en de desastreuze gevolgen ervan voor democratie, actief burgerschap en rechtsstaat zijn dramatisch.

Ook in de behartiging van de publieke zaak, kunnen we niet zonder de re-evaluatie van grondslag van expertise en kennis[xliii].

We moeten opnieuw zin geven aan onze toekomst, “purpose”,de behartiging heruitvinden van “the common good”.Zowel Nobelprijswinnaar Jean Tirole als Aaron Hurst riepen er al toe op[xliv]. Een niet zo onbelangrijk deel van de schade die we lijden ingevolge de

beschreven negatieve invloed van het “social media”-marketingmodel op de democratie, is maar mogelijk omdat in de moderne democratieën een vacuüm heerst dat hen ondermijnt.

Dat vacuüm kunnen en moeten we aanpakken, met burgers en échte politieke leiders die opnieuw een perspectief op lange termijn uitwerken, daadkracht tonen en leiderschap.

Zopas nog werd deze behoefte aan perspectief, doelstelling en vooruitzicht – in deze

zgn. “VUCA”-tijden – “volatile, uncertain, complex and ambiguous”– beschreven, en werd er

perspectief tegenover gesteld[xlv]. Dat is één van de beste manieren om de kwalijke gevolgen

van de aanwending van een marketingmodel op de publieke zaak te keren. Niet de enige. Ook de tech-platformen dragen een gigantische verantwoordelijkheid, ze keken te lang de andere kant op; wellicht moeten ze ook  aangepakt worden. Politici, tenslotte, moeten het inzicht en de moed hebben om te herpakken en zich in te zetten voor de toekomst

van de volgende generaties. Dat is hun échte verantwoordelijkheid.

ln deze meest welvarende contreien van de wereld hebben we de gedeelde verantwoordelijkheid om dit beter aan te pakken. We kunnen dit niet langer op zijn beloop

laten.Verantwoordelijkheid,daadkracht en perspectief kunnen de infernale spiraal waarin we dreigen terecht te komen overstijgen.

GOED BESTUUR

Itinera heeft 30 internationale landenindexen op zijn website geplaatst: samen geven die een redelijk objectief beeld van de prestaties van landen[xlvi]. Het beeld van België toont vooral middelmaat. België is nergens top, en presteert duidelijk onder zijn potentieel. We hinken fors achterop bij vergelijkbare landen[xlvii].

 

Er zijn geen goede redenen waarom landen zoals Nederland, Zwitserland en Denemarken in de IMD-Competitiveness Index op plaatsen 4, 5 en 6 staan, en België pas op plaats 26; we gingen daarenboven systematisch achteruit over de laatste jaren.

VOKA publiceert een “Value-for-money-index”,die de kost van een overheid vergelijkt met haar prestaties. België behaalt maar een 18deplaats op 26 onderzochte landen; Ierland, Zwitserland en Nederland zijn de toppers. Ook zij hebben relatief zware overheden die veel aanbieden aan hun burgers, maar aan significant lagere kost. België scoort in de top-5 qua kosten, maar bengelt bij de laatste 6 inzake prestaties[xlviii]. En ook hier zakken we naar beneden.

 

Vergelijkbare landen die systematisch beter scoren beschikken niet over wondermiddelen. Wat hen onderscheidt van België is: goed bestuur.

GOED GEORGANISEERDE BELEIDSNIVEAUS

Goed bestuur veronderstelt goed georganiseerde beleidsniveaus. Elk bestuursniveau dient over een helder bevoegdheidspakket te beschikken, met compacte en volwaardige domeinen, zodat doelstellingen kunnen bereikt worden.

Een basisbeginsel over de gezamenlijke verantwoordelijkheid om altijd het beste resultaat te bereiken voor het algemeen belang – een vorm van “Bundestreue” –is nodig als richtinggevend beginsel voor het handelen van élk bevoegdheidsniveau.

Een bijzonder sterk orgaan is nodig voor overleg tussen bevoegdheidsniveaus voor de prompte oplossing van problemen van coördinatie en samenwerking.

Op elk van deze punten faalt de constitutionele regeling na de diverse staatshervormingen totaal. Hier is dringend bijsturing nodig.

 

FOCUS OP HELDERE DOELSTELLINGEN

Goed bestuur rust op de vaardigheid om heldere doelstellingen te definiëren, in een correcte relatie tot andere maatschappelijke belangrijke doelstellingen, en daar vervolgens een projectmatig plan voor uit te werken waarbij de noodzakelijke middelen en de tijdslijn worden bepaald. Dit heeft eveneens te maken met de behoefte aan een focus op kerntaken, waarvan de ambitie moet zijn om die altijd voorrang te geven en excellent te vervullen.

Deze fase moet rusten op kennis enerzijds, zodat beleid evidence-based is, en op legitimiteit anderzijds, zodat beleid aanvaard wordt en door burgers gedragen wordt. In essentie is dat de politieke fase van goed bestuur, of het geheel van politieke beslissingen die dienen te worden genomen als basis van goed bestuur.

Terloops weze opgemerkt dat de focus van uw commissie op zgn. burgerparticipatie  blijkbaar doelt  op het legitimiteitselement. Burgerparticipatie is, misschien,  een onderdeel van de oplossing, maar niet de panacea.

 

STOP SLECHTE PARTICRATIE

Verder rust goed bestuur op beleidsuitvoering zonder  politisering, door professionele en neutrale ambtenaren met het oog op de realisatie van de doelstellingen, op ethische wijze, en in een kader van algemeen belang. Dat vergt beleidsuitvoering door een goed opgeleide en goed georganiseerde “civil service” die transparant werkt en verantwoording aflegt.

Te vaak handelen regeringen in een grote mate van isolement van de samenleving en van expertise. De kwalijke gewoonte om niet met de administratie te werken, doch zich daarvan te isoleren in zgn. kabinetten, dient beëindigd.

Beleidsvoorbereiding en –opvolging geschiedt essentieel door de administraties; zij hebben het voordeel van een continuïteit over electorale limieten heen, en van expertise in de beleidsdomeinen op grond van hun bekwaamheid, opleiding en ervaring.

Dat zijn dan ook de enige aanwervingscriteria, wat het verbod inhoudt van zgn. politieke benoemingen op gelijk welk niveau, en de overbodigheid van een instituut zoals Selor.

 

MAAK BELEIDSEVALUATIES

Goed bestuur evalueert regelmatig en stuurt bij waar nodig. Het respecteert tijdslijnen en te behalen stappen in de uitvoering van het plan.

Evaluatie van het gevoerd beleid geschiedt regelmatig of voortdurend vanuit de doelstellingen en de afspraken inzake middelen, tijdslijn, en bereikte evaluatiepunten.

 

VOER PROMPT EEN ANDERE BELEIDSCULTUUR IN. ERKEN DE ROL VAN KENNIS

De Belgische politieke cultuur is uit zichzelf niet bevorderlijk is voor goed bestuur. Zonder dat daar hier diep op kan worden ingegaan, kan worden opgemaakt dat we niet altijd helder zijn in de omschrijving van beleidsdoelstellingen of hun relatie met andere – mogelijk strijdende of versterkende – doelstellingen, en al evenmin in projectmatige plannen.

Te vaak wordt gehandeld in de electorale cyclus, d.i. op te korte termijn, naar te partiële (weliswaar zichtbare of spectaculaire) doelstellingen, en op basis van te weinig kennis.

Nu er soms gesproken wordt van een experten-regering, is het misschien goed om te wijzen op het belang van expertise als grondslag van de politieke besluitvorming. Politici zijn verkozen en gemandateerd om de politieke beslissingen te treffen, maar ze horen dat te doen op basis van de best beschikbare kennis – die we massaal hebben bij universiteiten, in onderzoekscentra of diverse instituties, zoals een Nationale Bank of Planbureau, of nog, thinktanks.

Beter dan een regering, samengesteld uit experten, is een regering die besluiten neemt op basis van expertise. Dit leidt tot beter beleid, en legitimeert beleid ook beter.

 

VOLWASSEN DIALOOG REGERING-PARLEMENT

Regelmatige evaluatie dient te geschieden in en gedragen hoogstaande dialoog tussen parlement en regering, waar het voorgelegd plan wordt geëvalueerd op basis van kennis en expertise, en wordt geëvalueerd op basis van vooraf vastgelegde evaluatiepunten. Meerderheid en oppositie hebben daarbij een volwaardige rol: wie vandaag tot de oppositie behoort, kan morgen deel uitmaken van de meerderheid, en omgekeerd.

Te vaak handelen regeringen in een grote mate van isolement van de samenleving en van expertise. De kwalijke gewoonte om niet met de administratie te werken, doch zich daarvan te isoleren in zgn. kabinetten, dient beëindigd.

 

DUIDELIJKE REGELGEVING. RECHTSZEKERHEID

Goed bestuur veronderstelt een helder en stabiel wettelijk en reglementair kader dat toelaat om de bestuursbeslissingen geldig te nemen en ze in stand te laten.

Vandaag worden te veel overheidsbeslissingen in rechte aangevochten – omdat we het evenwicht tussen rechtszekerheid en rechtsbescherming uit het oog verloren zijn – en worden daarenboven te veel overheidsbeslissingen geschorst of vernietigd. Dit wil zeggen dat onze overheden nog moeilijk in staat zijn om geldige besluiten te nemen. Dit vergt een aanzienlijke vereenvoudiging van het onderliggend materieel recht en van het bestuursrecht.

Een herstel van rechtszekerheid als waarde in de rechtsstaat is nodig, ook al blijft rechtsbescherming belangrijk.

 

BESTUREN MOET

Goed bestuur vooronderstelt dat er bestuurd wordt.

Sedert het ontslag van de regering-Michel zijn meer dan 430 verlopen zonder effectieve federale regering met volheid van bevoegdheid. Na de verkiezing van 13 juni 2010 duurde het 541 dagen eer een federale regering werd gevormd. Samen zijn we dus in de jongste 10 jaar gedurende bijna 30% van de tijd zonder effectieve federale regering geweest met volheid van bevoegdheid.

Dit betekent dat de politieke wereld, vlak na verkiezingen, langdurig de rug keert naar de kiezers. Het is eigenaardig om van burgerinitiatieven te spreken, wanneer men niet in staat is om de gewone electorale basis van regeringsactie te doen werken, et name de tijdslijn van (i) ontbinding van de Kamers, (ii) verkiezingen, (iii) regeringsvorming te doen slagen binnen redelijke termijn. Dit heeft te maken met een gebrekkig ambitieniveau om goed te besturen.

Het is een elementaire plicht van politici om deze cyclus dringend te reanimeren. Ze is de basis van de kern-democratie, die de legitimiteit van het politiek proces maakt of kraakt. Zonder die basis is sleutelen aan andere aspecten van het democratisch proces betekenisloos.

Lezing, hoorzitting Senaat, 10 februari 2020, Commissie voor Democratische Vernieuwing en Burgerschap.

VOETNOTEN

[i]Senaat, Zitting 2019-2020, nr. 7-117 dd 12 nov. 2019.

[ii]Pierre Tavoillot, Comment gouvemer un peuple-roi ? L`art d’être gouvemé, 2019.

[iii]Zie ook P. Mair, Ruling the Void. The Hollowing of Western Democracy, 2013.

[iv]I. Van de Cloot. Waarden als Economische Fundamenten. in: L. Neels, T. Beeckman, M.

De Vos en 1. Van de Cloot, De Verlichting uit evenwicht ? Over Normen en Waarden, Vrije

Meningsuiting en Dominante Religies, 2016, p. 73-93.

[v]Dit is het zgn. Decreet d’Allarde van 2 en 17 maart 1791, vlak na de “Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen” van 1789. Het kerngedeelte ervan luidt : “II sera libre à toute personne de faire tel négoce ou d’exercer telle professíon, art ou métier qu’elle trouvera bon.”. Het geldt in het Belgisch recht als een algemeen rechtsbeginsel, dat vandaag ook in Titel 3 van Boek ll van het Wetboek van Economisch Recht is verankerd als volgt: ”Art. lI.2: “Dit Wetboek strekt ertoe de vrijheid van ondernemen en de loyauteit van economische transacties te verzekeren, en een hoog niveau van bescherming van de consument te waarborgen. Art. IIII.3:“Iedereen is vrij om enige economische activiteit naar keuze uit te

oefenen.”

[vi]Eric Bahrendt, Freedom of Speech, 2005, p. 6 e.v.

[vii]M. De Vos, « De Rechtsstaat : Vrijheid onder het Recht », in : L. Neels e.a., De Verlichting, gec., p. 33.

[viii]Marshall McLuhan, Understanding Media: The Extensions of Man, 1964;

[ix]D. Croteau, W. Hoynes, Media & Society : Industries, Images and Audiences. 2014, p. 334.

[x]David Runciman,How Democracy Ends, 2018. p. 2-3.

[xi]Th. Geerts, Digitalis, Hoe we onze wereld kunnen heruitvinden, 2018.

[xii]J. Billiet e.a., De Strijd om de Waarheid. Over nepnieuws en desinformatie in de digitale

mediawereld, KVAB-Standpunt, 2018; Andrew Keen, The Cult of the Amateur: How Blogs,

MySpace, YouTube and the rest of today/s user-generated media are destroying our

Economy, our Culture and our Values, 2001; Franklin Foer, World Without Mind. The

Existential Threat of Big Tech, 2017; Andrew Keen, How to Fix the Future, 2018; Andrew

Keen, Tomorrows vs. Yesterdays: Conversations in defence of the Future, 2020.

[xiii]www.freedomonthenet.org/report/freedom-on-the-net/2019/the-crisis-of-social-

media

[xiv]Wikipedia (English) definieert ”illibera/ democracy” als volgt: Een illiberale democratie, ook wel gedeeltelijke democratie, lage-intensiteitdemocratie, lege democratie, hybride regime of geleide democratie genoemd, is een regeringssysteem waarbij burgers worden afgesneden van kennis over de activiteiten van degenen die echte macht oefenen, en wel door de afwezigheid van burgerlijke vrijheden? Het is dus geen “open samenleving”. Er zijn veel landen die nu worden gecategoriseerd als noch “vrij “noch “onvrij “, maar als “waarschijnlijk vrij”, ergens tussen democratische en niet-democratische regimes. Dit kan zijn omdatdegenen die de macht uitoefenen de vrijheden van de burgers negeren of onderdrukken, hoewel er een Grondwet is die theoretisch de bevoegdheden van machthebbers beperkt. Het kan ook zijn omdat een adequaat juridisch constitutioneel kader van vrijheden niet eens bestaat.

[xv]Yaschka Mounk, The People vs. Democracy. Why our Freedom is in Danger & How to save it, 2018, p. 142.

[xvi]Evgeny Mozorov, The Net Delusion, The Dark Side of internet Freedom, 2012.

[xvii]Cass R. Sunsteín. #republic. Divided Democracy in the Age of Social media. 2017 ; Cass R.

Sunstein, On Freedom, 2019.

[xviii]Sunstein, #republic, gec. Het inzicht over de « bubbles » wordt ook tegengesproken : Axel Bruns, « It’s not the Technology, Stupid. » http://snurb.info/files/2019/It%E2%80%99s%20Not%20the%20Technology%2C%20Stupid.pdf?source=post_page—————————

[xix]Yascha Mounk, p. 144.

[xx]Jo Caudron & Dado Van Peteghem. Digital Transformation, 2014, p. 212 e.v.

[xxi]ECHR Bergens Tidendev Norway, 2 juli 2ooo, § 48 e.v.

[xxii]Ook: Eric Bahrendt, gec., p. 39 – 72; Eric Bahrendt e.a., Media Law: Text, Cases and Materials, 2014, Stéphane Hoebeke et Bernard Mouffe, Le Droite de la Presse, 2005; Koen Lemmens, La Presse et la Protection juridique de l’individu, Attention aux chiens de garde! 2004.

[xxiii]Caudron en Van Peteghem,p. 219.

[xxiv]Rolf Dobelli, Avoid News : towards a healthy News Diet, www.dobelli.com , 2010.

[xxv]Rolf Dobelli, Stop reading the News. How to cope with the Information Overload and

Think more Clearly, 2020.

[xxvi]Steven Pinker,Enlightemnent Now, The Case for Reason, Science, Humanism and

Progress, 2018, p. 39-52.

[xxvii]EHRM, Arrest van 1 juli 2014, in de zaak S.A.S. v France.

[xxviii]ECHR, Arrest van 5 juli 2008, Vajnai v Hungary.

[xxix]ECHR, Arrest van 5 juli 2008, Vajnai v Hungary, § 57.

[xxx]https://freedomhouse.org/report/freedom-world/freedom-world-2019;

https://www.freedomonthenet.org/report/freedom-on-the-net/2019/the-crisis-of-social-media

[xxxi]VRIND-Indicatoren, 2017, p. 79 e.v.

[xxxii]  https://www.institut-solidaris.be/index.php/barometre-wallonie-bruxelles/

[xxxiii]Cass E. Sunstein, #republic, p. 45.

[xxxiv]Cass R. Sunstein, #republic, gec.; Cass R. Sunstein, #republic.

[xxxv]Ph. Pettit, Republicanism : A Theory of Freeom and Governement, 1999 ; A. Gutmann & D. Thompson, Democracy and Disagreement, 1988.

[xxxvi]Steven Levitsky & Daniel Ziblatt, How Democracies Die, What history reveals about our

Future, 2018, p. 8.

[xxxvii]Levitsky & Ziblatt, p. 9 en 118 – 144.

[xxxviii]A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, 1968; L. Huyse, De Gewapende Vrede. Politiek in België na 1945, 1987.

[xxxix]Wilfried Dewachter, De trukendoos van de belgische particratie, een Europese schande,

2014; H. Vuye en V. Wouters, Schone Schijn. Particratie wurgt Democratie, 2019.

[xl]Levitsky & Ziblatt, p. 9 en 118 – 144.

[xli]J.A.A. van Doorn & C.l.M. Schuyt, De stagnerende verzorgingsstaat. Boom, Meppel /

Amsterdam, 1982 (derde druk), Voorwoord.

[xlii]https://en.wikipedia.org/wiki/We_choose_to_go_to_the_Moon

[xliii]Tom Nichols, The Death of Expertise. The Campaign against Established Knowledge and

Why it Matters, 2017.

[xliv]Jean Tirole, Economie du Bien Commun, 2016; Economics for the Common Good, 2017;

Aaron Hurst, The Purpose Economy. How your Desire for Impact, Personal Growth and

Community is changing the World, 2014,

[xlv]Jo Caudron, De Wereld is Rond. Een optimistisch Masterplan voor de Transformatie van Business en de Maatschappij, 2019; ook : H. Toch en A. Maes, The Positive Sum Game, 2019.

[xlvi]https://www.itinerainstitute.org/nl/indices/; L. Neels, e.a., Itinera, Een Plan voor het Land, Un Projet pour la Belgique, 2019.

[xlvii]https://www.itinerainstitute.org/wp-content/uploads/2018/09/Indices-2019.pdf

[xlviii]https://www.itinerainstitute.org/nl/index/value-for-money-index/