De Vrijheid van Passende Meningen

In een toespraak voor de Vlaamse Auteursvereniging, verkort weergegeven in De Morgen (27 dec. 2019), heeft de Vlaamse succesauteur Anne Provoost een pleidooi gehouden voor  wettelijke beperking van de uitingsvrijheid. Voor zover ik haar goed begrijp, pleit mevrouw Provoost tegen “absolute vrijheid van meningsuiting”. Ze vraagt daarbij nieuwe regels die  “groepen die kwetsbaar zijn voor uitsluiting”  moeten beschermen in of tegen het publiek debat.

Minstens tijdelijk, zo  suggereert ze, zijn regels nodig die “het recht op het vrije spreken gepaard doen gaan met de plicht, minstens het engagement, tot sociale pacificatie”. Het is tijd, aldus haar betoog, dat het onderwerp van de grenzen van uitingsvrijheid niet langer “in handen kan blijven van witte geprivilegieerden”, die  ineens met grote urgentie zouden pleiten voor het absoluut karakter van uitingsvrijheid, net “nu vrouwen en zwarten” beginnen te praten.

 

Geert Van Istendael reageerde op de webstek van MO-magazine https://www.mo.be/column/een-auteur-die-argumenten-levert-tegen-de-vrije-meningsuiting)  en Andreas Tirez in De Morgen (https://www.demorgen.be/meningen/wie-bepaalt-welke-woorden-en-meningen-verboden-worden-beste-anne-provoost~bd77e043d/).  In de redenering van Mevrouw Provoost, zijn beide reacties wellicht de kenmerkende pleidooien van de verdedigers van een te ruime uitingsvrijheid, waartegen ze precies wilde waarschuwen. Bovendien beantwoorden beiden aan de niet erg flatterende kwalificatie van  “witte gepriviligieerden”, zoals ze dat in haar tekst uitdrukt. Oei!

UITINGSVRIJHEID IS NIET ABSOLUUT

Vooreerst zijn er weinig voorstanders van absolute uitingsvrijheid: zowel in de Grondwet, als in het Europees Mensenrechtenverdrag is uitingsvrijheid echt niet absoluut, integendeel. Uitingsvrijheid is een fundamentele vrijheid, maar er zijn altijd legitieme beperkingen, uit hoofde van de rechten en vrijheden van anderen en uit hoofde van maatschappelijke belangen. Meningsvrijheid is fundamenteel maar niet absoluut; het censuurverbod is dat wel.

Haar identitaire argumentatie, als zou uitingsvrijheid iets zijn van “witte gepriviligieerden”, slaat werkelijk nergens op. Net groepen van personen die vroeger weinig of niet aan bod kwamen, konden hun rechtspositie en maatschappelijke posities aanmerkelijk verbeteren dank zij hun uitingsvrijheid. Het is bijzonder modern om zoveel mogelijk analyses vandaag te maken vanuit een slachtofferrol, doch het is een omkering van de werkelijkheid.

INTENTIEPROCESSEN, ECHT ?

De overige stellingname van mevrouw Provoost vertrekt van de maatschappelijke wenselijkheid dat eenieder bij haar of zijn uitingen rekening zou houden met het feit dat uitingen altijd gedaan worden in de context van een samenleving, en dat het aanbeveling verdient om er op te letten dat men anderen kan denigreren of kwetsen. Dat is een legitiem uitgangspunt, net zoals haar wens dat personen ernaar zouden streven om meer sociale pacificatie tot stand te brengen.

De sprong van sociale wenselijkheid naar de suggestie van juridisch verankerde verplichtingen, of nieuwe juridische uitingsbeperkingen, wekt evenwel verwondering. Dan zouden uitingen juridisch sanctioneerbaar zijn omwille van een ontbrekende “ plicht, minstens het engagement, tot sociale pacificatie”. Dat zou dan, als ik het goed begrijp, een vorderingsrecht verlenen aan “groepen van mensen waarvan de geschiedenis heeft bewezen dat ze kwetsbaar zijn voor uitsluiting”, en wel op basis van intentieprocessen. Meent ze dat?

 

ANDERMANS RECHTEN EN VRIJHEDEN

De bescherming van de goede naam of de rechten van anderen was altijd al een legitieme beperkingsgrond van uitingen, zoals blijkt uit wetgeving inzake bescherming van ieders eer en goede naam, en, vandaag ook, uit sanctionering van alle uitingen die oproepen tot haat of geweld ten opzichte van personen of groepen van personen. Met name de discriminatiewetgeving heeft er meer beperkende dimensies aan toegevoegd, hoewel ze aanvankelijk eerder sloeg op daden en handelingen dan op uitingen. Mevrouw Provoost pleit voor censuur, dat zijn verbod om iets te mogen zeggen. Dat staat  op gespannen voet met de Grondwet.

Er is overigens een evolutie gaande, die steeds minder vertrekt van de uitingsvrijheid van wie iets naar voor brengt, en steeds meer aandacht geeft aan de gevoeligheid van wie met andermans uitingen wordt geconfronteerd. Het traditionele leerstuk is dat expressievrijheid echt bijzonder ruim hoort te zijn, omdat een zeer ruime uitingsvrijheid meehelpt om overheden op het rechte pad te houden: het is een essentiële bescherming van de vrijheid als grondslag van de democratie en de rechtsstaat. Dat aspect wordt door mevrouw Provoost buiten het debat gelaten: méér overheidsrestricties zouden beter zijn. Echt?

CHOQUEREN, VERONTRUSTEN EN BELEDIGEN

De ruime expressievrijheid beschermt, volgens de vaste rechtspraak, ook uitingen die “choqueren, verontrusten of beledigen”. We moeten daar tegen kunnen, we kunnen immers zelf antwoorden op basis van onze eigen uitingsvrijheid: uitwisseling van argument, over en weer, leidt tot beter inzicht voor alle betrokkenen. In een gepolariseerde samenleving, waarin eenieder de vele megafoons van de sociale media meer met zijn duimen dan met zijn verstand kan besturen, verdwijnt evenwel het hoffelijk debat voor het gescheld, en ziet het ernaar uit dat de hardste roeper altijd wint, en de zwaksten altijd verliezen. Voor slachtofferisme zijn het dan gouden tijden. De stellingname van mevrouw Provoost past daar naadloos in, maar negeert wel de kern van uitingsvrijheid.

Beleid is een beter antwoord dan loting

2019, wordt dit het jaar waarin we evolueren we naar crowd-funding voor toegang tot geneesmiddelen, loterijen die patiënten aanwijzen als “gelukkige winnaars”, of zangstonden en bedelacties voor bestrijding van armoede? Beleid is nochtans altijd het beter antwoord.

Novartis-dochtermaatschappij AveXis, de producent van ZolgensmaÔ, gaat loterijen organiseren om het zgn. duurste geneesmiddel van de wereld jaarlijks voor 100 patiënten gratis beschikbaar te stellen. Het is hun best gevonden antwoord om kleine kinderen tot 2 jaar de voor hun herstel noodzakelijke eenmalige toegang te verlenen tot dit geneesmiddel; dat gaat gebeuren in landen waar het nog niet  verkrijgbaar is, ook in het licht van een alsnog te beperkte productiecapaciteit voor deze gen-therapie.

Dit initiatief wekt alom verbijstering. Het bedrijf had langdurig stilgezeten toen wanhopige ouders naar het geneesmiddel op zoek waren om hun kind te redden. Nochtans zijn er in onze ziekteverzekering goede mogelijkheden om dergelijk probleem op te lossen; men kent ze als schema’s voor gebruik van geneesmiddelen in schrijnende gevallen of medische noodprogramma’s. Behandelende artsen en farmaceutische bedrijven hebben in bijna alle gevallen, samen met overheden, met name het Geneesmiddelenagentschap, makkelijk toegang tot betaalbare oplossingen. Het blijft een raadsel waarom deze paden niet werden  bewandeld.

“Social media” zijn op hun best met hun ongeëvenaarde emotionele turbo, wanneer – opnieuw – een publieke roep om behandeling voor een kind verschijnt. Dat we nu sommige van die kinderen dubbel behandelen, een keer via crowdfunding, en ook een keer via de ziekteverzekering, verdwijnt dan wat naar de achtergrond. Dat de hoofdresearcher verklaarde dat sommige kinderen waarschijnlijk te oud zijn om het echte voordeel van de nieuwe dure therapie te bekomen, blijft dan wat buiten beeld. Nogmaals, men kan begrip opbrengen voor de wanhoop van ouders van zieke kinderen, dat is het punt niet; het punt is dat er beleidsmatige oplossingen zijn. Daar zijn geen loterijen of inzamelingen voor nodig.

TECTONISCHE PLATEN KRAKEN

Moderne gen- en celtherapiën kunnen met groot succes ingezet worden bij kleine patiëntengroepen, die er  spectaculair resultaat mee boeken. Ze zijn complex qua research en produktie. Ze komen op de markt aan steeds hogere prijzen. Waarde moet correct vergoed worden, ook voor geneesmiddelen, en zeker voor doorbraakgeneesmiddelen. Dat vergt een correct inzicht in de echte waarde, ook op termijn, van een geneesmiddel, en een correcte vergoeding. Daar kraakt en wringt de tectonische plaat van gezondheid en levenskwaliteit, met deze van prijs en geld, en ook met deze van ethiek.

De Commissie voor Terugbetaling van Geneesmiddelen voert dat debat voortdurend, en in de regel met grote professionaliteit; ze slaagt er in om zo goed als alle geneesmiddelen die we nodig hebben aan redelijke prijzen toegankelijk te maken; vaak zijn die prijzen aanzienlijk lager dan de Amerikaanse. Ook de farmabedrijven werken met het Riziv mee in zogenaamde terugbetalingsovereenkomsten, waarin ze instemmen met betere voorwaarden om de toegang voor Belgische patiënten tot hun geneesmiddelen te garanderen. In het publiek debat worden deze contracten vaak negatief voorgesteld, omdat ze vertrouwelijke clausules bevatten. Dat is nochtans precies bedoeld om het voordeel van betere toegankelijkheid in België te garanderen. Het Rekenhof zal zich daar binnenkort over  buigen.

PRIVATE BEDRIJVEN MET QUASI-PUBLIEKE GOEDEREN ?

Het Kenniscentrum voor Gezondheidszorg opperde al in 2016 dat men geneesmiddelen zou kunnen beschouwen als zgn. “publieke goederen”, aan de markt onttrokken. Dat sluit aan bij beschouwingen over de beperkingen van markteconomie, omdat de samenleving meer is dan de markt; bekendste auteur is allicht Michaël Sandel, met zijn boek over morele grenzen aan de markt, of nog, Nobelprijswinnaar  Economie Alvin Roth. Maar… de kampioenen van geneesmiddelenontwikkeling zijn de innovatieve farmaceutische bedrijven, zij beheersen dit vak als geen ander. Die vaststelling is juist, en we zouden deze complexe ethische debatten niet hebben als we hun performante doorbraakgeneesmiddelen niet hadden.

“PURPOSE ECONOMY”

En kijk, meer dan 200  CEO’s van grote bedrijven, o.m. ook van farmabedrijven zoals Roche, J&J, Pfizer of Bayer, ondertekenden in augustus de beginselverklaring van Business Roundtable, die het primaat van de aandeelhouderswaarde aan kant schoof, ten voordele van de belangen van consumenten – in dit geval  patiënten – werknemers en de samenleving (DS 20 aug.) . Dat is een resolute keuze voor samenlevingswaarde als belangrijkste doelstelling van een privaat bedrijf; aandeelhouderswaarde maakt daar ook deel van uit, maar na andere belangen.

Dit is een keuze voor de toekomst, ook in het licht van grote debatten over kansengelijkheid, armoedebestrijding en klimaatdoelstellingen. J&J, de groep waartoe Janssen Pharmaceutica behoort, pakte al in 1943 (sic!) uit met een dergelijke tekst, gekend als het “Credo” van Janssen.

BELEID OVER EMOTIE

Er is dus hoop dat het gezond verstand zal winnen over  emotie, dat beleid zal winnen over omwegen, dat gemeenschappelijk inzicht in oplossingen het zal halen van dovemansgesprekken. Prijsverwachtingen voor geneesmiddelen moeten realistisch zijn, ook als doorbraakgeneesmiddelen fenomenale resultaten in uitzicht stellen. De farmaceutische bedrijven kunnen die formidabele geneesmiddelenontwikkeling doen in een kader  van top-research in universiteiten en kennisinstellingen, waartoe zij ook met leerstoelen en andere initiatieven bijdragen. Zij zijn belangrijke spelers, maar groeien nog als teamspelers in een globale samenleving. Die kan dan beheerst omgaan met beperkte financiële middelen om de toegang voor al haar burgers tot noodzakelijke geneesmiddelen te blijven garanderen – ook voor zijn kinderen en kleinkinderen.

Dan wint beleid en een goede verstandhouding tussen de complexe werelden van research, private bedrijven, ethiek en gemeenschap in een wonderlijke synergie. Die gaan we steeds meer nodig hebben. Een loterij zullen we ons dan herinneren als een zwaktebod uit het verleden, dat we niet nodig hebben, omdat we samen groeiden in maturiteit en solidariteit.

 

Ook gepubliceerd in DE STANDAARD van 24 dec. 2019

Verantwoordelijkheidszin

Al jaren gaat België achteruit. In de IMD-index van het concurrentievermogen van landen, zakten we over de laatste jaar liefst vijf plaatsen, naar plaats 27 van 63 onderzochte landen. We krijgen ruime onvoldoendes, o.m. voor ons belastingstelsel, de verouderde arbeidsmarktreglementering, ons onderwijs, en ons tekort aan infrastructuurinvesteringen.

De entropie in het systeem is bijzonder groot, maar de werkelijkheid heeft ons ingehaald: het is immers uitgesloten om een verzorgingsstaat met uitgaven die toenemen met 4 tot 5 %, te financieren met een economische groei van maar  1,5 %.

De zwakte van de regionale regeerakkoorden beëindigt de illusie dat wat vrij van slechte Belgische gewoonten zou zijn, quasi-vanzelfsprekend tot beter resultaat zou leiden. Het paradoxaal gevolg is dat daarmee het belang van het federaal beleid aanzienlijk toeneemt.

Daar liggen immers nog steeds de grote hefbomen van gezonde macro-economische fundering van ons bestel en beleid. De verkozenen van 26 mei tonen er nauwelijks belangstelling voor. Hun focus zijn hun politieke tegenstrevers aan de extremen ter linker- en rechterzijde, niet de toekomst van onze solidariteit, die het grootste bindmiddel is van onze democratie, en belangrijker dan het verkrampt identitair debat.

Ook het sociaal overleg, onze tweede kans-democratie, faalt. De  industrie-organisaties en de syndicale leiders zetten geen enkele stap om de bestuurlijke entropie te overstijgen en de sociale zekerheid toekomstbestendig te maken. De syndicaten – de grootste innovatoren van de vorige eeuw – zijn bange bewakers van verworven rechten geworden, en trachten het verleden te beschermen tegen de toekomst; ook de industrieverenigingen zetten daar geen andere dynamiek tegenover.

Het grote signaal dateert niet van de jongste verkiezingen, het is een jarenlang woekerende tumor in onze democratie: minder dan 30% van de burgers spreekt nog zijn vertrouwen uit in onze instellingen en hun bemanning.

Burgers  vrezen de toekomst in een globaliserende wereld met veel digitale onzekerheid, ze zijn gedesoriënteerd door slecht beleid en politiek gekibbel, en ze missen moreel en intellectueel leiderschap.

Kortom, de uitdagingen voor beter bestuur zijn groot in ons land. Het gaat om de duurzaamheid van ons belangrijkste maatschappelijke bindmiddel, de sociale zekerheid, en ook om een totale restauratie van de notie van politieke verantwoordelijkheid. Handen aan de ploeg !

 

Op 21 december gepubliceerd in De TIJD en in de NYLetter van Itinera Institute

Janneke- en Mieke-journalistiek. Back to basics!

Twitter en facebook riepen vooral een inhoudelijke onzinmarkt in het leven, terwijl journalistiek verdacht werd gemaakt als “fake news”. Gaan gevestigde media in die bedenkelijke ontwikkeling geheel vrijuit, of geloven ze te gemakkelijk dat ze  goed bezig zijn?

            Er komt een beetje deining uit eigen kring, toch. In De Morgen (7 dec.) keek hoofdredacteur Bart Eeckhout  in eigen boezem, en meteen kapittelde hij de politieke journalistiek : journalisten spelen te graag mee als actor in het politiek bedrijf, is zijn stelling. Niet ten onrechte, denk ik, maar het is wel héle forse mediakritiek uit eigen rang.

De fascinatie van politieke journalistiek voor het kleine gebeuren in de centra van de macht is merkwaardig. Elk zuchtje of kreuntje, elke blik of wenkbrauw wordt geanalyseerd.  Een geliefkoosde journalistieke dooddoener te parafraserend, kan men de vraag opwerpen of journalisten niet meer belangstelling hebben voor “de poppetjes en de postjes” dan voor de zaken die er echt toe doen. Zo wordt, bij wijze van voorbeeld, over de onnozelheid van het last minute-gesprek van Magnette met De Wever bericht met de dramatiek van een staatsbezoek. Er wordt gespind en gespeculeerd over hoe Janneke zich met Mieke verhoudt binnen de ene partij, en of Jefke nog met Anneke door dezelfde deur kan in de andere.

Laat journalistiek zich niet feestelijk bij de neus nemen door het leger van woordvoerders dat met gemeenschapsgeld spint en insinueert en het publieke debat doodt?

In Knack (20 nov.) ging Geert Buelens ook nog eens uitgebreid in op de rol van de vierde macht, terugkijkend op zijn eigen zgn. kerstessay in De Standaard van december 2009. Hij tekent een gemengd beeld en ziet vaak goede journalistiek, en toch ook veel “politique politicienne, (…) twijfelachtige opiniepeilingen en (…) oeverloos gespeculeer”.Hoewel hij, zoals in 2009, ook wel blijft aanvoeren dat journalisten de hand best ook in eigen boezem steken, reageert hij nogal wantrouwig naar één private mediagroep… puur op basis van speculatie. En hij presteert het om te pleiten voor meer subsidiëring en regulering, tja …

Media hebben de zgn. vierde macht-functie, ze horen de kritische waakhond te zijn van de democratie. Zijn ze dat eigenlijk wel genoeg? Leven ze niet te dicht op en met de dames en heren van de Wetstraat en omgeving?

Dient zich geen nieuwe missie aan, om de maatschappelijke lijm te versterken, en de cohesie in een gepolariseerde samenleving te vergroten?

Is er geen vacuüm te vullen in de zgn. publieke sfeer: de voortdurende, bedachtzame en inhoudelijke uitwisseling van argumenten en afwegingen, die een sterke sokkel moeten vormen van een democratie-in-beweging en van een rechtsstaat die rechtsstaat kan blijven?

Dàt is de échte – en niet zo gemakkelijke – roeping van moderne journalistiek. Op 19 augustus wijdde Lionel Barber, tot voor kort de gevierde hoofdredacteur van de Financial Times,er zijn hoofdartikel aan. Barber vertrok van de nieuwe visie op onze economie die in augustus krachtig werd verwoord door de Business Roundtable: niet langer is de maximalisatie van aandeelhouderswaarde hét doel van vennootschappen en bedrijven. Het is nù écht tijd voor een  inclusieve visie, die zorg besteedt aan àlle  “stakeholders” van bedrijfsmatige activiteit: de belangen van klanten, medewerk(st)ers, de samenleving, milieu en klimaat verdienen prominent aandacht. Ook aandeelhouderswaarde telt, maar naast en wellicht na deze andere.

De toekomst  gaat om “profit with a purpose”. De economie heeft een reset nodig, een nieuwe start. Hurst schreef er al over (Aaron Hurst, The Purpose Economy, 2014) en in Vlaanderen brengt Herman Toch dit gedachtengoed krachtig binnen (Happy Profit, 2014 en Positive Sum Game, 2019).

En dat geldt dus ook voor politieke journalistiek: purpose. Het màg echt ergens over gaan. De doelstelling (“purpose”) van goede journalistiek is de waakhond te zijn van de politieke verantwoordelijkheid en verantwoording in een democratische rechtsstaat.

Dan kom je er niet met Janneke-en-Mieke-journalistiek. Dan is een resetnodig van de eigen redactionele waarden. Dan behoeven allereerst de redactionele selectiecriteria een forse update.

Vandaag kan dat niet anders betekenen dan een echte rollenspeler te zijn, maar niet in de theatrale elementen van het publieke leven, maar in de onderliggende funderingen en waarden van de samenleving.

Dan ben je degene die de fundamenten van de rechtsstaat en de verzorgingsstaat uitlegt en toelicht, en er de burgers – alle burgers – toe motiveert.

Dan ben je de bouwer van de canon, dat is moeilijker dan te roepen dat de politiek die niet moet bepalen.

Dan ben je de spontane uitdrager van de waarden en normen, van inburgeringsdiscours en integratiesemantiek.

Dan ben je degene die burgers ook op hùn verantwoordelijkheden wijst, en dat kan je alleen door de eigen verantwoordelijkheid helder te maken en vooral door te tonen in staat te zijn dié alvast manmoedig te nemen.

Back to basics!

 

 

 

 

 

 

Prof dr (em) Leo Neels

8 dec. 2019

 

Een schitterende nota voor een ander land

Paul Magnette heeft een schitterende nota geschreven voor een ander land. Een land met goed bestuur, fors opgebouwde reserves, en bestuurders die projectmatig denken. Het plan-Magnette past bij de grote macro-economische fundamenten van België zoals een hulpbisschop bij een bordeel. De gespreksnota van de informateur is wensdenken, en formuleert doelstellingen die haaks staan op de zieke macro-economische fundamenten. Zijn ambitie is die van een tweedeklasser die de Champions League willen winnen. Kortom, een recept voor verdere achteruitgang.

Ons probleem is niet dat we aan de top staan en moeite doen om er te blijven. Het Belgisch probleem is dat we zowel federaal als met onze regio’s écht achteruit gaan: er is geen énkele internationale index met macro-economische gegevens waarin we boven de middenmaat uitsteken.

Volledige tewerkstelling is een nobel doel, maar energie-efficiëntie en de magische oplossing van de files gaat onze productiviteit niet fenomenaal opkrikken.  We hebben geen performant openbaar vervoer, men lacht met de NMBS en De Lijn, en alleen met performant openbaar vervoer kan je de mobiliteit herstellen. Dé kern van productiviteitswinst is dat eenieder die kan langer actief blijft, en dat er terug meer Belgen de weg uit de niet-activiteit naar de arbeidsmarkt vinden. Onze grootste vijand is de rigiditeit van de arbeidsmarktreglementering, en de houding van vakorganisaties die vertrekken van verworven rechten uit het verleden, en zo het noodzakelijke herstel blokkeren. Dat is ook ten nadele van jongeren, voor wie de instap in de arbeidsmarkt te moeilijk is: er ontbreken daartoe te veel sporten onderaan de loopbaanladder.

De groene economie is een mooi doel, maar we zijn niet werkelijk in staat  afscheid te nemen van kernenergie, we hebben onvoldoende gascentrales en blijven dus aangewezen op import van dure energie van elders. Hoe milieuvriendelijk die is geproduceerd is niet altijd helder, en de energieprijs is in werkelijkheid nu al een vorm van alternatieve inning van belastingen om de verliezen van verkeerd milieubeleid uit het verleden te betalen.

Hogere pensioenbijdragen, en kortere arbeidsduur zijn, in het licht van de tekorten in de sociale zekerheid, vrome wensen waarvoor er geen middelen zijn. Destijds was de bijspijkering van de tekorten uit sociale bijdragen door gewone fiscale inkomsten al afhankelijk gemaakt van voorwaarden om toch enigszins redelijk te blijven en tot sanering te komen. De opheffing van die voorwaarden slaat ons terug naar de periode van “alles kan, doe maar op!”.

Goede migratie kan een stukje onze activeringsgraad verhogen, maar dat vergt een uitgewerkt plan van selectieve immigratie, en – eindelijk – een degelijk plan om ongewenste immigratie te blokkeren, naast – ook eindelijk – een gedegen humanitair plan om vluchtelingen die het verdienen correct te verwelkomen en snel naar de arbeidsmarkt te leiden. Daar is maar weinig van te vinden, net zoals de uittredende regering er niet echt werk van maakte.

Justitie en veiligheid moeten meer geld hebben. Welk geld? En is geld daar altijd het probleem, of ook achterhaalde organisatie, manke uitrusting, slechts wetgeving en werkwijzen uit vorige eeuwen?

En een meer efficiënte staat. Dat zal wel. Men moet beleefd blijven, maar past hier niet de vraag: is dat dan beleid zoals in Wallonië? Symboolbeleid zoals de afschaffing van de Senaat, of cosmetisch werk aan de staatshervorming gaat de zaken echt niet oplossen. Er is een totale “big bang” nodig, een ontwaken van de politieke wereld in het jaar 2019, nà het electoraal débàcle van mei.

Wat écht nodig is, is de formulering van heldere beleidsdoelen op grond van een écht inhoudelijk debat, de opstelling van projecten met zichtbare en meetbare doelen, de sanering van de fundering van onze macro-economie, een forse reductie van de rol van de overheid en een grote kosten-efficiëntie. Andere landen, die ook een zware verzorgingsstaat te financieren hebben, deden het ons voor: Zwitserland, Denemarken, Zweden, Nederland…

Het kan zonder ingrepen in uitkeringen, maar met forse en professionele ingrepen in de achterhaalde administratieve processen. Dat vergt vooral politieke moed, eerlijkheid om aan de burger de inzet goed uit te leggen, en een eerlijke uitvoering. Dé olifant is de kamer is altijd de slechte particratie, die verkozenen altijd doet focussen op hun herverkiezing, die dure kabinetten verzint om de normale werking van de administraties te belemmeren, en die de aandacht blijft richten op kleine particuliere belangen en het algemeen belang verwaarloost.

Er is nu al veel nagedacht in het Elysette, de Wetstraat en het Martelarenplein. Maar zou men in de hoofdkwartieren van de partijen ook al in eigen boezem gekeken hebben, om het politieke vak heruit te vinden en te resetten, door de methoden van de politiek van de vorige eeuw achter zich te laten en fris en doelgericht  te leren  optreden voor de goede zaak, dat is de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen?

 

 

Vandaag ook gepubliceerd in DE STANDAARD

 

Het journalistiek schietkraam

Gerechtsjournalistiek heeft alles te winnen bij een zekere moderatie in de toon en voorstelling. Ze behandelt vaak toch delicate zaken, met een grote inzet voor procespartijen, die in de openbare behandeling van hun rechtszaak al heel veel moeten inzetten en opgeven.

Het zou een motief moeten zijn voor een serene behandeling en analyse, met een poging om beter inzicht te doen ontstaan in de moeilijkheidsgraad van een rechterlijke behandeling en beoordeling, en elementen aan te reiken die het publiek wapenen om dergelijke zaken beter te begrijpen.

De indruk bestaat dat hier ruimte is voor verbetering. Zo passen enkele vraagtekens bij de theatrale wijze waarop in Vlaamse media de strafzaak tegen dr Bo Coolsaet en de rechterlijke uitspraak in eerste aanleg wordt behandeld.

De BV-uroloog werd zopas veroordeeld tot een forse gevangenisstraf wegens verkrachting van een patiënte bij gelegenheid van een medische behandeling, zo’n 15 jaar geleden.

De wereld is gevoeliger geworden dan voorheen voor slachtoffers van sexueel ongepast gedrag, en sexueel geweld, voornamelijk na de zgn. “Me too”-beweging. Een goede zaak.  De slinger kan ook doorslaan, en dat effect zindert misschien wel na in de journalistieke gretigheid waarmee men een dergelijke zaak behandelt. Kan men daar ook eens bij stilstaan?

De zaak heeft toch enige complexiteit. Het Openbaar Ministerie had geen veroordeling gevorderd wegens onvoldoende bewijs, toch verklaarde  de Correctionele rechtbank dr. Coolsaet schuldig – wat haar autonomie is – en  sprak ze een scherp verwoorde en keiharde veroordeling uit.

Dàt is een interessante kwestie, waarover we – een enkele uitzondering daargelaten – dan weer heel weinig horen of lezen. Het Openbaar Ministerie en de zittende magistraten keken totaal anders naar dezelfde zaak, en beoordelden de zaak verschillend. Dat is legitiem, ook dat is rechtspraak: afweging, tegenspraak, intieme overtuiging op grond van het bewijs dat er is. Er zijn dus veel aspecten aan de zaak die rustige verheldering en serene toelichting vergen. Die zijn belangrijker dan de emotie of de sensatie van een veroordeelde BV. Zijn we die belangrijke gerechtsjournalistieke vaardigheden helemaal aan het verliezen?

Rechtspraak is een publieke aangelegenheid van zeer groot maatschappelijk belang, omdat fe functionering van de rechterlijke macht in een rechtsstaat essentieel is. Journalistieke aandacht daarvoor is dus niet alleen geoorloofd maar gewettigd en noodzakelijk.

De kern ervan is dat goede gerechtsjournalistiek zijn kritisch oog houdt op rechtspraak en hoe hoven en rechtbanken het ervan af brengen in rechtszaken die de aandacht trekken. De journalistieke kadering en toelichting moet het publiek in staat stellen om beter te kunnen volgen wat er aan de hand is, en haar kritisch oog vooral doen rusten op de wijze waarop recht wordt gedaan aan de rechten van de diverse betrokken partijen. Het is niet de bedoeling om een nevenproces te voeren in de media, noch om antipathie tegen of sympathie op te wekken voor een procespartij of haar raadsman.

“Media can make and unmake reputations”.  Ze kunnen onbeschroomd personen ophemelen en over het paard tillen,  ze kunnen ze ook laten vallen als een baksteen en natrappen. Zeker in gerechtsjournalistiek moeten de media niet het alternatieve forum van de gerechtelijke beoordeling willen zijn, noch de rechterlijke behandeling willen imiteren, noch daar een schep bovenop willen doen.

Steeds loopt na een rechterlijke uitspraak een termijn van een maand waarbinnen hoger beroep kan worden aangetekend tegen een veroordeling. Zo lang de veroordeling niet definitief is geworden, blijft de betrokkene genieten van het vermoeden van onschuld. Hij beschikt over al zijn rechten van verdediging als beschuldigde om zich voor het Hof van Beroep te verdedigen als onschuldig man. Hij moet dan ook zo worden behandeld.

Dat vergt sereniteit zodat de dames en heren Raadsheren in het Hof van Beroep professioneel en weloverwogen kunnen oordelen. Dat is hùn vak, niet dat van redacties.

Emotie en ratio in het Geneesmiddelendebat…

 

Belgische autoriteiten gaan behoorlijk om met beslissingen over terugbetaling van innovatieve geneesmiddelen. Dat vergt dat keuzen gemaakt worden tussen een groot aanbod,  dat men kritisch kijkt naar de therapeutische meerwaarde en de gesuggereerde prijs, en dat tegen de achtergrond van een ziekteverzekeringsbudget dat al ruim sneller stijgt dan het BNP. Toch verkrijgt een ruime helft van nieuwe geneesmiddelen of nieuwe indicaties   terugbetaling; en de prijs van die terugbetaling ligt tot 50% onder de Amerikaanse prijs.

Nochtans resten er steeds  onbeantwoorde medische noden, en rijzen er altijd vragen over de innovaties die hier niet terugbetaald worden: het zal maar voor jouw kind zijn, inderdaad, volgens de geijkte uitdrukking zouden ouders een moord plegen voor het leven van hun kind.

Het geval van de 10 maanden oude baby Pia is schrijnend: het geneesmiddel dat haar zou kunnen redden is niet geregistreerd in Europa, en kan dus niet terugbetaald worden in België. Het is enkel in de USA op de markt, en het kost er ong. 2.099.244 US$, of 1.900.000,=€. Een beroep op crowdfunding werkt, en de familie lijkt geholpen. Dat alles gebeurt tegen een lawine van opinies tegen onze onbekwame overheden en tegen de woekerpraktijken van de farmaceutische sector.

Tot prof. L. Servais, die verbonden is aan de universiteiten van Oxford en Luik, en bij de klinische studies voor Zogensmaâvan Novartis, op www.lalibre.bedoet opmerken dat de werkzaamheid van het geneesmiddel enkel is aangetoond voor baby’s die jonger zijn dan 2 maanden, en bij wie nog geen symptomen van de aandoening tot expressie kwamen. Bij oudere baby’s zijn nog geen klinische studies uitgevoerd, en zijn de resultaten naar verwachting niet beter dan deze van een behandeling met Spinrazaâ, dat in België wel terugbetaalbaar is, en enkel de evolutie van de aandoening afremt en de symptomen verzacht. Voor Pia komt het onbereikbaar geachte geneesmiddel in elk geval te laat.

ANTI-KAPITAAL OF PRO-INNOVATIE

Het geneesmiddelendebat wordt bij elke gelegenheid misbruikt voor een tirade tegen de farmaceutische sector. Men vergeet dat deze ongeveer alle grote innovaties naar voor heeft gebracht:  private bedrijven zeer klaarblijkelijk zeer performant in de ontwikkeling van geneesmiddelen, wat een kennis- én kapitaalsintensieve zaak is.

 

Ze excelleren in de combinatie van hoogstaand wetenschappelijk onderzoek, onder het allerstrengste toezicht van FDA en EMA, met de inzet van vrijwel onbeperkte financiële middelen om dat onderzoek te financieren. Ja, ze bouwen voort op fundamenteel onderzoek dat in academische middens wordt gedaan; maar ze zijn ook weer de grootste private financiers van zulk onderzoek door onze universiteiten via leerstoelen en dergelijke, omdat er altijd te weinig overheidsgeld is voor de topresearch die onze academici in België in de biomedische sector doen.

 

De kennis die ze genereren is, net zoals die van universiteiten, beschermd door octrooien die de kennis publiek beschikbaar maken voor iedereen, en de exploitatie ervan tijdelijk reserveren voor de octrooihouder. Bij acadmeische research is vandaag de academische zijde altijd mee de IP-begunstigde. Deze bescherming van intellectuele eigendom ligt mee aan de basis van het innovatie-succes van onze academische onderzoekers en van de farmaceutische bedrijven.

 

Vaak ontstaan uit de universiteiten zgn. start-up-bedrijven die van het puur fundamenteel onderzoek evolueren naar pre-klinisch onderzoek. Zelden groeien zulke start-ups door tot volwaardige bedrijven, er is een lange rij van sukkelpaden, denk aan Innogenetics, Thrombogenics of Tigenix, Ablynx en andere: de ontwikkeling van een eigen geneesmiddel blijkt vaak niet haalbaar. Misschien is Galapagos bezig de uitzondering te worden die de regel bevestigd: met alle respect, dat blijft nog te bezien, al zijn er vele indicatoren die nu in die richting wijzen.

 

Grotere farmaceutische bedrijven kopen dan de start-up-bedrijven op. Die hebben niet genoeg middelen, en vaak ook niet de kennis, om de klinische studies te financieren, en farmabedrijven kennen het ontwikkelingstraject voor geneesmiddelen, het is hun sterkte. De start-ups, en ook de universiteiten die eraan meewerkten, worden daar in de regel uitstekend voor betaald. Gelet op de zwakte van de zgn. “pijplijn” van farmabedrijven, worden soms zeer hoge bedragen geboden voor zulke overname, en wellicht ook vaak te hoge.

 

VRIJE EN GEREGULEERDE PRIJZEN

In de USA is de prijszetting voor geneesmiddelen totaal vrij, men rekent er ook voor gezondheidszorg op de vrije markt, doch dat systeem kraakt flink. Met Obamacare kwam er een min of meer ordentelijke ziekteverzekering voor miljoenen amerikanen die voordien niets hadden, en langzaam maar zeker komt er ook kritiek op wangedrag van de farmaceutische sector.

 

Toen veel geneesmiddelen nog massageneesmiddelen waren, werd er veel, en soms te veel, ingezet op de beïnvloeding  van artsen om het “juiste” geneesmiddel voldoende voor te schrijven. Vandaag zijn die massageneesmiddelen fors in prijs gedaald en zijn de  merkgeneesmiddelen voor chronische aandoeningen grotendeels vervangen door generische alternatieven. De marketing is fors gereduceerd, zowel door codes van de sector, als door overheidsingrijpen, als door gerechtelijke interventies die, in de USA, hoge boetes oplegden aan de farmaceutische bedrijven. Terecht: het gaat altijd om gezondheid en levenskwaliteit, en bedrijven die daarin actief zijn horen zich correct te gedragen.

 

KLEINE PATIËNTENGROEPEN

Tegelijk ontstond de gepersonaliseerde geneeskunde. Steeds beter kent men het menselijk DNA, en kan men werken met manipulatie van cellen en genen, ook met geneesmiddelen die gekweekt worden op basis van lichaamseigen materiaal. Dat laat ook toe om op voorhand te weten welke patiënten gunstig zullen reageren op een geneesmiddel. Daarmee verdwijnt de oude “blockbuster”-industrie: het geneesmiddel is geschikt voor een kleine groep van patiënten, en van die groep weet men praktisch op voorhand dat het zal werken.

 

Dat is een formidabele vooruitgang. Overheden erkennen dat: ze ontwikkelden, in de USA en in Europa, schema’s voor versnelde erkenning van geneesmiddelen, en voorkeurschema’s voor ontwikkeling van zgn. weesgeneesmiddelen, dat zijn geneesmiddelen voor aandoeningen die slechts bij een klein deel van de bevolking voorkomen, nl niet meer dan 5 op 10.000 personen in de EU.

Maar die ontwikkeling heeft ook  een beperking. Hoe kan men, met een geneesmiddel voor een kleine groep van patiënten, de investeringskost terugverdienen? Eigenlijk kan dat nauwelijks of niet. En daar zit de kern van een moeilijk oplosbaar vraagstuk. Dat men het toch probeert rust op het idee dat een farmaceutische bedrijf altijd wel een brede portfolio zal hebben van geneesmiddelen voor een breder publiek dat aan chronische aandoeningen lijdt en langdurig gebruiker blijft. Talloze fusies en overnames hebben aangetoond dat dat eigenlijk niet het geval is: meestal was men op zoek naar een pijplijn van potentiële ontwikkelingen, teneinde de duurzaamheid van de onderneming te kunnen garanderen. Ook dat model loopt langzaam maar zeker op zijn laatste benen. Er zijn niet zo veel grote fusies meer denkbaar, er zijn niet heel veel goed gevulde pijplijnen meer, en de overname van start-ups lijdt meestal maar tot één innovatieve therapeutische innovatie, met grote onzekerheid.

 

OVERHEDEN EN PRIJS

Onze overheden hebben kritisch leren omgaan met de prijzen van geneesmiddelen. In een eerste fase werd gekeken naar de kost van de ontwikkeling van het geneesmiddel, maar die bedragen zijn moeilijk te objectiveren en niet te berekenen.  Ze flucueerden van ongeveer 500 miljoen US$ naar 2 of 3 miljard US$. Wat meespeelt is dat bedrijven ook de kost moeten recupereren van onderzoekspistes die niet tot een geneesmiddel leiden, en die dus opnemen in hun berekeningen.

 

Vervolgens werd gekeken naar de waarde van het geneesmiddel. Men werkte een standaard uit voor een “gewonnen kwaliteitsvol levensjaar” (“QALY”), en liet ongeveer 40.000€ toe per jaar. Dat was goed in de periode van incrementele vooruitgang, wanneer een nieuw geneesmiddel, bij wijze van voorbeeld, 6 maanden “QALY” toevoegt. Dan zou de waarde 20.000€ zijn.

 

Men zou ook kunnen kijken naar de uitgespaarde kost van een patiënt die levenslang complexe behandelingen moet ondergaan, en die men nu vroeg kan genezen. Dat zou naast de vergoeding voor het gewonnen levensjaar, kunnen gekeken worden naar het geheel van uitgespaarde uitgaven. Daar zijn we nauwelijks nog aan toe. Het is niet altijd makkelijk dat te berekenen, veel van die uitgaven die men niet meer heeft  zitten in andere budgetten dan het geneesmiddelenbudget (artsenhonoraria, hospitaalopname, werkloosheid en invaliditeit etc.), en ieder schermt zijn budget af…

 

Met de huidige gepersonaliseerde geneeskunde, en cel- en gentherapie, worden evenwel bij de op voorhand geselecteerde patiënten forse resultaten bereikt, tot genezing toe. Dan kan je tien of twintig kwaliteitsvolle jaren winnen, en zou 800.000,=€ de aanvaardbare prijs zijn voor de behandeling, ook als die uit één infuus of injectie bestaat. Of, wanneer men een baby van 10 maanden zou kunnen genezen, en 70 kwaliteitsvolle levensjaren wint, zou dan 2,8 miljoen € de juiste prijs zijn?

 

 

ONZEKERHEID

Hier spelen weer twee andere indicatoren. De eerste is de onzekerheid over de LT-effecten, die kennen we niet allemaal bij behandeling. Integendeel, ook autoriteiten willen nu dat geneesmiddelen versneld beschikbaar zijn, zeker die voor aandoeningen waarvoor er nog geen zijn, en nog meer voor weesziekten. Dan heb je geen LT-perspectief. De kernvraag is dan: hoe beheers je die onzekerheid? Dat zou kunnen door de evolutie in de werkelijkheid te volgen (“real life data”) en te blijven rekenen en herrekenen. De volle prijs kan dan verdiend worden bij gestabiliseerd goed resultaat, er moet terugbetaald worden wanneer het goede resultaat zou ophouden of verminderen. Die technieken passen overheden al toe.

 

Een andere indicator is de totale budgetimpact. De middelen van de overheid zijn altijd beperkt. Zelfs als je spreekt van een geneesmiddelenbudget van 4,6 miA € (waarvan 1 miA naar de distributie gaat), zijn de middelen altijd te beperkt voor de behoeften. De totale budgetimpact (prijs vermenigvuldigd met het aantal patiënten) speelt dan een matigende rol.

 

OVERLEG EN CONTRACTEN

Onze overheden bekijken de geneesmiddelenprijs wel bijzonder kritisch. Standaard gebeurt dat in het kader van de multilaterale commissie voor Tegemoetkoming aan Geneesmiddelen. Daar beraadslagen artsen en academici, ziekenfondsen en ambtenaren over prij sen terugbetaling, op basis van een voorstel van prijs van het farmaceutisch bedrijf, en na onafhankelijke analyse van de waarde van het geneesmiddel in het therapeutisch aanbod. Het zijn complexe en moeilijke debatten, waarin maar weinigen zich écht engageren. De kernvraag blijft hoe men best omgaat met de onzekerheid van het nieuwe middel, dat uit het wat artificiële parcours van de klinische studies komt.

 

Toen te veel innovaties dreigden afgewezen te worden, ontwikkelde het Riziv met zijn stakeholders consensueel een contractuele vorm van terugbetaling. Dat zijn de vaak negatief gepercipieerde “niet-transparante” contracten. Een deel van de informatie in die contracten is niet-transparant, omdat het om zakengeheimen gaat; maar men verkiest dat nadeel om patiënten toegang tot het geneesmiddel te kunnen verschaffen. Kenners weten dat deze contracten – in het jargon art. 81 en 81 bis – de reddingsboei zijn geweest voor onze ziekteverzekering om grote en goede innovaties terug te kunnen betalen.

 

Met succes: ongeveer de helft van de internationaal beschikbare innovaties zijn in België terugbetaalbaar, en de prijzen zijn fors lager dan de Amerikaanse die “vrije markt”-prijzen zijn. Vermits onze ziekteverzekering met publieke middelen is gefinancierd, is dat verantwoord.

 

HET GEDRAG VAN DE FARMASECTOR

Steeds is men ook kritisch naar wangedrag van farmaceutische bedrijven, en we zien dat ze in de USA, waar ze traditioneel gigantische beleidssteun kregen, ook die steun aan het verliezen zijn. Hoewel vrije prijsvorming in de USA een heilige koe is, wordt er nu ook gesproken van prijscontrole, al blijft dat een on-amerikaans begrip. Zo goed als alle grote farmabedrijven hebben reusachtige bedragen betaald aan “fraud and corruption settlements”,in de nadagen van hun groot marketingmodel voor blockbusters. Op dit ogenblik speelt de furieuze en ook dure reactie tegen het promotiemisbruik van opoïden en fentanyl-achtige produkten, met vergelijkbare uitkomsten.

 

Winstmarges van 12 tot 14% zijn hoog, zelfs voor een sector die hoge R&D-risico’s neemt. Ook in de USA, waar men vaak de prijs van een geneesmiddel kan verhogen – wat bij ons onbestaande is – komt daar nu kritiek op. En die kritiek is fors toegenomen toen recent werd vastgesteld dat de bedragen die farmabedrijven besteedden aan de inkoop van eigen aandelen hoger waren dan hun investeringen in R&D.

 

Kortom, overheden moeten kritisch omgaan met de terugbetaling van geneesmiddelen en met de voorgestelde prijzen. Farmaceutische bedrijven hebben een enorme verdienste in de ontwikkeling van innovatieve geneesmiddelen die onbeantwoorde medische nood kunnen lenigen. Maar ze moeten zich, zoals alle bedrijven, correct gedragen.

 

Misschien is dus een prijs van 1,9 mio€ voor een middel voor de tien twee maanden oude baby’s die in België kunnen geboren worden met de aandoening SMA wel verantwoord, ook al is uitgesloten dat de USA-prijs kritiekloos in België wordt overgenomen. SMA is wel unaniem hoog op de prioriteitenlijst gezet.

 

Overheden, academici, behandelend artsen, patiënten en farmaceutische bedrijven moeten verder samenwerken om de juiste geneesmiddelen op de juiste manier en aan de juiste prijs bij de patiënten te brengen. En dat in een omgeving waarin het budget van de ziekteverzekering eigenlijk te snel stijgt.

 

Maar voor Pia komt het geneesmiddel in elk geval te laat. Zo kan noodlot toeslaan, en kunnen oplossingen die men graag had willen verwezenlijken en waarvoor zo veel goodwill werd gemobiliseerd, in werkelijkheid wensdromen geweest zijn. Het leven kan unfair zijn. Dat zal, vandaag en morgen, zo blijven. Want voor elke ouders wiens kind ziek is, zal de ontwikkeling te traag gaan. Dat ontwikkelingen gewoon doorgaan moet ieder een hart onder de riem steken. Maar het vergt dat men het debat kan blijven voeren over alle elementen, en met het oog op een oplossing die steekhoudend is.

 

De media-commotie in individuele gevallen vestigt telkens weer de aandacht op een schrijnend geval. Verontwaardiging gaat voor op de feiten, nu – niet voor het eerst – is gebleken dat de aandoening van deze baby te ver gevorderd is voor dit kind. “Collateral damage” van overijverige mediatisering?

 

 

Houd op met vergoelijking van salafisme

NRC en Nieuwsuur brachten het lesmateriaal van de Nederlandse koranscholen uit, dat de radicale salafistische islam promoveert (DS 12 september). Zo leren kinderen vanaf hun 10dejaar er dat personen met een andere religieuze overtuiging de doodstraf verdienen, net zoals holebi’s of moslims die een buur een fijne kerst toewensen. Of nog, dat jongens hun ogen moeten neerslaan wanneer ze een meisje kruisen, of dat van dieven de hand wordt afgehakt of nog, dat overspeligen worden gestenigd (www.nieuwsuur.nl).

In een opiniestuk (DS 13 september) kwam El Hammouchi op voor de “vrije meningsuiting voor Koranscholen”, met een pleidooi tegen de “criminalisering van onpopulaire maar orthodoxe islamitische doctrines”, en tegen “de ongewenste beknotting en bemoeienis vanuit de overheid” tegen vrije opinies over homosexuele betrekkingen, buitenechtelijke relaties en de verhoudingen van man en vrouw.

Zijn stuk wast de radicaalste lezing van de islam wit en rust, net zoals zijn boek (Lastige vragen, de knoop in de westerse ziel, 2018),  op een radicale opvatting van godsdienstvrijheid als vrijbrief voor salafisme. Hoewel hij de indruk wil geven te redeneren binnen onze normen,  staat zijn discours er totaal buiten.

In ons rechtsbestel zijn fundamentele rechten niet absoluut: alle fundamentele rechten kunnen beperkt worden, zowel volgens de Grondwet (art. 19) als het Europees Mensenrechtenverdrag (art. 9).De vrijheid van godsdienst bestaat maar binnen de rechtsstaat, niet daarbuiten of daarboven. Daaruit vloeit voort dat uitspraken die men religieus wil legitimeren, altijd onderworpen zijn aan juridische beperkingen. Godsdienst kan dus geen rechtsbron zijn.

De radicale leerstellingen die in de koranscholen worden onderwezen, en die in de reportages werden geopenbaard, overschrijden bestaande rechtsregels. Zo verbiedt het discriminatierecht om mensen te discrimineren omwille van hun geslacht of geloof. En meningsuitingen die oproepen tot haat of geweld zijn strafbaar.

Van holebi’s, ongelovigen of personen die anderen een fijne kerst toewensen aanvoeren dat ze de doodstraf verdienen, of van dieven dat men hen de hand moet afhakken, staat buiten de rechtsstaat en suggereert dat de islam geweld rechtvaardigt naast het geweldsmonopolie van de staat. Zulke bestraffingen zijn een misdrijf en de oproep ertoe valt buiten de vrijheid van meningsuiting: godsdienst is geen rechtvaardigingsgrond om een misdrijf te plegen of om zulke uitingen te doen.

Ook bij ons worden grote inspanningen geleverd door imams, zoals Khalid Benhaddou, om deze radicale salafistische versies van de islam aan te klagen. OCAD kwalificeert die salafistische islam terecht als gevaarlijk en verontrustend. Ze wordt nochtans wekelijks  in tientallen koranscholen in het land onderwezen, onder het mom van de godsdienstvrijheid. Beleid moet dit bijzonder krachtig aanpakken, we hebben van zulk beleid zelfs nog geen begin in Vlaanderen of België. De salafistische propaganda belet ook de emancipatie van de moslimgemeenschap in ons land en is een rem op haar correcte integratie.

Voorts is de scheiding van kerk en staat geen verbod voor de overheid om radicale islamopvattingen fors te bestrijden, zoals El Hammouchi in zijn apologie van het salafisme beweert. Het tegendeel is waar: ze houdt in dat het burgerlijk gezag altijd voorgaat op het kerkelijke, en overheden moeten de radicale opvattingen die onder het mom van godsdienstvrijheid beleden worden, bestrijden, in overeenstemming met de Grondwet en het EVRM.

De scheiding van kerk en staat, is, tenslotte, ook een scheiding van kerk en buitenlandse staat. Moskeeën, imams en koranscholen moeten binnen het rechtsbestel opereren,  ze kunnen ook niet vanuit andere staten worden opgezet of gefinancierd. Ook dat moet krachtig aangepakt worden.

Het wekt verwondering hoe onachtzaam we in ons beleid en media blijven omgaan met deze zaken. We kunnen ons dat niet permitteren. Een rechtsstaat vergt voortdurend aandacht en onderhoud, en gaat teloor bij gebrekkige handhaving van zijn beginselen.

De beginselen van menings- en godsdienstvrijheid legitimeren op geen enkele manier het salafistisch onderricht. El Hammouchi verwringt deze beginselen, met als oogmerk aan de godsdienstvrijheid een radicale gelding toe te kennen en salafisme te vergoelijken. Daarmee staat hij buiten de rechtsstaat, en dat verdient geen podium, noch in scholen, noch in media.

 

Vandaag ook in De Standaard en op http://www.standaard.be

 

 

 

 

Kabouterinstituut

 

Plopsland is, naar verluidt, in gebreke gesteld door het Instituut voor gelijkheid van vrouwen en mannen. Bij moederdag mogen alle moeders gratis binnen met hun kinderen en bij vaderdag geldt dat aanbod voor alle vaders. Volgens het Instituut overtreedt Plopsaland daarmee de genderwet, die elke discriminatie op basis van geslacht verbiedt. Op vaderdag worden vrouwen ongunstig behandeld, op moederdag geldt dat voor mannen.

Dit instituut kan een ernstige taak hebben, de gelijkheid van mannen en vrouwen bevorderen. Maar het kan ook afglijden naar de parodie van zichzelf; van bij de oprichting lijkt het Instituut een fundamentalistische lezing te geven aan de op zich al problematische genderwet. Inzake discriminatiebeleid zijn we de trappers écht kwijtgeraakt.

Het laatste wat we nodig hebben is een keizer-kosterlijke benadering van deze dingen, een nieuw paternalisme dat de legitimatie voor zijn radicalisering ontleent aan een slechte wet. Dan verworden zulke overheidsdiensten tot een Geistesministerium, dat Orwell waardig zou zijn.

GELIJKHEID VAN KANSEN

Hier is geen sprake van enige discriminatie. Op vaderdag worden de vaders in de bloemetjes gezet, op moederdag de moeders. Wie wordt er gediscrimineerd? De moeders op vaderdag en de vaders op moederdag? Komaan, zeg! Eén ogenblik van ernst moet zulke lezing toch voorkomen?

Er is een volledige gelijkheid van kansen. Een totaal verkeerde lezing van het gelijkheidsbeginsel eist een totale gelijkheid van resultaat, op élk moment. Dat is onzin en bij een goed begrip van het gelijkheidsbeginsel is er dan ook geen rechtsgrond voor. Prof. De Vos schreef over slechte gelijkheid en goede ongelijkheid zijn magnum opus : “Ongelijk maar fair”, LannooCampus, 2015. Als de huidige wettekst de verkeerde lezing legitimeert, dan is dat het zoveeslte bewijs dat de pover geredigeerde genderwet moet herschreven worden.

ECHTE GELIJKHEID

Mensen zijn totaal verschillend, niet alleen inzake geslacht, ook inzake voorkomen, herkomst, huidskleur, taal, religie, en zo verder. Die diversiteit is een rijkdom. De kern van het gelijkheidsdenken, dat we danken aan de Verlichting, is dat we mensen toch gelijk bejegenen, hoe verschillend ze onderling ook zijn: de verschillen legitimeren niet een andere behandeling, noch een voorkeurbehandeling voor de ene of een nadelige bejegening voor de andere. Filosofen noemen dat “de metafysiche gelijkheid”: zie Tinneke Beeckman in: “De Verlichting uit Evenwicht”, LannooCampus 2016.

DIFFERENTIATIE IS GEEN DISCRIMINATIE

Wel kan, mag, en moet soms rekening gehouden worden met verschillen, wanneer die pertinent zijn met betrekking tot de aard van de behandeling en de verschillende behandeling objectief wordt toegepast. Dat is legitieme differentiatie, en geen verboden discriminatie. Het gelijkheidsbeginsel is dan niet in het geding.

Zo zal niemand beweren dat we kinderen niet mogen uitsluiten van betalende tewerkstelling, ook al is dat een “discriminatie” naar leeftijd; in brandweer- of politiediensten zal niet elke betrekking kunnen aangeboden worden aan alle personen met een ernstige beperking, ook al is dat een “discriminatie” naar gezondheidstoestand of handicap. Neen dus, het is een legitieme differentiatie, en dus niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Het taalgebruikelijke “discriminatie” is een kreet die vandaag snel wordt geroepen, meestal té snel. Door geen behoorlijk onderscheid meer te maken tussen het nobele échte objectief dat men tracht te realiseren, en door jammerlijke handhavingshardnekkigheid in de verkeerde gevallen, wordt dat objectief ongeloofwaardig gemaakt en ondermijnd. Dat is maatschappelijk een écht zorgwekkende ontwikkeling.

REGELTJES EN INSTITUTEN

We denken ten onrechte dat we er altijd goed aan  doen om principes van gezond verstand of ethiek om te zetten in rechtsregels. Daar moeten we véél kritischer mee omgaan. We overdrijven ook in Instituten die van overheidswege en eigengereid gedragsgericht beleid uitvaardigen, zoals dit Instituut of zijn zusje Unia.

We denken alles op te lossen door het te juridiseren. Daardoor werden we een land dat overdreven véél regels combineert met een héél manke handhaving. Inzake fundamentele rechten pogen we handhaving te forceren door Instituten die enkel bevoegdheid hebben over een mini-mini-domeintje, en die vervallen dan in een hardnekkigheid die kan leiden tot ridiculiteit. Postzegeldenken is niet bevorderlijk voor het gezond verstand.

Ik wens alle moeders op moederdag en alle vaders op vaderdag een heuglijke feestdag toe. Wie geen kinderen hebben, wens ik vele andere heuglijke feestelijke dagen toe. Dat is niet het gevolg van enige discriminatie, maar de consequentie van hun lot of eigen verantwoordelijkheid. Die kan men met regeltjes en keizer-kosters niet uitgommen.

 

Deuren dicht of… Ramen en Deuren open ?!

Op zondag 26 mei bekenden bijna alle politici dat ze het signaal van de kiezer begrepen hadden: de toestand was ernstig, en ze zouden ernaar handelen. Zou het?

            “Het kiesstelsel van België verloopt in twee ronden. In de eerste ronde spreekt de kiezer. Dan sluit men de deuren en zijn de partijen aan zet. Wie een meerderheid achter zich kan scharen, wordt Eerste Minister.” Het is een uitspraak van Vice-premier Reynders in een RTBf-interview in 2007.

            Sedert 27 mei lijken de deuren inderdaad dicht. Een pleidooi om de ramen open te gooien.

Onze verkiezingen verlopen sereen en ordentelijk, en resultaten worden niet onrechtmatig beïnvloed. We hebben dan ook geen probleem aan de input-zijde. Toch richten velen de blik daarop, met pleidooien voor referenda, voor raadpleging van wie zijn stemrecht niet benutte, via een overheveling van bevoegdheden naar burgerinitiatieven, over ideeën van parlementaire hoorzittingen met wie de rug keert naar de instellingen, naar – godbetert! – suggesties om verkiezingen te vervangen door loterijen en ga zo maar door.

Maar nogmaals: ons écht politiek probleem zit niet aan de input-zijde van politieke besluitvorming, het échte probleem zit aan de output van het politiek proces.

DE ARMOEDE VAN HET VERKIEZINGSDEBAT

Er is natuurlijk ruimte voor verbetering aan de inputzijde. De armoede van het publiek debat, de afwezigheid van facts and figures in de analyses, de marginale rol van de partijprogramma’s, de dovemansgesprekken op radio en televisie, of nog, de leegte van het gekibbel onder politici zijn symptomen van slechte particratie. Die moet eruit.

De platte politieke verkiezingsmarketing, verpakt in oneliners en twitterbare quotes is dodelijk. Verkiezingen moeten  in een echte democratie het hoogtepunt zijn van een inspirerende en wervende politieke socialiserings- en mobiliseringsperiode van burgers.  Geen enkele partij heeft daarop ingezet; het lijken haast allemaal traditionele partijen, in de beste traditie van de slechte particratie.

VERTROUWEN OPGEZEGD

Het bewijs daarvan is gekend. Sedert lang rapporteren vertrouwensmetingen dat een meerderheid van de burgers in onze democratische rechtsstaat geen vertrouwen meer uitspreekt in zijn instellingen en leiders. Die leiders merken dat blijkbaar maar om de vijf jaar op, op de avond van de verkiezingen, wanneer ze spreken over “het signaal”. ’s Anderendaags is het signaal al vergeten. Een levendige democratie kan je nochtans niet bouwen met “niet-aanwezige burgers”: die omschrijving komt uit de titel van het proefschift van prof. em. Luc Huyse dat 50 jaar geleden is gepubliceerd.

HEBBEN VERKIEZINGEN EEN DOEL?

Het doel van verkiezingen is dat de bevolking aan de verkozenen de opdracht geeft om de publieke zaak naar best vermogen te behartigen, om de samenleving vooruit te brengen en om de welvaart en het welzijn van eenieder te bevorderen. En dat in een samenleving die rust op vrijheid en solidariteit, de fameuze waarden van de Verlichting.

In de 19deen 20ste eeuw werd de nachtwakersstaat een verzorgingsstaat en die werd een investeringsstaat. Sommige partijen en vakorganisaties waren toen de grootste sociale hervormers en vernieuwers, en ze dwongen een groots schema van sociale zekerheid af. Dat was de meest ingrijpende innovatie en verandering van onze samenleving.

Vandaag zijn partijen en vakorganisaties conservatieve en immobiele molochen geworden die te veel denken dat ze het verleden  kunnen beschermen tegen de toekomst. Ze verwaarlozen de toekomst, die voornamelijk de kinderen en kleinkinderen van hun leden betreft, ten voordele van het korte termijn-idee dat tot stilstand inspireert. Onbegrijpelijk voor de innovatoren van de vorige eeuw.

MACHT CORRUMPEERT

Politieke partijen associeerden zich te veel met denken in de verleidelijke termen van macht en machtsuitoefening. Montesquieu waarschuwde er in zijn De l’Esprit des Lois (1748) al voor, met de magistrale zin : “Le pouvoir corrompt le pouvoir”.Die corrumpering geschiedt net wanneer men verslaafd wordt aan het bezit en bespelen van macht, en uit het oog verliest dat men die niet om zichzelf verwerft, maar om er het geheel van de samenleving mee vooruit te helpen. Met een doel, een objectief, met name de behartiging van het fameuze algemeen belang.

Al in 1921 schreef Paul Hymans,  “columnist” avant la lettre en liberaal parlementslid, het volgende: “Partijen zijn te beschouwen als kliekjes,  een soort van electorale keuken waar lijsten met kandidaten worden gebrouwd, die alleen persoonlijke ambities of speciale belangen dienen”.Dit citaat komt uit het vlammend boek “De trukendoos van de Belgische particratie” van em. Prof. Wilfried Dewachter (2014), net zoals het eerdere citaat van Didier Reynders.

POLITIEK MOET AMBITIE FORMULEREN EN LEIDEN

Politici moeten de samenleving leiden, dàt is de verantwoordelijkheid van partijen en van de sociale partners. Ze moeten vooruitkijken en ambities uitspreken: de historische “man op de maan”-toespraak van John Kennedy van 1962 is het iconisch voorbeeld. Een wervend toekomstproject dat tot waarachtige fierheid stemt, dat verenigt, dat de gehele bevolking aanspreekt en mobiliseert. Het gaat om het ambitieus perspectief en een realistisch plan om het te bereiken. Dat leidt tot inclusie, hoop, vooruitgangsgeloof voor allen.

Met andere woorden: politici moeten verantwoordelijkheid nemen, dàt is hun mandaat. Angst en behoudsgezindheid zijn de slechtste raadgevers. Bij hun mandaat hoort ook dat ze moeilijkheden moeten uitleggen: burgers snappen dat, die ondervinden ook in hun dagelijks leven dat niet alles op rozengeur en maneschijn is.

De deuren moeten dus niet dicht, deuren en ramen moeten open. De bevolking mag en moet van politici verwachten dat ze een wervende ambitie projecteren waar ze de gehele samenleving mee kunnen mobiliseren. Dat is het signaal van 26 juni, de rest is naast de kwestie.

“FACTS AND FIGURES”

Na jaren van verwaarlozing, moeten we de basiskenmerken van de Belgische samenleving en economie durven rechttrekken. De kern is de moeilijke waarheid dat onze waardecreatie onvoldoende is om onze verzorgingsstaat te financieren. Dat is de voornaamste prioriteit van de volgende federale én regionale regeringen, het is trouwens een gedeelde verantwoordelijkheid.  De verkozen leiders in Noord en Zuid moeten na 26 mei die verantwoordelijkheid opnemen; anders zijn ze hun mandaat niet waard.

Om waarde te blijven herverdelen, moet ze eerst tot stand gebracht worden. Dat is wat ondernemingen doen. Dat vergt een samenleving waarvan de basiskenmerken kloppen: een performante overheid die snel en lucide beslist en zuinig opereert, geen 10% minder actieven dan landen die beter presteren, terug aansluiten bij de traditioneel hogere productiviteitsgroei, lagere maar efficiënte fiscaliteit, reanimatie van het onderwijs, de uitvoering van het pensioenplan, regelgeving die rechtszekerheid creëert… op al die basiselementen  gaan we al jaren achteruit.

De evidentie voor onze achteruitgang is overweldigend, enkele voorbeelden illustreren dit. Hoewel we lang uitblonken in logistiek, verstoren de groteske files systematisch onze mobiliteit en  verloren we bijna alle nieuwe investeringen in magazijnen voor de e-commerce aan de buurlanden. Een recente OESO-studie bewees nog maar eens dat onze traditionele voorsprong in productiviteitsgroei  zienderogen slinkt. De Waalse regionalistische denktank Institut Destrée waste de franstalige politieke wereld fors de oren in december : “Si la Wallonie n’est plus en déclin, elle ne se redresse pas”, zei Philippe Destatte in L’Echo van 29 dec. 2018. Zijn analyse geldt – mutatis mutandis –ook voor Vlaanderen en voor het land.

RECHT DE RUG, VORM DE REGERINGEN EN SLA DE HANDEN AAN DE PLOEG

De rituelen van de slechts particratie volstaan niet. Formuleer nu eens een gezamenlijke ambitie, bijvoorbeeld om België op het niveau van echt functionerende verzorgingsstaten te brengen, zoals Zwitserland of Denemarken, Duitsland of Zweden. Er zijn voorbeelden genoeg.

Verenig de gehele bevolking met een groots objectief: België van de 21steplaats in de internationale vergelijking naar top-5 (IMD, Competitiveness Index 2019). Vraag de kennisinstellingen om een plan voor dat traject op te stellen, laat de vooruitgang meten, en stuur bij.
Alle landen die betere resultaten hebben dan wij, handelen op die manier. Het kan dus. Ze hebben dezelfde politieke vraagstukken als wij, maar ze gaan vooruit en ze verzoenden hun burgers opnieuw met hun instellingen.

Onze ellendige stilstand en lethargie en onze stuitende besluiteloosheid zal niet worden beëindigd met verwijten over en weer of met totemdansen. Herstel van het staatsbudget en de economie, efficiënt en goed bestuur, de bevolking verenigen rond positieve ambitie… dat vergt leiding. Kortom: dames en heren politici, verlaat de tergende en roekeloze kwakzalverij, kom met beslissingen, handel. Dàt is uw mandaat.

Deze politieke generatie moet kiezen: wil ze de toekomst voorbereiden, of laat ze, met de recepten van een vorige eeuw en de wetmatigheden van de slechte particratie,  de achteruitgang van regio en land aanslepen ?

Ook op http://www.knack.be/doordenkers