Janneke- en Mieke-journalistiek. Back to basics!

Twitter en facebook riepen vooral een inhoudelijke onzinmarkt in het leven, terwijl journalistiek verdacht werd gemaakt als “fake news”. Gaan gevestigde media in die bedenkelijke ontwikkeling geheel vrijuit, of geloven ze te gemakkelijk dat ze  goed bezig zijn?

            Er komt een beetje deining uit eigen kring, toch. In De Morgen (7 dec.) keek hoofdredacteur Bart Eeckhout  in eigen boezem, en meteen kapittelde hij de politieke journalistiek : journalisten spelen te graag mee als actor in het politiek bedrijf, is zijn stelling. Niet ten onrechte, denk ik, maar het is wel héle forse mediakritiek uit eigen rang.

De fascinatie van politieke journalistiek voor het kleine gebeuren in de centra van de macht is merkwaardig. Elk zuchtje of kreuntje, elke blik of wenkbrauw wordt geanalyseerd.  Een geliefkoosde journalistieke dooddoener te parafraserend, kan men de vraag opwerpen of journalisten niet meer belangstelling hebben voor “de poppetjes en de postjes” dan voor de zaken die er echt toe doen. Zo wordt, bij wijze van voorbeeld, over de onnozelheid van het last minute-gesprek van Magnette met De Wever bericht met de dramatiek van een staatsbezoek. Er wordt gespind en gespeculeerd over hoe Janneke zich met Mieke verhoudt binnen de ene partij, en of Jefke nog met Anneke door dezelfde deur kan in de andere.

Laat journalistiek zich niet feestelijk bij de neus nemen door het leger van woordvoerders dat met gemeenschapsgeld spint en insinueert en het publieke debat doodt?

In Knack (20 nov.) ging Geert Buelens ook nog eens uitgebreid in op de rol van de vierde macht, terugkijkend op zijn eigen zgn. kerstessay in De Standaard van december 2009. Hij tekent een gemengd beeld en ziet vaak goede journalistiek, en toch ook veel “politique politicienne, (…) twijfelachtige opiniepeilingen en (…) oeverloos gespeculeer”.Hoewel hij, zoals in 2009, ook wel blijft aanvoeren dat journalisten de hand best ook in eigen boezem steken, reageert hij nogal wantrouwig naar één private mediagroep… puur op basis van speculatie. En hij presteert het om te pleiten voor meer subsidiëring en regulering, tja …

Media hebben de zgn. vierde macht-functie, ze horen de kritische waakhond te zijn van de democratie. Zijn ze dat eigenlijk wel genoeg? Leven ze niet te dicht op en met de dames en heren van de Wetstraat en omgeving?

Dient zich geen nieuwe missie aan, om de maatschappelijke lijm te versterken, en de cohesie in een gepolariseerde samenleving te vergroten?

Is er geen vacuüm te vullen in de zgn. publieke sfeer: de voortdurende, bedachtzame en inhoudelijke uitwisseling van argumenten en afwegingen, die een sterke sokkel moeten vormen van een democratie-in-beweging en van een rechtsstaat die rechtsstaat kan blijven?

Dàt is de échte – en niet zo gemakkelijke – roeping van moderne journalistiek. Op 19 augustus wijdde Lionel Barber, tot voor kort de gevierde hoofdredacteur van de Financial Times,er zijn hoofdartikel aan. Barber vertrok van de nieuwe visie op onze economie die in augustus krachtig werd verwoord door de Business Roundtable: niet langer is de maximalisatie van aandeelhouderswaarde hét doel van vennootschappen en bedrijven. Het is nù écht tijd voor een  inclusieve visie, die zorg besteedt aan àlle  “stakeholders” van bedrijfsmatige activiteit: de belangen van klanten, medewerk(st)ers, de samenleving, milieu en klimaat verdienen prominent aandacht. Ook aandeelhouderswaarde telt, maar naast en wellicht na deze andere.

De toekomst  gaat om “profit with a purpose”. De economie heeft een reset nodig, een nieuwe start. Hurst schreef er al over (Aaron Hurst, The Purpose Economy, 2014) en in Vlaanderen brengt Herman Toch dit gedachtengoed krachtig binnen (Happy Profit, 2014 en Positive Sum Game, 2019).

En dat geldt dus ook voor politieke journalistiek: purpose. Het màg echt ergens over gaan. De doelstelling (“purpose”) van goede journalistiek is de waakhond te zijn van de politieke verantwoordelijkheid en verantwoording in een democratische rechtsstaat.

Dan kom je er niet met Janneke-en-Mieke-journalistiek. Dan is een resetnodig van de eigen redactionele waarden. Dan behoeven allereerst de redactionele selectiecriteria een forse update.

Vandaag kan dat niet anders betekenen dan een echte rollenspeler te zijn, maar niet in de theatrale elementen van het publieke leven, maar in de onderliggende funderingen en waarden van de samenleving.

Dan ben je degene die de fundamenten van de rechtsstaat en de verzorgingsstaat uitlegt en toelicht, en er de burgers – alle burgers – toe motiveert.

Dan ben je de bouwer van de canon, dat is moeilijker dan te roepen dat de politiek die niet moet bepalen.

Dan ben je de spontane uitdrager van de waarden en normen, van inburgeringsdiscours en integratiesemantiek.

Dan ben je degene die burgers ook op hùn verantwoordelijkheden wijst, en dat kan je alleen door de eigen verantwoordelijkheid helder te maken en vooral door te tonen in staat te zijn dié alvast manmoedig te nemen.

Back to basics!

 

 

 

 

 

 

Prof dr (em) Leo Neels

8 dec. 2019

 

Een schitterende nota voor een ander land

Paul Magnette heeft een schitterende nota geschreven voor een ander land. Een land met goed bestuur, fors opgebouwde reserves, en bestuurders die projectmatig denken. Het plan-Magnette past bij de grote macro-economische fundamenten van België zoals een hulpbisschop bij een bordeel. De gespreksnota van de informateur is wensdenken, en formuleert doelstellingen die haaks staan op de zieke macro-economische fundamenten. Zijn ambitie is die van een tweedeklasser die de Champions League willen winnen. Kortom, een recept voor verdere achteruitgang.

Ons probleem is niet dat we aan de top staan en moeite doen om er te blijven. Het Belgisch probleem is dat we zowel federaal als met onze regio’s écht achteruit gaan: er is geen énkele internationale index met macro-economische gegevens waarin we boven de middenmaat uitsteken.

Volledige tewerkstelling is een nobel doel, maar energie-efficiëntie en de magische oplossing van de files gaat onze productiviteit niet fenomenaal opkrikken.  We hebben geen performant openbaar vervoer, men lacht met de NMBS en De Lijn, en alleen met performant openbaar vervoer kan je de mobiliteit herstellen. Dé kern van productiviteitswinst is dat eenieder die kan langer actief blijft, en dat er terug meer Belgen de weg uit de niet-activiteit naar de arbeidsmarkt vinden. Onze grootste vijand is de rigiditeit van de arbeidsmarktreglementering, en de houding van vakorganisaties die vertrekken van verworven rechten uit het verleden, en zo het noodzakelijke herstel blokkeren. Dat is ook ten nadele van jongeren, voor wie de instap in de arbeidsmarkt te moeilijk is: er ontbreken daartoe te veel sporten onderaan de loopbaanladder.

De groene economie is een mooi doel, maar we zijn niet werkelijk in staat  afscheid te nemen van kernenergie, we hebben onvoldoende gascentrales en blijven dus aangewezen op import van dure energie van elders. Hoe milieuvriendelijk die is geproduceerd is niet altijd helder, en de energieprijs is in werkelijkheid nu al een vorm van alternatieve inning van belastingen om de verliezen van verkeerd milieubeleid uit het verleden te betalen.

Hogere pensioenbijdragen, en kortere arbeidsduur zijn, in het licht van de tekorten in de sociale zekerheid, vrome wensen waarvoor er geen middelen zijn. Destijds was de bijspijkering van de tekorten uit sociale bijdragen door gewone fiscale inkomsten al afhankelijk gemaakt van voorwaarden om toch enigszins redelijk te blijven en tot sanering te komen. De opheffing van die voorwaarden slaat ons terug naar de periode van “alles kan, doe maar op!”.

Goede migratie kan een stukje onze activeringsgraad verhogen, maar dat vergt een uitgewerkt plan van selectieve immigratie, en – eindelijk – een degelijk plan om ongewenste immigratie te blokkeren, naast – ook eindelijk – een gedegen humanitair plan om vluchtelingen die het verdienen correct te verwelkomen en snel naar de arbeidsmarkt te leiden. Daar is maar weinig van te vinden, net zoals de uittredende regering er niet echt werk van maakte.

Justitie en veiligheid moeten meer geld hebben. Welk geld? En is geld daar altijd het probleem, of ook achterhaalde organisatie, manke uitrusting, slechts wetgeving en werkwijzen uit vorige eeuwen?

En een meer efficiënte staat. Dat zal wel. Men moet beleefd blijven, maar past hier niet de vraag: is dat dan beleid zoals in Wallonië? Symboolbeleid zoals de afschaffing van de Senaat, of cosmetisch werk aan de staatshervorming gaat de zaken echt niet oplossen. Er is een totale “big bang” nodig, een ontwaken van de politieke wereld in het jaar 2019, nà het electoraal débàcle van mei.

Wat écht nodig is, is de formulering van heldere beleidsdoelen op grond van een écht inhoudelijk debat, de opstelling van projecten met zichtbare en meetbare doelen, de sanering van de fundering van onze macro-economie, een forse reductie van de rol van de overheid en een grote kosten-efficiëntie. Andere landen, die ook een zware verzorgingsstaat te financieren hebben, deden het ons voor: Zwitserland, Denemarken, Zweden, Nederland…

Het kan zonder ingrepen in uitkeringen, maar met forse en professionele ingrepen in de achterhaalde administratieve processen. Dat vergt vooral politieke moed, eerlijkheid om aan de burger de inzet goed uit te leggen, en een eerlijke uitvoering. Dé olifant is de kamer is altijd de slechte particratie, die verkozenen altijd doet focussen op hun herverkiezing, die dure kabinetten verzint om de normale werking van de administraties te belemmeren, en die de aandacht blijft richten op kleine particuliere belangen en het algemeen belang verwaarloost.

Er is nu al veel nagedacht in het Elysette, de Wetstraat en het Martelarenplein. Maar zou men in de hoofdkwartieren van de partijen ook al in eigen boezem gekeken hebben, om het politieke vak heruit te vinden en te resetten, door de methoden van de politiek van de vorige eeuw achter zich te laten en fris en doelgericht  te leren  optreden voor de goede zaak, dat is de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen?

 

 

Vandaag ook gepubliceerd in DE STANDAARD

 

Het journalistiek schietkraam

Gerechtsjournalistiek heeft alles te winnen bij een zekere moderatie in de toon en voorstelling. Ze behandelt vaak toch delicate zaken, met een grote inzet voor procespartijen, die in de openbare behandeling van hun rechtszaak al heel veel moeten inzetten en opgeven.

Het zou een motief moeten zijn voor een serene behandeling en analyse, met een poging om beter inzicht te doen ontstaan in de moeilijkheidsgraad van een rechterlijke behandeling en beoordeling, en elementen aan te reiken die het publiek wapenen om dergelijke zaken beter te begrijpen.

De indruk bestaat dat hier ruimte is voor verbetering. Zo passen enkele vraagtekens bij de theatrale wijze waarop in Vlaamse media de strafzaak tegen dr Bo Coolsaet en de rechterlijke uitspraak in eerste aanleg wordt behandeld.

De BV-uroloog werd zopas veroordeeld tot een forse gevangenisstraf wegens verkrachting van een patiënte bij gelegenheid van een medische behandeling, zo’n 15 jaar geleden.

De wereld is gevoeliger geworden dan voorheen voor slachtoffers van sexueel ongepast gedrag, en sexueel geweld, voornamelijk na de zgn. “Me too”-beweging. Een goede zaak.  De slinger kan ook doorslaan, en dat effect zindert misschien wel na in de journalistieke gretigheid waarmee men een dergelijke zaak behandelt. Kan men daar ook eens bij stilstaan?

De zaak heeft toch enige complexiteit. Het Openbaar Ministerie had geen veroordeling gevorderd wegens onvoldoende bewijs, toch verklaarde  de Correctionele rechtbank dr. Coolsaet schuldig – wat haar autonomie is – en  sprak ze een scherp verwoorde en keiharde veroordeling uit.

Dàt is een interessante kwestie, waarover we – een enkele uitzondering daargelaten – dan weer heel weinig horen of lezen. Het Openbaar Ministerie en de zittende magistraten keken totaal anders naar dezelfde zaak, en beoordelden de zaak verschillend. Dat is legitiem, ook dat is rechtspraak: afweging, tegenspraak, intieme overtuiging op grond van het bewijs dat er is. Er zijn dus veel aspecten aan de zaak die rustige verheldering en serene toelichting vergen. Die zijn belangrijker dan de emotie of de sensatie van een veroordeelde BV. Zijn we die belangrijke gerechtsjournalistieke vaardigheden helemaal aan het verliezen?

Rechtspraak is een publieke aangelegenheid van zeer groot maatschappelijk belang, omdat fe functionering van de rechterlijke macht in een rechtsstaat essentieel is. Journalistieke aandacht daarvoor is dus niet alleen geoorloofd maar gewettigd en noodzakelijk.

De kern ervan is dat goede gerechtsjournalistiek zijn kritisch oog houdt op rechtspraak en hoe hoven en rechtbanken het ervan af brengen in rechtszaken die de aandacht trekken. De journalistieke kadering en toelichting moet het publiek in staat stellen om beter te kunnen volgen wat er aan de hand is, en haar kritisch oog vooral doen rusten op de wijze waarop recht wordt gedaan aan de rechten van de diverse betrokken partijen. Het is niet de bedoeling om een nevenproces te voeren in de media, noch om antipathie tegen of sympathie op te wekken voor een procespartij of haar raadsman.

“Media can make and unmake reputations”.  Ze kunnen onbeschroomd personen ophemelen en over het paard tillen,  ze kunnen ze ook laten vallen als een baksteen en natrappen. Zeker in gerechtsjournalistiek moeten de media niet het alternatieve forum van de gerechtelijke beoordeling willen zijn, noch de rechterlijke behandeling willen imiteren, noch daar een schep bovenop willen doen.

Steeds loopt na een rechterlijke uitspraak een termijn van een maand waarbinnen hoger beroep kan worden aangetekend tegen een veroordeling. Zo lang de veroordeling niet definitief is geworden, blijft de betrokkene genieten van het vermoeden van onschuld. Hij beschikt over al zijn rechten van verdediging als beschuldigde om zich voor het Hof van Beroep te verdedigen als onschuldig man. Hij moet dan ook zo worden behandeld.

Dat vergt sereniteit zodat de dames en heren Raadsheren in het Hof van Beroep professioneel en weloverwogen kunnen oordelen. Dat is hùn vak, niet dat van redacties.

Emotie en ratio in het Geneesmiddelendebat…

 

Belgische autoriteiten gaan behoorlijk om met beslissingen over terugbetaling van innovatieve geneesmiddelen. Dat vergt dat keuzen gemaakt worden tussen een groot aanbod,  dat men kritisch kijkt naar de therapeutische meerwaarde en de gesuggereerde prijs, en dat tegen de achtergrond van een ziekteverzekeringsbudget dat al ruim sneller stijgt dan het BNP. Toch verkrijgt een ruime helft van nieuwe geneesmiddelen of nieuwe indicaties   terugbetaling; en de prijs van die terugbetaling ligt tot 50% onder de Amerikaanse prijs.

Nochtans resten er steeds  onbeantwoorde medische noden, en rijzen er altijd vragen over de innovaties die hier niet terugbetaald worden: het zal maar voor jouw kind zijn, inderdaad, volgens de geijkte uitdrukking zouden ouders een moord plegen voor het leven van hun kind.

Het geval van de 10 maanden oude baby Pia is schrijnend: het geneesmiddel dat haar zou kunnen redden is niet geregistreerd in Europa, en kan dus niet terugbetaald worden in België. Het is enkel in de USA op de markt, en het kost er ong. 2.099.244 US$, of 1.900.000,=€. Een beroep op crowdfunding werkt, en de familie lijkt geholpen. Dat alles gebeurt tegen een lawine van opinies tegen onze onbekwame overheden en tegen de woekerpraktijken van de farmaceutische sector.

Tot prof. L. Servais, die verbonden is aan de universiteiten van Oxford en Luik, en bij de klinische studies voor Zogensmaâvan Novartis, op www.lalibre.bedoet opmerken dat de werkzaamheid van het geneesmiddel enkel is aangetoond voor baby’s die jonger zijn dan 2 maanden, en bij wie nog geen symptomen van de aandoening tot expressie kwamen. Bij oudere baby’s zijn nog geen klinische studies uitgevoerd, en zijn de resultaten naar verwachting niet beter dan deze van een behandeling met Spinrazaâ, dat in België wel terugbetaalbaar is, en enkel de evolutie van de aandoening afremt en de symptomen verzacht. Voor Pia komt het onbereikbaar geachte geneesmiddel in elk geval te laat.

ANTI-KAPITAAL OF PRO-INNOVATIE

Het geneesmiddelendebat wordt bij elke gelegenheid misbruikt voor een tirade tegen de farmaceutische sector. Men vergeet dat deze ongeveer alle grote innovaties naar voor heeft gebracht:  private bedrijven zeer klaarblijkelijk zeer performant in de ontwikkeling van geneesmiddelen, wat een kennis- én kapitaalsintensieve zaak is.

 

Ze excelleren in de combinatie van hoogstaand wetenschappelijk onderzoek, onder het allerstrengste toezicht van FDA en EMA, met de inzet van vrijwel onbeperkte financiële middelen om dat onderzoek te financieren. Ja, ze bouwen voort op fundamenteel onderzoek dat in academische middens wordt gedaan; maar ze zijn ook weer de grootste private financiers van zulk onderzoek door onze universiteiten via leerstoelen en dergelijke, omdat er altijd te weinig overheidsgeld is voor de topresearch die onze academici in België in de biomedische sector doen.

 

De kennis die ze genereren is, net zoals die van universiteiten, beschermd door octrooien die de kennis publiek beschikbaar maken voor iedereen, en de exploitatie ervan tijdelijk reserveren voor de octrooihouder. Bij acadmeische research is vandaag de academische zijde altijd mee de IP-begunstigde. Deze bescherming van intellectuele eigendom ligt mee aan de basis van het innovatie-succes van onze academische onderzoekers en van de farmaceutische bedrijven.

 

Vaak ontstaan uit de universiteiten zgn. start-up-bedrijven die van het puur fundamenteel onderzoek evolueren naar pre-klinisch onderzoek. Zelden groeien zulke start-ups door tot volwaardige bedrijven, er is een lange rij van sukkelpaden, denk aan Innogenetics, Thrombogenics of Tigenix, Ablynx en andere: de ontwikkeling van een eigen geneesmiddel blijkt vaak niet haalbaar. Misschien is Galapagos bezig de uitzondering te worden die de regel bevestigd: met alle respect, dat blijft nog te bezien, al zijn er vele indicatoren die nu in die richting wijzen.

 

Grotere farmaceutische bedrijven kopen dan de start-up-bedrijven op. Die hebben niet genoeg middelen, en vaak ook niet de kennis, om de klinische studies te financieren, en farmabedrijven kennen het ontwikkelingstraject voor geneesmiddelen, het is hun sterkte. De start-ups, en ook de universiteiten die eraan meewerkten, worden daar in de regel uitstekend voor betaald. Gelet op de zwakte van de zgn. “pijplijn” van farmabedrijven, worden soms zeer hoge bedragen geboden voor zulke overname, en wellicht ook vaak te hoge.

 

VRIJE EN GEREGULEERDE PRIJZEN

In de USA is de prijszetting voor geneesmiddelen totaal vrij, men rekent er ook voor gezondheidszorg op de vrije markt, doch dat systeem kraakt flink. Met Obamacare kwam er een min of meer ordentelijke ziekteverzekering voor miljoenen amerikanen die voordien niets hadden, en langzaam maar zeker komt er ook kritiek op wangedrag van de farmaceutische sector.

 

Toen veel geneesmiddelen nog massageneesmiddelen waren, werd er veel, en soms te veel, ingezet op de beïnvloeding  van artsen om het “juiste” geneesmiddel voldoende voor te schrijven. Vandaag zijn die massageneesmiddelen fors in prijs gedaald en zijn de  merkgeneesmiddelen voor chronische aandoeningen grotendeels vervangen door generische alternatieven. De marketing is fors gereduceerd, zowel door codes van de sector, als door overheidsingrijpen, als door gerechtelijke interventies die, in de USA, hoge boetes oplegden aan de farmaceutische bedrijven. Terecht: het gaat altijd om gezondheid en levenskwaliteit, en bedrijven die daarin actief zijn horen zich correct te gedragen.

 

KLEINE PATIËNTENGROEPEN

Tegelijk ontstond de gepersonaliseerde geneeskunde. Steeds beter kent men het menselijk DNA, en kan men werken met manipulatie van cellen en genen, ook met geneesmiddelen die gekweekt worden op basis van lichaamseigen materiaal. Dat laat ook toe om op voorhand te weten welke patiënten gunstig zullen reageren op een geneesmiddel. Daarmee verdwijnt de oude “blockbuster”-industrie: het geneesmiddel is geschikt voor een kleine groep van patiënten, en van die groep weet men praktisch op voorhand dat het zal werken.

 

Dat is een formidabele vooruitgang. Overheden erkennen dat: ze ontwikkelden, in de USA en in Europa, schema’s voor versnelde erkenning van geneesmiddelen, en voorkeurschema’s voor ontwikkeling van zgn. weesgeneesmiddelen, dat zijn geneesmiddelen voor aandoeningen die slechts bij een klein deel van de bevolking voorkomen, nl niet meer dan 5 op 10.000 personen in de EU.

Maar die ontwikkeling heeft ook  een beperking. Hoe kan men, met een geneesmiddel voor een kleine groep van patiënten, de investeringskost terugverdienen? Eigenlijk kan dat nauwelijks of niet. En daar zit de kern van een moeilijk oplosbaar vraagstuk. Dat men het toch probeert rust op het idee dat een farmaceutische bedrijf altijd wel een brede portfolio zal hebben van geneesmiddelen voor een breder publiek dat aan chronische aandoeningen lijdt en langdurig gebruiker blijft. Talloze fusies en overnames hebben aangetoond dat dat eigenlijk niet het geval is: meestal was men op zoek naar een pijplijn van potentiële ontwikkelingen, teneinde de duurzaamheid van de onderneming te kunnen garanderen. Ook dat model loopt langzaam maar zeker op zijn laatste benen. Er zijn niet zo veel grote fusies meer denkbaar, er zijn niet heel veel goed gevulde pijplijnen meer, en de overname van start-ups lijdt meestal maar tot één innovatieve therapeutische innovatie, met grote onzekerheid.

 

OVERHEDEN EN PRIJS

Onze overheden hebben kritisch leren omgaan met de prijzen van geneesmiddelen. In een eerste fase werd gekeken naar de kost van de ontwikkeling van het geneesmiddel, maar die bedragen zijn moeilijk te objectiveren en niet te berekenen.  Ze flucueerden van ongeveer 500 miljoen US$ naar 2 of 3 miljard US$. Wat meespeelt is dat bedrijven ook de kost moeten recupereren van onderzoekspistes die niet tot een geneesmiddel leiden, en die dus opnemen in hun berekeningen.

 

Vervolgens werd gekeken naar de waarde van het geneesmiddel. Men werkte een standaard uit voor een “gewonnen kwaliteitsvol levensjaar” (“QALY”), en liet ongeveer 40.000€ toe per jaar. Dat was goed in de periode van incrementele vooruitgang, wanneer een nieuw geneesmiddel, bij wijze van voorbeeld, 6 maanden “QALY” toevoegt. Dan zou de waarde 20.000€ zijn.

 

Men zou ook kunnen kijken naar de uitgespaarde kost van een patiënt die levenslang complexe behandelingen moet ondergaan, en die men nu vroeg kan genezen. Dat zou naast de vergoeding voor het gewonnen levensjaar, kunnen gekeken worden naar het geheel van uitgespaarde uitgaven. Daar zijn we nauwelijks nog aan toe. Het is niet altijd makkelijk dat te berekenen, veel van die uitgaven die men niet meer heeft  zitten in andere budgetten dan het geneesmiddelenbudget (artsenhonoraria, hospitaalopname, werkloosheid en invaliditeit etc.), en ieder schermt zijn budget af…

 

Met de huidige gepersonaliseerde geneeskunde, en cel- en gentherapie, worden evenwel bij de op voorhand geselecteerde patiënten forse resultaten bereikt, tot genezing toe. Dan kan je tien of twintig kwaliteitsvolle jaren winnen, en zou 800.000,=€ de aanvaardbare prijs zijn voor de behandeling, ook als die uit één infuus of injectie bestaat. Of, wanneer men een baby van 10 maanden zou kunnen genezen, en 70 kwaliteitsvolle levensjaren wint, zou dan 2,8 miljoen € de juiste prijs zijn?

 

 

ONZEKERHEID

Hier spelen weer twee andere indicatoren. De eerste is de onzekerheid over de LT-effecten, die kennen we niet allemaal bij behandeling. Integendeel, ook autoriteiten willen nu dat geneesmiddelen versneld beschikbaar zijn, zeker die voor aandoeningen waarvoor er nog geen zijn, en nog meer voor weesziekten. Dan heb je geen LT-perspectief. De kernvraag is dan: hoe beheers je die onzekerheid? Dat zou kunnen door de evolutie in de werkelijkheid te volgen (“real life data”) en te blijven rekenen en herrekenen. De volle prijs kan dan verdiend worden bij gestabiliseerd goed resultaat, er moet terugbetaald worden wanneer het goede resultaat zou ophouden of verminderen. Die technieken passen overheden al toe.

 

Een andere indicator is de totale budgetimpact. De middelen van de overheid zijn altijd beperkt. Zelfs als je spreekt van een geneesmiddelenbudget van 4,6 miA € (waarvan 1 miA naar de distributie gaat), zijn de middelen altijd te beperkt voor de behoeften. De totale budgetimpact (prijs vermenigvuldigd met het aantal patiënten) speelt dan een matigende rol.

 

OVERLEG EN CONTRACTEN

Onze overheden bekijken de geneesmiddelenprijs wel bijzonder kritisch. Standaard gebeurt dat in het kader van de multilaterale commissie voor Tegemoetkoming aan Geneesmiddelen. Daar beraadslagen artsen en academici, ziekenfondsen en ambtenaren over prij sen terugbetaling, op basis van een voorstel van prijs van het farmaceutisch bedrijf, en na onafhankelijke analyse van de waarde van het geneesmiddel in het therapeutisch aanbod. Het zijn complexe en moeilijke debatten, waarin maar weinigen zich écht engageren. De kernvraag blijft hoe men best omgaat met de onzekerheid van het nieuwe middel, dat uit het wat artificiële parcours van de klinische studies komt.

 

Toen te veel innovaties dreigden afgewezen te worden, ontwikkelde het Riziv met zijn stakeholders consensueel een contractuele vorm van terugbetaling. Dat zijn de vaak negatief gepercipieerde “niet-transparante” contracten. Een deel van de informatie in die contracten is niet-transparant, omdat het om zakengeheimen gaat; maar men verkiest dat nadeel om patiënten toegang tot het geneesmiddel te kunnen verschaffen. Kenners weten dat deze contracten – in het jargon art. 81 en 81 bis – de reddingsboei zijn geweest voor onze ziekteverzekering om grote en goede innovaties terug te kunnen betalen.

 

Met succes: ongeveer de helft van de internationaal beschikbare innovaties zijn in België terugbetaalbaar, en de prijzen zijn fors lager dan de Amerikaanse die “vrije markt”-prijzen zijn. Vermits onze ziekteverzekering met publieke middelen is gefinancierd, is dat verantwoord.

 

HET GEDRAG VAN DE FARMASECTOR

Steeds is men ook kritisch naar wangedrag van farmaceutische bedrijven, en we zien dat ze in de USA, waar ze traditioneel gigantische beleidssteun kregen, ook die steun aan het verliezen zijn. Hoewel vrije prijsvorming in de USA een heilige koe is, wordt er nu ook gesproken van prijscontrole, al blijft dat een on-amerikaans begrip. Zo goed als alle grote farmabedrijven hebben reusachtige bedragen betaald aan “fraud and corruption settlements”,in de nadagen van hun groot marketingmodel voor blockbusters. Op dit ogenblik speelt de furieuze en ook dure reactie tegen het promotiemisbruik van opoïden en fentanyl-achtige produkten, met vergelijkbare uitkomsten.

 

Winstmarges van 12 tot 14% zijn hoog, zelfs voor een sector die hoge R&D-risico’s neemt. Ook in de USA, waar men vaak de prijs van een geneesmiddel kan verhogen – wat bij ons onbestaande is – komt daar nu kritiek op. En die kritiek is fors toegenomen toen recent werd vastgesteld dat de bedragen die farmabedrijven besteedden aan de inkoop van eigen aandelen hoger waren dan hun investeringen in R&D.

 

Kortom, overheden moeten kritisch omgaan met de terugbetaling van geneesmiddelen en met de voorgestelde prijzen. Farmaceutische bedrijven hebben een enorme verdienste in de ontwikkeling van innovatieve geneesmiddelen die onbeantwoorde medische nood kunnen lenigen. Maar ze moeten zich, zoals alle bedrijven, correct gedragen.

 

Misschien is dus een prijs van 1,9 mio€ voor een middel voor de tien twee maanden oude baby’s die in België kunnen geboren worden met de aandoening SMA wel verantwoord, ook al is uitgesloten dat de USA-prijs kritiekloos in België wordt overgenomen. SMA is wel unaniem hoog op de prioriteitenlijst gezet.

 

Overheden, academici, behandelend artsen, patiënten en farmaceutische bedrijven moeten verder samenwerken om de juiste geneesmiddelen op de juiste manier en aan de juiste prijs bij de patiënten te brengen. En dat in een omgeving waarin het budget van de ziekteverzekering eigenlijk te snel stijgt.

 

Maar voor Pia komt het geneesmiddel in elk geval te laat. Zo kan noodlot toeslaan, en kunnen oplossingen die men graag had willen verwezenlijken en waarvoor zo veel goodwill werd gemobiliseerd, in werkelijkheid wensdromen geweest zijn. Het leven kan unfair zijn. Dat zal, vandaag en morgen, zo blijven. Want voor elke ouders wiens kind ziek is, zal de ontwikkeling te traag gaan. Dat ontwikkelingen gewoon doorgaan moet ieder een hart onder de riem steken. Maar het vergt dat men het debat kan blijven voeren over alle elementen, en met het oog op een oplossing die steekhoudend is.

 

De media-commotie in individuele gevallen vestigt telkens weer de aandacht op een schrijnend geval. Verontwaardiging gaat voor op de feiten, nu – niet voor het eerst – is gebleken dat de aandoening van deze baby te ver gevorderd is voor dit kind. “Collateral damage” van overijverige mediatisering?

 

 

Houd op met vergoelijking van salafisme

NRC en Nieuwsuur brachten het lesmateriaal van de Nederlandse koranscholen uit, dat de radicale salafistische islam promoveert (DS 12 september). Zo leren kinderen vanaf hun 10dejaar er dat personen met een andere religieuze overtuiging de doodstraf verdienen, net zoals holebi’s of moslims die een buur een fijne kerst toewensen. Of nog, dat jongens hun ogen moeten neerslaan wanneer ze een meisje kruisen, of dat van dieven de hand wordt afgehakt of nog, dat overspeligen worden gestenigd (www.nieuwsuur.nl).

In een opiniestuk (DS 13 september) kwam El Hammouchi op voor de “vrije meningsuiting voor Koranscholen”, met een pleidooi tegen de “criminalisering van onpopulaire maar orthodoxe islamitische doctrines”, en tegen “de ongewenste beknotting en bemoeienis vanuit de overheid” tegen vrije opinies over homosexuele betrekkingen, buitenechtelijke relaties en de verhoudingen van man en vrouw.

Zijn stuk wast de radicaalste lezing van de islam wit en rust, net zoals zijn boek (Lastige vragen, de knoop in de westerse ziel, 2018),  op een radicale opvatting van godsdienstvrijheid als vrijbrief voor salafisme. Hoewel hij de indruk wil geven te redeneren binnen onze normen,  staat zijn discours er totaal buiten.

In ons rechtsbestel zijn fundamentele rechten niet absoluut: alle fundamentele rechten kunnen beperkt worden, zowel volgens de Grondwet (art. 19) als het Europees Mensenrechtenverdrag (art. 9).De vrijheid van godsdienst bestaat maar binnen de rechtsstaat, niet daarbuiten of daarboven. Daaruit vloeit voort dat uitspraken die men religieus wil legitimeren, altijd onderworpen zijn aan juridische beperkingen. Godsdienst kan dus geen rechtsbron zijn.

De radicale leerstellingen die in de koranscholen worden onderwezen, en die in de reportages werden geopenbaard, overschrijden bestaande rechtsregels. Zo verbiedt het discriminatierecht om mensen te discrimineren omwille van hun geslacht of geloof. En meningsuitingen die oproepen tot haat of geweld zijn strafbaar.

Van holebi’s, ongelovigen of personen die anderen een fijne kerst toewensen aanvoeren dat ze de doodstraf verdienen, of van dieven dat men hen de hand moet afhakken, staat buiten de rechtsstaat en suggereert dat de islam geweld rechtvaardigt naast het geweldsmonopolie van de staat. Zulke bestraffingen zijn een misdrijf en de oproep ertoe valt buiten de vrijheid van meningsuiting: godsdienst is geen rechtvaardigingsgrond om een misdrijf te plegen of om zulke uitingen te doen.

Ook bij ons worden grote inspanningen geleverd door imams, zoals Khalid Benhaddou, om deze radicale salafistische versies van de islam aan te klagen. OCAD kwalificeert die salafistische islam terecht als gevaarlijk en verontrustend. Ze wordt nochtans wekelijks  in tientallen koranscholen in het land onderwezen, onder het mom van de godsdienstvrijheid. Beleid moet dit bijzonder krachtig aanpakken, we hebben van zulk beleid zelfs nog geen begin in Vlaanderen of België. De salafistische propaganda belet ook de emancipatie van de moslimgemeenschap in ons land en is een rem op haar correcte integratie.

Voorts is de scheiding van kerk en staat geen verbod voor de overheid om radicale islamopvattingen fors te bestrijden, zoals El Hammouchi in zijn apologie van het salafisme beweert. Het tegendeel is waar: ze houdt in dat het burgerlijk gezag altijd voorgaat op het kerkelijke, en overheden moeten de radicale opvattingen die onder het mom van godsdienstvrijheid beleden worden, bestrijden, in overeenstemming met de Grondwet en het EVRM.

De scheiding van kerk en staat, is, tenslotte, ook een scheiding van kerk en buitenlandse staat. Moskeeën, imams en koranscholen moeten binnen het rechtsbestel opereren,  ze kunnen ook niet vanuit andere staten worden opgezet of gefinancierd. Ook dat moet krachtig aangepakt worden.

Het wekt verwondering hoe onachtzaam we in ons beleid en media blijven omgaan met deze zaken. We kunnen ons dat niet permitteren. Een rechtsstaat vergt voortdurend aandacht en onderhoud, en gaat teloor bij gebrekkige handhaving van zijn beginselen.

De beginselen van menings- en godsdienstvrijheid legitimeren op geen enkele manier het salafistisch onderricht. El Hammouchi verwringt deze beginselen, met als oogmerk aan de godsdienstvrijheid een radicale gelding toe te kennen en salafisme te vergoelijken. Daarmee staat hij buiten de rechtsstaat, en dat verdient geen podium, noch in scholen, noch in media.

 

Vandaag ook in De Standaard en op http://www.standaard.be

 

 

 

 

Kabouterinstituut

 

Plopsland is, naar verluidt, in gebreke gesteld door het Instituut voor gelijkheid van vrouwen en mannen. Bij moederdag mogen alle moeders gratis binnen met hun kinderen en bij vaderdag geldt dat aanbod voor alle vaders. Volgens het Instituut overtreedt Plopsaland daarmee de genderwet, die elke discriminatie op basis van geslacht verbiedt. Op vaderdag worden vrouwen ongunstig behandeld, op moederdag geldt dat voor mannen.

Dit instituut kan een ernstige taak hebben, de gelijkheid van mannen en vrouwen bevorderen. Maar het kan ook afglijden naar de parodie van zichzelf; van bij de oprichting lijkt het Instituut een fundamentalistische lezing te geven aan de op zich al problematische genderwet. Inzake discriminatiebeleid zijn we de trappers écht kwijtgeraakt.

Het laatste wat we nodig hebben is een keizer-kosterlijke benadering van deze dingen, een nieuw paternalisme dat de legitimatie voor zijn radicalisering ontleent aan een slechte wet. Dan verworden zulke overheidsdiensten tot een Geistesministerium, dat Orwell waardig zou zijn.

GELIJKHEID VAN KANSEN

Hier is geen sprake van enige discriminatie. Op vaderdag worden de vaders in de bloemetjes gezet, op moederdag de moeders. Wie wordt er gediscrimineerd? De moeders op vaderdag en de vaders op moederdag? Komaan, zeg! Eén ogenblik van ernst moet zulke lezing toch voorkomen?

Er is een volledige gelijkheid van kansen. Een totaal verkeerde lezing van het gelijkheidsbeginsel eist een totale gelijkheid van resultaat, op élk moment. Dat is onzin en bij een goed begrip van het gelijkheidsbeginsel is er dan ook geen rechtsgrond voor. Prof. De Vos schreef over slechte gelijkheid en goede ongelijkheid zijn magnum opus : “Ongelijk maar fair”, LannooCampus, 2015. Als de huidige wettekst de verkeerde lezing legitimeert, dan is dat het zoveeslte bewijs dat de pover geredigeerde genderwet moet herschreven worden.

ECHTE GELIJKHEID

Mensen zijn totaal verschillend, niet alleen inzake geslacht, ook inzake voorkomen, herkomst, huidskleur, taal, religie, en zo verder. Die diversiteit is een rijkdom. De kern van het gelijkheidsdenken, dat we danken aan de Verlichting, is dat we mensen toch gelijk bejegenen, hoe verschillend ze onderling ook zijn: de verschillen legitimeren niet een andere behandeling, noch een voorkeurbehandeling voor de ene of een nadelige bejegening voor de andere. Filosofen noemen dat “de metafysiche gelijkheid”: zie Tinneke Beeckman in: “De Verlichting uit Evenwicht”, LannooCampus 2016.

DIFFERENTIATIE IS GEEN DISCRIMINATIE

Wel kan, mag, en moet soms rekening gehouden worden met verschillen, wanneer die pertinent zijn met betrekking tot de aard van de behandeling en de verschillende behandeling objectief wordt toegepast. Dat is legitieme differentiatie, en geen verboden discriminatie. Het gelijkheidsbeginsel is dan niet in het geding.

Zo zal niemand beweren dat we kinderen niet mogen uitsluiten van betalende tewerkstelling, ook al is dat een “discriminatie” naar leeftijd; in brandweer- of politiediensten zal niet elke betrekking kunnen aangeboden worden aan alle personen met een ernstige beperking, ook al is dat een “discriminatie” naar gezondheidstoestand of handicap. Neen dus, het is een legitieme differentiatie, en dus niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Het taalgebruikelijke “discriminatie” is een kreet die vandaag snel wordt geroepen, meestal té snel. Door geen behoorlijk onderscheid meer te maken tussen het nobele échte objectief dat men tracht te realiseren, en door jammerlijke handhavingshardnekkigheid in de verkeerde gevallen, wordt dat objectief ongeloofwaardig gemaakt en ondermijnd. Dat is maatschappelijk een écht zorgwekkende ontwikkeling.

REGELTJES EN INSTITUTEN

We denken ten onrechte dat we er altijd goed aan  doen om principes van gezond verstand of ethiek om te zetten in rechtsregels. Daar moeten we véél kritischer mee omgaan. We overdrijven ook in Instituten die van overheidswege en eigengereid gedragsgericht beleid uitvaardigen, zoals dit Instituut of zijn zusje Unia.

We denken alles op te lossen door het te juridiseren. Daardoor werden we een land dat overdreven véél regels combineert met een héél manke handhaving. Inzake fundamentele rechten pogen we handhaving te forceren door Instituten die enkel bevoegdheid hebben over een mini-mini-domeintje, en die vervallen dan in een hardnekkigheid die kan leiden tot ridiculiteit. Postzegeldenken is niet bevorderlijk voor het gezond verstand.

Ik wens alle moeders op moederdag en alle vaders op vaderdag een heuglijke feestdag toe. Wie geen kinderen hebben, wens ik vele andere heuglijke feestelijke dagen toe. Dat is niet het gevolg van enige discriminatie, maar de consequentie van hun lot of eigen verantwoordelijkheid. Die kan men met regeltjes en keizer-kosters niet uitgommen.

 

Deuren dicht of… Ramen en Deuren open ?!

Op zondag 26 mei bekenden bijna alle politici dat ze het signaal van de kiezer begrepen hadden: de toestand was ernstig, en ze zouden ernaar handelen. Zou het?

            “Het kiesstelsel van België verloopt in twee ronden. In de eerste ronde spreekt de kiezer. Dan sluit men de deuren en zijn de partijen aan zet. Wie een meerderheid achter zich kan scharen, wordt Eerste Minister.” Het is een uitspraak van Vice-premier Reynders in een RTBf-interview in 2007.

            Sedert 27 mei lijken de deuren inderdaad dicht. Een pleidooi om de ramen open te gooien.

Onze verkiezingen verlopen sereen en ordentelijk, en resultaten worden niet onrechtmatig beïnvloed. We hebben dan ook geen probleem aan de input-zijde. Toch richten velen de blik daarop, met pleidooien voor referenda, voor raadpleging van wie zijn stemrecht niet benutte, via een overheveling van bevoegdheden naar burgerinitiatieven, over ideeën van parlementaire hoorzittingen met wie de rug keert naar de instellingen, naar – godbetert! – suggesties om verkiezingen te vervangen door loterijen en ga zo maar door.

Maar nogmaals: ons écht politiek probleem zit niet aan de input-zijde van politieke besluitvorming, het échte probleem zit aan de output van het politiek proces.

DE ARMOEDE VAN HET VERKIEZINGSDEBAT

Er is natuurlijk ruimte voor verbetering aan de inputzijde. De armoede van het publiek debat, de afwezigheid van facts and figures in de analyses, de marginale rol van de partijprogramma’s, de dovemansgesprekken op radio en televisie, of nog, de leegte van het gekibbel onder politici zijn symptomen van slechte particratie. Die moet eruit.

De platte politieke verkiezingsmarketing, verpakt in oneliners en twitterbare quotes is dodelijk. Verkiezingen moeten  in een echte democratie het hoogtepunt zijn van een inspirerende en wervende politieke socialiserings- en mobiliseringsperiode van burgers.  Geen enkele partij heeft daarop ingezet; het lijken haast allemaal traditionele partijen, in de beste traditie van de slechte particratie.

VERTROUWEN OPGEZEGD

Het bewijs daarvan is gekend. Sedert lang rapporteren vertrouwensmetingen dat een meerderheid van de burgers in onze democratische rechtsstaat geen vertrouwen meer uitspreekt in zijn instellingen en leiders. Die leiders merken dat blijkbaar maar om de vijf jaar op, op de avond van de verkiezingen, wanneer ze spreken over “het signaal”. ’s Anderendaags is het signaal al vergeten. Een levendige democratie kan je nochtans niet bouwen met “niet-aanwezige burgers”: die omschrijving komt uit de titel van het proefschift van prof. em. Luc Huyse dat 50 jaar geleden is gepubliceerd.

HEBBEN VERKIEZINGEN EEN DOEL?

Het doel van verkiezingen is dat de bevolking aan de verkozenen de opdracht geeft om de publieke zaak naar best vermogen te behartigen, om de samenleving vooruit te brengen en om de welvaart en het welzijn van eenieder te bevorderen. En dat in een samenleving die rust op vrijheid en solidariteit, de fameuze waarden van de Verlichting.

In de 19deen 20ste eeuw werd de nachtwakersstaat een verzorgingsstaat en die werd een investeringsstaat. Sommige partijen en vakorganisaties waren toen de grootste sociale hervormers en vernieuwers, en ze dwongen een groots schema van sociale zekerheid af. Dat was de meest ingrijpende innovatie en verandering van onze samenleving.

Vandaag zijn partijen en vakorganisaties conservatieve en immobiele molochen geworden die te veel denken dat ze het verleden  kunnen beschermen tegen de toekomst. Ze verwaarlozen de toekomst, die voornamelijk de kinderen en kleinkinderen van hun leden betreft, ten voordele van het korte termijn-idee dat tot stilstand inspireert. Onbegrijpelijk voor de innovatoren van de vorige eeuw.

MACHT CORRUMPEERT

Politieke partijen associeerden zich te veel met denken in de verleidelijke termen van macht en machtsuitoefening. Montesquieu waarschuwde er in zijn De l’Esprit des Lois (1748) al voor, met de magistrale zin : “Le pouvoir corrompt le pouvoir”.Die corrumpering geschiedt net wanneer men verslaafd wordt aan het bezit en bespelen van macht, en uit het oog verliest dat men die niet om zichzelf verwerft, maar om er het geheel van de samenleving mee vooruit te helpen. Met een doel, een objectief, met name de behartiging van het fameuze algemeen belang.

Al in 1921 schreef Paul Hymans,  “columnist” avant la lettre en liberaal parlementslid, het volgende: “Partijen zijn te beschouwen als kliekjes,  een soort van electorale keuken waar lijsten met kandidaten worden gebrouwd, die alleen persoonlijke ambities of speciale belangen dienen”.Dit citaat komt uit het vlammend boek “De trukendoos van de Belgische particratie” van em. Prof. Wilfried Dewachter (2014), net zoals het eerdere citaat van Didier Reynders.

POLITIEK MOET AMBITIE FORMULEREN EN LEIDEN

Politici moeten de samenleving leiden, dàt is de verantwoordelijkheid van partijen en van de sociale partners. Ze moeten vooruitkijken en ambities uitspreken: de historische “man op de maan”-toespraak van John Kennedy van 1962 is het iconisch voorbeeld. Een wervend toekomstproject dat tot waarachtige fierheid stemt, dat verenigt, dat de gehele bevolking aanspreekt en mobiliseert. Het gaat om het ambitieus perspectief en een realistisch plan om het te bereiken. Dat leidt tot inclusie, hoop, vooruitgangsgeloof voor allen.

Met andere woorden: politici moeten verantwoordelijkheid nemen, dàt is hun mandaat. Angst en behoudsgezindheid zijn de slechtste raadgevers. Bij hun mandaat hoort ook dat ze moeilijkheden moeten uitleggen: burgers snappen dat, die ondervinden ook in hun dagelijks leven dat niet alles op rozengeur en maneschijn is.

De deuren moeten dus niet dicht, deuren en ramen moeten open. De bevolking mag en moet van politici verwachten dat ze een wervende ambitie projecteren waar ze de gehele samenleving mee kunnen mobiliseren. Dat is het signaal van 26 juni, de rest is naast de kwestie.

“FACTS AND FIGURES”

Na jaren van verwaarlozing, moeten we de basiskenmerken van de Belgische samenleving en economie durven rechttrekken. De kern is de moeilijke waarheid dat onze waardecreatie onvoldoende is om onze verzorgingsstaat te financieren. Dat is de voornaamste prioriteit van de volgende federale én regionale regeringen, het is trouwens een gedeelde verantwoordelijkheid.  De verkozen leiders in Noord en Zuid moeten na 26 mei die verantwoordelijkheid opnemen; anders zijn ze hun mandaat niet waard.

Om waarde te blijven herverdelen, moet ze eerst tot stand gebracht worden. Dat is wat ondernemingen doen. Dat vergt een samenleving waarvan de basiskenmerken kloppen: een performante overheid die snel en lucide beslist en zuinig opereert, geen 10% minder actieven dan landen die beter presteren, terug aansluiten bij de traditioneel hogere productiviteitsgroei, lagere maar efficiënte fiscaliteit, reanimatie van het onderwijs, de uitvoering van het pensioenplan, regelgeving die rechtszekerheid creëert… op al die basiselementen  gaan we al jaren achteruit.

De evidentie voor onze achteruitgang is overweldigend, enkele voorbeelden illustreren dit. Hoewel we lang uitblonken in logistiek, verstoren de groteske files systematisch onze mobiliteit en  verloren we bijna alle nieuwe investeringen in magazijnen voor de e-commerce aan de buurlanden. Een recente OESO-studie bewees nog maar eens dat onze traditionele voorsprong in productiviteitsgroei  zienderogen slinkt. De Waalse regionalistische denktank Institut Destrée waste de franstalige politieke wereld fors de oren in december : “Si la Wallonie n’est plus en déclin, elle ne se redresse pas”, zei Philippe Destatte in L’Echo van 29 dec. 2018. Zijn analyse geldt – mutatis mutandis –ook voor Vlaanderen en voor het land.

RECHT DE RUG, VORM DE REGERINGEN EN SLA DE HANDEN AAN DE PLOEG

De rituelen van de slechts particratie volstaan niet. Formuleer nu eens een gezamenlijke ambitie, bijvoorbeeld om België op het niveau van echt functionerende verzorgingsstaten te brengen, zoals Zwitserland of Denemarken, Duitsland of Zweden. Er zijn voorbeelden genoeg.

Verenig de gehele bevolking met een groots objectief: België van de 21steplaats in de internationale vergelijking naar top-5 (IMD, Competitiveness Index 2019). Vraag de kennisinstellingen om een plan voor dat traject op te stellen, laat de vooruitgang meten, en stuur bij.
Alle landen die betere resultaten hebben dan wij, handelen op die manier. Het kan dus. Ze hebben dezelfde politieke vraagstukken als wij, maar ze gaan vooruit en ze verzoenden hun burgers opnieuw met hun instellingen.

Onze ellendige stilstand en lethargie en onze stuitende besluiteloosheid zal niet worden beëindigd met verwijten over en weer of met totemdansen. Herstel van het staatsbudget en de economie, efficiënt en goed bestuur, de bevolking verenigen rond positieve ambitie… dat vergt leiding. Kortom: dames en heren politici, verlaat de tergende en roekeloze kwakzalverij, kom met beslissingen, handel. Dàt is uw mandaat.

Deze politieke generatie moet kiezen: wil ze de toekomst voorbereiden, of laat ze, met de recepten van een vorige eeuw en de wetmatigheden van de slechte particratie,  de achteruitgang van regio en land aanslepen ?

Ook op http://www.knack.be/doordenkers

 

 

 

 

Graag goede journalistiek aub!

Journalistiek geniet terecht van bijzonder grote vrijheid in een democratische rechtsstaat, en die uit zich, onder meer, in een groot publiek vertrouwen in zelfregulering en professionaliteit. Dat legt de lat hoog voor goede journalistiek, en de indruk ontstaat soms dat daar wat achteloos mee wordt omgegaan. Gelet op de vitale rol van goede journalistiek in een democratie, de fameuze “public watchdog”-functie, moeten redacties professioneel en  verantwoordelijk omgaan met hun ruime vrijheid. Journalistiek die terecht oproept om te stoppen met slechte politiek, moet kunnen stoppen met slechte journalistiek.

De journalistieke deontologische code voor journalisten houdt een fair play-regel in, die loyauteit en discretie oplegt ten aanzien van personen in een maatschappelijk kwetsbare situatie, zoals minderjarigen,  of slachtoffers van criminaliteit. Toch presteert Het Laatste Nieuws het, bij drie recente gezinsdrama’s waarin een man zijn partner of gezin (en zichzelf) van het leven berooft, om hierbij zomaar familiefoto’s en familieverhalen te publiceren. Er was een tijd dat men dergelijke werkwijzen met misprijzen overliet aan wat neerbuigend ‘de gespecialiseerde pers’ werd genoemd, waarmee in werkelijkheid Dag Allemaal werd bedoeld in de tijden van hoge oplagen.

Dat gaf destijds aanleiding tot aanscherping van deontologische regels, maar vandaag sijpelen zulke inbreuken op de privacy binnen in de gewone journalistiek, die dreigt te  dag-allemaliseren. We zijn geneigd daar licht over te stappen, in tijden van formidabele achteloosheid rond fundamentele beginselen en rechten, maar dat kunnen we ons in een rechtsstaat niet permitteren. De toepassing van deontologische beginselen, en van goede beginselen van nieuwsgaring en –behandeling moet strakker.

PR IS GEEN JOURNALISTIEK

Er zijn meerdere voorbeelden van. Het gemak waarmee een verkeersminister of een verantwoordelijke van een kleine zelfstandigenorganisatie tijdens de weekenden in journaals kunnen opdraven met totaal onbelangrijke “nieuwsfeiten”, zegt meer over hun public relations dan over journalistieke ijver. Een geschilderde verkeerspaal, of een onnozele statistiek over kleinhandel zijn niet altijd nieuws, ook niet bij weekeinde- of vakantiebezettingen van redacties.

WETENSCHAPPELIJKE EVIDENTIE IS GEEN VRIJBLIJVENDE MENING

Redacties mogen dus kritischer zijn in de journalistieke analyse. Nog deze week kwam de osteopathiekwestie aan bod in een radio-uitzending, naar aanleiding van een principiële veroordeling van een osteopaat. De redactrice belde met een persoon die pleitte voor de snelle erkenning van osteopathie door de Minister van Volksgezondheid, dat vergt slechts een kwartiertje tijd, zo voerde hij aan. Einde van het item.

Klaarblijkelijk weet een redactie vandaag niet dat de wettige uitoefening van de geneeskunde bij ons beperkt is tot de geneeskunde die op wetenschappelijke evidentie berust, en dat dat ook geldt voor de terugbetaling? Weet men niet dat de wetenschappelijke evidentie voor die zgn. alternatieve geneeswijzen erg beperkt is? Al in  2011 publiceerde het KCE daar een omvangrijke studie over (
https://kce.fgov.be/sites/default/files/atoms/files/kce_148a_osteopatie_en_chiropraxie_in_belgië_0.pdf), die ook goed de paradox belichtte tussen de populariteit van alternatieve praktijken en de afwezigheid van overtuigende evidentie.

Niet in alle journalistieke middens is blijkbaar bekend dat recent nog pogingen werden ondernomen om die alternatieve geneeswijzen toch open te stellen voor terugbetaling, en dat de medische faculteiten weigerden daaraan mee te werken. In de maand van het overlijden van prof Willem Betz, onvolprezen oprichten van SKEPP (www.skepp.be), die de alternatieve behandelingen systematisch als kwakzalverij aanmerkte, moeten we dus vaststellen dat er ruimte is voor verbetering.

Journalistiek moet de kern van de zaken vatten, met gevalideerde informatie. Goede journalistiek reikt ook context aan, omstandigheden en kennis over de aangelegenheid die in het nieuws is. Als men daar niet toe in staat is, is het item niet af en hoort het niet op de agenda. Er is écht te veel praatshow-gemakzucht en te weinig redactionele ambitie en fierheid.

RECLAME IS GEEN JOURNALISTIEK

Niet zo lang geleden voerden nieuwsmedia  een dame op met het fantastisch verhaal dat ze  Boeing had gedagvaard, omdat haar ex was omgekomen bij de vliegramp in Ethiopië, een Nederlands-Rwandese uit Brussel. Ze figureerde aanvang april in Het Laatste Nieuws, De Afspraak en op Nieuwsuur (NPO2). De werkelijkheid is allicht dat het eerder ging om een initiatief van Amerikaanse advocatenfirma’s die hier klanten ronselden, zoals Kreindler & Kreindler, of nog, Podhurst Orseck. Anders dan Belgische advocaten, mag dat in de USA. Ze werken op een “no cure no pay”-basis: de klant betaalt niets, maar bekomt 20 tot 30% van de uitgekeerde vergoeding bij goede afloop.

Die kantoren stellen zelf de bewijslast samen voor procedures voor Amerikaanse rechtbanken, die in de regel met jury-rechtspraak werken. Het gaat altijd om schadezaken tegen “deep pockets”: bedrijven met véél geld. Veel van die cases rusten op de zgn. “nuisance value”, de enorme aandacht en investering die grote bedrijven die ermee bestookt worden eraan moeten besteden. Ze kopen die dan af met een “settlement”. Dat is mogelijk omdat de Amerikaanse rechtspraak zgn. bestraffende schadevergoedingen toekent, enorme bedragen voor de beweerde slachtoffers die buitenproportioneel het zgn. “leed en smarten” moeten vergoeden, de immateriële schade.

De publicitaire waarde van die misplaatste redactionele aandacht is enorm, maar de nieuwswaarde ervan is qausi-onbestaande. Toch trappen diverse redacties daar argeloos in. Nieuwsselectie kan dus scherper.

DE ANTIVACCINATIELOBBY IS GEEN WETENSCHAP

Ook recent werd weer veel aandacht besteed aan het belang van vaccinatie, dat niet kan overschat worden. De vaststaande wetenschappelijk evidentie is het nut en de voordelen van grootschalige vaccinatie; toch groeit en bloeit er een opinie-industrie tégen vaccinatie, die vertrok van pure wetenschapsvervalsing. Sedertdien krijgt de anti-vaccinatiestem in media ruime aandacht. Alsof een jarenlang opgebouwde, vaststaande en beproefde wetenschappelijke overtuiging, die rust op gecontroleerd wetenschappelijk bewijs, op gelijke voet kan worden gesteld met een willekeurig idee van iemand die caféretoriek verkoopt. Het komt nog altijd voor dat journalisten in die valkuil trappen, de hoofdredacteur van het VTM-journaal heeft er zich recent uitgebreid voor verontschuldigd, maar ik hoorde en las links en rechts nog vaak de stem van vaccinatietwijfelaars – hoewel het om onzin gaat.  Hier wordt al jarenlang tegen gemiliteerd door een arts, die toen wetenschapsredacteur was van The Guardian, Ben Goldacre. Is dit nu nog niet doorgedrongen in journalistieke middens, zodat zulke fouten niét meer gemaakt worden? Waar is de kritische journalistiek?

IS ER EEN UNIEKE KLIMAATWAARHEID ?

Geldt hetzelfde ook voor de klimaatzaak? Daar lijkt er maar één waarheid te zijn, deze van het UNO-Intergovernmental Panel on Climate Change. In mijn begrip is de wetenschappelijke consensus over de oorzaken van klimaatveranderingen, de draagwijdte en de beste aanpak nog beperkt. Er is wel wetenschappelijke consensus over de invloed van menselijk handelen, maar voor het overige lijkt er nog weinig échte wetenschappelijke consensus.

Toch komt in gevestigde media bijna uitsluitend de unieke waarheid van dat UNO-panel aan bod, en moet wetenschappelijke tegenspraak het doen met weinig of geen journalistieke aandacht… tenzij voor de klimaatjongeren en hun roep naar directe en simpele oplossingen, die er niet zijn.

NIEMAND GELOOFT NOG DE FEITEN

“Niemand gelooft nog de feiten. Dat is ook de schuld van de pers.” Zo ziet Alan Rusbridger het (DS Weekblad,1 juni), een (gewezen) journalist in hart en nieren, Voorzitter van het Reuters Institute for Journalism in Oxford, en 20 jaar lang hoofdredacteur van The Guardian. Hij combineerde er de creatie van gigantische financiële verliezen met een spectaculaire groei van het bereik. De gratis toegankelijke webstek van The Guardian is daardoor nog altijd een zegen voor de internationale publieke opinie. Zijn boek Breaking News getuigt van zijn journalistieke queeste, en het is geenszins verwonderlijk dat hij een grote verantwoordelijkheid voor de neergang van het vertrouwen in de pers plaatst bij de mediabedrijven en hun redacties.

Leo Neels

Media- en Communicatierecht

21 juni 2019

Leve de Verkiezingen ! Handen aan de Ploeg !

Democratie is”, zo hield Churchill voor, “de slechtste van alle regeringsvormen, met uitzondering van alle andere die al eens zijn uitgeprobeerd.”De sterkte ervan is dat de bevolking, die in een democratische rechtsstaat  de grootste vrijheden geniet, en in een moderne verzorgingsstaat de grootste solidariteit, de kaarten legt met het uitbrengen van een vrije stem, in verkiezingen waarvan het resultaat gerespecteerd wordt.

In de hele wereld willen mensen  die niet in een democratie leven, het autocratisch regime van hun land veranderen, of willen ze hun land verlaten. Een historisch voorbeeld werd in Europa geleverd op 9 november 1989, toen de Berlijnse Muur viel : er is geen énkel geval gerapporteerd van personen uit West-Duitsland die naar Oost-Duitsland vluchtten. De Berlijnse muur diende enkel om de eigen burgers in Oost-Duitsland te houden, niet om instromers de toegang te beletten.

DEMOCRATIE IS EEN WERKWOORD

Maar democratie is ook moeilijk :  in veel democratische rechtsstaten haken mensen af. Er wordt vaak verwezen naar de opkomst van populisten in Italië, Spanje, Oostenrijk, en nu ook Nederland, of nog, Hongarije en Polen met hun zgn. « illiberal democracies ». Dat is spraakverwarring : democratie vertrekt van vrije burgers; zonder rechten en vrijheden van burgers, en met een negatie van de rechtsstaat zelf, is er geen democratie.

De kaping van het politiek bestel door Trump in de USA,  en de onbehouwen bestuursretoriek van de 45ste President zijn een schoolvoorbeeld van demagogie ; ook de  Brexit-stuurloosheid in het Verenigd Koninkrijk – met de Magna Charta (1215)één van  de bakermatten van de democratie – geldt als een uiting daarvan.

De kern is de aantasting van de kwaliteit van het publiek debat, de vervanging van de uitwisseling van argumenten door emotie en morele verontwaardiging. Die degradatie is al lang aan de gang en bereikt een zorgwekkend niveau.

« La démocratie ne cesse de décevoir ceux qui sont blasés de ses trésors » : al wie voordelen van een democratie geniet, lijkt er voortdurend door te worden ontgoocheld, zo schrijft de Franse filosoof in zijn pas verschenen boek  « Comment gouverner un peuple-roi ?  Traité nouveau d’art politique » (2019). Hij onderscheidt naast het stemrecht, ook « l’art d’être gouverné »,een interessante denkoefening.

SIMPLISME KAN VERLEIDEN MAAR NIET OPLOSSEN

Er zijn nu vele analyses van demagogie, soms ook populisme genoemd, dat zich op diverse manieren kan uiten : de weigering om aan verkiezingen deel te nemen,  een blanco-stem, of een  stem voor extreme partijen op links of rechts, die forse kritiek kunnen ventileren omdat ze niet de ambitie hebben om te besturen.

Eén van de moeilijkste vragen is hoe men in een democratie ook de opinie van deze medeburgers respecteert, terwijl men de zgn. antwoorden van de extremistische partijen niet ernstig kan nemen. Het simplisme van die extreme partijen van links en rechts is verleidelijk, ze lossen de vraagstukken op door ze af te schaffen, ze zenden « de elite »weg – een « wij » staat er altijd tegenover een « zij »–  en klaar ! Deze rattenvangers van Hamelen capteren wel goed het maatschappelijk ongenoegen, maar hun voorstellen van simpele en radicale verandering zijn maar houdbaar zolang ze die niet in de werkelijkheid moeten omzetten.

Burgers, aldus Easterbrook, zijn voornamelijk getroffen door een zekere angst, ingegeven door gebeurtenissen die nog moeilijk te overzien zijn, zoals de globalisering van de economie, of de vluchtelingenstroom van 2015 (Gregg Easterbrook, « It’s Better than it Looks. Reasons for Optimism in an age of Fear », 2018). Hij wijst er op dat de onvermijdelijkheid van veranderingen, en de toename van de snelheid ervan, mensen onzeker maakt en angstig. Veel verandering, aldus Easterbrook, leidt tot verbetering, maar verandering zelf stresseert mensen en werkt ze op hun zenuwen : ze overzien niet langer wat er gebeurt en zijn sneller onder de indruk van de onzekere toekomst dan van de verbetering die ze kan inhouden.

Zijn analyse sluit aan bij de vaststelling dat burgers  in democratische rechtsstaten hun vertrouwen in hun instellingen hebben opgezegd. Volgens de Vlaamse VRIND-indicatoren (VRIND 2017) sprak 60% van de Vlamingen zijn bezorgdheid uit over de politiek, en spreekt minder dan 30% van de Vlamingen nog vertrouwen uit in de Vlaamse of federale instellingen en politici. Dat spoort met internationale metingen, zoals de Eurobarometer, die aangeeft dat slechts 35% van de Europese burgers vertrouwen in haar of zijn regering en instellingen uitspreekt. Let wel : in de bakermat van de Verlichting, en in de EU,  de meest welvarende democratische regio van de wereld, keert een grote meerderheid van de bevolking dus de rug naar bestuur.

HET VERLEIDELIJK IDEE VAN NEERGANG

Ook Vlaanderen ontsnapt niet aan het neergangsidee, integendeel : al vanaf 2006 mat de VUB-socioloog Marc Elchardus dat jongeren forse aanhangers werden van het « declinisme », het geloof in de neergang van de samenleving, het inzicht dat zij zelf het wellicht nog wel zullen redden, maar dat de samenleving rondom hen hen steeds minder te bieden zal hebben. Elchardus noemde het toen al… een geloof (« Voorbij het Narratief van de Neergang », 2015).

Een geloof is iets dat sterker is dan feiten en dat tegen feiten in stand kan houden. Ook als we binnen Europa, en zelfs binnen België, in de regio leven die het opmerkelijk beter doet dan andere, blijft het neergangsgeloof overeind bij een groot deel van de bevolking, inbegrepen de jongeren.

Easterbrook  onderscheidt zekerheden  of feiten van geloof en van meningen, doch ook van « wat we willen geloven » . Dat laatste is een nieuwe kategorie van opvattingen die ingaat tegen feiten, die aangenomen wordt tegen alle beschikbare evidentie in. Optimisme is nu uit de mode, declinisme is de nieuwe trend ! Het is de koppige opvatting dat men gerold wordt door wie de macht uitoefent, en het weerbarstig geloof dat het altijd maar slechter zal gaan. Ook al wijzen ongeveer alle maatschappelijke indicatoren in de andere richting.

WHAT-THE-FUCK-RATTA-TATTA-TA

Natuurlijk werkt democratie niet perfect, en vanzelfsprekend zijn er in de complexe verzorgingsstaten van vandaag nog altijd grote noden waarvoor we nog geen adequate oplossingen hebben. Dat we het in het geheel, met zijn allen, véél beter stellen is een feit, maar rechtmatige kritiek op de gaten in de solidariteit voeden het neergangsgeloof bij al wie dit aanhangt. Wat Easterbrook de « what-the-fuck-ratta-tatta-ta» van de sociale media noemt, megafoneert dit geloof nu voortdurend rond, herhaalt en bevestigt het. En wat ook niet helpt is dat al wat « trending » is op sociale media, vandaag ook bovenaan staat in de nieuwsselectie-criteria van journalistiek.

« Geen enkele partij zag zich gedwongen om het debat ten gronde te voeren ». Zo titelde een krant :  « … Het zou de constante worden in een stuurloze campagne zonder heldere inzet. Daardoor passeerden veel belangrijke thema’s de revue – mobiliteit, migratie, onderwijs, justitie, pensioenen, koopkracht ) maar geen ervan werd op scherp gesteld »(De Standaard 25 mei, « Een campagne zonder dash »).

Lang is aangenomen dat de vierde macht, de pers, juist die rol van publieke waakhond zou spelen. Dat vrije journalistiek altijd de maatschappelijk relevante thema’s zou agenderen, de juiste vragen zou blijven stellen, de politici zou blijven bestoken met kritische vragen en interpellaties. Helaas,  media beginnen nu af en toe toe te geven dat ze daar niet altijd in slagen. Ze weten wat politici eten, hoe ze zich kleden of zich bij de kapper gedragen of in hun tuin, en ze kennen hun sportprestaties, voorkeurwijn of hobby’s,  maar kritische bejegening is er te vaak niet bij.

GEPRAAT VERVANGT DEBAT

Vaak werd gekozen om rivaliserende politici tegen elkaar uit te spelen in allerlei praatprogramma’s, en ze dan hoofdzakelijk te laten praten, ook wanneer ze door elkaar spraken of riepen. De redacteur of redactrice plooide te vaak terug op een achteroverleunende rol in een talkshowformaat, die politici onderling onvriendelijkheden liet uitwisselen, zonder nog op basis van kennis veel vragen te stellen of kritisch tussen te komen.

Het is wellicht dé mediatrend van de verkiezingen geworden, de journalistieke abdicatie terwijl nog nooit zo veel bladzijden of zendminuten aan verkiezingen werden besteed. Waarschijnlijk zijn er uitzonderingen te vinden die de regel bevestigen, maar media kunnen zich niet langer meer achter een smoes verschuilen voor een kritische vaststelling.

Al in 1965 analyseerde Galtung de nieuws-selectiecriteria, met hun nadruk op plotse zaken, korte termijn, negativiteit, simpele dingen en wat aansluit bij vooroordelen. In journalistiek is er weinig of niet gewerkt aan een grondige revisie van deze nieuwscriteria, die meer dan 50 jaar oud zijn en eigenlijk nog altijd als handleiding meegaan.

In zijn magistraal werk Enlightenment Now (2018) is Harvard-man Steven Pinker keihard over moderne journalisten : de onheilsprofeten zijn er de vedetten. Ze geloven dat ze, door het negatieve te accentueren, hun plicht vervullen als waakhonden, klokkenluiders en maatschappelijke critici. Ze doen alles lijken op symptomen  van een zieke samenleving.

Wat de vorm betreft, wordt nieuws steeds meer voorgesteld als een verslag van een  sportwedstrijd, met winnaars en losers.Pinker beveelt aan dat journalisten hun “Chicago- manier van debatteren”dringend zouden verlaten:  wanneer de ene zijn mes trekt, dan richt de andere zijn pistool. Een deftig publiek debat, zonder hetwelk een democratie niet kan functioneren, voed je daarmee niet, en de behoefte aan een betere werking van de vierde macht is zeker even groot als de noodzaak van betere attitudes van de politieke wereld zelf – aldus Pinker.

VERKIEZINGSPROGRAMMA’S VOOR ANDERE LANDEN

De meeste politieke partijen hebben verkiezingsprogramma’s voorgesteld die uitstekend geschikt waren voor… een ander land. Te vaak ontbrak het aan echte oplossingen voor basiselementen van de verzorgings- en investeringsstaat die we willen zijn, zoals de dringende correctie van het begrotingstekort, dat geraamd wordt tussen 3 en 15 miljard. Of nog, de te lage werkzaamheidsgraad, die ruim 10 % (of 500.000 banen) lager is dan in Nederland of Duitsland die bijna 80% scoren, met 75% actieven in Vlaanderen en slechts 64% in Wallonië en 61% in Brussel.

De overheidskost blijft veel hoger dan in vergelijkbare verzorgingsstaten, zoals deze van Nederland of Scandinavië, en  verdubbelde zelfs in nominale bedragen sedert 1997; historisch was onze hogere productiviteitsgroei een groot voordeel, vandaag is deze gezakt onder het gemiddelde van de productiviteitsgroei in de OESO-landen.

Een derde van onze pensioenen wordt niet meer gefinancierd op basis van werk of bijdragen, en we misten de kans om de pensioenzekerheid voor de volgende generaties te garanderen. Hiervoor bestond een uitstekend lange termijnplan dat zeer ruime instemming genoot doch niet uitgevoerd raakte. Waarom kunnen werknemers in andere landen gemiddeld gedurende een loopbaan van 42 jaar werken, en in België slechts 36 ? Onze pensioenbeloften zijn daardoor al jarenlang ondergefinancierd. Het pensioenplan stond vol ingenieuze oplossingen voor iedereen, maar werd domweg geblokkeerd… al evenzeer om puur demagogische redenen.  Pensioenzekerheid – hét criterium van een goed pensioenbeleid –  kwam er nog meer mee onder druk, begrijpe wie kan ! Slecht bestuur voedt angst… en angst voedt het neergangsgeloof en wantrouwen.

ASOCIALE PARTNERS ?

De sociale partners dragen daarin een grote verantwoordelijkheid. De historische verdienste van vakorganisaties is groot : zij waren de belangrijkste maatschappelijke  innovatoren van de vorige eeuw, grondleggers van de sociale zekerheid die het solidariteitsbeginsel krachtig verankerde.

Vandaag zijn ze voornamelijk de bewakers van het status-quo voor hun leden, en zo werden ze de meest conservatieve krachten in de samenleving, die het verleden krampachtig trachten te beschermen tegen de toekomst.  Ze benadelen er de toekomst van de kinderen en kleinkinderen van hun leden mee. Die komen  vandaag ter wereld met een eigen relatief aandeel in de staatsschuld van bijna 43.000€. Solidair ?

LANDEN DIE BETER PRESTEREN HEBBEN GOED BESTUUR

Het beleid moet om, en politieke besluitvorming moet anders. Terwijl onze overheidskost aanzienlijk toenam, was het politiek mantra er vaak één van hervorming en besparingen. Andere landen zochten efficiëntiewinsten in hun beleid, en konden hun eigen kost terugdringen zonder aan de normale voorzieningen van hun verzorgingsstaat te raken. Zonder uitzondering presteren die landen in vrijwel elke internationale vergelijking beter dan België (https://www.itinerainstitute.org/nl/boek/what-is-at-stake-in-the-2019-elections/).  De ruimte voor een betere aanpak in België is bijzonder groot.

Alle landen die het beter doen dan België, hebben één groot verschil : goed bestuur (Itinera, Een Plan voor het Land, 2019). Ze formuleren heldere, ambitieuze en wervende doelstellingen en werken daar planmatig en met grote kosten-efficiëntie naartoe : Zweden, Denemarken, Nederland, Duitsland, Zwitserland, …

Laat ons de ambitie tonen om dat ook te doen : er is geen excuus, zeker niet naar de volgende generaties. Er zijn voldoende bewezen praktijkvoorbeelden in andere staten, die met dezelfde politieke demonen worstelden als België.

VERLAAT DE ZELFGENOEGZAAMHEID

Formuleer een brede wervende doelstelling, bvb dat we ons tussen Nederland en Duitsland rangschikken in de internationale index concurrentievermogen (WEF) – met heel veel maatschappelijke relevante criteria, van efficiëntie naar milieu, gezondheidszorg en sociaal beleid. Nu zakken we elk jaar weg, we staan op 21, en laten Nederland op plaats 4 en Duitsland op plaats 6 te ver boven ons staan. België kan naar plaats 5, is dat geen wervend en verbindend plan voor ieder ?

Onze politici sluiten zich best niet nachtenlang op in een kasteel, maar kunnen een ongelooflijk kennispotentieel aan het werk zetten om het plan uit te werken : universiteiten, Planbureau, Nationale Bank en zovele kennisinstellingen kunnen dat plan maken. Alle materiaal dat ze ervoor nodig hebben, is er.

FRANSTALIG BELGIË MOET MEE

De Franstalige Belgen moeten mee in dat bad. Philippe Destatte, directeur van het Institut Jules Destréedat voor Waalse regionalisme pleit, heeft er nog recent op gewezen dat Wallonië zich zeer dringend moet herpakken (L’Echo, 29 dec. 2018). Misschien, zo schreef hij, gaat het niet echt verder achteruit, maar het gaat zeker ook niet vooruit. Hij stelt het onevenwicht aan de kaak tussen de waardecreatie die nodig is in de welvaartsstaat, en een maatschappelijke sfeer die alleen maar waarde wil herverdelen zonder ze tot stand te brengen. De beleidsopties in het Zuiden van het land, aldus Destatte, hebben niet gewerkt, we missen zeker 100.000 banen die tot de welvaartsgroei bijdragen, en geen enkel van onze plannen slaagde erin om daar verandering in te brengen.

Di Rupo, die zich opwerpt als de herrezen leider van franstalig België, sprak zich fors uit voor de Belgische staat zoals die is, en waarin de Vlamingen vooral zorgen voor de fiscale en parafiscale inkomsten, en franstalig België jaarlijks een transfer van 5 miljard € blijft nodig hebben. (Le Soir, 14 januari 2019). Dat is niet in overeenstemming met het discours van Franstalige en Vlaamse bedrijfsleiders (Il manque un cap à ce pays, L’Echo, 4 mei 2019 ; Ons land heeft ambitie nodig, De Tijd, 4 mei 2019). In een federale staat, met al zijn gebreken en tekorten, moet men ook de wil tonen en het leiderschap aan de dag leggen om samen vooruitgang te boeken. Het door Di Rupo openlijk bepleit transfer-federalisme is een eindig model dat de Franstalige Belgen een rad voor de ogen draait.

VAN SLECHTE PARTICRATIE NAAR : HANDEN AAN DE PLOEG !

België presteert onder zijn potentieel. Het permitteert zich gedateerde politieke zeden, waaronder de prominente plaats die slechte particratie nog altijd heeft. Zij leidt tot te dure besluitvorming, onheldere doelstellingen en geweldige inefficiëntie in de uitvoering van plannen die te vaak draken van compromissen werden.

Politieke benoemingen zijn er één van de kankers van, of nog, de verloedering van de infrastructuur, het wanbeheer en de wanprestatie van  openbaar vervoer, de « afschaffing » van kabinetten, provincies of de Senaat, de goedkeuring van geïmproviseerde wetgeving, en het onvermogen om nog grootse wervende plannen tot stand te brengen én  uit te voeren.

We haakten ook af inzake de verantwoordingsplicht die de hoeksteen is van democratie : politici en bestuurders leggen nauwelijks nog rekenschap af voor gevoerd beleid en laten soms desastreuze gevolgen voor wat ze zijn. We halen de schouders op voor het jaarlijks volumineuzer Blunderboek van het Rekenhof. Dat is een uitstekend recept voor wantrouwen en vergrootte de ruimte waarin demagogie succesrijk werd.

Andere landen, die vergelijkbare moeilijkheden hadden, deden ons voor dat het anders kan. Er is niets wervender dan een goed en realistisch plan dat ons land terug in het koppeloton van vergelijkbare landen zou brengen. Dàt kan iedereen verenigen, en de angst doorbreken die mensen nu hebben, voornamelijk omdat ze te veel en te drastische verandering om zich heen zien waar geen leiderschap meer tegenover staat. Migratie, energie en klimaat zijn voorbeelden van moeilijke thema’s, net zoals integratie, onderwijs en werkzaamheidsgraad.  Angst ervoor voedt het neergangsgeloof, daadkracht, aanpak en executie zijn  het enige medicijn dat daartegen in kan gaan.

Al die problemen kùnnen worden aangepakt. De analyses zijn gemaakt, de kennis is beschikbaar. De verkiezingsresultaten van gisteren doen nu inzien dat de nieuwe toestand een nieuwe aanpak vergt, de tijd van politieke praatjes is voorbij nu.

Handen aan de ploeg !

Prof dr Leo NEELS 27 mei 2019

 

De Aalsterse Sabbat-Praalwagen: misplaatst zeker, maar strafbaar?

 

De Aalsterse praalwagen met de afbeelding van Chassidim-joden was ongetwijfeld smakeloos en misplaatst. Vanuit de Belgische Joodse gemeenschap werd, zoals gebruikelijk, direct gereageerd op de dubieuze uitbeelding van de ethnisch-religieuze groep, o.m. door het Forum der Joodse Organisaties en het Coördinatiecomité van Joodse Organisaties in België.

Ditmaal kwam ook vanuit de Europese Commissie vrijwel direct een strenge mondelinge veroordeling,  die werd gekaderd in de strijd van de Commissie tegen alle vormen van antisemitisme, van alledaagse online en offline haatboodschappen tot fysieke aanvallen, met een herinnering aan de Holocaust. Het is, aldus de woordvoerder van de Commissie, aan de nationale autoriteiten om actie te ondernemen in individuele zaken, op basis van de toepasselijke wet.

Die laatste verwijzing is niet gratuit, want het staat m.i. allerminst vast dat de weliswaar wansmakelijke praalwagen een inbreuk zou vormen op het verbod van discriminatie op etnische of religieuze grond.

Het gaat om de wijze waarop men naar de zaken kijkt, en daarin treedt zeker een verschuiving op.  Gedurende decennia werd uitingsvrijheid voornamelijk beoordeeld vanuit het standpunt van degene die zich uit. Ongepaste, radicale, extreme, banale, stuitende of weerzinwekkende uitingen : het valt allemaal onder het grondwettelijk gewaarborgd recht om op elk gebied zijn mening te uiten. Volgens de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de mens dekt de vrijheid van meningsuiting immers ook de uiting van opinies die choqueren, storen of beledigen.

UITINGSVRIJHEID VERGT INCASSERINGSVERMOGEN

De kern van de ruime uitingsvrijheid is immers net de vrijheid om iets te zeggen waarmee anderen het niet eens zijn. Die vergt dus van toehoorders of van degenen die het voorwerp zijn van een uiting een ruim incasseringsvermogen.

Men voelt het spanningsveld, en dat blijkt uit de omstandigheid dat belediging, of laster en eerroof – het bewust toebrengen van reputatieschade – in het Strafwetboek steeds strafbaar waren en het ook zijn gebleven. Maar het zwaartepunt lag toch beslist bij ruime uitingsvrijheid, die grote tolerantie vooronderstelt bij wie van sommige meer extreme of misplaatste uitingen niet gediend is.

VAN GELIJKHEID NAAR NON-DISCRIMINATIE

Langzaam maar zeker is dan aan dat fors standpunt een dimensie toegevoegd, en is men de uitoefening van uitingsvrijheid ook meer en meer gaan bekijken vanuit het standpunt van de mogelijke ontvangers, of van degenen waarover de uitingen gaan.

Zo werden in het verlengde van het gelijkheidsbeginsel steeds meer expliciete rechtsbeschermingsgronden aangevoerd, onder de vorm van bescherming tegen discriminatie : beschermig tegen elke vorm van ongepaste discriminerende behandeling omwille van het ene of andere kenmerk.

Typisch ging het dan om herkomst, huidskleur, zgn. raciale kenmerken of religieuze overtuiging. Vandaag gaat het om een hele reeks criteria zoals handicap, leeftijd, geslacht, sexuele geaardheid, gezondheistoestand, vermogen, fysieke kenmerken, burgerlijke staat, politieke of syndicale overtuiging, geboorte, of nog, sociale afkomst e.dgl.

Men bemerkt aan de steeds uitgebreider geworden catalogus van mogelijke discriminatiegronden dat dit nieuwe denken redelijk ver opgerekt is : de catalogus van mogelijke discriminatiegronden is voortduren uitgebreid. Als men er logisch over doordenkt, is zulke catalogus bij definitie altijd te beperkt, niet ? Maar de geest is uit de fles.

ZIJN ALLE MENSEN NU GELIJK OF ZIJN ZE VERSCHILLEND ?

En zo staan we steeds verder af van de aanvankelijke gelijkheidsopvatting volgens dewelke al dergelijke kenmerken in beginsel geen afbreuk konden doen aan het recht op gelijke behandeling door overheden of derden. Ze werden volstekt geneutraliseerd : alle mensen zijn verschillend, en met die verschillen houden we geen énkele rekening : dàt is – of moet ik nu schrijven « was « – toch de kern van het gelijkheidsbeginsel. Een filosoof zou zeggen : we zijn allen metafysisch gelijk. We worden geacht ons te gedragen alsof al die vaak goed waar te nemen verschillen tussen personen er niét zijn. Eeniéder heeft recht op gelijke behandeling. Een sterk beginsel, toch !

RECHT OP BESCHERMING TEGEN TOEGEBRACHT LEED

De nieuwe lezing nu is evenwel dat dergelijke kenmerken wél een versterkte bescherming geven. Men wordt nu beschermd tegen toegebracht leed ingevolge handelingen die op ongepaste wijze een gedifferentieerde behandeling voorbehouden aan personen omwille van een kenmerk dat als discriminatiegrond is aangemerkt. Voorbeelden legio : de weigering van een job omdat een kandidaat van het ene of het andere geslacht is is, of de weigering van toegang tot een publiek toegankelijke gelegenheid omwille van huidskleur of zgn. raciale kenmerken, enz.

DE TECTONISCHE PLATEN VAN DE MENSENRECHTEN VERSCHUIVEN DRASTISCH

Allemaal goedbedoeld maar deze drastische conceptuele verschuiving van de tectonische platen van de mensenrechten is in werkelijkheid impressionant. Ze is ook nog weinig geanalyseerd in haar conceptuele constitutionele grondslag, en derhalve nog steeds enigszins confuus. Zou het om die reden zijn dat er nu overheidsorganen, zoals UNIA, mee belast zijn om te waken over dergelijke discriminatiegronden? De klassieke leer van de mensenrechten hield destijds spontaan in dat overheden zich vooral erg terughoudend moesten opstellen op dit domein, maar nu werden we plots voorstanders van overheidsactivisme tegen sommige gevolgen van de uitoefening van fundamentele rechten en vrijheden. Tja…

ZIJN UITINGEN OOK HANDELINGEN ?

Aan de moeilijkheid werd nog een dimensie toegevoegd toen ook uitingen als « handelingen » werden beschouwd die onder toepassing vallen van de discriminatieverboden. Daar was een behoorlijk grondwettelijk argument tégen, nl. dat uitingen nu nét een grondwettelijke en verdragsrechtelijke uitzonderingspositie hebben die ze onderscheidt van alle andere handelingen. Maar daar is in één pennetrek overheen gestapt. Wel heeft verdere rechtspraak de meest fatale gevolgen van deze jurisprudentiële misstap beperkt, door dan te vergen dat men een bijzonder opzet moet kunnen aantonen voor strafbaarstelling van discriminerende uitingen.

TERUG NAAR DE PRAALWAGEN

En zo belanden we terug bij de Aalsterse praalwagen. Voorzeker beeldt die de Chassidimmannen uit op stereotype wijze, de afbeeldingen zijn helder. Men kan het er snel over eens zijn dat dit misplaatste humor is, ongepaste bejegening van personen, en oerdom. Maar zou de praalwagen, in de omstandigheden van het geval, ook een strafbare uiting kunnen zijn? Dat is voor grote twijfel vatbaar, precies omwille van de uitzonderlijke omstandigheden waarin de stuitende vertoning werd opgevoerd: het Aalsters karnaval. Voor sommigen het hoogtepunt van het jaar, en een toppunt van humor. Voor anderen over de top, stuitend en weerzinwekkend.

Welke mening men op dat vlak ook toegedaan is, één zaak is wel dat met karnaval in Aalst met àlles en eeniéder op respectloze wijze de draak wordt gestoken. Met mannen, vrouwen, politici, BV’s, televisiegezichten, voetballers en andere publieke figuren en met alle mogelijke groepen uit de samenlevingen, ongeacht… juist ja: ongeacht al die kenmerken die eerder in deze tekst in het lijstje van de discriminatiewet voorkwamen.

Eenieder wordt ongenadig over de hekel gehaald en in zijn gezicht uitgelachen of voor gek versleten. Het is daar geen cursus in wellevendheid of goed gedrag, het gaat net om het tegendeel, vaak meer om decadentie dan humor. Maar fijnzinnigheid is geen juridisch criterium.

 DE RECHTER EN KARNAVAL

Rechters moeten bij de beoordeling van opiniedelicten die omstandigheden mee in hun afweging betrekken. En dan blijkt dat er bij de meeste veroordelingen voor racistische of antisemitische uitingen geen dergelijke context was, of dat er toevoegingen waren van negationistische aard of van oproepen tot haat of geweld jegens de bedoelde personen of groepen van personen.

De Aalsterse praalwagen, de karikaturale en satirische afbeelding van Chassidimmannen, hoe misplaatst ook, mist naar mijn oordeel net de kenmerken die tot strafbaarheid  kunnen leiden. Minstens schijnt het bijzonder opzet te ontbreken, het gaat om een verkeerde inschatting van humor.

Stuitend maar, zoals het hoort onder een ruim vrijheidsregime, toch niet strafbaar. Woord en wederwoord, en  repliek zijn van groter belang dan een verbod.

Hoe groter de vrijheid, hoe vrijer Chassidim, net zoals anderen die wel eens onvriendelijk worden bejegend, hun leven kunnen leiden. Dat is toch de kern van het samen leven van allen, in al onze verscheidenheid, dat we willen?