Eerst de opinie, dan de feiten ?

Was er een grote maatschappelijke aangelegenheid van algemeen belang die kon verantwoorden dat opnamen werden gemaakt met een verborgen camera? Die deontologische vraag is ondergesneeuwd in de meningenindustrie rond een drink. Maar waren er ook belangrijke feiten die werden onthuld en nader onderzocht?

 

Hét basismateriaal van journalistiek zijn feiten. Redacties krijgen ze aangereikt of sporen ze op, ze controleren ze bij andere bronnen en valideren ze. Dat is het kernidee van journalistiek: uitleggen wat op een bepaald ogenblik, na zorgvuldig redactioneel onderzoek, de aannemelijke feitelijke toedracht was van bepaalde gebeurtenissen. Op basis daarvan kan dan een commentaar worden toegevoegd of duiding.

MAATSCHAPPELIJKE AANGELEGENHEDEN VAN ALGEMEEN BELANG

Goede journalistiek gaat bij voorkeur over een heel breed gamma van maatschappelijke zaken, zoals onderwijs, staatsschuld, fiscaliteit, gezondheidszorg, pensioenen, klimaatzorg, energiebevoorrading, mobiliteit, enz., en ook over het beleid, het doen en laten van verkozen mandatarissen, ambtenaren en bestuurders.  Het epicentrum daarvan is het algemeen belang: handelen bestuurders en ambtenaren altijd en overal in het algemeen belang, op basis van een wettelijke grondslag en zonder eigenbelang of belangenneming? In die zaken is de mediavrijheid het grootst en aanvaardt de rechtspraak een zwaarwichtig belang bij ruime bescherming van de journalistieke vrijheid.

FAIR PLAY IN DE JOURNALISTIEK

Dan nog moeten journalisten altijd handelen met fair play, zoals geformuleerd in de Code voor de Journalistiek (www.rvdj.be ). Die Code bevat de elementaire ethische regels van het journalistieke vak. Art. 15 en 17 luiden als volgt: Journalisten gebruiken loyale methodes om informatie, foto’s, beelden en documenten te verkrijgen of te verwerken, en bij het vergaren van informatie maken journalisten zichzelf en het doel van hun optreden bekend. Dit houdt in dat journalisten in de regel met open vizier handelen. Opnamen met verborgen camera die incognito zijn dan slechts verantwoord indien de informatie niet op een andere manier kan verkregen worden en wanneer er voldoende maatschappelijk belang is. Bovendien moet er in beginsel voor worden gezorgd dat de betrokkenen niet identificeerbaar zijn.

DE VERDACHTMAKING VAN EEN DRINK

Deze ethische regels problematiseren de opname van de ontvangst van de genodigden aan de deur van ’t Fornuis op 20 oktober. De Antwerpse Burgemeester en enkele Schepenen begroetten er de jarige projectontwikkelaar Erik Van der Paal van Land Invest Group bij de receptie voor diens verjaardag. Meteen zat het spel op de wagen. De oppositie suggereerde bevoordeling en misbruik, waarbij investeerders stedenbouwkundige voordelen zouden verkrijgen in ruil voor geld. Er werd niets meer onderzocht, en evenmin werd veel moeite gedaan om de suggestie van persoonlijke belangenneming door politici te vermijden. En  plots werd het ruimtelijk beleid, op basis van  impressies, aangemerkt als grijs.

VERBORGEN CAMERA ONTHULT EEN NON-FEIT

Dit is onvoldoende voor goede journalistiek. Het enig bekend geworden feit was toen het bezoek aan een verjaardagsreceptie van een projectontwikkelaar. En dan? Niets werd onderzocht, geen enkel misbruik werd naar voor gebracht, het bleef bij insinuaties en intentieprocessen. Dan rust het gebruik van zgn. “bijzondere journalistieke methoden” op een wankele basis.

GOED BESTUUR

Steden en gemeenten voeren al langer een beleid waarbij ze onderhandelen met projectontwikkelaars die kunnen bijdragen tot de realisering van de stedenbouwkundige ingrepen. Een deel van de stedelijke ontwikkelingskosten wordt ten laste van die ondernemingen gelegd, om zaken gedaan te krijgen die de financiële mogelijkheden van het bestuur overstijgen.  Dat is een gevestigde praktijk die geldt als voorbeeld van goed bestuur. Die onderhandeling rust op een reglementaire basis, die gekend is bij alle overheden.   Vergunningen zijn publiek en aanvechtbaar, gemeenteraadsleden hebben ruime inzagerechten, hogere overheden houden toezicht. Dat zijn de manieren waarop bestuur transparantie creëert. Men kan altijd pogen nog de laatste komma preventief te reglementeren, maar men moet vermijden de zaken kapot te juridiseren en het immobilisme van vroeger te reanimeren.  Terwijl gezond wantrouwen in bestuur goed is, is een beetje kritisch vertrouwen niet verkeerd.

De moeilijke financiële toestand van steden en gemeenten inspireerde een bestuurspraktijk die al jaren bestaat en zelden heeft geleid tot grote misbruiken. Daar waken de administratie, de oppositie en het administratief toezicht door de hogere overheden nauwgezet over. Dan is een persoonlijk contact met een onderneming geen grote maatschappelijke aangelegenheid van algemeen belang. Of wil men opnieuw pleiten voor een bestuurlijke kaste die afgezonderd moet worden in haar ivoren toren? Dat zijn belangrijke thema’s die nauwelijks werden aangeraakt, en journalistiek introspectie is al helemaal afwezig.

NIET VEROORDELEN MAAR BEGRIJPEN

Men moet menselijke handelingen niet bespotten, niet betreuren, niet veroordelen, doch begrijpen. Zo verwoordde Spinoza het in 1670.  Minstens moet men eerst trachten te begrijpen vooraleer men veroordeelt. Eerst de feiten die er werkelijk toe doen. Dan de mening. Er was een tijd, zo schreef Jean-François Revel, dat de feiten heilig waren en de meningen vrij; vandaag, aldus Revel zien we vaak het omgekeerde.

 

Op 10 december 2017 gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws 

 

 

 

 

Spiegel je als overheid eens aan performantiemetingen, innovatieritme en daadkracht van toppers in de private sector.

 

Het rapport van de OESO over België (OECD Economic Surveys, 2017) werd bijna gereduceerd tot gelukwensen voor een land dat progressie boekt. De OESO erkent weliswaar geboekte vooruitgang maar blijft kritisch en spoort aan tot doortastendheid.

Daar zijn ook andere indicatoren voor. In reputatiemetingen scoort België matig, we verloren in 2016 heel wat punten na de aanslagen (www.reputationinstitute.com). Reputatie meet vertrouwen, waardering, bewondering en gevoel. We scoren op veel criteria redelijk, maar verliezen punten op het vertrouwenscriterium. Vertrouwen verdien je met een goed ondernemingsklimaat en een efficiënt overheidsapparaat. Met de internationale zetels van de Nato en de Europese Unie kan België uiteraard niet anders dan hier goed scoren, maar conservatief beleid en bedenkelijke overheidsefficiëntie reduceren ons tot mediocriteit. De aanslagen kostten forse punten, en België, dat sedert 2011 in 2015 naar een 10de plaats was gestegen, tuimelde na de aanslagen naar de 15de. Te middelmatig toch voor een land met zo veel mogelijkheden en zo veel troeven?

Hetzelfde beeld in de Competitiviteitsindex van IMD, waarin België een plaats daalt naar 23 van 63 vergeleken landen (www.imd.org). De “future readiness” in de digitaliseringsindex van IMD spoort duidelijk met de globale competitiviteit van een land. België bungelt rond de 20e plaats, terwijl Zwitserland, Nederland, Ierland, Denemarken, Luxemburg, Zweden, Noorwegen, Duitsland, Finland en het Verenigd Koninkrijk het in Europa beter doen. Is de werkelijkheid niet dat we te vaak onze middelmatigheid prijzen?

Bij het WEF (www.weforum.org) staat België op de 17de plaats in de competitiviteitsindex, twee plaatsen beter dan een jaar geleden, maar ver achter Nederland en Duitsland die op de vierde en vijfde plaats scoren. Waarom nemen we daar eigenlijk genoegen mee?

Onze basics scoren te matig: performantie van onze instellingen, reguleringslast, publiek vertrouwen, infrastructuur en macro-economische data zoals staatsschuld. Diverse elementen bevorderen wel de efficiëntie: ons onderwijs, marktefficiëntie, en de eerste belangrijke maar kleine verbeteringen aan de rigide arbeidsmarkt, maar we zijn niet klaar voor de toekomst.

Het zijn onze ‘business sophistication’ – de modus operandi van onze bedrijven – en nadruk op R&D en innovatie die ons significant hoger piloteren. We hebben, met de KULeuven en Leuven R&D, Europa’s meest innovatieve universiteit (Reuters’ Europe’s Most Innovative Universities) in huis, wereldspelers zoals Imec of i-Minds (nu samen Imec), fundamentele researchcentra zoals het VIB, en private wereltoppers zoals GSK in Waver of Janssen Pharmaceutica in Beerse. Oef! Deze laatste clusters redden de eer en compenseren bestuurlijke zwakte en politieke besluiteloosheid. Maar: hoe lang nog?

Thomas Friedman schreef dat de tectonische platen van technologie, markt (globalisering) en natuur (klimaatverandering) alsmaar sneller veranderen, en dat overheden moeten leren zichzelf te hervormen aan de snelheid van Moore’s law  (Thomas L. Friedman, Thank You for being Late, 2016).  Dat vergt overheden met visie, een blik op de toekomst en een helder plan dat voortdurend wordt bijgesteld. Een regeerakkoord van 2014 is in 2015 voorbijgestreefd.

Om het ritme van Moore’s law, waarover Friedman schreef, aan te geven: indien de VW-Kever van 1971 geëvolueerd zou zijn aan de snelheid van Moore’s law – capaciteitsverdubbeling van microships om de twee jaar – dan zou hij nu 300.000 km per uur rijden, 0,1 ml benzine verbruiken per 100 km, en te koop zijn voor 4 cent.

Parlementen verliezen zich nu in een nieuwe tak van sport – onderzoekscommissies – en verloren hun wetgevende inspiratie en kracht. Regeringen zijn uit op behoud van wankele meerderheden en besturen met klamme hand en stramme voet. Het middenveld stagneert en krijgt geen deuk meer in een pak boter. We zijn niet rijk genoeg meer voor zoveel stilstand.

Krijgt iemand de federale regering, de Brusselse regeringen – als ze tenminste uit hun stammentwisten willen komen – de Waalse Gewest- en de franstalige Gemeenschapsregeringen, de Regering van de duitstalige Gemeenschap en de Vlaamse Regering (oef…!) samen voor een super-ministerraad die het Plan België 2030 lanceert en daar een Raad van Bestuur voor aanduidt? Met mandmoedige visie, perspectief en daadkracht moet je regio’s, meerderheden en opposities  kunnen verenigen, en de burgers – àlle burgers – weer mee bij de klas kunnen krijgen. Spreek eens terug de rol van initiatief, en het primordiaal belang van waarde-creatie! Dat zijn de noodzakelijke voorwaarden voor instandhouding van de sociale welvaartsstaat. Spiegel je als overheid eens aan performantiemetingen, innovatieritme en daadkracht van toppers in de private sector.

Waar wachten onze beleidsmakers eigenlijk op? Hun en onze kinderen hebben er recht op dat ze diep ademhalen en de rug rechten. We moeten weer de hoofd- van de bijzaken onderscheiden en onmiddellijk aan de slag gaan.

Op 6 juli gepubliceerd op http://www.knack.be in de reeks DOORDENKERS