Blinddoekendebat

Ook het hoofddoekendebat moet zorgvuldig gevoerd worden.

            In de Stad Antwerpen is al langer een verbod van kracht voor stadsambtenaren die in contact zijn met het publiek – “loketbedienden” – om politieke, syndicale of religieuze symbolen te dragen. Groen kondigde aan van de opheffing van die regeling een breekpunt te maken.  Het betrokken stedelijk reglement is nochtans geheel in overeenstemming met de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het politiek voluntarisme van Groen is wellicht in strijd met het neutraliteitsbeginsel uit de Grondwet.

De vrijheid van godsdienst is een belangrijk grondwettelijk beginsel. Het hield aanvankelijk voornamelijk in dat overheden personen niet anders mogen behandelen omwille van hun geloof. Met andere woorden: overheden moeten hun burgers gelijk behandelen, ongeacht de religieuze overtuiging die ze aanhangen.

VRIJHEID VAN GODSDIENST = VRIJHEID VAN ALLE GODSDIENSTEN

Uit dat beginsel volgt, logisch, dat er vrijheid is van alle godsdiensten: als burgers vrij zijn om de godsdienst van hun keuze aan te hangen of te belijden, dan kan de overheid – uiteraard – geen voorkeurgodsdienst hebben. Lange tijd hingen nochtans in openbare gebouwen, zoals gemeentehuizen, scholen of hoven en rechtbanken kruisbeelden: dat was het symbool van de dominante plaats die, toen, nog aan de katholieke kerk werd toegekend. Dat stond uiteraard op gespannen voet met de godsdienstvrijheid: voortschrijdend inzicht heeft die dominante plaats afgebouwd, en de kruisbeelden verdwenen uit openbare gebouwen. De doorslaggevende positie van de katholieke religieuze moraal in het oude Belgisch Burgerlijk Wetboek overheerste zeer lang het personen- en familierecht, de huwelijksvermogensregeling en het erfrecht. Ook daarvan zijn nu er geen sporen meer.

OVERHEDEN ZIJN NEUTRAAL

Uit de combinatie van de godsdienstvrijheid en het gelijkheidsbeginsel, volgt dat overheden neutraal moeten zijn in hun optreden naar burgers. Er wordt soms aangevoerd dat de strakke laïciteitsopvatting, die Frankrijk heeft, bij ons niet zou gelden. Wat daar ook van zou zijn: ook onze overheden moeten ten aanzien van diverse religieuze opvattingen neutraal optreden. Overheden moeten hun neutraliteit ook uitstralen en tonen. Gaandeweg kwamen, om die reden, de kruisbeelden in openbare gebouwen in het vizier en ze zijn er dan ook terecht verwijderd. Zoals eenieder kan vaststellen: de oude prominente plaats van religie in de publieke ruimte is aanzienlijk gekrompen.

Om dezelfde reden hebben vele overheden neutraliteitsregelingen ten aanzien van hun personeel dat professioneel, namens een overheid, in contact staat met het publiek, de zgn. “loketbediende”. Zulke ambtenaar vertegenwoordigt tegenover bezoekers en publiek de neutrale overheid en moet die neutraliteit ook uitstralen.

LOKETBEDIENDEN REPRESENTEREN DE NEUTRALITEIT VAN HUN OVERHEID

Daarin ligt de grondwettelijke grondslag van de neutraliteit van overheidspersoneel dat professioneel functies uitoefent waarvan de essentie het contact is met het publiek. Dergelijke ambtenaren mogen individueel hun eigen politieke, syndicale, maatschappelijke of religieuze overtuigingen hebben, dat is hùn vrijheid. Maar in de uitoefening van hun publieksfunctie namens de overheid mogen ze niets doen, dragen of uiten wat hun persoonlijke overtuiging zou doen blijken. Ze moeten precies het tegendeel doen: ongeacht hun persoonlijke overtuiging, en hoe sterk ze die ook zouden willen belijden, moeten ze zich neutraal opstellen, kleden, gedragen en uiten. Dit zijn verworvenheden van het leerstuk van de godsdienstvrijheid en de daaruit voortvloeiende “scheiding van kerk en staat”, zoals de gekende samenvatting van het neutraliteitsleerstuk luidt.

VOORTSCHRIJDEND INZICHT

We zijn daar historisch niet altijd even zorgvuldig mee omgesprongen, dat is waar. En veel van de in 1831 in de Belgische Grondwet beleden grote beginselen uit de verlichting, hebben een lange incubatietijd gehad eer ze de daaraan niet beantwoordende gebruiken en usantiën uit het verleden konden overwinnen. Denk aan het vrij gebruik van talen, dat tot het einde van de 19deeeuw niet in de weg stond aan de uitbanning van het Nederlands uit het administratie, onderwijs en gerecht, of nog, aan het stemrecht dat, in weerwil van de gelijkheidsbepaling, tot 1948 aan vrouwen onthouden werd. Dat is het voortschrijdend inzicht in een democratische rechtsstaat, en het kan lang duren eer daar stappen in gezet worden. Mét onze instituties en waarden kàn men zulke stappen zetten, zonder dat men er elkaar voor opblaast of onthoofdt.

HOOFDDOEKENVRIJHEID EN HOOFDDOEKENVERBOD

Vandaag is het “bon ton” om nu te spreken van “het hoofddoekenverbod”. Dat is eigenlijk totaal verkeerde semantiek. Hoofddoeken zijn in onze samenleving niet verboden, zie maar in het straatbeeld. Maar het dragen van hoofddoeken kan onder omstandigheden in scholen verboden zijn voor leerkrachten en zelfs voor leerlingen, en het kan in openbare dienst verboden worden voor publieksfuncties, indien de overheid een algemeen neutraliteitsreglement aanneemt voor haar personeel. Zo lang het grondwettelijk neutraliteitsbeginsel geldt, vergt de Grondwet eigenlijk dat al onze overheden zulk reglement aannemen. Er zijn er die dat vandaag theatraal niét doen of een oud reglement opheffen, en we zijn  te lankmoedig om onze waarden en instituties correct uit te leggen en te verdedigen. Dat is een grote fout die we ons in een democratische rechtsstaat eigenlijk niet kunnen veroorloven.

ONZORGVULDIG PUBLIEK DEBAT

Nog pas gaf de groene oekaze aanleiding tot een tv-debat (De Afspraak dd 23 okt.) waarin die onachtzaamheid bleek. Daarin verdedigde stafhouder Verstrepen, zonder passende tegenspraak, een stelling waarvoor geen rechtsgrond bestaat. Haar redenering vertrok  van de moslima-loketbediende en haar individueel recht op vrijheid van godsdienst en de vrijheid daar ook voor uit te komen: een puur identitair argument, zoals vandaag vaak de mode is. Dat argument faalt: vrijheid van godsdienst is een fundamentele vrijheid, maar de identitaire redenering maakt er een absolute vrijheid van, waarvoor andere beginselen zouden moeten wijken – ook het grondwettelijk neutraliteitsbeginsel. Dat is verkeerd: net zoals andere fundamentele rechten en vrijheden, is godsdienstvrijheid onderworpen aan beperkingen: fundamenteel, maar niet absoluut.

De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de mens (Straatsburg) en van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Luxemburg) zijn daar zeer helder in. Overheden, en zelfs private partijen zoals bedrijven, kunnen legitiem algemene neutraliteitsreglementen aannemen voor personeel in publieksfuncties. Het individuele recht van een ambtenaar of werknemer moet daarvoor dan wijken wanneer die personeelsleden functies willen blijven uitoefenen die essentieel bestaan in contact met het publiek.

ONZE WAARDEN EN VRIJHEDEN VERGEN ONDERHOUD

Onze instituties en waarden moeten onderhouden worden door iedereen: overheden, wetenschap, onderwijs, media, gezinnen, individuen. Wij moeten zonder meer voortdurend in staat zijn om over deze beginselen te spreken en ze te verspreiden, we mogen daar niet zo onachtzaam mee omgaan. Juist personen in belangrijke functies moeten die rol van aandacht en verspreiding opnemen. In publieke mediadebatten moeten ze dit correct durven voorstellen, en afstand nemen van ideologische opinies die tegen de grondslag van onze samenleving ingaan.

Immers, de beperking aan godsdienstvrijheid die men in een “hoofddoekenverbod” zou kunnen zien, berust nu juist op de noodzaak van wat men noemt “le vivre ensemble”,“living together”, “samen leven”. Er zou niets verkeerd mee zijn dat élk mediadebat daar altijd aan herinnert. Er is immers niets mooier dan  mét onze waarden en normen vreedzaam en daadwerkelijk … samen te leven.

Prof dr Leo Neels

 

 

Het Vermoeden van Schuld

Me too, met al zijn voor- en nadelen, heeft onmiskenbaar een weinig besproken nadeel, dat men er wat achteloos lijkt bij te nemen: het vermoeden van onschuld wordt een vermoeden van schuld. Aanklachten geschieden publiek, nog een enkele keer door media, maar steeds vaker via media.

“Slachtoffers” treden naar voren, vaak in groep nu, met rauwe aanklachten van gebeurtenissen en ervaringen die ongefilterd op het publieke forum worden gebracht met grote emotie en verontwaardiging. Emotie en verontwaardiging zijn niet geringer wanneer het om feiten gaat van vele jaren geleden, integendeel. Tegenspraak is voor hen niet belangrijk, slachtoffers reageren op basis van een vermeende schending van rechten die zou toelaten andermans rechten te negeren.

De danseressen van Troubleyn, de groep van Jan Fabre, sluiten zich daarmee aan bij een nu al goed uitgebouwde traditie van “me too”-outing. Fabre krijgt een wederwoord via een persbericht dat men obligaat publiceert, in de marge van nu paginalange beschrijvingen van ervaringen en verhalen. Vroeger bestond voor zulk materiaal een zgn. “Gespecialiseerde pers”,  type Dag Allemaal, waarop de ernstige journalistiek neerkeek. Vandaag verschijnt dit op de voorpagina’s van de grote kranten, met editorialen toe, en verdere uiteenzettingen en toelichtingen in de binnenpagina’s. Het werd… gewoon nieuws, de standrechtelijke veroordeling komt mee als “collateral damage”.

HET VERMOEDEN VAN ONSCHULD

Het vermoeden van onschuld houdt in dat men onschuldig is tot er in rechte definitief anders over is geoordeeld, dat men beschikt over de volle rechten van verdediging tegen élke beschuldiging, hoe zwaar ook, en onbeperkt recht heeft om zich juridisch te verantwoorden voor de onafhankelijke rechter in een geordend tegensprekelijk proces. Men dient derhalve door de samenleving als onschuldige persoon te worden behandeld. Dit is toch ook één van de verworvenheden die teruggaan op de erkenning van de waardigheid van elk menselijk individu, en de ontwikkeling van het moderne strafrecht in een democratische rechtsstaat. Geen geringe zaak dus.

Het vermoeden van onschuld houdt ook in dat berichtgeving altijd moet uitgaan van dit vermoeden zolang het geldt, dit is dus tot een definitieve rechterlijke veroordeling. Aanklachten, hoe scherp ook geformuleerd, hoezeer ook herhaald, hoe concreet of klemmend ze ook zouden zijn, heffen het vermoeden van onschuld niet op, uiteraard niet. Aanklachten kunnen wel nieuwswaarde hebben, uiteraard, vele zijn er vandaag  wellicht op gericht om nieuws te genereren. Dat kan journalistiek ze niet links laten liggen.

Maar dan komt de echte opdracht van goede journalistiek: hoe verzoen ik deze aanklacht die nieuwswaarde heeft met het vermoeden van onschuld waarover ik als journalist moet waken?

Dat kan enkel door evenwicht, door woord en wederwoord, door achtzaamheid en zorgvuldigheid in de toon en bij de opmaak en presentatie. Het nieuws kan zijn wat het is, het is wellicht belangrijk, mogelijk ook schokkend. Toch geldt een journalistieke zorgvuldigheidsplicht die moet leiden tot balans, delicatesse en finesse in de wijze waarop men dergelijke aanklacht naar voor brengt, en ook in de manier waarop men let op het onschuldbeginsel. Dat is moeilijk, maar goede journalistiek is moeilijk, en kan onder omstandigheden uiterste beheersing vergen.

Tegen die achtergrond zijn sommige media, naar mijn oordeel, uit de bocht gegaan in de voorbije dagen, en werd Fabre niet alleen van zijn voetstuk gekegeld, maar ook onder de grond geschoffeld, met nauwelijks meer dan een obligate opname van zijn persbericht dat niet zeer veelzeggend was. Er bestaan ook geen handboek hoe men zich behoorlijk kan verweren tegen aantijgingen op het publieke forum, laat staan aantijgingen van dit kaliber en met deze nadruk; wie er het voorwerp van wordt rest vaak niet veel keuze dan stilzwijgen – dat altijd verkeerd wordt uitgelegd – of reageren via een geschreven tekst – die altijd te veel of te weinig zegt.

Ervaring leerde me dat personen die forse aantijgingen over zich heen kregen, in de eerste uren, dagen, weken… eenvoudig niet in staat zijn om mondeling te reageren met sereniteit. Met moet niet onderschatten wat de publieke ‘naming and shaming’ met iemand doet, degenen die het niet hebben meegemaakt, beseffen dit nauwelijks. Het slaat je volkomen buiten westen en maakt je monddood.

In DS (13 sept.) werd gesuggereerd dat er een “exceptio artis” zou zijn, die de toepassing van geldende regels buiten werking zou stellen, doch kunst biedt geen vrijhaven. Impliciet rust zulke akte van verdediging, die het editoriaal deels was, op een vermoeden van schuld dat moest tegengesproken worden. Is dat de taak van journalistiek? Of zou die op dat ogenblik er zich moeten toe beperken om sereniteit te brengen en debat, rationaliteit waar emotie overheerst, duiding zonder te willen oordelen. Zeker niet veroordelen, en zeker ook niet half willen goedpraten.

De Morgen, op 14 september schrijft dat iedereen de misbruiken die nu werden aangeklaagd al lang kende, dat een boek van 1987 daar, naar ruime bekendheid, zonder meer over al ging, en dat iedereen al die tijd heeft gezwegen. “Niemand heeft er over gepiept”, 30jaar lang niet: geen kunsthistoricus, geen collega, geen toezichthouder en geen journalist, schrijft Bart Eeckhout in een helder editoriaal. Het  is een forse aanklacht tegen velen, inbegrepen toch de pers die grote privileges geniet om misbruiken van alle aard op passende wijze te onderzoeken en naar buiten te brengen. Zeker als het gaat, zoals nu overal te lezen staat, om misbruik van macht. Als dat het geval is, dan zijn veel personen en instituties betrokken bij dwaling en verzuim; dan heeft hun stilzwijgen mogelijk zaken gelegitimeerd die niet door de beugel kunnen.

HET WOORD IS AAN HET GERECHT

Het gerecht zal dit nu moeten uitzoeken, onafhankelijk, zonder acht te slagen op de publicaties die al oordeelden. Alleen onafhankelijk en sereen gerechtelijk werk hoort dat in een geciviliseerde samenleving te doen, omdat veel onrecht kan gezeten hebben, zowel in de onderliggende feiten waarvan we nu een partijdige visie kennen, als in de standrechtelijke executie op het publieke forum waar rechters zich onafhankelijk boven moeten stellen. Ook dat hoort tot het leerstuk van het vermoeden van onschuld.

De rechtsstaat kan het vermoeden van onschuld niet missen. Het recent gejuich over “me too” heeft het vermoeden in de berm gereden en dat is niet goed genoeg in de wereld die we beschaafd willen houden, of opnieuw beschaafd moeten maken. JOurnalistiek moet ook dan nieuws kunnen brengen, maar met het professionalisme en de deontologie die verslaggeving objectiveert en nuanceert, en een grote inspanning om het trial by media nièt te voeren.

Op 16 sept. 2018 gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws 

Waardige reacties op onwaardige uitingen. Overwegingen bij het Schild & Vrienden-debat

“Choquerend, storend en beledigend”: dat waren de meeste beelden die de PANO-reportage van Tim Verheyden toonde over de geheime “memes” en uitingen van Schild en Vrienden. Zulke uitingen zijn net beschermd door de vrijheid van meningsuiting. Uitingsvrijheid beschermt immers net zo goed onvriendelijke, onfatsoenlijke walgelijke, stuitende, of immorele uitingen als brave, fatsoenlijke of algemeen gedeelde meningen.

Juridisch gezien, is het dus zeer de vraag of Schild en Vrienden wel strafrechtelijk kan veroordeeld worden voor wat ze publiceerde op zijn occulte site. Waarschijnlijk valt de inhoud van wat daar circuleerde binnen de grenzen van beschermde uitingen onder het leerstuk van expressievrijheid.

Deze beschermt extreme en radicale opinies. Fatsoen of walging zijn er geen afwegingscriteria, noch de vraag of iets stuitend is of immoreel. Onder een vrijheidsregime is de keuze precies om zo veel mogelijk afwijkende, abnormale of schokkende opinies te vrijwaren: het antwoord is niet een publicatieverbod of rechterlijke veroordeling, het antwoord is een debat met argumenten: degenen die rare zaken naar voor brengen worden dan geconfronteerd met overwegingen die hen tot andere inzichten kunnen leiden.

VERWERPELIJKE MENINGEN

“C’est du choc des idées que jaillit la lumière”,zo luidt de zegswijze van Nicolas Boileau: wanneer we onthutst zijn door wat daar wordt voorgehouden, moeten we het beter maatschappelijk discours daar tegenover stellen. “Ik zal uw verwerpelijke mening altijd bestrijden, doch uw recht om die verkeerde zaken te uiten, ook altijd verdedigen”, zo luidt de aan Voltaire toegeschreven samenvatting van dit kernidee van de Verlichting.

Gebeurde hier niet net het omgekeerde? Werd de kennisname van deze walgelijke ideeën, en de lichtzinnigheid waarmee deze jongelui ermee omspringen, niet direct omgezet in aanvallen op de personen, gesymboliseerd door hun leider?

Dat is net het omgekeerde van wat de kern van de verlichtingsideeën, waarop we ons beroepen ter vrijwaring van de rechtsstaat, voorhoudt: bestrijdt de ideeën, maar niet de personen.

TEGEN DE PERSOONLIJKE AANVAL

Dat de confrontatie met deze uitingen leidde tot morele verontwaardiging, is goed, ze toont aan dat de maatschappelijke barometer voor ethische grenzen nog functioneert.

De directe stap van de morele verontwaardiging naar de scherpe aanval  ad personam  past evenwel niet bij de ethiek die de rechtsstaat kenmerkt. De terechtwijzing moet niet ontaarden in een aanval ad personam, belangrijker zijn argument en het debat, woord en wederwoord. Scherpe persoonlijke veroordeling kan emotioneel opluchten, maar biedt  geen goede voedingsbodem voor een correct debat.

PUIKE JOURNALISTIEK

De Pano-reportage “Wie is Schild & Vrienden echt?” deed haar titel alle eer aan. Ze ging, letterlijk, kijken achter de schermen, waar deze club er een onthutsend discours op nahield, aanschurkend tegen fascisme en nazisme, en dat in de virtuele onderwereld van het internet.

Een puik voorbeeld van onderzoeksjournalistiek: die neemt geen genoegen met het officiële verhaal, in dit geval een amalgaam van Vlaamse waarden en conservatisme, gekoppeld aan de retoriek van de Vlaamse Beweging en aan de fratsen van een studentenclub.

Dit is geen geringe verdienste van de reportage; immers, Schild & Vrienden was al eens grondig geanalyseerd, in een minder opgemerkt intellectueel discours  (Ico Maly, Nieuw Rechts, 2018).  Pano rukte, met zijn blik achter de schermen,  pas echt het deksel van het vuilnisvat.

In de bovenwereld was  een relatief klein clubje er in geslaagd om doelgericht zetels te veroveren in de Jeugdraad of in de Raad van Bestuur van de Universiteit van Gent. Het verwierf ook gemakkelijk een stoeltje aan de tafel van Terzake. In februari werd  de nu weggehoonde Dries Van Langenhove er als honorabele conservatieve Vlaamse stem uitgenodigd in debat met Petra De Sutter over de zgn. transgenderproblematiek. Het werd een tenenkrullend debat van een jonkie met weinig of geen kennis tegenover de altijd waardige Petra De Sutter.  Voor redacties is de les ongetwijfeld ook dat een tweetje niet per definitie aanduidt dat iemand met kennis van zaken spreekt.

CIVIELE FACADE OP EEN SOKKEL VAN SMEERLAPPERIJ

We weten nu dat de civiele en studentikoze façade rust op een verborgen sokkel van smeerlapperij, en dat de fatsoenspose samengaat met een veroveringsstrategie van een  maatschappelijk relevante posities om het publiek debat te forceren in een nauwe identitaire en retrograde antiverlichtingsrichting. De onderliggende ‘memes’en trollen die de jongelui rondjagen in hun internetbubbels zijn walgelijk en stuitend. Naar de bovenwereld werken hun internetbombardementen met trollen om het publiek debat scheef te trekken, met tweets om op de redactionele schermen te komen, en eigenlijk gewoon met leugens en bedrog.

Schild en Vrienden veroverde er formele zitjes mee in instituties en een plek in de  sociale mediasfeer. Opnieuw bleek hoe makkelijk dat online kan opgezet worden, en hoe snel een door fascisme geïnspireerd discours over normen en waarden eerbaar kan lijken.

TRIAL BY MEDIA

Redacties en instituties moeten onthouden hoe lichtzinnig ze in die val zijn getrapt. We kunnen met zijn allen leren hoe snel morele verontwaardiging ertoe leidt dat we vergeten te reageren volgens de beginselen van de rechtsstaat zelf. Terwijl die gasten de rechtsstaat beweerden te willen herstellen met de meest afschuwelijke middelen, reageerden velen met standrechtelijke executie van de personen.

De Gentse rector Vandewalle reageerde krachtig: uitsluiting als student! De vraag is op welke basis, en of dit geschiedde in overeenstemming met het tuchtreglement van studenten. Nog fundamenteler is evenwel de vraag of een universiteit niet bij uitstek de biotoop is voor héle breed maatschappelijk debat; zijn er niet aan alle universiteiten  studentenverenigingen met extreme standpunten die men steunt?

Zou het niet eerder aanbeveling hebben verdiend dat de Rector een vraag had gesteld bij het mandaat van de leider van Schild en Vrienden in het bestuur van de universiteit, dan hem als student te willen verwijderen? zou het geen aanbeveling verdienen dat de Rector het hele clubje  een geleid bezoek aan de Dossinkazerne aanbiedt? Het is immers te betwijfelen of deze jongelui  enige notie hebben van wat fascisme en nazisme écht betekenden. Beter blijven ze student, dan komen ze nog een keer écht iets te weten over de zaken waarmee ze nu lacherig, kinderachtig en sloganmatig badineerden.

DE RECHTSSTAAT VERGT VOORTDUREND ONDERHOUD, DAT VERGETEN WE TE GEMAKKELIJK

De onderwijsnetten doen er goed aan om na te denken of ze niet nog meer adequaat materiaal moeten aanbieden aan scholieren om ze voor mentale fuiken en valkuilen te behoeden.

Media moeten, ook buiten occasionele onderzoeksjournalistiek, attenter zijn op de personen aan wie ze het woord verlenen.  Het was ook geen gelukkige ingeving van de redactie van Terzake om het debat op dezelfde dag partijpolitiek te oriënteren. Daardoor verzandde het weer voorspelbaar in gratuite verwijten.

Normen en waarden zijn wel even een meer grondige aandacht waard, met stemmen die authentiek naar de kern kunnen gaan, zoals prof. Bruno De Wever of Rector Van Goethem deden.

ook om http://www.vrt.be/vrtnws 8 sept 2018

 

 

 

 

 

Vrijheid van emotionele Meningsuiting

Regelmatig wordt de ondermijning van de vrijheid van meningsuiting afgekondigd in indringende termen. Zo deden het ook meer dan 1.000 academici, ondertekenaars van een Open Brief (https://www.petities24.com/menselijkheid). Ze waarschuwen tegen “een klimaat dat kan leiden tot gevaarlijke situaties waarbij de academische vrijheid wordt beknot”, en “academici geen standpunten meer durven in te nemen”.

Hun Open Brief is wel een bewijs van het tegendeel, dat moet hen ontgaan zijn: vrij geschreven, vrij gepubliceerd, vrij ondertekend en door de media héél fors verspreid. De gespecialiseerde petitie-website (www.petities24.com) floreert trouwens als nooit tevoren. Als u eens iets wil tekenen: allen daarheen!

Wat vooral treft aan de Open Brief is de emotionele alarmkreet, alsof er in ons land een terreurregime dreigt of heerst rond meningsuiting. Het tegendeel is waar: gedachten zijn vrij, de uiting ervan is vrij. Inbegrepen de vrije uiting van extreme of radicale meningen. Ook slimme meningen of minder slimme, algemeen gedeelde meningen of heel geïsoleerde, fors geargumenteerde uitingen of emotionele, … ze kunnen in totale vrijheid geuit worden. Soms zonder de poortwachters van de journalistiek, of anders door deze poortwachters geselecteerd en gepromoveerd tot nieuws, zoals het nu in grote opmaak gebeurde. Tot zover de ondermijning van de vrije meningsuiting.

DE BOOMERANG VAN DE STAATSSECRETARIS

De aanleiding voor de Open Brief was de botte reactie van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie op de Open Brief van de 11 rectoren, die humaniteit bepleitten in ons asiel- en migratiebeleid, en daar een pleidooi voor één individuele oplossing in één individueel geval aan toevoegden. Dat was de definitieve regularisatie voor de ouders van het meisje dat omkwam in een schietincident tussen politie en mensenhandelaars die rondreden met een vol busje illegale transmigranten. Men kan zich afvragen of de rectoren systematisch het pad van “beleid per petitie” willen opgaan.

De Staatssecretaris had een misplaatste tweet gezonden waarin hij de rectoren kapittelde, door ermee te dreigen dat de rectoren “een boomerang in hun gezicht zouden terugkrijgen”.

De inkt van de tweet was nog niet droog of de Staatssecretaris trok zijn woorden al in, hij werd publiek op zijn plaats gezet door de Eerste Minister, en kreeg de hele journalistieke en  publieke opinie tegen zich. In Terzake van 6 juni (https://www.vrt.be/vrtnu/az/terzake/2018/terzake-d20180606/) had Annelies Beck dan weer wel haar handen vol aan de geenszins onredelijke beleidstoelichting van de Staatssecretaris, die net iets verder reikte dan de wat te makkelijke vragen.

DE VRIJHEID VAN DE ANDERE MENING

Kortom: de vrijheid van meningsuiting is niet bedreigd omdat iemand iets naar voor brengt wat men niet graag hoort, ongepast vindt of waar men tegen gekant is. Dat is er juist de kern van: tolerantie voor uitingen waarmee men het grondig oneens is, incasseringsvermogen voor wat men ervaart als andermans prietpraat of stommiteiten, verdraagzaamheid tegenover ongepaste of andere beweringen. Dé toets is de feitelijke grondslag van een opinie, en de uitwisseling van argumenten. Die zijn vatbaar voor discussie en tegenspraak, en vaak leren degenen die het met elkaar oneens zijn dan allemaal wat bij.

Op dat vlak schiet de zo enthousiast ondertekende Open brief van de wetenschappers tekort: het geschrift blijft hangen in de oppositie tegen een opinie. Die was bot, inderdaad; en ze was al door tegenspraak gecorrigeerd, daar was geen academische opinie voor nodig. Niemand stelde de vraag over welke boomerang een federaal Staatssecretaris beschikt om die terug op de hoofden van  rectoren of academici te doen belanden. Het ontnuchterend feitelijk antwoord is: geen enkele. Het is merkwaardig dat academici dit intimiderend noemden, om meer dan misplaatste bluf ging het niet.

De afkondiging van het einde van de meningsuiting, via een initiatief dat ruime verbreiding kende, was dus een slag in het water. Men kan gedacht hebben dat het nodig was om vooral hard en snel te roepen bij vermeende bedreigingen van fundamentele rechten. Nog beter was geweest de uiting van de Staatssecretaris op zijn feitelijke grondslag te toetsen, en vast te stellen dat hij er zich vooral mee in de voet had geschoten.

DEHUMANISERING OF BELEID?

De academici protesteerden ook tegen de zgn. dehumanisering van “de Ander”. Migranten zouden ontmenselijkt worden door de migratieproblematiek voor te stellen onder de noemer van vluchtelingenstromen of migratiegolven. Pardon?

Beleid kan alleen rusten op goed onderbouwd inzicht in de feiten en getallen: dat zijn de fameuze stromen en golven (B Benyaich, Klokslag 12, Tijd voor een ander migratie- en integratiebeleid, Itinera 2014). Wordt migreren als een te vervolgen crimineel feit beschouwd, zoals de Open Brief voorhoudt? Helemaal niet. Wel wordt wie zich buiten de rechtsstaat plaatst, zoals de zgn. transmigranten,  “illegaal” – precies zoals wie uitgewezen wordt, en dan onderduikt en in het land blijft hangen.

Om een analogie te maken: men kan toch niet ernstig beweren dat het Antwerps “Centrum voor Sociaal Beleid” met zijn jaarboeken over de armoede in België, de armen zou “de-humaniseren”? Het tracht, integendeel, het moeilijk grijpbaar fenomeen van armoede te voorzien van een beredeneerd inzicht en  feitelijke grondslag, noodzakelijke voorwaarde voor een degelijk beleid van armoedebestrijding, niet?

We hebben in België geen stabiel draagvlak voor migratie- en integratiebeleid, hoewel we grote migratiestromen hebben uitgelokt vanaf de jaren ’60. Daar hebben we  ook ooit de stopzetting van afgekondigd, maar toen was het hek al van de dam. Maar wat we doen – niet altijd even gecoördineerd en vaak meer gedreven door gebeurtenissen dan door planning – is humaan en humanitair geïnspireerd, ingebed in de canon van fundamentele rechten en vrijheden van de Grondwet en het Europees Mensenrechtenverdrag. Die fundamentele rechten worden in een rechtsstaat overigens ook onverkort toegekend aan wie zich door eigen handelen buiten de rechtsstaat plaatst, de zgn. ‘illegalen’ of ‘personen zonder papieren’.

EN BELEIDSVERRASSINGEN

Niemand was er op voorzien dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in 2012 in de zaak Hirsi Jamaa v Italië (2012) plots zou innoveren inzake de toepassing van het Mensenrechtenverdrag. Plots werden de zgn.  “pushbacks” van vluchtelingen vanuit Libië, in de territoriale wateren van de Middellandse Zee, strijdig verklaard met het Verdrag; voordien werd het als normaal beleid beschouwd. Dat was een nieuwe rechterlijke interpretatie, dat ertoe bijdroeg dat, met het wankelen van de dictatoriale regimes in Noord-Afrika en Syrië, plots door magistraten de deur werd opengezet voor de georganiseerde mensenhandel vanuit Centraal Afrika naar de Zuid-Europese lid-staten, die geen Europese buitengrenzen bleken te hebben.

Het siert ons niet dat we daar na 6 jaar nog geen degelijk antwoord op hebben, maar de waarheid is dat dat we sedertdien achter de feiten aanlopen zonder Europese buitengrenzen, met te weinig middelen, flauwe Europese solidariteit en recalcitrante lidstaten die wel de lusten van de EU willen, maar niet de lasten. In dat kader opereert het Belgisch migratiebeleid, dat reageert op gebeurtenissen elders – kijk naar de evenementen van deze week in Italië – op een wankel nationaal draagvlak, met inzet van veel middelen en energie, en op humanitaire basis. Daar is weinig academische aandacht voor, kennelijk minder dan voor een dwaze tweet.

VRIJE MENINGSUITING EN EXPERTISE

De cri de coeur van de meer dan 1.000 academici is wel een beschermde uiting in ons rechtsbestel. Van academici mag en moet de samenleving evenwel meer verwachten: dat ze door de emotie heen naar de feiten  gaan, dat ze niet direct alarmkreten slaken over hun bedreigde uitingsvrijheid (sic!), dat ze de publieke debatten voeden met kennis en inzicht.

Wie daaraan twijfelt, kan zijn voordeel doen met het recente boek van Tom Nichols, The Death of Expertise. The Campaign against Established Knowledge and Why it Matters (Oxford, 2017). Academici doen er goed aan om maatschappelijk standpunt in te nemen en het publiek debat te voeden. Maar het mag met meer zijn dan hun emotionele reflex, de samenleving rekent op hun nuchtere analyse en expertise. Laat het vooral geen Suicide of Expertise worden, dat kan de samenleving zich niet permitteren.

 

 

 

 

Botheid en Rede

We evolueren van kwaad naar erger inzake de kwaliteit van het publiek debat. Velen schijnen de remmen te verliezen, en menen dat elke emotionele uitbarsting een welgekomen bijdrage kan leveren – ook zonder feitelijke grondslag. Het was weer een drukke periode op dat vlak.

Waarschijnlijk hebben de 11 Belgische rectoren een bijdrage willen leveren tot een beter migratiebeleid, met hun open brief over “het huidig klimaat rond migranten, een afnemend respect voor de menselijke persoon, en de verminderde aandacht voor de bescherming van de meest kwetsbaren in onze samenleving” – een unicum. Nadat de Eerste Minister al had gesuggereerd dat de regering voor deze migranten, die zich buiten elke wettelijkheid bevonden, aan een tijdelijke oplossing op humanitaire grondslag zou werken, bepleitten de rectoren hun definitieve regularisatie.

Naar mijn oordeel is het goed dat academici hun stem laten horen in de grote maatschappelijke debatten, maar een pleidooi voor één, radicale, oplossing in één individueel dossier is toch iets anders. Een algemeen appel op humaniteit, de waarden van de rechtsstaat en redelijkheid zou m.i. meer hebben kunnen overtuigen, ook al was het al voorbijgestreefd door de aankondiging van de Eerste Minister.

Staatssecretaris Francken reageerde op de rectorenbrief als door een wesp gestoken met één van zijn gekende tweets, met een voorwaardelijk verwijt van politieke spelletjes, en de waarschuwing dat de rectoren “de boemerang terug in hun gezicht kunnen krijgen”. Ongepast en bot, en een gemiste kans voor de bevordering van een debat met redelijkheid.

NU WEL NAAR EEN DRAAGVLAK VOOR MIGRATIEBELEID?

Nochtans is dat wat we missen, een debat met redelijkheid. Nu zwaaien de morele verontwaardigingen op steriele wijze heen en weer, ieder blijft bij zijn groot gelijk: einde discussie. Zo bouwen we in een samen-leving niet aan inclusiviteit – één van haar moeilijkste opdrachten, en die kan niet lukken zonder grote rationaliteit in de argumenten en redelijkheid in het debat en met emotionele intelligentie; dat is iets anders dan emotie zonder meer.

Er is in dit land geen stabiel consensueel draagvlak voor een migratie- en integratiebeleid (B. Benyaich, Klokslag 12, Tijd voor een ander migratie- en integratiebeleid, Itinera, 2014) – vandaag net zo min als vroeger. Er gebeurt “van alles”, zoals zo vaak, maar een doordacht migratiebeleid en een werkende integratiepolitiek zijn er niet.

De belangrijkste verworvenheid van goed beleid zou dus nu kunnen zijn om een stabiel draagvlak voor een gedegen migratiebeleid te bevorderen. In een land dat eens voorloper was inzake mensenrechten en humanitaire acties, moet dat toch kunnen? De Staatssecretaris geniet van een uitzonderlijke hoge populariteitsscore in Vlaanderen en in franstalig België, ligt daar voor hem geen schitterende doelstelling?

GREENPEACE-FUNDAMENTALISME

Op een heel ander domein speelde dezelfde spanning tussen botheid en argument. Greenpeace wil actie voeren tegen de verkoop van sommige vleesprodukten, die aan  geldende warenvoorschriften beantwoorden. Het zet zich dus boven de wet; dat mag, maar dan moet je acties ondernemen om de wetgeving te wijzigen.

In zijn groot gelijk lanceerde Greenpeace  een aanval op een bedrijf dat heel ver buiten de focus opereert van het door Greenpeace beoogde doel, wijziging van de wetgeving inzake vleesconsumptie. Greenpeace liet een dure reclamespot maken met STUDIO100-figuurtje Maya De Bij, die roken aanprijst met, in het filmpje, een klein rokend meisje.

Het zou gaan om een analogie tussen het kankerverwekkend roken aan de ene zijde en potentieel kankerverwekkende effecten bij gebruik van bepaalde, legaal verhandelde, charcuterie. In plaats van een analogie werd het een amalgaam, met stuitende  overdrijving, storend misbruik van een minderjarig meisje in het filmpje, en de buitenproportionele afbeelding van dit meisje terwijl ze rookt.

Juridisch is  dit foutief gebruik en beschadiging, op basis van een bij de haren getrokken analogie. Studio100 investeert al jaren en internationaal vanuit Vlaanderen in dit figuurtje, met een zorgvuldig gecultiveerd imago; wie daaraan twijfelt kan het boek van Hans Bourlon nog eens rustig lezen, met zijn eerder in DE TIJD gepubliceerde opiniestukken (De Blik van Hans Bourlon, 2017).

Naar verluidt beroept Greenpeace zich op het begrip “parodie” uit het auteursrecht. Het parodierecht houdt in dat  gebruik met lichte en passende humor van een auteursrechtelijk beschermd werk (zoals Maya De Bij)  zonder toestemming van de rechtenhouder kan gebeuren; de wijziging aan het oorspronkelijk werk, of van het kader waarin het wordt gebruikt, moet moet getuigen van ironie of van een lichte spot.

Dat vergt een inzicht in humor dat de fundamentalisten van Greenpeace kennelijk niet hebben, het vergezocht karakter van hun analogie en de buitenproportionele overdrijving plaatsen het filmpje mijlenver buiten de vaste rechtspraak inzake parodie.

Men mag geen verwarring zaaien, men moet dus uitsluiten dat de parodie afkomstig zou kunnen zijn van de rechtenhouder; daar is niets toe ondernomen. En men mag niet denigreren…., aldus de duidelijke rechtsgrenzen: als je op zo grove wijze de zorgvuldige “character”-bewaking van een internationaal huis aantast, handel je foutief en inbreukmakend.

HET PUBLIEK DEBAT

Opnieuw: de botheid van radicaliteit, eigen gelijk in het kwadraat, op de kap van anderen. Het sluit aan bij een ongezonde en onhoudbare toonzetting in wat het publiek debat zou moeten zijn. Daar schiet onze samenleving niet mee op, en zo kunnen we  niet verder. Wanneer het publiek debat stilvalt onder zulke verbale bommen, sterft de democratie. Een levendige uitwisseling van voor en tegen, een confrontatie van argumenten met feiten en getallen, de opbouw van een redenering en de reactie met een weloverwogen vraag. Zo gemakkelijk zou het kunnen zijn. Zo gemakkelijk zou het, altijd, moéten zijn voor een autoriteit zoals een staatsecretaris of een niet-gouvernementele organisatie die teert op veel goodwill van jongeren.

DE PERTINENTIE VAN FORSE JOURNALISTIEKE VRAGEN

Dat zou ook mogen voor redacties en journalisten. Op de avond van de tragische moordaanslag in Luik, wanneer alle gerechtelijke, veiligheids- en politionele autoriteiten in volle onderzoek zijn, schiet een journalist niets op met een langdurige suggestieve herhaling naar een vraag van de aanwijzing van “de schuldige”. Die antwoorden zijn er op dat ogenblik niet. Iets meer rede kan dan ook bij vragen op zijn plaats zijn, journalistieke hardnekkigheid kan soms passend zijn, maar dan moet men bereid zijn om de juiste vragen stellen.

Mogelijk zullen er, altijd, fataliteiten zijn die we niet kunnen voorkomen binnen een rechtsstaat, ook daar liggen intelligente vragen.

En wanneer een minister niet aftreedt kunnen de vragen misschien minder aansluiten bij zijn emotioneel pleidooi over de veerkacht  van justitiële en penitentiaire ambtenaren?  Het is toch geen nieuws dat die zich niet altijd gesteund weten door een zwak beleid, of dat hun daadwerkelijke werkingsmiddelen in totale wanverhouding blijven staan tot wat van hun werk redelijkerwijze verwacht mag worden? Daar bleven veel pertinente journalistieke vragen liggen.

Ook gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws

 

SPECULATIES ZIJN DE NIEUWE FEITEN

 

Speculaties zijn de nieuwe feiten. Vroeger waren er feiten. Feiten zijn zaken die zeker zijn, en waar gebeurd, zoals men ze rapporteert. Journalisten checkten en dubbelcheckten feiten.

Naast feiten waren er meningen. Meningen zijn vrije opinies en gedachten. Gedachten zijn vrij, maar als men meningen uit die iemand kunnen benadelen, kan je op een schadevordering enkel succesvol antwoorden met het verweer dat je mening rust op een correcte feitelijke grondslag.

Vandaag moeten we aan de feiten en meningen de rubriek van de speculaties toevoegen. We beleefden de weken van de speculatie, dankzij de berichtgeving over de Bende van Nijvel en de evoluties in Catalonië.

In november plaatste ik een stuk over “Speculaties”, met verwijzing naar mediaberichtgeving over de Bende van Nijvel en Catalonië. Ivm het Bende-onderzoek wordt vandaag uit het gerechteleijk onderzoek gemeld dat de toen door een advocaat gesuggereerde dader met 99% waarschijnlijkheid niet de “de Reus” van de Bende is.

Daarom herinner ik aan wat ik schreef toen een spektakeladvocaat met zijn groot nieuws naar buiten kwam…

EEN BENDE NIEUWS

Inzake de Bende werd het brandje gesticht door een advocaat van de club van theatrale advocaten met een oud gerucht over de identiteit van de reus. De rest is geschiedenis: dagenlange speculatie over welke feitelijkheden er zouden kunnen geweest zijn, en wie of wat er nu in het vizier van het onderzoek zou zijn of er juist aan zou ontsnapt zijn.

Ieder zijn perceptie, ieder zijn speculatie, en ieder zijn waarheid. De leuze  ‘ieder zijn waarheid’  is gelijk aan: helemaal géén waarheid. Dan resten enkel nog geruchten. De aandacht voor feiten was beperkt,  controle van de aannemelijkheid of het waarheidsgehalte bleef achterwege.

Speculaties zijn immers oncontroleerbaar. Ze betreffen de toekomst en die laat zich lastig onderwerpen aan bewijs. Speculaties gaan over wat iemand mogelijk zal doen of nalaten. Daarmee  behoren ze tot de geruchtenmolen en zijn ze per definitie subjectief. Soms zijn ze zo fantasierijk dat er niets te controleren is.
SPECULATIE IS NEGATIE VAN JOURNALISTIEK

Kortom: speculatie alom, over mogelijke feiten in de toekomst.
Met speculatie neemt journalistiek verder afstand van zijn objectiveringsambitie. Nochtans is dat de echte belofte van goede journalistiek aan de samenleving: topjournalistiek controleert voor ons de aannemelijkheid van elk feit of gerucht, en beschouwt het als zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid om ons van de ware toedracht in te lichten. Zo draagt journalistiek bij tot de werking van de samenleving en van de maatschappelijke processen.

Het speculatiepad draagt daar niet toe bij, het desoriënteert, en voegt aan geruchten alleen maar andere geruchten toe. Die gaan nu niet alleen maar over wat er gebeurd zou zijn, maar over wat er zou kunnen gebeuren. Dat is erg, omdat die optie ook meebrengt dat de controle van de werkelijke feiten er ook onder lijdt. Daar zijn helaas  voorbeelden van.

Ook de advocaat die het Bendebrandje stichtte, gooit inmiddels verder olie op het vuur. Vanop de Boekenbeursstand van zijn uitgever, waar hij zichtbaar zijn nieuwe boek tekent breit hij – uiteraard enkel met de allerbeste bedoelingen –  rustig verder aan zijn  aankondigingen van niets, met veel geheimzinnigheid en media-aandacht. Gelukkig kon ditmaal een onderzoeksrechter duiding geven en de advocaat op zijn plaats zetten met diens ongepaste publieke verklaringen.
DIT KAN DUS BETER

De journalistieke focus moet primordiaal gericht zijn op feiten: wat, wanneer, waar – dat zijn de eerder gemakkelijke vragen – en ook: wie en waarom – dat zijn vaak moeilijke vragen. Het is altijd een heikele zaak om de échte ware feiten bloot te leggen, en de klassieke vijf vragen te beantwoorden. Dat vergt controle, controle en controle. Tot het beeld over de werkelijke feiten minstens voldoende aannemelijk wordt. Eerder brengt men niets naar voor.

Dat is iets anders dan speculaties en emoties. Dat laatste kan iedereen, daar hebben we geen  journalisten voor nodig.

 

Gepubliceerd op 7 nov 2017 op www.vrt.be/vrtnws en daar geherpubliceerd op 26 april 2018

Innovatie en Regulering : Leiderschap op Capitol Hill of in Silicon Valley?

            Regulering en innovatie staan op gespannen voet met elkaar. Regulering komt altijd laat, innovatie loopt voorop en gebeurt vaak ongepland, zowel wat de timing betreft als de precieze aard van de innovatie. Regulatoren weten dan vaak geen blijf met het nieuwe fenomeen… vroeger niet en nu vaak evenmin.

            Kijk naar de komst van radio, nu bijna 100 jaar geleden. De innovatie ging voorop: radiostations werden gemaakt door ingenieursbedrijven die radiotoestellen konden bouwen. Interessant, maar bij gebrek aan radioprogramma’s was er geen markt voor zulke toestellen. Bedrijven begonnen dan maar met radio-uitzendingen, en de eerste “vrije radio’s” waren actief.

Het zou bijna tien jaar duren eer deze innovatie in België gevolgd werd door regulering, en nog geen geringe ook. Het werd een totaal verbod van radio-uitzendingen, behalve wanneer die door de overheid gebeurden. Tot verbijstering van velen was de staatszender een feit.

Het formele excuus was de schaarste van de beschikbare ethergolven, de werkelijkheid was de angst voor het nieuwe communicatiemiddel. Dat liet immers toe dat één persoon in een kamer met de juiste technische uitrusting en wat zendmasten, rechtstreeks en gelijktijdig tot de gehele bevolking kon spreken. Het moet, in tijden van trage communicatie die via dagbladen, affichage, postzendingen en telegrafie geschiedde, inderdaad een beangstigend idee zijn geweest dat gelijk wie over een zendinstallatie kon beschikken, op die wijze het woord kon nemen voor de gehele bevolking.

De grote beginselen uit de toen bijna honderjarige Belgische Grondwet, die menings- en persvrijheid hoog in het vaandel voerde, gingen voor deze technische innovatie zo goed als overboord. Dat zou tientallen jaren zo blijven voor radio en tv, tot de laatste decennia van de vorige eeuw.

-o-

Eerder heb ik, met Jo Caudron en Dirk Wauters, al eens gepleit voor een “legal shelter”, een periode waarin met een innovatie kon geëxperimenteerd worden, en waarin voorstanders van innovatie konden tonen wat ze juist deden, zodat de samenleving kon zien welke effecten, in de zin van voor- of nadelen, aan de innovatie verbonden waren. Dat vergt uiteraard een open mentaliteit en wederzijds vertrouwen (Jo CAUDRON, Dirk WAUTERS, Leo NEELS, Geert WELLENS, Het nieuwe TV-kijken, LannooCampus 2014; Dado VAN PETEGHEM, Jo CAUDRON, Digitale Transformatie, 2014).

De directe aanleiding was toen Uber en het protest van uitbaters van taxibedrijven en autoriteiten die fors negatief reageerden, terwijl Uber de samenleving probeerde wijs te maken geen taxidienst in te richten. Dat kon anders en beter, maar een vijftal jaar later zijn we niet veel verder dan de combinatie van een stellingenoorlog aan de ene zijde en een “occult gedoogde” innovatieve exploitatie buiten elk wettelijk kader aan de andere zijde. Het illustreert het wat laffe gebrek aan transparantie aan de innovatiezijde en een onaanvaardbare mate van onbeslistheid en onverantwoordelijkheid aan de overheidszijde.

-o-

De hearing van Facebook-stichter Marc Zuckerberg in de US Senate en US Congress toont dezelfde ongemakkelijke verhouding tussen een innovator en de eindverantwoordelijken voor regulering.  Het werden twee stuitende vertoningen. Aan de ene zijde leken Senatoren en Volksvertegenwoordigers wat vragen te improviseren bij gebrek aan kennis en inzicht, of om zichzelf interessant te maken; aan de andere zijde trotseerde een redelijk zelfzekere jongen dit bejaard gezelschap rustig met een combinatie van zijn angeliek gefilosofeer over het verbinden van mensen, een gespeelde onwetendheid over hoe het er in zijn bedrijf aan toe gaat, en nieuwjaarsbriefachtige branie over hoe zeer hij zijn leven nu gaat beteren.

Voor iemand die als student in 2006 door de Harvard-autoriteiten al eens was gestopt met de voorganger van Facebook, www.facemash.com, wegens ongeoorloofd gebruik van de gehackte foto’s van de online smoelenboeken van Harvard-Colleges, en ongeoorloofde rangschikking van de studenten op basis van hun aantrekkelijkheid (“Am I Hot or Not”?) met zijn eerste algoritmes, is dat toch ruim onvoldoende?  Zijn online-experiment werd toen uit de lucht gehaald, en Zuckerberg verklaarde… “dat het onmogelijk leek om zoiets te doen zonder de privacy-rechten van de betrokken personen te schenden”; hij beleed… “dat hij geen mensen meer wilde kwetsen”. Profetische woorden, want hij kwam eergisteren – 12 jaar later – op het Capitool weg met dezelfde smoes, en werd nog beloond met een keurige stijging van de beurskoers van zijn bedrijf.

-o-

            De heer Zuckerberg heeft ons allen hiermee een hele slechte dienst bewezen, en getoond dat hij een wereldbedrijf heeft gemaakt dat niet in staat is om transparant te opereren en heldere antwoorden te geven op voor de hand liggende vragen. Dat schaadt alle techplatformen waarvan we allen vele voordelen genieten en die vandaag de werkwijze van vele beroepen danig beheersen. De indrukwekkende en kartel-achtige, collectieve stilte van zijn kompanen van Google, YouTube, amazon, Apple, Twitter etc. inspireert ook al niet al te veel vertrouwen.

-o-

            Amerika kent een hele reeks regulatoren en instanties die bevoegd zijn voor communicaties, handel, advertentiestandaarden, eerlijke competitie en bestrijding van misbruik van economische machtsposities. Met het understatement van het decennium, kan men zeggen dat deze vrij rustig hebben afgewacht en wel een héél lange gedoogperiode in acht nemen.

De werkelijkheid is minder idyllisch,  ze lijken verstijfd tegenover machtsposities, eerder dan bedachtzaam kritisch ten opzichte van interessante innovatie. Juist dan moet iemand waken over de belangen van burgers en hun fundamentele rechten, privacy- en data-rechten inbegrepen.

Onachtzaamheid van de burgers zelf, die zich laten verleiden door het “gratis” gebruik van interessante en op de duur onmisbare diensten is geen rechtvaardiging voor verzuim door instanties. Immers, die hebben nu net de wettelijke opdracht om waakzaam te blijven wanneer burgers het minder zijn, en ze opereren  onder een verantwoordingsplicht aan de parlementen. Het stilzitten van de verzamelde autoriteiten heeft dat evenwicht doorbroken, dan werken de fameuze “checks and balances” van de moderne verzorgingsstaat niet.

De hoorzitting van enkele uurtjes (sic!) was verbazingwekkend slecht  voorbereid door de parlementsleden, en strekte er blijkbaar hoofdzakelijk toe dat elk lid haar of zijn vijf minuten faam kon verwerven door het woord te richten tot de Facebook-hoogheid. Voor Zuckerberg volstonden enkele goed voorbereide algemeenheden en de koelbloedigheid van zijn jongensachtig branie.

-o-

            De meest wonderlijke passages zijn (i) deze waarin een Senator  Zuckerberg’s opinie vraagt over regulering, waarop Zuckerberg antwoordt dat hij niet tegen “de juiste” regulering gekant is, en dat het miljoenengebruik suggereert …dat er geen heel grote behoefte aan is, (ii) deze waarin Zuckerberg gevraagd wordt of zijn bedrijf geen monopolie bekleedt en Zuckerberg antwoordt… dat hij dat zo niet voelt (sic!) en (iii) Zuckerberg op vragen over privacy toch even gaat aarzelen tot zijn angeliek geloof in de goedheid van het verbinden van mensen hem opnieuw te binnen valt en hij weer bijna gaat ijlen.

-o-

            Tenzij het leiderschap van al de grote tech-platformen echt maatschappelijk leiderschap gaat tonen, tenzij Mevrouw Vestager – de EU-Commissaris voor Mededinging – nog wat doorduwt, tenzij de US-antitrust-autoriteit ontwaakt, en/of tenzij privacy-autoriteiten eens grondig gaan kijken naar de olifant in hun kamer, zal Facebook blijven aanmodderen met uw privacy.

Die lijkt nu wel  ge-de-personaliseerd, nu ze  semantisch promoveerden tot “data”; maar het zijn wel ùw gegevens, het is ùw profiel dat de basis is van het verdienmodel van deze dollargigant en zijn kompanen. Jij en ik werden ongewild of onbewust de koopwaar van wat Wu de “attention merchants” noemt. En we werden de koopwaar van bedrijven die noch meer noch minder dan systemisch zijn door hun maatschappelijk impact… een perfecte “catch 22”.

Er is een alternatief. Unilever heeft in februari aangegeven zijn reclamedollars elders te gaan besteden als het zijn advertenties moet blijven publiceren op platformen met rommel, fake news en ziekelijk materiaal voor minderjarigen, waarbij verdeeldheid wordt gezaaid en aangezet tot haat (FT, 12 februari 2018). Nadat eerder al Google zich al  had verontschuldigd voor zulke inhoud op YouTube, had Zuckerberg ook in februari al gemeld dat Facebook zijn leven zou beteren. Op hoeveel van die beloften heeft deze man, na zijn miserabele vertoning op Capitol Hill, nog recht?

Bij de aanvang van de vorige eeuw lagen adverteerders aan de basis van de eerste journalistieke codes voor de Amerikaanse kranten die toen echte schandaalblaadjes waren. Zulke codes zijn er vandaag nog en steeds hebben ze nog betekenis.

Nu Zuckerberg zijn laatste speeltijd heeft verbrod, ligt er een enorme opportuniteit voor da leiders van de andere techplatforms. In deze digitale tijden zijn dit systemische bedrijven zonder dewelke de zaken niet meer organiseerbaar zijn; het gaat dan niet om foto’s van katten of bling-bling en naakt, maar om essentiële infrastructuren in een moderne democratie en economie. Die vergen leiderschap en op dat vlak creëert deze week een somber vooruitzicht.

De afwezigheid van maatschappelijk leiderschap, dat niet slechts gekenmerkt is door praatjes maar door daadkracht, werd nu nog beloond met een stijging van de beurskoers. Blijkbaar moeten de advertentiedollars werkelijk verschuiven, zoals Unilever dreigde, opdat de werkelijke waarden-keten bijgestuurd wordt?

Maar ook dat is geen reden voor de bevoegde autoriteiten om stil te zitten.

 

Ook op http://www.vrt.be/vrtnws

 

 

Jet-journalistiek

Er was de jongste weken veel te doen over wie verantwoordelijk is voor het achterhouden van een memo van vliegtuigbouwer Lockheed Martin. Daarin wordt betoogd dat de levensduur van de Belgische F-16’s kan worden verlengd van 8.000 tot 12.000 vlieguren.  Dat memo kwam plots naar boven via een oppositiepartij die ermee triomfeerde en leidde tot grote morele verontwaardiging. De juiste feitelijke toedracht is van latere zorg, daarnaar wordt ondertussen tegen medio april gezocht.

Hoe kan een memo waarvan de inhoud al in 2016 in de pers stond, achtergehouden zijn? Op 11 juni 2016 schreef Rik Van Cauwelaert in zijn onvolprezen wekelijks stuk Het Paleis der Natie in De Tijd het volgende: “Officieel hebben de F-16’s een levensduur van 8.000 vlieguren. Maar Amerikaanse tests wezen uit dat die toestellen er probleemloos 12.000 aankunnen. Dat geeft de Belgische regering, die haar miljarden elders nodig heeft, een bijkomende reflectieperiode van ruim vijf jaar.”

Op 13 april 2017 werd naar het memo verwezen in de Nieuwsbrief DefenseNews: https://www.defensenews.com/air/2017/04/13/lockheed-says-it-can-double-f-16-s-service-life-but-will-have-to-compete-for-opportunity/#.WrzqvJ5AYdw.email. De titel van dat artikel luidt dat volgens Lockheed de levensduur van de F-16’s mogelijk zelfs verdubbeld kan worden. Er hoort veel voorbehoud bij zulke prognoses, die niet rusten op tests die zouden uitgevoerd zijn op de Belgische vloot, en men maakt o.m. onderscheid tussen de ‘carrosserie’ en heel specifieke technologische uitrusting. “Service Life Extension Programs (SLEP)” zijn denkbaar en wellicht voor sommige landen uitgevoerd, maar er blijkt niet uit dat een studie werd gedaan met Belgische F-16’s.

Wat gebeurt is dus merkwaardig. Stellingnames die al lang publiek gekend zijn – zeker voor kenners van de zaak – worden plots als nieuw en achtergehouden aangemerkt. De morele verontwaardiging belet kennelijk een daadwerkelijke kritische bevraging.

Journalisten die graag uitpakken met hun rol als kritische waakhond van de democratie, gaan niet op zoek naar de werkelijke toedracht, ze zoeken slechts schuldigen. Die zijn snel gevonden in militaire kringen. Dan zijn zowel politiek als journalistiek alle remmen weg. Sommige politici schilderen de Belgische legertop af als een “staat in de staat”, en terwijl militairen een stap opzij zetten, titelen sommigen al dat ze “aan de kant zijn gezet” (HLN, 22 maart). Het ontslag van de Minister wordt ook links en rechts al gevorderd.

Rik Van Cauwelaert herinnert er in De Afspraak (VRT, 23 maart) rustig aan dat hij al eerder schreef over de zgn. spectaculaire ontdekking van de oppositie, maar niets helpt nog. Iedereen moet zich blijven verdedigen op het achterhouden van publiek gekende gegevens.

De Morgen richt op zijn voorpagina alvast een standbeeld op voor een jonge medewerkster van de studiedienst van de socialistische partij, met een omstandig interview op de binnenbladzijden (DM, 22 maart 2018). Zij is de militaire experte die de studie te pakken heeft gekregen en dus de heldin van de dag. Coté jardin moeten koppen rollen, côté cour worden de nieuwe helden alvast gehuldigd.

Een rustige beschouwing van het verloop van deze tiendaagse rel inspireert een zekere verbijstering. Wat, wie, waar, wanneer en waarom: het blijven de basisvragen naar de feitelijke grondslag van een informatie, van wie ze ook komt. Het is het ABC van de journalistiek. Is er behoefte aan een opleiding journalistieke wijsheid… voor  redacties?

 

Ook op http://www.vrt.be/vrtnws

Mag men aanzetten tot Terrorisme?

           Democratie is de slechtste vorm van regeren, zo zei Churchill, met uitzondering van alle andere vormen die al uitgeprobeerd zijn. Een kernvraag is hoe je een democratische rechtsstaat verdedigt wanneer die in zijn kern wordt aangevallen door personen of groepen die deze willen vernietigen. Dat gebeurde twee jaar geleden met de terroristische aanvallen in Brussel.

Sedertdien heeft de regering veel maatregelen genomen inzake staatsveiligheid, preventie van aanslagen en waakzaamheid. In het kader van de bestrijding van terrorisme werd ook strafverzwaring voorzien wanneer misdrijven gepleegd worden met het oogmerk om terreur te zaaien. De regering heeft aangevoerd dat met dat nieuw arsenaal al nieuwe aanslagen werden voorkomen; het belang daarvan is, zeker in deze herdenkingsweek, niet te onderschatten !

Het gaat bij terreuraanslagen om gewone misdrijven, zoals moord en doodslag, of slagen en verwondingen en dergelijke, die met een bijzonder opzet gepleegd worden. Dat opzet is dat terroristen opzettelijk ernstige schade willen toebrengen aan het land. Ze willen de bevolking ernstige vrees aanjagen, of  de overheid op onrechtmatige wijze onder druk te zetten om iets te doen of niet te doen, of nog,  de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van het land ernstig  ontwrichten of  vernietigen. Misdrijven die met dat opzet gepleegd worden, zijn terrorismemisdrijven en die worden sedert 2013 dus zwaarder gestraft.

TERRORISME KAN NIET. ERTOE AANZETTEN OOK NIET.

Eén van de maatregelen betrof ook de aanzetting tot het plegen van een terrorismemisdrijf. De verspreiding van boodschappen die aanzetten tot het plegen van een terrorismemisdrijf werd strafbaar gesteld “wanneer de aanzetting het risico oplevert dat zo’n misdrijf mogelijk wordt gepleegd”. Om strafbaar te zijn, moest de aanzetting het risico inhouden dat er mogelijk een terrorismemisdrijf werd gepleegd.

In 2016, na de aanslagen, werd die bepaling flink aangescherpt. O.m. werd het vereiste dat de aanzetting het risico moest opleveren dat zo’n misdrijf mogelijk wordt gepleegd nu weggelaten. Het Grondwettelijk Hof heeft deze week deze weglating strijdig verklaard met de beginselen inzake uitingsvrijheid. Dat is een uiterst belangrijk arrest over één van de fundamenten van ons samenlevingsmodel.

In een democratische rechtsstaat wil je de fundamentele rechten en vrijheden maximaal verdedigen tegen degenen die terreur willen zaaien. We verdedigen ons daartegen,  precies  omdat we die rechten en vrijheden willen vrijwaren. Soms, zo oordelen overheden, moet je op sommige rechten en vrijheden kunnen ingrijpen omdat het te bereiken doel – voorkoming van nieuwe terroristische aanslagen – zo belangrijk is dat, bijvoorbeeld, de vrijheid om in dat verband uw mening te uiten moet beperkt worden. Als je geen aanslagen wil, moet je toch ook niet toelaten dat iemand ertoe oproept of aanzet? En daar komen we dus in de nuance: daarover gaat de rechtsstaat. Geen brutale of overdreven, maar beredeneerde beperkingen. Dat onderscheidt immers een rechtsstaat van een dictatuur.

De beperking die we aan aanzetting tot terrorismedaden opleggen moet dus aan voorwaarden beantwoorden. Immers, we willen maximaal onze fundamentele rechten en vrijheden vrijwaren. Ziedaar een moeilijke paradox. Destijds was zelfs overwogen om sympathie met terrorisme strafbaar te stellen. We hebben weinig sympathie voor wie sympathiseert met terrorisme, en dat vinden we zeker een extreme en ongepaste meningsuiting. Maar extreme en ongepaste uitingen zijn toegelaten: we gaan ervan uit dat we die met betere uitingen kunnen bestrijden, dàt is het leerstuk van meningsvrijheid.

RISICOLEER

Parlement en regering moeten nu wel de terrorismewet bijsturen en de risicovoorwaarde die eerst aan aanzetting tot terrorisme verbonden was, weer terug in de wet inschrijven. Dat is belangrijk, omdat het aansluit bij een van de klassieke leerstukken inzake uitingsvrijheid.

Dat noemt men de risicoleer, en die is afkomstig uit het Amerikaans recht, en heet daar de “clear and present danger-“test. De politieke overheid kan omstandigheden aanduiden die ze volstrekt wil voorkomen, zoals terrorisme-aanslagen: dat is zowel haar taak als haar goed recht. Ze mag daarbij ook de “aanzetting tot” zulke aanslagen strafbaar stellen, maar op voorwaarde dat de aanzetting het duidelijk en acuut gevaar oplevert dat het tot reële terrorismedaden kan komen. Het iconisch voorbeeld, buiten terrorisme, is dat men in een volle theaterzaal niét de uitingsvrijheid heeft om zomaar “Brand! Brand!” te roepen: dat roept het direct gevaar op dat mensen in paniek wegwillen en dat er doden en gewonden vallen ingevolge de onverantwoordelijke paniekkreet. Die is dan strafbaar.

In 2013 had ons parlement bij de invoering van het aanzettingsmisdrijf inzake terrorisme, de risicobepaling mee opgenomen, in 2016 werd die weggelaten. Het Grondwettelijk Hof heeft nu beslist dat die weglating strijdig is met de beginselen van uitingsvrijheid: de afweging aan een duidelijk en acuut gevaar dat uit een uiting ook daadwerkelijk een terroristische aanslag zal volgen, moet terug in de wet.

Het is een toonbeeld van hoe we bij de verdediging van onze waarden en normen – in dit geval de vrijheid om ons te uiten – tegelijk proberen te streven naar maximale handhaving van onze vrijheden. Het heeft immers geen zin je tegen terreur die die vrijheden wil opheffen te beschermen en dan zelf je fundamentele rechten en vrijheden te vernietigen.

Het Grondwettelijk Hof heeft bepaald dat het parlement te ver is gegaan. Het parlement moet dus de balans nu terug in evenwicht brengen met de basisinzichten van vrijheid. Die vrijheid is geen geringe zaak: daarop rust en daarvoor dient een democratie en een rechtsstaat.

“CHECKS AND BALANCES”
Het is opmerkelijk dat we die debatten nauwelijks voeren, de media hebben er nauwelijks belangstelling voor. Dat is eigenlijk niet aanvaardbaar: het arrest van het Grondwettelijk Hof is uiterst belangrijk nieuws, het betreft de kern van ons samenlevingsmodel.

Het is ook niet erg dat het Hof de regering en het parlement corrigeert: dat zijn immers juist de zgn. “checks and balances”  in een democratische rechtsstaat. Zo werkt een democratie nu precies. Dat zien we in de US, waar de 45ste President voortdurend tegen de beperkingen van zijn macht aanbotst. We zien het ook in Hongarije, Polen of Turkije waar regimes die beperkingen opheffen en zich buiten de democratische rechtsstaten aan het positioneren zijn.

VEEL UITINGSWETGEVING KAN EN MOET BETER GEMAAKT WORDEN

We kennen nog wel beperkingen van meningsuiting, zoals de aanzetting tot haat of geweld, die moeten bewezen worden bij het racismedelict. Misschien is het goed daar ook het daadwerkelijk risico aan toe te voegen.

In de mate dat onze bijzonder ruime discriminatiewet ook uitingen zou verbieden – wat sommigen denken – is er geen enkele rem. Het is best dat de wetgever dit eens en voor altijd verduidelijkt: de discriminatiewet bestraft effectieve handelingen die discrimineren, en is geen regeling van uitingen.

De seksismewet is op dit punt te verwerpen. Het is goed dat die seksistisch gedrag strafbaar stelt, dat is publiek gedrag dat iemand vernedert of minacht omwille van haar of zijn geslacht. Maar de wet stelt ook zulke uitingen strafbaar, zonder dat aangetoond moet worden dat er opgeroepen wordt tot haat of geweld ten opzichte van personen of dat er een direct gevaar is dat ze het voorwerp worden van vernederend gedrag.

Die wetten zijn eigenlijk niet in orde. Het Hof corrigeerde deze week terecht de terrorismewet en noopt het beleid om het risicobewijs terug in te voeren vooraleer we aanzetting tot terrorisme veroordelen.  De discrimininatiewet moet alleen discriminerende handelingen bestrijden, en de seksismewet moet alleen seksistische handelingen bestrijden. Die wetten moeten dus meteen aangepast worden. Ook dat is de les van het Gondwettelijk Hof met dit princiepsarrest.

Het heeft geen zin de democratische rechtsstaat te willen verdedigen door bij wet een verregaande erosie te introduceren van zijn fundamentele waarden.  Dit is echt en fundamenteel werk voor het parlement.

18 maart 2018

Liedverbranding

            De Vrouwenraad heeft gescoord met een eenvoudig modern stramien: grote morele verontwaardiging, dreiging met een rechtszaak, polemiekjes links en rechts, bestuurlijke hardnekkigheid van het voetbalmanagement,   druk van de commerciële sponsoren, clubs en politiek,  … : resultaat!

De vraag is: welk resultaat? Wellicht de grootste gratis reclamecampagne voor de liedjes van de heer Damso. Bij de keuze van Damso in november bleef het  stil, nu leek Vrouwendag  het juiste ogenblik voor een nieuw initiatief, nadat de Voetbalbond eerder de Auch-award van de Vrouwenraad zo stuntelig weigerde.

Had de Vrouwenraad een juridische vordering tegen de Voetbalbond? Dat is bijzonder twijfelachtig, zeker wanneer het nieuwe fanlied zo teder, innemend, inclusief en warmhartig zou geweest zijn als nog even werd gesuggereeerd. Dat lied wordt de volgende “hit” van de man, zoveel staat vast.

Wat de Voetbalbond werd aangewreven is de keuze van een rapper die zich eerder denigrerend, ongepast, grof, onfatsoenlijk, schaamteloos, vernederend, enz. had uitgelaten in zijn liedjes over vrouwen die hij aanmerkte als teven die zich voornamelijk onderdanig en desnoods met geweld moesten lenen voor  sexuele escapades. De selectie van een zanger met zulk repertoire werd gehekeld: vele teksten staan vol van afkeer, beledigingen en verbaal geweld tegenover vrouwen, en getuigen van haat en geweld. Nobele overwegingen betreffende oudere liedjes van de grofbebekte knaap, maar een rechtsvordering tegen de Voetbalbond?

Het staat vrijwel vast dat daar geen enkele rechtsgrond voor was. Uitingsvrijheid houdt zelfs het recht in om grove, onfatsoenlijke, storende, schokkerende en beledigende opinies te uiten, de kern is juist dat we zoveel mogelijk opinies en standpunten willen, zodat we daarop kunnen antwoorden om ze te weerleggen. Dat de Vrouwenraad, die het moet hebben van campagnes en uitingen, dreigde met een rechtszaak was niet zo’n slimme zet…

Foute opinies bestrijdt men met betere opinies, niet met rechtsvorderingen en verboden. Daar hebben de dames van de Vrouwenraad zichzelf op een merkwaardige wijze te kijk gezet: stof om eens over na te denken. Emotie is één zaak, als maatschappelijke beweging over zaken nadenken en een publiek debat voeden is een andere.

Er wringt nog wel meer. Moeten we van iedereen in de toekomst altijd totale retro-actieve zuiverheid vergen? Moet ieder die zich eens grof, scabreus of op stuitende wijze heeft uitgelaten, voor eeuwig het zwijgen worden opgelegd? Dat is het nieuwe ressentiment, de uitvergrote morele verontwaardiging die mikt op de persoon, en diens standrechtelijke executie nastreeft.

Het nobel ethisch doel dat men wil realiseren, legitimeert dan alles, als men de “dader van vroeger” maar de grond in kan boren. Daarmee mist men de kans op de activering van diens betere ik, gebruikt men eigen verbaal geweld, ook zonder nuance of ruimte voor tegenspraak: de slogans volstaan, en het beoogd resultaat is direct.

In werkelijkheid speelde er geen enkele kwestie van uitingsvrijheid. Nooit is Damso de mond gesnoerd, zijn liedjes zijn nu ook in Vlaanderen  bekend, en sommige tekstfragmenten zelfs letterlijk. Hij kan zijn repertoire nog overal gaan opvoeren, zonder enige beperking, en zijn naambekendheid reikt plots tot de pagina’s van Amerikaanse kranten.

Jammer van het quasi-juridisch opstel dat Frank Depoorter, hoofdredacteur van Het Laatste Nieuws (8 maart) als editoriaal afdrukte. Een merkwaardig overzicht van echte en vermeende censuurkwesties. Maar hier was van enige censuur werkelijk geen sprake. Het ging enkel om retroactief ressentiment tegen een persoon, ongeacht welk lied hij in de volgende weken zou presenteren.

De kern van de kwestie was een ongelukkige  keuze van de Voetbalbond om zijn imago rond de WK-participatie van de Rode Duivels te verzilveren.  Met een track record van bevordering van fair-play, van acties tegen racisme of andere maatschappelijk verantwoorde items, was er veel ruimte voor een betere keuze. Zeker ook omdat de Voetbalbond wellicht, met de jeugdbewegingen, de grootste jongerenwerking van het land organiseert, met een inclusiviteit van personen met buitenlandse achtergrond die we in andere segmenten van de samenleving nog vrijwel nergens aantreffen.

Dat noopt bij alle beslissingen tot luciditeit en leiderschap, en dat ontbrak. Zelfs toen de eerste signalen kwamen, verviel men in bestuurlijke hardnekkigheid – zelden een passende reflex. De eigenaardigheid is dat de commerciële sponsoren van de Voetbalbond opstonden: zij wensten hun merken niet bij dergelijke polemiek betrokken te zien. En meteen was de zaak in de kortste tijd beklonken.

Dat spoort met de rol die commerciële bedrijven historisch al wel langer spelen. Ze lagen mee aan de grondslag van de eerste grote golf van ethiek in de journalistiek bij het begin van de twintigste eeuw in de Verenigde Staten, toen ze dreigden hun reclamecampagnes uit de schandaalkranten terug te trekken.

Het zijn vandaag, opnieuw, de grote adverteerders die zich beginnen te keren tegen Google en Facebook omdat ze te weinig optreden tegen scabreuze inhoud op hun platforms, en daarvoor de verantwoordelijkheid willen blijven ontlopen. Unilever dreigde er op 12 februari mee om al zijn budgetten terug te trekken als hun waardevolle merken nog langer bij dubieuze ongecontroleerde inhoud op de techplatformen zouden staan.

En Proximus, ABInbev en hun collega’s trokken nu de kar om de Voetbalbond tot een betere keuze te brengen. Weliswaar ook niet in november en niet zonder publieke commotie, maar het is hun interventie die ook hier nodig was om de voetbalmanagement uit zijn bizar maatschappelijk isolement te halen.

 

ook gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws