Blinddoekendebat

Ook het hoofddoekendebat moet zorgvuldig gevoerd worden.

            In de Stad Antwerpen is al langer een verbod van kracht voor stadsambtenaren die in contact zijn met het publiek – “loketbedienden” – om politieke, syndicale of religieuze symbolen te dragen. Groen kondigde aan van de opheffing van die regeling een breekpunt te maken.  Het betrokken stedelijk reglement is nochtans geheel in overeenstemming met de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het politiek voluntarisme van Groen is wellicht in strijd met het neutraliteitsbeginsel uit de Grondwet.

De vrijheid van godsdienst is een belangrijk grondwettelijk beginsel. Het hield aanvankelijk voornamelijk in dat overheden personen niet anders mogen behandelen omwille van hun geloof. Met andere woorden: overheden moeten hun burgers gelijk behandelen, ongeacht de religieuze overtuiging die ze aanhangen.

VRIJHEID VAN GODSDIENST = VRIJHEID VAN ALLE GODSDIENSTEN

Uit dat beginsel volgt, logisch, dat er vrijheid is van alle godsdiensten: als burgers vrij zijn om de godsdienst van hun keuze aan te hangen of te belijden, dan kan de overheid – uiteraard – geen voorkeurgodsdienst hebben. Lange tijd hingen nochtans in openbare gebouwen, zoals gemeentehuizen, scholen of hoven en rechtbanken kruisbeelden: dat was het symbool van de dominante plaats die, toen, nog aan de katholieke kerk werd toegekend. Dat stond uiteraard op gespannen voet met de godsdienstvrijheid: voortschrijdend inzicht heeft die dominante plaats afgebouwd, en de kruisbeelden verdwenen uit openbare gebouwen. De doorslaggevende positie van de katholieke religieuze moraal in het oude Belgisch Burgerlijk Wetboek overheerste zeer lang het personen- en familierecht, de huwelijksvermogensregeling en het erfrecht. Ook daarvan zijn nu er geen sporen meer.

OVERHEDEN ZIJN NEUTRAAL

Uit de combinatie van de godsdienstvrijheid en het gelijkheidsbeginsel, volgt dat overheden neutraal moeten zijn in hun optreden naar burgers. Er wordt soms aangevoerd dat de strakke laïciteitsopvatting, die Frankrijk heeft, bij ons niet zou gelden. Wat daar ook van zou zijn: ook onze overheden moeten ten aanzien van diverse religieuze opvattingen neutraal optreden. Overheden moeten hun neutraliteit ook uitstralen en tonen. Gaandeweg kwamen, om die reden, de kruisbeelden in openbare gebouwen in het vizier en ze zijn er dan ook terecht verwijderd. Zoals eenieder kan vaststellen: de oude prominente plaats van religie in de publieke ruimte is aanzienlijk gekrompen.

Om dezelfde reden hebben vele overheden neutraliteitsregelingen ten aanzien van hun personeel dat professioneel, namens een overheid, in contact staat met het publiek, de zgn. “loketbediende”. Zulke ambtenaar vertegenwoordigt tegenover bezoekers en publiek de neutrale overheid en moet die neutraliteit ook uitstralen.

LOKETBEDIENDEN REPRESENTEREN DE NEUTRALITEIT VAN HUN OVERHEID

Daarin ligt de grondwettelijke grondslag van de neutraliteit van overheidspersoneel dat professioneel functies uitoefent waarvan de essentie het contact is met het publiek. Dergelijke ambtenaren mogen individueel hun eigen politieke, syndicale, maatschappelijke of religieuze overtuigingen hebben, dat is hùn vrijheid. Maar in de uitoefening van hun publieksfunctie namens de overheid mogen ze niets doen, dragen of uiten wat hun persoonlijke overtuiging zou doen blijken. Ze moeten precies het tegendeel doen: ongeacht hun persoonlijke overtuiging, en hoe sterk ze die ook zouden willen belijden, moeten ze zich neutraal opstellen, kleden, gedragen en uiten. Dit zijn verworvenheden van het leerstuk van de godsdienstvrijheid en de daaruit voortvloeiende “scheiding van kerk en staat”, zoals de gekende samenvatting van het neutraliteitsleerstuk luidt.

VOORTSCHRIJDEND INZICHT

We zijn daar historisch niet altijd even zorgvuldig mee omgesprongen, dat is waar. En veel van de in 1831 in de Belgische Grondwet beleden grote beginselen uit de verlichting, hebben een lange incubatietijd gehad eer ze de daaraan niet beantwoordende gebruiken en usantiën uit het verleden konden overwinnen. Denk aan het vrij gebruik van talen, dat tot het einde van de 19deeeuw niet in de weg stond aan de uitbanning van het Nederlands uit het administratie, onderwijs en gerecht, of nog, aan het stemrecht dat, in weerwil van de gelijkheidsbepaling, tot 1948 aan vrouwen onthouden werd. Dat is het voortschrijdend inzicht in een democratische rechtsstaat, en het kan lang duren eer daar stappen in gezet worden. Mét onze instituties en waarden kàn men zulke stappen zetten, zonder dat men er elkaar voor opblaast of onthoofdt.

HOOFDDOEKENVRIJHEID EN HOOFDDOEKENVERBOD

Vandaag is het “bon ton” om nu te spreken van “het hoofddoekenverbod”. Dat is eigenlijk totaal verkeerde semantiek. Hoofddoeken zijn in onze samenleving niet verboden, zie maar in het straatbeeld. Maar het dragen van hoofddoeken kan onder omstandigheden in scholen verboden zijn voor leerkrachten en zelfs voor leerlingen, en het kan in openbare dienst verboden worden voor publieksfuncties, indien de overheid een algemeen neutraliteitsreglement aanneemt voor haar personeel. Zo lang het grondwettelijk neutraliteitsbeginsel geldt, vergt de Grondwet eigenlijk dat al onze overheden zulk reglement aannemen. Er zijn er die dat vandaag theatraal niét doen of een oud reglement opheffen, en we zijn  te lankmoedig om onze waarden en instituties correct uit te leggen en te verdedigen. Dat is een grote fout die we ons in een democratische rechtsstaat eigenlijk niet kunnen veroorloven.

ONZORGVULDIG PUBLIEK DEBAT

Nog pas gaf de groene oekaze aanleiding tot een tv-debat (De Afspraak dd 23 okt.) waarin die onachtzaamheid bleek. Daarin verdedigde stafhouder Verstrepen, zonder passende tegenspraak, een stelling waarvoor geen rechtsgrond bestaat. Haar redenering vertrok  van de moslima-loketbediende en haar individueel recht op vrijheid van godsdienst en de vrijheid daar ook voor uit te komen: een puur identitair argument, zoals vandaag vaak de mode is. Dat argument faalt: vrijheid van godsdienst is een fundamentele vrijheid, maar de identitaire redenering maakt er een absolute vrijheid van, waarvoor andere beginselen zouden moeten wijken – ook het grondwettelijk neutraliteitsbeginsel. Dat is verkeerd: net zoals andere fundamentele rechten en vrijheden, is godsdienstvrijheid onderworpen aan beperkingen: fundamenteel, maar niet absoluut.

De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de mens (Straatsburg) en van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Luxemburg) zijn daar zeer helder in. Overheden, en zelfs private partijen zoals bedrijven, kunnen legitiem algemene neutraliteitsreglementen aannemen voor personeel in publieksfuncties. Het individuele recht van een ambtenaar of werknemer moet daarvoor dan wijken wanneer die personeelsleden functies willen blijven uitoefenen die essentieel bestaan in contact met het publiek.

ONZE WAARDEN EN VRIJHEDEN VERGEN ONDERHOUD

Onze instituties en waarden moeten onderhouden worden door iedereen: overheden, wetenschap, onderwijs, media, gezinnen, individuen. Wij moeten zonder meer voortdurend in staat zijn om over deze beginselen te spreken en ze te verspreiden, we mogen daar niet zo onachtzaam mee omgaan. Juist personen in belangrijke functies moeten die rol van aandacht en verspreiding opnemen. In publieke mediadebatten moeten ze dit correct durven voorstellen, en afstand nemen van ideologische opinies die tegen de grondslag van onze samenleving ingaan.

Immers, de beperking aan godsdienstvrijheid die men in een “hoofddoekenverbod” zou kunnen zien, berust nu juist op de noodzaak van wat men noemt “le vivre ensemble”,“living together”, “samen leven”. Er zou niets verkeerd mee zijn dat élk mediadebat daar altijd aan herinnert. Er is immers niets mooier dan  mét onze waarden en normen vreedzaam en daadwerkelijk … samen te leven.

Prof dr Leo Neels

 

 

Waardige reacties op onwaardige uitingen. Overwegingen bij het Schild & Vrienden-debat

“Choquerend, storend en beledigend”: dat waren de meeste beelden die de PANO-reportage van Tim Verheyden toonde over de geheime “memes” en uitingen van Schild en Vrienden. Zulke uitingen zijn net beschermd door de vrijheid van meningsuiting. Uitingsvrijheid beschermt immers net zo goed onvriendelijke, onfatsoenlijke walgelijke, stuitende, of immorele uitingen als brave, fatsoenlijke of algemeen gedeelde meningen.

Juridisch gezien, is het dus zeer de vraag of Schild en Vrienden wel strafrechtelijk kan veroordeeld worden voor wat ze publiceerde op zijn occulte site. Waarschijnlijk valt de inhoud van wat daar circuleerde binnen de grenzen van beschermde uitingen onder het leerstuk van expressievrijheid.

Deze beschermt extreme en radicale opinies. Fatsoen of walging zijn er geen afwegingscriteria, noch de vraag of iets stuitend is of immoreel. Onder een vrijheidsregime is de keuze precies om zo veel mogelijk afwijkende, abnormale of schokkende opinies te vrijwaren: het antwoord is niet een publicatieverbod of rechterlijke veroordeling, het antwoord is een debat met argumenten: degenen die rare zaken naar voor brengen worden dan geconfronteerd met overwegingen die hen tot andere inzichten kunnen leiden.

VERWERPELIJKE MENINGEN

“C’est du choc des idées que jaillit la lumière”,zo luidt de zegswijze van Nicolas Boileau: wanneer we onthutst zijn door wat daar wordt voorgehouden, moeten we het beter maatschappelijk discours daar tegenover stellen. “Ik zal uw verwerpelijke mening altijd bestrijden, doch uw recht om die verkeerde zaken te uiten, ook altijd verdedigen”, zo luidt de aan Voltaire toegeschreven samenvatting van dit kernidee van de Verlichting.

Gebeurde hier niet net het omgekeerde? Werd de kennisname van deze walgelijke ideeën, en de lichtzinnigheid waarmee deze jongelui ermee omspringen, niet direct omgezet in aanvallen op de personen, gesymboliseerd door hun leider?

Dat is net het omgekeerde van wat de kern van de verlichtingsideeën, waarop we ons beroepen ter vrijwaring van de rechtsstaat, voorhoudt: bestrijdt de ideeën, maar niet de personen.

TEGEN DE PERSOONLIJKE AANVAL

Dat de confrontatie met deze uitingen leidde tot morele verontwaardiging, is goed, ze toont aan dat de maatschappelijke barometer voor ethische grenzen nog functioneert.

De directe stap van de morele verontwaardiging naar de scherpe aanval  ad personam  past evenwel niet bij de ethiek die de rechtsstaat kenmerkt. De terechtwijzing moet niet ontaarden in een aanval ad personam, belangrijker zijn argument en het debat, woord en wederwoord. Scherpe persoonlijke veroordeling kan emotioneel opluchten, maar biedt  geen goede voedingsbodem voor een correct debat.

PUIKE JOURNALISTIEK

De Pano-reportage “Wie is Schild & Vrienden echt?” deed haar titel alle eer aan. Ze ging, letterlijk, kijken achter de schermen, waar deze club er een onthutsend discours op nahield, aanschurkend tegen fascisme en nazisme, en dat in de virtuele onderwereld van het internet.

Een puik voorbeeld van onderzoeksjournalistiek: die neemt geen genoegen met het officiële verhaal, in dit geval een amalgaam van Vlaamse waarden en conservatisme, gekoppeld aan de retoriek van de Vlaamse Beweging en aan de fratsen van een studentenclub.

Dit is geen geringe verdienste van de reportage; immers, Schild & Vrienden was al eens grondig geanalyseerd, in een minder opgemerkt intellectueel discours  (Ico Maly, Nieuw Rechts, 2018).  Pano rukte, met zijn blik achter de schermen,  pas echt het deksel van het vuilnisvat.

In de bovenwereld was  een relatief klein clubje er in geslaagd om doelgericht zetels te veroveren in de Jeugdraad of in de Raad van Bestuur van de Universiteit van Gent. Het verwierf ook gemakkelijk een stoeltje aan de tafel van Terzake. In februari werd  de nu weggehoonde Dries Van Langenhove er als honorabele conservatieve Vlaamse stem uitgenodigd in debat met Petra De Sutter over de zgn. transgenderproblematiek. Het werd een tenenkrullend debat van een jonkie met weinig of geen kennis tegenover de altijd waardige Petra De Sutter.  Voor redacties is de les ongetwijfeld ook dat een tweetje niet per definitie aanduidt dat iemand met kennis van zaken spreekt.

CIVIELE FACADE OP EEN SOKKEL VAN SMEERLAPPERIJ

We weten nu dat de civiele en studentikoze façade rust op een verborgen sokkel van smeerlapperij, en dat de fatsoenspose samengaat met een veroveringsstrategie van een  maatschappelijk relevante posities om het publiek debat te forceren in een nauwe identitaire en retrograde antiverlichtingsrichting. De onderliggende ‘memes’en trollen die de jongelui rondjagen in hun internetbubbels zijn walgelijk en stuitend. Naar de bovenwereld werken hun internetbombardementen met trollen om het publiek debat scheef te trekken, met tweets om op de redactionele schermen te komen, en eigenlijk gewoon met leugens en bedrog.

Schild en Vrienden veroverde er formele zitjes mee in instituties en een plek in de  sociale mediasfeer. Opnieuw bleek hoe makkelijk dat online kan opgezet worden, en hoe snel een door fascisme geïnspireerd discours over normen en waarden eerbaar kan lijken.

TRIAL BY MEDIA

Redacties en instituties moeten onthouden hoe lichtzinnig ze in die val zijn getrapt. We kunnen met zijn allen leren hoe snel morele verontwaardiging ertoe leidt dat we vergeten te reageren volgens de beginselen van de rechtsstaat zelf. Terwijl die gasten de rechtsstaat beweerden te willen herstellen met de meest afschuwelijke middelen, reageerden velen met standrechtelijke executie van de personen.

De Gentse rector Vandewalle reageerde krachtig: uitsluiting als student! De vraag is op welke basis, en of dit geschiedde in overeenstemming met het tuchtreglement van studenten. Nog fundamenteler is evenwel de vraag of een universiteit niet bij uitstek de biotoop is voor héle breed maatschappelijk debat; zijn er niet aan alle universiteiten  studentenverenigingen met extreme standpunten die men steunt?

Zou het niet eerder aanbeveling hebben verdiend dat de Rector een vraag had gesteld bij het mandaat van de leider van Schild en Vrienden in het bestuur van de universiteit, dan hem als student te willen verwijderen? zou het geen aanbeveling verdienen dat de Rector het hele clubje  een geleid bezoek aan de Dossinkazerne aanbiedt? Het is immers te betwijfelen of deze jongelui  enige notie hebben van wat fascisme en nazisme écht betekenden. Beter blijven ze student, dan komen ze nog een keer écht iets te weten over de zaken waarmee ze nu lacherig, kinderachtig en sloganmatig badineerden.

DE RECHTSSTAAT VERGT VOORTDUREND ONDERHOUD, DAT VERGETEN WE TE GEMAKKELIJK

De onderwijsnetten doen er goed aan om na te denken of ze niet nog meer adequaat materiaal moeten aanbieden aan scholieren om ze voor mentale fuiken en valkuilen te behoeden.

Media moeten, ook buiten occasionele onderzoeksjournalistiek, attenter zijn op de personen aan wie ze het woord verlenen.  Het was ook geen gelukkige ingeving van de redactie van Terzake om het debat op dezelfde dag partijpolitiek te oriënteren. Daardoor verzandde het weer voorspelbaar in gratuite verwijten.

Normen en waarden zijn wel even een meer grondige aandacht waard, met stemmen die authentiek naar de kern kunnen gaan, zoals prof. Bruno De Wever of Rector Van Goethem deden.

ook om http://www.vrt.be/vrtnws 8 sept 2018

 

 

 

 

 

Vrijheid van emotionele Meningsuiting

Regelmatig wordt de ondermijning van de vrijheid van meningsuiting afgekondigd in indringende termen. Zo deden het ook meer dan 1.000 academici, ondertekenaars van een Open Brief (https://www.petities24.com/menselijkheid). Ze waarschuwen tegen “een klimaat dat kan leiden tot gevaarlijke situaties waarbij de academische vrijheid wordt beknot”, en “academici geen standpunten meer durven in te nemen”.

Hun Open Brief is wel een bewijs van het tegendeel, dat moet hen ontgaan zijn: vrij geschreven, vrij gepubliceerd, vrij ondertekend en door de media héél fors verspreid. De gespecialiseerde petitie-website (www.petities24.com) floreert trouwens als nooit tevoren. Als u eens iets wil tekenen: allen daarheen!

Wat vooral treft aan de Open Brief is de emotionele alarmkreet, alsof er in ons land een terreurregime dreigt of heerst rond meningsuiting. Het tegendeel is waar: gedachten zijn vrij, de uiting ervan is vrij. Inbegrepen de vrije uiting van extreme of radicale meningen. Ook slimme meningen of minder slimme, algemeen gedeelde meningen of heel geïsoleerde, fors geargumenteerde uitingen of emotionele, … ze kunnen in totale vrijheid geuit worden. Soms zonder de poortwachters van de journalistiek, of anders door deze poortwachters geselecteerd en gepromoveerd tot nieuws, zoals het nu in grote opmaak gebeurde. Tot zover de ondermijning van de vrije meningsuiting.

DE BOOMERANG VAN DE STAATSSECRETARIS

De aanleiding voor de Open Brief was de botte reactie van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie op de Open Brief van de 11 rectoren, die humaniteit bepleitten in ons asiel- en migratiebeleid, en daar een pleidooi voor één individuele oplossing in één individueel geval aan toevoegden. Dat was de definitieve regularisatie voor de ouders van het meisje dat omkwam in een schietincident tussen politie en mensenhandelaars die rondreden met een vol busje illegale transmigranten. Men kan zich afvragen of de rectoren systematisch het pad van “beleid per petitie” willen opgaan.

De Staatssecretaris had een misplaatste tweet gezonden waarin hij de rectoren kapittelde, door ermee te dreigen dat de rectoren “een boomerang in hun gezicht zouden terugkrijgen”.

De inkt van de tweet was nog niet droog of de Staatssecretaris trok zijn woorden al in, hij werd publiek op zijn plaats gezet door de Eerste Minister, en kreeg de hele journalistieke en  publieke opinie tegen zich. In Terzake van 6 juni (https://www.vrt.be/vrtnu/az/terzake/2018/terzake-d20180606/) had Annelies Beck dan weer wel haar handen vol aan de geenszins onredelijke beleidstoelichting van de Staatssecretaris, die net iets verder reikte dan de wat te makkelijke vragen.

DE VRIJHEID VAN DE ANDERE MENING

Kortom: de vrijheid van meningsuiting is niet bedreigd omdat iemand iets naar voor brengt wat men niet graag hoort, ongepast vindt of waar men tegen gekant is. Dat is er juist de kern van: tolerantie voor uitingen waarmee men het grondig oneens is, incasseringsvermogen voor wat men ervaart als andermans prietpraat of stommiteiten, verdraagzaamheid tegenover ongepaste of andere beweringen. Dé toets is de feitelijke grondslag van een opinie, en de uitwisseling van argumenten. Die zijn vatbaar voor discussie en tegenspraak, en vaak leren degenen die het met elkaar oneens zijn dan allemaal wat bij.

Op dat vlak schiet de zo enthousiast ondertekende Open brief van de wetenschappers tekort: het geschrift blijft hangen in de oppositie tegen een opinie. Die was bot, inderdaad; en ze was al door tegenspraak gecorrigeerd, daar was geen academische opinie voor nodig. Niemand stelde de vraag over welke boomerang een federaal Staatssecretaris beschikt om die terug op de hoofden van  rectoren of academici te doen belanden. Het ontnuchterend feitelijk antwoord is: geen enkele. Het is merkwaardig dat academici dit intimiderend noemden, om meer dan misplaatste bluf ging het niet.

De afkondiging van het einde van de meningsuiting, via een initiatief dat ruime verbreiding kende, was dus een slag in het water. Men kan gedacht hebben dat het nodig was om vooral hard en snel te roepen bij vermeende bedreigingen van fundamentele rechten. Nog beter was geweest de uiting van de Staatssecretaris op zijn feitelijke grondslag te toetsen, en vast te stellen dat hij er zich vooral mee in de voet had geschoten.

DEHUMANISERING OF BELEID?

De academici protesteerden ook tegen de zgn. dehumanisering van “de Ander”. Migranten zouden ontmenselijkt worden door de migratieproblematiek voor te stellen onder de noemer van vluchtelingenstromen of migratiegolven. Pardon?

Beleid kan alleen rusten op goed onderbouwd inzicht in de feiten en getallen: dat zijn de fameuze stromen en golven (B Benyaich, Klokslag 12, Tijd voor een ander migratie- en integratiebeleid, Itinera 2014). Wordt migreren als een te vervolgen crimineel feit beschouwd, zoals de Open Brief voorhoudt? Helemaal niet. Wel wordt wie zich buiten de rechtsstaat plaatst, zoals de zgn. transmigranten,  “illegaal” – precies zoals wie uitgewezen wordt, en dan onderduikt en in het land blijft hangen.

Om een analogie te maken: men kan toch niet ernstig beweren dat het Antwerps “Centrum voor Sociaal Beleid” met zijn jaarboeken over de armoede in België, de armen zou “de-humaniseren”? Het tracht, integendeel, het moeilijk grijpbaar fenomeen van armoede te voorzien van een beredeneerd inzicht en  feitelijke grondslag, noodzakelijke voorwaarde voor een degelijk beleid van armoedebestrijding, niet?

We hebben in België geen stabiel draagvlak voor migratie- en integratiebeleid, hoewel we grote migratiestromen hebben uitgelokt vanaf de jaren ’60. Daar hebben we  ook ooit de stopzetting van afgekondigd, maar toen was het hek al van de dam. Maar wat we doen – niet altijd even gecoördineerd en vaak meer gedreven door gebeurtenissen dan door planning – is humaan en humanitair geïnspireerd, ingebed in de canon van fundamentele rechten en vrijheden van de Grondwet en het Europees Mensenrechtenverdrag. Die fundamentele rechten worden in een rechtsstaat overigens ook onverkort toegekend aan wie zich door eigen handelen buiten de rechtsstaat plaatst, de zgn. ‘illegalen’ of ‘personen zonder papieren’.

EN BELEIDSVERRASSINGEN

Niemand was er op voorzien dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in 2012 in de zaak Hirsi Jamaa v Italië (2012) plots zou innoveren inzake de toepassing van het Mensenrechtenverdrag. Plots werden de zgn.  “pushbacks” van vluchtelingen vanuit Libië, in de territoriale wateren van de Middellandse Zee, strijdig verklaard met het Verdrag; voordien werd het als normaal beleid beschouwd. Dat was een nieuwe rechterlijke interpretatie, dat ertoe bijdroeg dat, met het wankelen van de dictatoriale regimes in Noord-Afrika en Syrië, plots door magistraten de deur werd opengezet voor de georganiseerde mensenhandel vanuit Centraal Afrika naar de Zuid-Europese lid-staten, die geen Europese buitengrenzen bleken te hebben.

Het siert ons niet dat we daar na 6 jaar nog geen degelijk antwoord op hebben, maar de waarheid is dat dat we sedertdien achter de feiten aanlopen zonder Europese buitengrenzen, met te weinig middelen, flauwe Europese solidariteit en recalcitrante lidstaten die wel de lusten van de EU willen, maar niet de lasten. In dat kader opereert het Belgisch migratiebeleid, dat reageert op gebeurtenissen elders – kijk naar de evenementen van deze week in Italië – op een wankel nationaal draagvlak, met inzet van veel middelen en energie, en op humanitaire basis. Daar is weinig academische aandacht voor, kennelijk minder dan voor een dwaze tweet.

VRIJE MENINGSUITING EN EXPERTISE

De cri de coeur van de meer dan 1.000 academici is wel een beschermde uiting in ons rechtsbestel. Van academici mag en moet de samenleving evenwel meer verwachten: dat ze door de emotie heen naar de feiten  gaan, dat ze niet direct alarmkreten slaken over hun bedreigde uitingsvrijheid (sic!), dat ze de publieke debatten voeden met kennis en inzicht.

Wie daaraan twijfelt, kan zijn voordeel doen met het recente boek van Tom Nichols, The Death of Expertise. The Campaign against Established Knowledge and Why it Matters (Oxford, 2017). Academici doen er goed aan om maatschappelijk standpunt in te nemen en het publiek debat te voeden. Maar het mag met meer zijn dan hun emotionele reflex, de samenleving rekent op hun nuchtere analyse en expertise. Laat het vooral geen Suicide of Expertise worden, dat kan de samenleving zich niet permitteren.

 

 

 

 

Botheid en Rede

We evolueren van kwaad naar erger inzake de kwaliteit van het publiek debat. Velen schijnen de remmen te verliezen, en menen dat elke emotionele uitbarsting een welgekomen bijdrage kan leveren – ook zonder feitelijke grondslag. Het was weer een drukke periode op dat vlak.

Waarschijnlijk hebben de 11 Belgische rectoren een bijdrage willen leveren tot een beter migratiebeleid, met hun open brief over “het huidig klimaat rond migranten, een afnemend respect voor de menselijke persoon, en de verminderde aandacht voor de bescherming van de meest kwetsbaren in onze samenleving” – een unicum. Nadat de Eerste Minister al had gesuggereerd dat de regering voor deze migranten, die zich buiten elke wettelijkheid bevonden, aan een tijdelijke oplossing op humanitaire grondslag zou werken, bepleitten de rectoren hun definitieve regularisatie.

Naar mijn oordeel is het goed dat academici hun stem laten horen in de grote maatschappelijke debatten, maar een pleidooi voor één, radicale, oplossing in één individueel dossier is toch iets anders. Een algemeen appel op humaniteit, de waarden van de rechtsstaat en redelijkheid zou m.i. meer hebben kunnen overtuigen, ook al was het al voorbijgestreefd door de aankondiging van de Eerste Minister.

Staatssecretaris Francken reageerde op de rectorenbrief als door een wesp gestoken met één van zijn gekende tweets, met een voorwaardelijk verwijt van politieke spelletjes, en de waarschuwing dat de rectoren “de boemerang terug in hun gezicht kunnen krijgen”. Ongepast en bot, en een gemiste kans voor de bevordering van een debat met redelijkheid.

NU WEL NAAR EEN DRAAGVLAK VOOR MIGRATIEBELEID?

Nochtans is dat wat we missen, een debat met redelijkheid. Nu zwaaien de morele verontwaardigingen op steriele wijze heen en weer, ieder blijft bij zijn groot gelijk: einde discussie. Zo bouwen we in een samen-leving niet aan inclusiviteit – één van haar moeilijkste opdrachten, en die kan niet lukken zonder grote rationaliteit in de argumenten en redelijkheid in het debat en met emotionele intelligentie; dat is iets anders dan emotie zonder meer.

Er is in dit land geen stabiel consensueel draagvlak voor een migratie- en integratiebeleid (B. Benyaich, Klokslag 12, Tijd voor een ander migratie- en integratiebeleid, Itinera, 2014) – vandaag net zo min als vroeger. Er gebeurt “van alles”, zoals zo vaak, maar een doordacht migratiebeleid en een werkende integratiepolitiek zijn er niet.

De belangrijkste verworvenheid van goed beleid zou dus nu kunnen zijn om een stabiel draagvlak voor een gedegen migratiebeleid te bevorderen. In een land dat eens voorloper was inzake mensenrechten en humanitaire acties, moet dat toch kunnen? De Staatssecretaris geniet van een uitzonderlijke hoge populariteitsscore in Vlaanderen en in franstalig België, ligt daar voor hem geen schitterende doelstelling?

GREENPEACE-FUNDAMENTALISME

Op een heel ander domein speelde dezelfde spanning tussen botheid en argument. Greenpeace wil actie voeren tegen de verkoop van sommige vleesprodukten, die aan  geldende warenvoorschriften beantwoorden. Het zet zich dus boven de wet; dat mag, maar dan moet je acties ondernemen om de wetgeving te wijzigen.

In zijn groot gelijk lanceerde Greenpeace  een aanval op een bedrijf dat heel ver buiten de focus opereert van het door Greenpeace beoogde doel, wijziging van de wetgeving inzake vleesconsumptie. Greenpeace liet een dure reclamespot maken met STUDIO100-figuurtje Maya De Bij, die roken aanprijst met, in het filmpje, een klein rokend meisje.

Het zou gaan om een analogie tussen het kankerverwekkend roken aan de ene zijde en potentieel kankerverwekkende effecten bij gebruik van bepaalde, legaal verhandelde, charcuterie. In plaats van een analogie werd het een amalgaam, met stuitende  overdrijving, storend misbruik van een minderjarig meisje in het filmpje, en de buitenproportionele afbeelding van dit meisje terwijl ze rookt.

Juridisch is  dit foutief gebruik en beschadiging, op basis van een bij de haren getrokken analogie. Studio100 investeert al jaren en internationaal vanuit Vlaanderen in dit figuurtje, met een zorgvuldig gecultiveerd imago; wie daaraan twijfelt kan het boek van Hans Bourlon nog eens rustig lezen, met zijn eerder in DE TIJD gepubliceerde opiniestukken (De Blik van Hans Bourlon, 2017).

Naar verluidt beroept Greenpeace zich op het begrip “parodie” uit het auteursrecht. Het parodierecht houdt in dat  gebruik met lichte en passende humor van een auteursrechtelijk beschermd werk (zoals Maya De Bij)  zonder toestemming van de rechtenhouder kan gebeuren; de wijziging aan het oorspronkelijk werk, of van het kader waarin het wordt gebruikt, moet moet getuigen van ironie of van een lichte spot.

Dat vergt een inzicht in humor dat de fundamentalisten van Greenpeace kennelijk niet hebben, het vergezocht karakter van hun analogie en de buitenproportionele overdrijving plaatsen het filmpje mijlenver buiten de vaste rechtspraak inzake parodie.

Men mag geen verwarring zaaien, men moet dus uitsluiten dat de parodie afkomstig zou kunnen zijn van de rechtenhouder; daar is niets toe ondernomen. En men mag niet denigreren…., aldus de duidelijke rechtsgrenzen: als je op zo grove wijze de zorgvuldige “character”-bewaking van een internationaal huis aantast, handel je foutief en inbreukmakend.

HET PUBLIEK DEBAT

Opnieuw: de botheid van radicaliteit, eigen gelijk in het kwadraat, op de kap van anderen. Het sluit aan bij een ongezonde en onhoudbare toonzetting in wat het publiek debat zou moeten zijn. Daar schiet onze samenleving niet mee op, en zo kunnen we  niet verder. Wanneer het publiek debat stilvalt onder zulke verbale bommen, sterft de democratie. Een levendige uitwisseling van voor en tegen, een confrontatie van argumenten met feiten en getallen, de opbouw van een redenering en de reactie met een weloverwogen vraag. Zo gemakkelijk zou het kunnen zijn. Zo gemakkelijk zou het, altijd, moéten zijn voor een autoriteit zoals een staatsecretaris of een niet-gouvernementele organisatie die teert op veel goodwill van jongeren.

DE PERTINENTIE VAN FORSE JOURNALISTIEKE VRAGEN

Dat zou ook mogen voor redacties en journalisten. Op de avond van de tragische moordaanslag in Luik, wanneer alle gerechtelijke, veiligheids- en politionele autoriteiten in volle onderzoek zijn, schiet een journalist niets op met een langdurige suggestieve herhaling naar een vraag van de aanwijzing van “de schuldige”. Die antwoorden zijn er op dat ogenblik niet. Iets meer rede kan dan ook bij vragen op zijn plaats zijn, journalistieke hardnekkigheid kan soms passend zijn, maar dan moet men bereid zijn om de juiste vragen stellen.

Mogelijk zullen er, altijd, fataliteiten zijn die we niet kunnen voorkomen binnen een rechtsstaat, ook daar liggen intelligente vragen.

En wanneer een minister niet aftreedt kunnen de vragen misschien minder aansluiten bij zijn emotioneel pleidooi over de veerkacht  van justitiële en penitentiaire ambtenaren?  Het is toch geen nieuws dat die zich niet altijd gesteund weten door een zwak beleid, of dat hun daadwerkelijke werkingsmiddelen in totale wanverhouding blijven staan tot wat van hun werk redelijkerwijze verwacht mag worden? Daar bleven veel pertinente journalistieke vragen liggen.

Ook gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws

 

News is now the News: Roles and Responsibilities of Journalism in an Amazing Era

Dit is mijn emeritaatslezing aan de Universiteit van Antwerpen

van 26 februari 2018.

           News is now the news. For a long time, we didn’t care. Gentle criticism on editors, journalists and media was the overarching tone and the news was what it was: radio and print in the morning, television in the evening. Everything changed, and news is now around us as if it was the air that we breathe. News became the news, think about ‘fake news’ or ‘alternative facts’.

            Meanwhile, the two Flemish newspaper editors are the owners of most of the newspapers in the Netherlands.  Profitable media companies are an important protective factor for serious journalism. In that regard, the decline of commercial revenue, as a consequence of the agressive strategy of tech platforms, is an issue of great concern.

JOURNALISM

            Journalism plays a central role in society. That’s why we call it the fourth estate – suggesting that it is one of the building blocks of our societies, next to their basic institutions. Independent journalism is the biomarker of the condition of the fundamental fabric of society: democracy, rule of law and civil rights. That is an essential role that justifies to regard the journalistic performance critically.

We must not blame journalism or media for all the sins of the world. It is also unhelpful to cherish a nostalgic view, in the sense that journalism was better in the past. It wasn’t.

In my view, we have excellent journalism and other journalism at the same time. The divide is not between serious outlets and the rest, all have excellent journalism regularly and they all struggle with the difficulty to comply in a consistent manner with editorial standards.

All media suffer from the daily tsunamis of social media, tweets and clickbaits that  disorient newsrooms. Whilst social media steal a lot of advertising money from incumbent media, editors are under constant pressure to opt for speed and to adapt their news selection to what is ‘trending’ – risking to miss the rationales for an autonomous news selection,  and failing to apply the quality norms that their charters and solemn editorial messages suggest.

However, with all their flaws, I am still convinced that  ‘media are good for us’ – going against a trend that shows low levels of trust in journalism. We must applaud free media. But complacency that can inspire  editorial blindness is worrying, and we can’t afford it.

I would argue that an underestimated enemy of good journalism could be an internal one, the lack of ambition to excell, mediocrity in the newsroom, the conviction that performing on a “good enough”-basis will do. It won’t.

AMAZING ERA

We live in an amazing era. We live in one of the most prosperous regions of the world, peaceful for more than 70 years now, where I was educated with values and the foresight of more freedom, emancipation, prosperity and solidarity. It inspired a conviction of progress, of science, knowledge and civilisation, and a belief in the realisation of the pledges of the French Revolution: liberté, égalité, fraternité.

Where did we lose our talent for optimism, our belief in emancipation and progress, and our willingness to share with others what we, privileged kids of history, have? We talk of inclusive societies, but we have  difficulty to become one, now that we are confronted with real diversity in our country. The spirit of fairness and generosity that underscored my education, seems to weaken rather than to become stronger. The climate today is characterised to a considerable degree with fear and resentment, insult and innuendo, suspicion, selfishness and moral condemnation. More and more do identity-based claims clash without perspective, and societal divides seem here to stay. That is what I qualify as “amazing”.

It is unhelpful that the commanding states pulverized to administrative entities,  pale shadows of their former selves. For Belgium, we could refer to the institutional chaos of our country, the close-to-apartheid solution for our traditional language-based diversity and the appalling inefficacy  of too much of our institutions and public services.

For a significant part of the Western world, we seem stuck with  the confrontational character of public discourse, right- or left-extremist parties that attract large numbers of voters in many countries, states withdrawing from international treaties, and member-states of the European Union opposing its fundamentals with regard to rule of law and human rights.

That is in sharp contrast with the single most important event that I witnessed in my lifespan, the fall of the Berlin Wall on Nov. 9th, 1989. There were no reports of people fleeing from the West to the East.

And yet, many in the West hesitate and complain, and we are confronted with a sentiment of a sick society, whilst we live in countries that are not known for their autocratic regimes and that recognize freedom of expression at large. In terms of the reports of Freedom House, we are part of the priviliged 39% of the world’s population that lives in a democracy and the 13 % that lives in a state that does recognize freedom of the press.

Steven Pinker argues in his opus magnum “Enlightenment Now” that we are getting healthier, richer, safer and freeer, and we are becoming more literate, knowledgeable and smarter. I believe that Pinker is right in emphasizing that people are also fitted with a sense of sympathy, an ability to reflect on their predicament, and faculties to think up and share new ideas – the better angels of our nature, in the words of Abraham Lincoln.

This is the wisdom that I want to convey to the next generations. Whilst I terminate my tenure as a media law teacher at this university, it is my motive to remain active in other roles. It is the duty of the elites in society – academic and media elites, entrepreneurial and civil society-elites – and the duty of all citizens as well to raise the standards and to overcome fear, anger and resentment that stall inititiative and hamper progress for the benefit of all.

MEDIA LAW

            In 1831, the Belgian Constitution laid the foundations of the legislative, executive and judicial powers, as they were called, but it  came also with 3 provisions on the press, the fourth estate. It was a liberal example on the Continent and it worked well. It is remarkable that 187 years later we see that the Belgian Constitution of 1831 still stands, whereas the solemn Paris Déclaration des Droits de l’homme could not prevent that France had an unstable regime for more than 80 years after the French Revolution, with very repressive governments indeed. It is my conviction that the strong provisions on press freedom in the Belgian Constitution were substantial in order to ensure stability as well as incremental changes that are monumental if we look back.

There are always matters that can be improved: allow me to point to a nonsensical constitutional issue. Art. 25 of the Belgian Constitution reads: “La presse est libre”. Notwithstanding a constitutional provision on the freedom of languages, it was in french only until it was officially translated in 1967 (sic!). “La presse est libre” was translated : “De drukpers is vrij”… Printing Press is free.

I would argue that that is an incorrect translation, 37 years after the vote of our first Radio law, and 7 years after the vote of Belgium’s first television law. It leads to the oddity that the Belgian Constitution has 2 provisions with regard to printed press in 2018. In an intelligent manner, our courts and tribunals manage to judge all media cases, e-media included on that constitutional basis, but with a hesitation by our High Court – as if our founding fathers wanted a privileged status for the print industry, misrepresenting their promotion of media freedom.

DEMOCRACY

Since media are the 4th estate, allow me to briefly comment the other 3 estates. When queried when he left Independence Hall at the close of the Constitutional Convention in 1787, Benjamin Franklin is believed to have answered to a lady that asked what they had finally got, “A Republic, if you can keep it.” He referred to a deliberative democracy without a sovereign operating independently of the people.

With all its flaws, its difficulty to deliver and the clumsiness of its processes, the underlying liberty and the ambition to not start governing without or against the population are reflections of values that we must not underestimate. Liberty is the foundation on which it rests, and it is difficult to combine fundamental liberty of all with a robust governance model. However, there are no such things as “illiberal democracies” that adopt the form of democratic regimes, mimicing elections, but ruining the substance.

            And yes, Western democracies are imperfect, but perfectionism was tried in other regimes. The imperfections of free states are preferable in comparison with the pretended perfection of unfree regimes. Regimes based on the democratic canon create prosperity, and they combine stability with incremental but continuous change.

            Churchill famously said in the House of Commons in 1947 that “democracy is the worst form of Government except for all those other forms that have been tried from time to time”.

Nevertheless Peter Mair analysed “the hollowing of Western democracy”, as if it were easing away of its popular component in favour of political parties failing in their capacity to engage ordinary citizens. It made citizens change from participants to spectators. The result, Mair wrote, is the beginning of a form of democracy in which the citizens stay at home while the parties get on with governing.

Meanwhile, the dominant political parties of the  20th century were running out of steam whilst their visions were scrambled in the delivery programs of the welfare states, with  citizens focusing on their entitlements as consumers in the supermarket of their state of the 21st century – as if consumerism would validly replace their active role as citizens.

Unsurprisingly, these evolutions inspired the cry of despair of all sorts of identitarian groups that don’t feel involved in the political decision making and left behind because there is always a sentiment that their claims should be met more properly. We call it populism, and extremist parties left and right try to capitalize on that despair and attack the so-called elite, politicians and their institutions,  incumbent media and journalists included.

And so, the suggestion of Benjamin Franklin “A Republic, if you can keep it…” was prophetic. We underinvested in the discipline and self-restraint that is required to keep our valuable institutions in good shape, and this confronts us with growing impatience of identitarian groups, and the emptiness of a deflated public sphere.

FREE SPEECH AND MEDIA FREEDOM

 For lawyers, free speech comes with an inconvenient truth. In the wording of Eric Bahrendt,  the philosophical insight favours a free speech principle under which speech is entitled to a greater degree of immunity from regulation than other forms of conduct which cause similar harm or offence.

In general, lawyers tend to think that strong liability principles, a vibrant litigation that  enforces accountability, and regulation are the indispensable conditions to ensure that professions and sectors act in a professional manner. The 117.000 pages that the Belgian Offical Gazette published last year, prove  unconstrained belief in the benefits of regulation.

With free speech, we reverse the debate. We consider speech should be immunized from regulation, and government’s interventions are regarded with suspicion.  Free speech is the exclusive zone in society for which we accept that less regulation will lead to more excellence. It places a heavy burden on the shoulders of journalists. I would argue that the low levels of trust in journalism suggest that journalists underestimate how heavy the burden on their shoulders is.

            The importance of speech is based on different arguments, the first of which is individual delevopment and self-fulfilment. The right to express one’s opinions is linked to the intrinsic value that we attach to each individual person. Their development and self-fulfiment  leads to a consequential benefit for society, the presence of reflective and mature individuals – which brings us to the more consequential arguments for free speech.

THE ARGUMENT FROM CITIZEN’S PARTICIPATION IN DEMOCRACY – THE PUBLIC SPHERE

The argument from democracy refers to the importance of public discourse on matters of public interest. It is the cornerstone of liberal democracy, that is fuelled by fearless and open debate of facts, figures, beliefs and opinions that underscore good policies.

Justice Brandeis  wrote that “… that the greatest menace to freedom is an inert people.” His warning against “an inert people” is essential, and it refers to the deliberative character of modern democracy. That is  symbolised by the iconic opening sentence of the preamble to the US Constitution… “We, the people…”.

            Sunstein remembers that “We the People” came with a form of gatekeeping. Not a filtering of what people would see or hear, but a form of filtering by checks and balances, institutions that would filter popular desires so as to ensure policies that promote the public good. The new-invented republic for a great group of people would, in the words of James Madison, have… “to refine and enlarge public views, by passing them through the medium of a chosen body of citizens”. Representation would submit the public voice to checks and balances, and make it “…more consonant to the public good than if pronounced by the people themselves”.

            That refinement and enlargement offered a cautionary note, in the sense that all that could be said and expressed was to be brought together to coherence, consistency and reason – so as to ensure that what would emerge would be both reflective and well informed. At the same time, Sunstein continues, the founders placed a high premium on the idea of civic virtue, which required participants in politics  to act as citizens dedicated to something other than their own narrowly-conceived self-interest.

It is believed that better decisions are likely to emerge from uninhibited discussion than from a process regulated by an authority. That was the approach of Justice Holmes of the US Supreme Court in his famous dissenting opinion: “The ultimate good desired  is better reached by free trade in ideas, or… the competition of the market.”

“The ultimate good desired” refers to the wider societal context of  the public sphere. A good democratic order attempts to ensure informed and reflective decisions, based on open and intelligent public debate. Over the last years, with people enabled to publish their most individual thoughts and emotions, we were starting  to think that each snapshot of individual opinion or emotion  contributes to collective progress on equal foot. It doesn’t.

The underlying assumption is the hypothesis of a shared commitment to better decisions – that need to rest on a reliable factual basis. With that, it is also clear that free speech as an individual right on the one hand, and media freedom on the other hand, are rather different basic rights: the distinction should make editors and journalists more critical to their personal or private beliefs, because, as media professionals, they act with a purpose,  defined by what we expect from the fourth estate, and that is the common good.

Cass Sunstein formulated this role as the role of well established general-interest-intermediairies, that enable people that find themselves together in a country to gather in a single public space receiving and  discussing reliable reports on the issues of the day. That comes close to the case law of the ECHR that defines journalism as “the public wathdog of democracy”, it comes close to qualifying media as essential infrastructures of democracy, with systemic relevance indeed. More recently, the ECHR came up with a broader formulation, that of “living together”. The argument from “living together” refers to the framework of the set of values of an open and democratic society, or the minimum requirements of life in society. That is the provisional highlight of the consequential approach to freedom of expression: it serves a peculiar purpose in society, it is a function of the collective effort of “living together”, in Sunstein’s words, of the production of social glue.

That social glue rests on a societal canon, built by gremia that construct society’s framework, the truth that is accepted knowledge at a given moment, produced and under constant review by science, politics, justice, education, the arts and media.

Allow me to build in a caveat here. My focus here is the intellectual foundation of media freedom, but it is important for media to pay attention to a broad range of issues, as highlighted by Lord Leveson in his Executive Summary of the Leveson inquiry: “It is not necessary or appropriate for the press always to be pursuing serious stories for it to be working in the public interest. Some of its most important functions are to inform, educate and entertain and, when doing so, to be irreverent, unruly and opinionated. It adds a diversity of perspective. It explains complex concepts that matter in today’s world in language that can be understood by everyone. In no particular order, it covers sports, entertainment, fashion, culture, personal finance, property, TV and radio listings and many other topics. It provides help lines and advice; it supports its readers in a wide variety of ways. It provides diversion in the form of crosswords, games, and cartoons. In short, it is a very important part of our national culture”.

THE ARGUMENT FROM TRUTH : THE ART OF VERIFICATION

Kovach and Rosenstiel define truth as the first and the most confusing principle of journalism. It is good to realize that it is always under pressure of social context, timelines, influences and, I would add, the monstruous intellectual demolition industry of postmodernity that is overrepresented in newsrooms.

            They coined the notion of journalism as the discipline of verification. Without it, the public sphere becomes an arena solely for polarized debate, not for compromise, consensus and solution that are necessary for the potential of civil society to confront and solve problems. It is not a coincidence that the key elements of the scientific journalistic method are written in codes of conduct: “truthfulness, fair play, independence and respect for human dignity”, with all the implications these have for journalistic methods.

            At this point, it is interesting to note that media law internalized these elements completely. First of all,  in all the media judgments of the ECHR, it is now said that journalism must be in accordance with the ethical rules of the profession. For a lawyer it is interesting to see that soft law-principles are now part of the judicial assessment of media cases, as if they were binding legal rules. And secondly, the judicial assessment of journalistic products evolved from an assessment of the end result to an assessment of the quality of the editorial production process. The strict veracity of what was said, printed or broadcasted is no longer the decisive element in media litigation. Judges now evaluate the plausibility of the journalistic product on a given moment, in the light of the carefullness of the editorial production process, done in good faith and in accordance with the ethical principles of the profession.

THE ART OF ARGUMENTATION & CONVERSATION

It is well documented now that the unrestrained content of the tech platforms does  little to strengthen the “living together”, rather on the contrary: it megaphones unfiltered resentment, fear and identitarian claims that resonate in echochambers and deconstruct citizenship. I would argue that this is an excellent opportunity for journalism as the purveyor of validated content, and as the essential fluent navigator of democracy, the general interest-intermediaires coined by Cass Sunstein.

We need to focus on the essentials here. Castells was an early thinker on networking as the new normal in communication, and today there is a Silicon Valley-hype that is rarely contradicted and can be unpolished and a little uncritical, as in the title of Peter Hinsen’s book, “The network always wins”. That is certainly true if one regards their dominant economic position and the eventual abuse thereof, only slowly corrected now, sometimes by  European antitrust authorities, but also by advertisers that don’t want to see their brands any longer in connection with negative content. By the way, journalism ethics was introduced in the beginning of the 20th Century under the pressure of advertisers that soon found followers under the more intelligent owners of newspapers. Recently, one of the biggest advertisers repeated his position: “We will not invest in platforms or environments that do not protect our children, or which create division in society, and promote anger or hate.” Mind the opportunity for real media companies, that promote excellent journalism.

I would argue in favour of an additional dimension to the journalistic production process: the art of argumentation that regards the quality of the content. Whilst human beings, fortunately, act and react with emotions, the living together-ambition carries duties and responsibilities that presuppose reasoned judgment as well – in Kahnemann’s terms, our Slow Thinking or system 2, that refers to the cognitive part of our brain. It is about reflection as opposed to reaction, argument instead of emotion.

An important and irreplaceable role for journalism in the 21th Century is the promotion of  reason as an important modus operandi, in order to correct the spontaneous and emotional content that is easily megaphoned by the tech platforms filled by millions of individuals. The added value of excellent journalism is to analyze and contradict “the real or imaginary dictates of public feeling” – referred to by the ECHR in different judgments – that overwhelm social media, and pick up their role as general-interest-intermediairies in a democratic society, “since”, as the ECHR judged, “that society must remain reasonable in its judgment”. At the end of the day, democracy must lead to decisions and it is important that these make sense, are well funded and rest on a reasonable basis.

Journalism with a purpose  should inspire a sound basis for reasonable decisions and a public basis as well. In view of the essential role a free press fulfills in society,  that role is of an overwhelming importance for the future of our values and institutions. In that regard, the  agenda of editors is  an agenda of promoting the public sphere, of assisting people in their not-so-simple role as citizen.

Jonathan Haidt famously coined the image of the rider on the elephant: the rider on the back of the elepant is his  metaphor for our reflective brain, acting with controlled processes and reasoning – and the elephant is the metaphor for automatic quick moral emotions and intuïtive reactions. It is a reminder of Spinoza’s wisdom according to which he made a ceaseless effort not to ridicule, not to bewail, not to scorn human actions, but to understand them.

Journalism is in a unique position to strengthen its USP, rather than to weaken it. Journalism and, for that matter, academia, are the preferred professions that can heavily invest in the art of argumentation and art of conversation that society and citizens need badly. That is opposed to mediocrity, it requiers sharp selection criteria of what is really important, it leads to the creation of a constant stream of curated content, highly valuable insights, amidst a diversity of subjects from sports to entertainment. That is not a minor role or responsibiity, nor can it be cheap.

VALUABLE CONTENT

The production process of validated and valuable content is expensive. But in the connected age, analysed by Timothy Garton Ash, content is everywhere, and the illusion is that it is free. That makes more reach  easy, more weight  uncertain, and more income  unlikely. The paradox was summarized by Stewart Brand in 1984: “On the one hand information wants to be expensive, because it’s so valuable. The right information in the right place just changes your life. On the other hand, information wants to be free, because the cost of getting it out is getting lower and lower all the time. So you have these two fighting against each other”.

However, the zero-marginal-cost-world coined by Jeremy Rifkin doesn’t exists  for the creative sectors. In his cry from the heart “Free Ride” of 2011, Robert Levine reacted against the destructive impact it could have on culture businesses. In a blunt manner, Levine added: “the information that wants to be free is almost always the information that belongs to someone else”.

In his iconic analysis World without Mind, Franklin Foer warned against the dismantling of the structures that protected our ideas of authorship by the tech platforms that pursue a business plan that radically deflates the value of knowledge.

It’s a confronting idea in a knowledge economy; for journalism it can imply that there is now a business model in the hands of global corporations in dominant positions that disrespects the investment in the expensive validation process that precedes the publication of serious journalism. That is a challenge for modern media companies, and one that inspires great uncertainty. Owners and editors need to clear their minds and set their ambitions right.

However, we may need a little more here. We have laws on abuse of dominant positions in the economic field, essentially in an effort to protect consumers and the level playing field in economy. But we don’t have laws on abuse of dominant positions in the democratic field. What if dominant communicative positions, or rather their abuse, would influence a healthy public discourse on matters of public interest in an irrepairable way? This is where regulation may be necessary in order to prevent collapse of democratic institutions.

NEWS, POST TRUTH, FAKE NEWS…

            Recently, we see a lot of discussion on so-called post-truth – that is why news is so much the news now. Semantically, the notion of post-truth suggests that the post-truth era we live in was preceded by a truth-era. Reality is probably  a little bit more modest.

“C’est du choc des idées que jaillit la lumière”: the belief is that false beliefs will be corrected by better beliefs, and that the free expression of both will inspire deeper insight. False, inappropriate, extreme, radical, disturbing, offending or shocking speech can be protected, and it will be protected in most cases. It must not be forbidden but corrected.

If that is true, fake news is less important, because editorial intelligence should be able to detect falsity and capable to bring in better beliefs that correct the false ones. Bad speech is not per se unprotected speech. But free speech implies that bad speech is corrected by more speech, not by less speech, that is the basic lesson from the Enlightenment, and it is the legal doctrine as well.

NEWS SELECTION

            I would like to make a final remark with regard to the journalistic production process, after the art of verification, the art of argumentation, and the art of conversation. News values research highlights that editors rely on a relatively stable set of news criteria: sudden events, elements out of the ordinary and bad news are newswhorty;  simple events, action events and stories with conflict are often selected.

            I would argue that there is room for sharper news selection. What if the important issues evolved more like flows – take the really important things for modern societies, such as the creation of wealth and prosperity, the redistribution of equal opportunities in society, the provision of healthcare or the difficult process of integration?

With news criteria that focus on the incidents, newsrooms tend to miss the most important evolutions, because their selection would dominantly be directed to the hick ups. That could be one of the elements that fuel the impression that politicians are constantly in serious crisis and that societies keep sinking. Look at the pages and minutes that news bulletins devote to the “Wetstraat”, as if it rules the world, and at the attention for all the pony-and-dog-shows of elected officials, their tweets not excluded. Pinker argues that there will always be enough incidents and bad things that are thought to deserve attention. As a result, the nature of news is likely to distort the people’s view of the world because of the mental bug described by Kahnemann called “the availability heuristic”: people will overestimate the atypical selection of news reports and forget the bigger trends of society that weren’t withheld in the news selection. With dated selection criteria, media are out of sync with reality, Pinker argues, and he adds that it is unhelpful that they tend to report the news as live sports commentators.

The repetition of incidents and bad things creates the impression that the societal fabric is on fire and that the political world has no control whatsoever. It discourages people to engage as active citizens in an environment is depicted as hopeless and negative.

That would be the opposite of the purpose that underpins media freedom. So, I would, finally, argue that media are good for us, but that it would not be wrong to review editorial selection criteria – now that all the other paradigma’s of journalism and its business environment have changed.

CLOSING REMARKS

            With that I conclude my attempt to define the roles and responsibilites of journalism in the 21st Century, of the fourth estate as essential in the living together that we have to re-invent. The recalibration of vital, multidiverse and active democracies depends to a large extent on serious journalism. But that journalism will not have to act in an isolated manner. It will act in a shared commitment to a better environment for the next generations with all of us, citizens, politicians, civil society, academia and journalists.

Let us indeed dream, and not only dream, but … realize “the impossible dream”.

Thank You.

BIBLIOGRAPHY

 

George A. AKERLOF & Robert J. SHILLER, Phising for Phools. The Economics of Manipulation and Deception, 2015;

Kwame Anthony APPIAH, The Honour Code. How moral evolutions do happen, 2010;

Eric BAHRENDT, Freedom of Speech, 2005;

Eric BAHRENDT et al., Media Law: Text, Cases and Materials, 2014;

James BALL, Post-Truth. How bullshit conquered the world, 2017;

Zygmunt BAUMANN, Does ethics have a chance ina world of consumers? 2008;

Zygmunt BAUMANN, Liquid Modernity, 2011;

Alan BEATTIE, False Economy. A surprising Economic History of the World, 2009;

Tom BINGHAM, The Rule of Law, 2010;

Jeremy BLACK, The Power of Knowledge. How information & Technology made the modern world, 2014;

Pablo BOCZKOWSKI & Eugenia MITCHELSTEIN, The News Gap. When the Information Preference of the Media and the Public Diverge, 2013;

George BROCK, Out of Print. Newspapers, Journalism and the Business of News in the Digital Age, 2013;

Erik BRYNJOLFSSON, Andrew Mc AFEE, The Second Machine Age. Work, Progress and Prosperity in a time of brilliant Technologies, 2014;

Nicolas CARR, The Shallows. What the Internet is doing to our Brains, 2011;

Nicholas CARR, Utopia is Creepy and Other Provocations, 2016;

Manuel CASTELLS, Communication Power, 2009;

Manuel CASTELLS, Networks of Outrage and Hope, 2012;

Nick DAVIES, Flat Earth News, 2009;

Nick DAVIES, Hack Attack. How the Truth caught up with Murdoch, 2014;

Marc De Vos, Les Vertus de l’Inégalité, 2017;

Egbert DOMMERING, Het Verschil van Mening. Geschiedenis van een Verkeerd Begrepen Idee, 2016;

Niall FERGUSON, The Square and the Tower. Networks, Hierarchies and the Struggle for Global Power, 2017;

Franklin FOER, World without Mind. The existential threath of Big Tech, 2017;

Thomas L. FRIEDMAN, Thank you for being late. An optimist’s guide to thriving in the Age of Accelerations, 2016;

Frank FUREDI, On Tolerance. A defence of Moral Independence, 2011;

Frank FUREDI, Authority, 2013;

Judit E. GLASER, Conversational Intelligence. How Great Leaders Build Trust and Get Extraordinary Results, 2013;

Ben GOLDACRE, Bad Science, 2008;

Ben GOLDACRE, I think you’ll find it’s a bit more complicated than that, 2014;

Anthony GOTTLIEB, The dream of Enlightenment. The Rise of Modern Philosophy, 2016;

A.C. GRAYLING, The Age of Genius. The 17th Century & the Birth of the Modern Mind, 2016;

Jonathan HAIDT, The Righteous Mind. Why good people are divided by politics and religion, 2012;

Mark HELPRIN, Digital barbarism. A Writer’s manifesto, 2009;

Peter HINSSEN, The Network Always Wins. How to survive in the age uf Uncertainty, 2014;

Stéphane HOEBEKE, La Liberte d’Expression. Pour Qui? Pour Quoi? Jusqu’où? 2015;

Mick HUME, There is no such thing as a Free Press… and we need one more than ever, 2012;

Samuel P. HUNTINGTON, Who are we? The challenges to America’s National Identity, 2005;

Aaron HURST, The Purpose Economy. How your desire for Impact, Personal Growth and Community is changing the World, 2014;

John D. INAZU, Confident Pluralism. Surviving and Thriving through Deep Difference, 2016;

Jonathan I. ISRAEL, Democratic Enlightenment. Philosopy, Revolution and Human Rights,  2012;

Daniel KAHNEMANN, Thinking, Fast and Slow, 2011;

Robert L. KEEBLE & John MAIR, The phone hacking scandal. Journalism on Trial, 2012;

Andrew KEEN, The Cult of the Amateur. How today’s internet is killing our Culture, 2008;

Ruud KOOPMANS e.a., Contested Citizenship. Immigration and Cultural Diversity in Europe, 2005;

Bill KOVACH & Tom ROSENSTIEL, The Elements of Journalism. What Newspeople should Know and the Public should Expect, 2001;

Sabine LANG, NGO’s, Civil Society and the Public Sphere, 2013;

Robert LEVINE, Free Ride. How the Internet is Destroying the Culture Business, and How the Culture Business can Fight Back, 2011;

Daniel LEVITIN, Weaponized Lies: how tot hink critically in the post-truth era, 2016;

Anthony LEWIS, Freedom fort he Thought that we hate. A Biography of the First Amendment, 2007;

Christian MADSBJERG, Sensemaking. What makes Human Intelligence essential in the Age of the Algorithm, 2017;

Peter MAIR, Ruling the Void. The Hollowing of Western Democracy, 2013;

Raoul MARTINEZ, Creating Freedom. Power, Control and the Fight for our Future, 2017;

John MICKLETWAITH & Adrian WOOLDRIDGE, The Fourth Revolution. The global race to reinvent the State, 2014;

Pankaj MISHRA, Age of Anger. A history of the Present, 2017;

George MONBIOT, Out of the Wreckage. A new politics for an Age of Crisis, 2017;

Susan NEIMAN, Moral Clarity. A Guide for Grown-up Idealists, 2009;

Nick NEWMAN et al., Reuters Institute Digital News Report 2017

Gavin NEWSOM, Citizenville. How to thake the Town square digital and reinvent Government, 2013;

Martha NUSSBAUM, Creating Capabilities. The Human Development Approach, 2011;

Martha NUSSBAUM, Political Emotions. Why Love Matters for Justice, 2013;

Martha NUSSBAUM, Anger and Forgiveness: Resentment, Generosity, Justice, 2016;

Mark PAGEL, Wired for Culture. The Natural History of Human Cooperation, 2012;

Roger PARRY, The Ascent of Media. Fro Gilgamesh to Google via Gutenberg, 2011;

Andrew PETTEGREE, The Invention of News. How the World came to know about itself, 2014;

PEW RESEARCH CENTER, Project for Excellence in Journalism, The State of the News Media, 2017;

Steven PINKER, Enlightenment Now. The case for Reason, Science, Humanism and Progress, 2018;

William POUNDSTONE, Head in the Cloud. Dispatches from a Post-fact World, 2017;

Anne-Cathérine RASSON et al., Six Figures de la Liberté d’Expression, 2015;

Jonathan RAUCH, Kindly Inquisitors. The new Attacks an Free Thought, 1993;

Jeremy RIFKIN, The Empathic Society. The Race to Global Consciousness in a World in Crisis, 2009;

Jeremy RIFKIN, The Zero Marginal Cost Society. The Internet of Things, the Collaboratove Commons, and the Eclipse of Capitalism, 2014;

David RUNCIMAN, The Confidence Trap. A History of Democracy in Crisis from World War I to the Present, 2013;

Michael J. SANDEL, Justice. What’s the Right Thing to do? 2009;

John Ralston SAUL, On Equilibrium. Six Qualities of the New Humanism, 2004;

Michael SCHUDSON, Why Democracies nee dan Unlovable Press, 2012;

Charles SEIFE, Virtual Unreality, Just because the Internet told you, How do you know it’s true? 2014;

Amartya SEN, The Idea of Justice, 2009;

Stephen B. SHEPARD, Deadlines and Disruption. My Turbulent Path from Print to Digital, 2013;

Charles SLACK, Liberty’s First Crisis. Adams, Jefferson and the Misfits who saved Free Speech, 2015;

Tom STANDAGE, Writing on the Wall. Social Media: the first 2000 years, 2013;

Cass SUNSTEIN, #republic. Divided Democracy in the age of Social Media, 2017;

Jonathan TEPPERMAN, The Fix. How nations survive and thrive in a World of Decline, 2016;

Jean TIROLE, Economie du Bien Commun, 2016;

Steven VAN BELLEGHEM, The Conversation Company, 2012;

Stephen J.A. WARD, The Invention of Journalism Ethics. The Path to Objectivity and Beyond, 2004;

Christian WELZEL, Freedom Rising. Human Empowerment and the Quest for Emancipation, 2013;

Betty H. WINFIELD, Journalism 1908, Birth of a Profession, 2008;

Philip R. WOOD, The Fall of the Priests and the Rise of the Lawyers, 2016;

Tim WU, The Attention Merchants. The Epic struggle to get Inside our Heads, 2016.

 

Leve de Belediging ! Niet, dus.

Tegenwoordig wordt vaak aangevoerd dat we het recht hebben of moeten hebben om te beledigen. Sommigen zien het zelfs als de kern van uitingsvrijheid. Dat werd al aangevoerd na de Mohammedcartoons en de aanslag op CharlieHebdo, en sedertdien werd het een leuze van vele verdedigers van uitingsvrijheid. Geef ons, zo las ik recent nog (DM, 25.08),  het recht om te beledigen. Sta er even bij stil: kan men werkelijk het recht opeisen om anderen te beledigen? Nee, toch?

Het is een verkeerde manier om een juist debat te voeren. Het juist debat is dat over de grenzen van uitingsvrijheid. “Meningsvrijheid moet opnieuw absoluut worden”, las ik in hetzelfde stuk. Maar dat is ze in onze rechtscultuur nooit geweest. Al in de Déclaration des droits de l’homme, in 1789 geproclameerd na de Franse Revolutie wordt uitingsvrijheid één van de meest kostbare rechten van de mens genoemd. Maar er wordt onmiddellijk aan toegevoegd dat misbruik van dat kostbaar recht niet moet worden getolereerd. Uitingsvrijheid is fundamenteel, maar fundamenteel is niet gelijk aan absoluut.

STRAFBARE BELEDIGING

Die lijn is heel consistent doorgetrokken in de Belgische Grondwet van 1831, die op dat punt nog steeds met identieke bepalingen van kracht is vandaag, en ook in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens van de Raad van Europa  in 1950. In 1948 werd in de aanhef van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens van de UNO bepaald dat alle mensen zijn begiftigd met verstand en geweten. En daaruit werd de gevolgtrekking gestipuleerd: Iedereen behoort zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.

Een geest van broederschap – vandaag zouden we spreken van burgerschap – sluit niet het recht  in om anderen te beledigen. Om die reden is belediging ook sedert jaar en dag strafbaar, en terecht. Dat is het geval indien de belediging kwaadwilig geschiedt, in het juridisch jargon luidt dat: met bijzonder opzet. Dat veronderstelt de bewuste wil om iemand  te kwetsen en aan te tasten in zijn of haar persoon.

GESCHONDEN GEVOELENS?

Ver daarvan liggen allerlei denkbare uitingen die door iemand als kwetsend worden ervaren. Dat gaat om hoe andermans uiting wordt gepercipieerd door de ontvanger. Wat  niet als bewust kwaadwillig bedoeld werd, kan door een ander persoon wel als kwetsend worden ervaren. Dat is dan, om het eenvoudig samen te vatten, geen strafbare belediging. Misschien wel een onfatsoenlijke uiting, ongepast, brutaal, ongevoelig en zo meer, maar: niet strafbaar. Als het geen strafbare uiting is, is het een beschermswaardige uiting en tot bewijs van het tegendeel een beschermde uiting.

Die nuance gaat in de gepolariseerde debatten in de regel de mist in. Het is de confusie tussen de beide genres die verkeerde uitspraken inspireert, zoals de slogan dat uitingsvrijheid het recht zou inhouden om te beledigen. Zo geformuleerd, is de onderliggende suggestie immers dat men dat doelbewust of kwaadwillig zou mogen doen. Niet dus, daartegen verzetten zich de persoonlijkheidsrechten van degene tot wie men zich richt, en diens reputatie – in het juridisch jargon: diens eer en goede naam.

OPEN PUBLIEK DEBAT

We hebben dus geen “recht om te beledigen” nodig om een rationeel en open publiek debat te kunnen voeren. De strafbaarstelling van kwaadwillige beledigingen staat een rationeel debat toch niet in de weg? Een overwogen argument is toch altijd sterker dan de belediging. Belediging heeft nooit iemand overtuigd, argument en tegensprekelijk debat wel.

Het misverstand rust op een sacrale zin in de vaste uitingsrechtspraak. Die luidt dat uitingsvrijheid juridisch ook omstreden opinies betreft die kunnen choqueren, kwetsen of zelfs beledigen. Met andere woorden, iemand kan zich fors gekrenkt voelen en zwaar geëmotioneerd door andermans uiting, maar het is niet dat effect dat aan die uiting een strafbaar karakter geeft. Strafbaarheid  kan enkel volgen uit de aantoonbare bedoeling van de spreker of schrijver om kwaadwillig te kwetsen.

DE KERN VAN UITINGSVRIJHEID RUST OP LUISTERBEREIDHEID

Dé kern van uitingsvrijheid is namelijk helemaal niet dat we het recht zouden hebben om te beledigen. De kern is dat we moeten leren onze emoties die door uitingen zouden worden losgemaakt te beheersen. Dat is de vaardigheid om naar afwijkende en choquerende uitingen, die we zelfs als kwetsend of beledigend ervaren, te leren luisteren. Dat vergt incasseringsvermogen, dàt is pas die fameuze tolerantie: die scherpe andere opinie aanhoren, je emotionele reactie beheersen, en in rustige uitwisseling van argumenten gaan om de fors binnengekomen sneer te ontzenuwen en weerleggen. Makkelijk gezegd, moeilijk gedaan. Lees of beluister er Jonathan Haidt over in zijn meesterwerk The Righteous Mind (www.righteousmind.com ).

Daar ligt een grote ruimte voor humor, karikatuur, sarcasme, spot en andere vormen van relativerende of oneerbiedige omgang met allerlei zaken, ook zaken die anderen als sacraal opvatten. In ons rechtsbestel zijn die vaak honende en denigrerende uitingen in de regel beschermenswaardig.

De reden is een ongeloof in het heil van repressie van uitingen. De optie is dat we liever onbehoorlijke en onfatsoenlijke uitingen hebben die we als slecht ervaren dan veel verboden en repressie. Op ongepaste uitingen die emotionele reacties uitlokken, moeten we leren om te reageren met meer uitingen en argumenten. Niet met minder en al zeker niet met verboden en straffen. Ook die doden het publiek debat.

Een recht om te beledigen is dat niet, daartegen moet onze universele geest van broederschap onszelf in bescherming nemen. Het verschil is dat we vertrekken van de wil tot samen-leven, en niet van de allerindividueelste behoefte om sneren uit te delen.

Op 13 okt. 2017 gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws

Empatische stemmen: feiten & nuances

In een wereld van polarisering en conflict zijn er ook regelmatig signalen van rust, sereniteit en hoop. Weliswaar moet je er in het dagelijks nieuwsaanbod soms naar op zoek en dreigen ze te verdwijnen in het kabaal van de titels en forse uitspraken, maar  ze zijn er wel. Het zijn signalen van een wenselijke tegenbeweging.

 Wie herinnert zich niet de beklijvende lezing van Mohamed El Bachiri in De Afspraak van 22 december 2016, zijn Jihad van de Liefde? Het is naar verluidt het meest bekeken VRT-fragment op You Tube. Aangrijpend. De man verloor zijn vrouw Loubna Lafquiri bij de Brusselse aanslagen, doch predikt de jihad van de liefde. Straf. Bekijk of lees de tekst, een aanrader.

Recenter publiceerde De Morgen  een eenvoudig interview van juf  Els Cepedes die les geeft in een Brusselse concentratieschool en kalm verhaalt over haar dagelijkse omgang met de kinderen in haar klas en hun ouders (https://www.demorgen.be/binnenland/een-juf-van-een-concentratieschool-waar-blijven-de-kindjes-van-de-bakfietsouders-b1e83606/). Meer dan 22.000 maal gedeeld. Geen verwijten, geen claims, terwijl ze op beheerste wijze alle vraagstukken en problemen benoemt die ze ook kent en ontmoet, zonder hardheid of verbittering. Aangrijpend in zijn eenvoud. Het inspireerde Bart Eeckhout tot  een bewonderend editoriaal (DM 04.09), volkomen terecht.

ONDERWIJS EN LOKALE BESTUREN

Het is niet verwonderlijk dat een schooljuf dit kan. De mensen in het onderwijs en in lokale besturen zijn onze belangrijkste stoottroepen voor integratie. Ver buiten de schijnwerpers en de retoriek, zonder spektakel of commotie doen ze hun ding met jongeren van velerlei superdiverse snit. Op school of voor lokale besturen zijn  jongeren geen dossiers of nummers, maar meisjes of jongens waarvoor ze een verantwoordelijkheid opnemen en die ze verder willen brengen met hun leven. In alledaagse situaties, niet in volzinnen van beleidsbrieven, niet in position papers, maar in het dagelijks leven.

REALISTISCHE DOCH POSITIEVE STEMMEN

Er zijn gelukkig meer zulke stemmen. Guillaume kan dat bij ons, Guillaume Van der Stighelen die ontwapenend kan argumenteren, zoals zijn Samen door een deur (2014) bewees. Hij twitterde even beknopt als briljant : “Er zijn mensen die het probleem weigeren te zien, en er zijn mensen die de oplossing weigeren te zien. De rest vormt de samenleving.”

Ik zie veel wijsheid en waarachtigheid in vele stukken van Tinneke Beeckman, laatst nog in haar kritiek op straffe uitspraken die een spiraal van wantrouwen en afwijzing initiëren (DS 07 09). Burgers, aldus Tinneke Beeckman, reageren apathisch op nieuwscycli die megafoneren, omdat ze dat als een soort spektakel beleven, niet als een politieke kwestie waar zij als burgers bij betrokken zijn. Het echte gevaar voor de democratie, zo schrijft ze, is niet de een of andere politicus en zijn ‘straffe uitspraken’, maar de onverschilligheid van burgers. En die onverschilligheid wordt door clickbait-journalistiek, lichtzinnige campagnes en incorrecte berichtgeving met de dag groter.  Een nuttige aanmaning voor alle redacties te lande.

KWETSBARE MENSEN EN ROLMODELLEN

Ik zie het in vele stukken van Yasmien Naciri en haar regelmatige column in DM. Zopas besloot ze haar tekst met de beschouwing dat we de problemen van de multidiversiteit kunnen ervaren en benoemen, zonder dat dat een legitieme reden is om angst, die er kan zijn, te extrapoleren naar gehele bevolkingsgroepen (DM, 12 09). Dit totaalplaatje erkennen, zo schrijft Yasmine Naciri, maakt je niet links of rechts, goed of slecht, allochtoon of autochtoon. Het laat je alleen maar toe te erkennen wie we zijn: kwetsbare mensen met menselijke gevoelens.

De Koning Boudewijn Stichting voert haar en andere rolmodellen op in een grote campagne die op jongeren gericht is. Het belang hiervan kan niet worden overschat. Eindelijk vinden we de betere manieren om de entropie die in onze menselijke relaties is geraakt aan te pakken en te benoemen op een serene manier. Niet met de blik in de achteruitkijkspiegel van het eigen gelijk, maar met de moed om vooruit te blikken naar een gezamenlijk perspectief. Niet met al te dure woorden, maar met eenvoudige verhalen van eenvoudige mensen, van allerlei achtergrond die ook maar proberen hun best te doen in hun omgeving.

Ik las het, recent ook, in het interview met de Indiaas-Amerikaanse schrijfster Jhumpa Lahiri in MO (Mondiaal Magazine, Herfst 2017). Ik probeer, zo zegt ze, de dingen die ik observeer zo waarachtig mogelijk weer te geven. Er is al zoveel oordeel in de wereld, terwijl we allemaal onze levens proberen te leiden met onze eigen beperkingen en afwijkingen. Ik wil mensen begrijpen, ik wil erachter komen waarom ze zijn zoals ze zijn. Daar een oordeel over te willen vellen komt zelfs niet bij me op. Wijze woorden, die herinneren aan de voorzichtigheid van Spinoza: tracht te begrijpen, niet te oordelen.
Zou daar niet één van de grote geheimen liggen voor betere journalistiek? Want wat Jhumpa Lahiri zegt, en Tinneke Beeckman, en Yasmien Naciri en Mohamed El Bachiri zijn levenslessen voor de journalistiek – en ongetwijfeld ook daarbuiten. De kern van hun betoog kan vertaald worden als volgt: geef eens eerst aandacht aan de feiten vooraleer een mening te vormen. Dit is exact één van de belangrijkste ethische principes van behoorlijke nournalistiek: wacht met opiniëring tot alle feiten helder zijn, gecontroleerd en in hun correct verband gesitueerd. Tracht ze te begrijpen, correct te vatten en weer te geven. Begrijp vooraleer je oordeelt of veroordeelt. Feiten kunnen ontnuchterend zijn, maar in een wereld met opinie-tsunami’s ook ontwapenend en verhelderend. Een betere focus op de feiten doet de nuance herleven, en nuance leidt tot gematigde opiniëring en voorzichtige verwoording. Oef!

Op 15 september 2017 gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws/nl

Een perfecte Mediastorm

 

  1. TECHNOLOGIEPLATFORMEN DICTEREN

 

            Het was een boeiende week in Vlaams medialand, met diverse aankondigingen. Die wijzen er op dat alle media hun nieuwe stek zoeken; sommige zetten daarbij stappen die recent nog ondenkbaar leken. Dat is het gevolg van acties van enkele globale spelers. Die razen met hun technologieplatformen door al de aspecten van de mediawereld: nieuwe gewoonten van het publiek, de reclamegeldstroom, de rol van overheden, en fenomenale technologische mogelijkheden voor herpublicatie van inhoud – zowel eigen als andermans inhoud. Maar er zijn wel globale bedrijven maar geen globale autoriteiten.

Mediabedrijven verkeren in een perfecte langdurige storm die de zekerheden met windkracht 10 aan flarden blaast. De storm begon toen velen nog dachten dat het een buitje was, en raast inmiddels al enkele jaren door. Het zal  blijven stormen, zo weten we nu, en  er zijn weinig garanties tegen schade.

De omgevallen bomen symboliseren zappende lezers, kijkers en luisteraars; het advertentiedak is lek, en de ondergelopen kelders staan voor de kameleons van de mediasector, de technologieplatformen die media werden. Zij tasten langzaam maar zeker de fundamenten aan van het media-ecosysteem uit de wereld zoals we die kenden. Wie nog naar zekerheden zoekt, is er aan voor de moeite, dat is de kern van disruptie (Jo Caudron e.a., Het nieuwe TV-kijken, 2014; Jo Caudron, Digital Transformation, 2016).

KRANTENBEDRIJVEN WERDEN MULTIMEDIAAL EN GINGEN INTERNATIONAAL

Tegen die achtergrond  vonden onze mediabedrijven zich vaak opnieuw uit. De Vlaamse private mediabedrijven Medialaan en Mediahuis bundelen nu al radio-, televisie- en krantenbelangen van diverse aard, ze overzien websites, en ze hebben het nu ook voor het zeggen in de Nederlandse krantenmarkt. Het is knap van ze: marktuitbreiding en zeggenschap die  door niemand waren verwacht of voorspeld. Het verzwaarde ook  hun aanwezigheid in print, hetgeen verrassend is in het licht van de vele aankondigingen van  het einde van de papieren krant.

TELEVISIEBEDRIJVEN WERDEN KABELALTERNATIEF

Onder impuls van VTM – een tv-station dat altijd uitsluitend via de kabel te zien was – lanceert een hele resem Vlaamse tv-bedrijven zich nu als alternatief voor de kabelmaatschappijen, met Stievie Premium. Dat mikt op de “cordcutters”, de tv-kijkers die de kabel achter zich laten, het vaste toestel niet meer nodig vinden en al evenmin het aangeboden programmaschema. “Kijk tv op jouw manier”: stel zelf je programma samen, kijk wanneer je wil en op het scherm dat je bij de hand hebt. Netflix, maar dan met 18 televisiekanalen, en goedkoper dan een kabelabonnement. Brengt het jongeren via hun mobieltjes terug naar de omroepen?

GEÏNTEGREERDE NIEUWSREDACTIE BIJ DE OPENBARE OMROEP

Ook VRT zat niet stil en vernieuwde zijn redactie-webstek naar vrt nws.be. Ook die aankondiging  vertrekt van het veranderd gedrag van de nieuwsgebruiker: die beslist nu. De smartphone is haar of zijn voorkeurscherm, dat scherm is de hele dag beschikbaar en actief, en de nieuwsstroom staat er nooit meer stil. Wie zich ’s avonds nog voor zijn vast tv-toestel neerzet, is al vertrouwd met het nieuws van de dag en verwacht dan ook meer.

Die belofte is er nu ook,  want de radio-, journaal en web-redacties werken geïntegreerd. Zal het ook leiden tot minder herhaling van dezelfde items, meer opbouw op wat verondersteld gekend is, of blijven formaten als Journaal of Terzake toch een ijkpunt  voor wie niet online was? Niet zo’n makkelijk debat, en een hele uitdaging om het consistent te doen.

Voor de kwaliteit van de aangeboden inhoud formuleert vrt nws een claim van betrouwbaarheid. Dat is  in werkelijkheid de ambitie van alle gevestigde nieuwsmedia die met fatsoenlijke redacties werken; in beginsel zijn dat de omroepen met nieuwsformats, kranten, en enkele nieuwsweekbladen.

BLADEN- EN RECLAMEBEDRIJF ZOEKT BELEVENIS EN E-COMMERCE

Roularta is een printgroep met nieuwsmerken – zoals Knack en Trends –  reclamedragers – zoals zijn huis-aan-huisbladen – en televisie – met KanaalZ en zijn participatie in VMMa (VTM en C°). Het declareert al lang positieve cijfers uit die laatste participatie, en turbulentie in de andere markten. Het  vangt ook nu weer klappen op in de bladenmarkt met dalingen van reclame-inkomsten tot bijna 10 %. De groep verbreedt naar belevenisbedrijf met cruises en wordt, met Storesquare, aanbieder van een direct verkoopkanaal aan de kleinhandel in plaats van aanbieder van advertentieruimte.

Storesquare syndiceert de e-commerce-ambities van lokale handelszaken en is van plan om het grootste e-commerce-platform van Vlaanderen te worden; het rapporteert een startersgroei van 30%. De nieuwsweekbladen, zoals Knack en Trends, moeten hun stek ook  heruitvinden in een inmiddels wel heel groot informatie-aanbod waar het mobiele scherm knaagt aan wat gedrukt is. Hun websites zitten nu achter een betaalmuur.

KOKEN KOST GELD

Het klassiek betaalmodel van journalistiek rustte op betaling voor een krant of weekblad door de lezer, dat zorgde voor 40 tot 60% van de inkomsten, en het overige deel werd geleverd door advertentie-inkomsten. In omroep hadden we, gelet op het overheidsmonopolie, lang geen betaalmodel, tenzij indirect via de dotatie met publieke middelen. Dat veranderde gaandeweg, en reclame financiert private zenders, terwijl kijkers niet betalen voor hun zenders, maar voor hun kabelabonnement. Dat levert veel tv-kanalen – volgens velen te veel – en zal evolueren naar een kleiner aanbod in het basisabonnement voor de huidige prijs, en steeds meer kanalen achter de betaalmuur.

Websites zijn gratis toegankelijk, en voor vele websites is nieuws maar een marketinginstrument. Ze konden die links en rechts halen – vaak: kopiëren – zodat de valse indruk ontstond dat nieuws gratis was. Nieuwsbedrijven hadden weinig andere mogelijkheden dan hun lezers te volgen met een aanbod aan websites zonder betaling, en droegen zo bij aan de illusie dat gratis bestaat.

Gaandeweg werden betaalmuren ingevoerd bij vele nieuwswebsites, maar niet bij alle: VRTNWS en Nieuwsblad blijven gratis. De Tijd en Knack bieden een deeltje gratis en vragen betaling voor wie meer stukken wil lezen. De Morgen, De Standaard en hln.be zijn ook deels betalend, maar de redactie beslist welke artikelen betaling vergen. Naar verluidt is De Persgroep de enige die voldoende reclame-inkomsten genereert met zijn  nieuwssite om die te laten bijdragen tot winstgevendheid. De VRT-site valt volgens de beheersovereenkomst onder de publieke dienstverlening van de openbare omroep, en is opmerkelijk, en anders dan de zenders, reclamevrij.

STUURLOZE RECLAMEWERELD

De reclamewereld is alle controle kwijt. Destijds kon die zwaar meewegen op de invoering van reclame op radio en televisie,  ook in Vlaanderen. Die tijd is voorbij. De marketeers ondergaan de pressie van de grote technologiebedrijven die nu globaal de wet dicteren. Adverteerders nemen heel brutale en labiele beslissingen, wat suggereert dat ze relatief willekeurig zijn; zo gingen plots op wereldvlak tientallen percenten van de reclame-investeringen naar digitaal, en ineens werd dat even arbitrair teruggeschroefd. Grote reclamegroepen die globaal opereren, zoals WPP, Omnicom en Pubicis – ook de eigenaars van de meeste van onze agentschappen – declareren stagnatie en achteruitgang.

Toch lijken Google en Facebook niet minder reclame-omzet te boeken. De tussenpersonen staan dus ook hier onder druk, en adverteerders zoeken nu moeizaam hun weg, maar ze zitten niet langer aan het stuur van het ecosysteem, ze ondergaan het.

MEDIABEDRIJVEN DIE HET NIET WILLEN ZIJN

Daarmee zijn ze genoemd: Google en Facebook. Door hun omvang, machtspositie en impact dicteren ze nu alle randvoorwaarden van mediabedrijven. Die waren al gewoon in alle richtingen te moeten kijken, die van de kijkers- of lezersmarkt, die van de adverteerders, die van de tussenpersonen en die van de overheden. Vandaag laten Amerikaanse overheden hun sterbedrijven doen, en probeert de Europese Commissie de grote technologiespelers die misbruik zouden maken van een machtspositie te counteren – geen makkelijk debat bij stilzitten van de overzeese collega’s.

EXISTENTIËLE SAMENLEVINGSVRAAG

De samenleving moet zich afvragen wat ze wil. Democratische rechtsstaten rusten op enkele belangrijke beginselen, één ervan is dat professionele journalistiek, in vrije media, de vierde macht vormt die essentieel is voor de goede functionering van instellingen in een democratie.

Als enkele private bedrijven nu plots een dominante invloed hebben op àl de omgevingsvoorwaarden waarin media opereren, kunnen we in de problemen komen met vrijwaring van vrije en pluriforme media. Dat gaat verder dan de eigen controle die, bijvoorbeeld, Facebook al dan niet zou doen op inhoud die via zijn platformen wordt gedistribueerd.

Wat nu gebeurt kan de levensvatbaarheid raken van mediabedrijven in de hele wereld.

Deze dimensie wordt niet automatisch gecapteerd door het leerstuk van ‘misbruik van economische machtspositie’, dat  slaat op de weerslag in de functionering van de markten. Er is eigenlijk geen deugdelijk  instrument dat ziet op de vrijwaring van de pijlers van een maatschappijmodel – net zoals er geen globale overheden zijn die een volwaardige sparring partner kunnen zijn voor bedrijven die globaal opereren. Wordt vervolgd!

 

  1. GLOBALE TECHNOLOGIEPLATFORMEN BEINVLOEDEN DE SAMENLEVING

Het oude businessmodel van journalistiek is gebroken. Dat bemoeilijkt de rendabiliteit van de echte mediabedrijven met professionele redacties,   nu de globale technologieplatformen zoals Google en Facebook alle parameters beheersen, de regels bepalen, de geldstromen verleggen en met een formidabele technologische machtspositie journalistieke producten kannibaliseren. Dan heb je niets meer aan mediadecreetje meer of minder. Wat doet dat met de samenleving, en de volgende vraag is dan: wat doet dat met journalistiek? Dreiging of opportuniteit.

Communicatiestrategieën hebben een duidelijke invloed op de samenleving, dat staat buiten kijf. Vaak staat men dan stil bij twee dystopiën over de toekomst van communicatie en democratie.

BIG BROTHER

Ongetwijfeld is de meest gekende Big Brother die werd opgevoerd in 1984, het boek dat George Orwell in 1949 publiceerde. Zijn inzicht was dat we zouden evolueren naar autoritaire en repressieve regimes die expressievrijheid  onderdrukken. Met Hitler nog vers in het geheugen,  Stalin nog aan de macht en Mao in de startblokken was dat geen vergezocht vooruitzicht. Vaak is de dystopie weggelachen, omdat we in zo’n vrije contreien leven. Maar in de meerderheid van landen in de wereld werd Orwell’s visie werkelijkheid. Volgens Reporters without Borders leeft 86 % van de wereldbevolking in een land zonder redelijk vrije media en met een repressief beleid inzake uitingen. Wij zijn bij de overige 14% en beseffen dat nauwelijks, we denken snel dat het elders gaat zoals bij ons. Dat is geenszins het geval. Bij ons is zeer ruime expressievrijheid gebruikelijk en vrijwel onbetwist, en we kennen heel vrije media en journalistiek. Al snel nemen we aan dat dat vanzelfsprekend is, en vergeten we hoe zeldzaam die toestand is.

VERLEIDING

Al in 1932 hield Aldous Huxley in zijn Brave New World een andere dystopie voor.   Repressie zou niet nodig zijn. Mensen, aldus Huxley, zouden zich makkelijk laten verleiden door technologische snufjes, en bijgevolg zouden overheden ze onder controle kunnen houden met afleiding en ontspanning, plezier en pret.  Oei, dat klinkt herkenbaar, met de triomf van internet, smartphones e tutti quanti. Hebben we niet allen onze smartphone op zak, raadplegen we niet voortdurend onze schermpjes, moeten we niet van overal vermeende wetenswaardigheden posten, en krijgen we geen massa alerts of breaking news, vrijwel 24 uur per dag en 7 dagen per week? Zie je niet schaamteloos mensen naar schermpjes turen tijdens uiteenzettingen, gesprekken of lunches? En zijn we ongevoelig voor  de  irrelevantie die daarbij over ons wordt verspreid?

DE GOEDE KANT VAN DIGITALISERING

Maar laten we eerst ook de voordelen van veel digitalisering en van de grote platformen noemen. Informatie is nu makkelijker te verspreiden of op te zoeken. Denk aan Wikipedia, Google Maps, of de browsers van het internet, de eindeloze mogelijkheden van sociale media. Moeiteloze en directe toegang tot informatie op het ogenblik dat je ze nodig hebt, altijd beschikbaar, makkelijk raadpleegbaar en ogenschijnlijk gratis. We moeten dit comfort niet ontkennen, ieder doet er zijn voordeel mee. De pakkende beschrijving van de kenmerken benoemen transparantie en ontbundeling, de directe toegang naar de bron van alles en het gemak waarmee we vroegere poortwachters of hinderpalen vermijden, de directe participatie van burgers of consumenten – reviews ! – en dat alles is altijd mogelijk, 24/7 zoals dat heet. Niet min – een paradigmaschift heet dat – en er zijn vele voordelen aan verbonden.

TOCH EEN DERDE DYSTOPIE

Langzaam beginnen we ook nadelen te ervaren: onze nieuwe werkelijkheid – die  grotendeels de verwerkelijking van de dystopie van Huxley lijkt – leidt tot  een derde dystopisch vooruitzicht. We zijn er lang ongevoelig voor geweest, maar met de  opmars van de globale technologieplatformen zijn ze niet meer te ontkennen.

BREED PUBLIEK DEBAT SNEUVELT

Ontbundelen en directe toegang, afschaffing van de vroegere poortwachters geven veel gemak, maar ze vernietigden ook dingen. We kunnen makkelijk zelf zaken verspreiden, we delen die in een gelijkgestemde groep, en we laten de feeds toe die bevestigen wat we zelf denken. Met onze eigen feeds riskeren we ons ook te isoleren in onze eigen communities, en we dreigen ons leven daarin te organiseren. Het algoritme van de globale technologieplatformen kent mijn profiel en selecteert nu anoniem wat me zal aanspreken, wat ik horen wil en wat bij me past. Personalisering kan goed zijn, zelf-afzondering, fragmentatie en polarizering zijn het niet. Het rustig en breed publiek debat lijkt afgestorven, velen trokken zich terug in hun echokamers, met hùn “likes” en hùn “friends” die altijd beamen wat ze denken en zeggen. Dat leidt tot  scherpe polarisering en afkeuring van wie een andere mening zou hebben, dat zijn de losers.

WELKOM IN MIJN GEFRAGMENTEERD UNIVERSUM

De paradox is dat de wereld  nooit zo geconnecteerd was, en ook nog nooit zo gefragmenteerd. Dat verscheurt samenlevingen. Amerika verkoos een President die niet de steun had van de grote media, maar van propaganda-outlets. De Britten stemden een Brexit die media niet zagen komen, en de Britten zelf ook niet. In beide landen speelden doorzichtige propaganda en manifest onjuiste berichtgeving de hoofdrol. Hoe kon dat gebeuren? Het leverde de Amerikanen een vernederend Witte Huis op, en de Britten een  Brexitkoers zonder plan. Verdeelde landen met twee kampen, geen gezond verstand, geen midden, geen verbindende aggregatoren. Zien we tegen die achtergrond niet langzaam  een nieuwe zoektocht naar de poortwachters, de bundelaars, de ratio, het argument, de fact-check? Voelen we niet weer de behoefte aan de vaardigheid van het meningsverschil, aan de kunst te verbinden en overtuigen met redelijke argumenten, om te blijven argumenteren met iemand met een andere mening?

MEDIACRATIE WERD MEDIOCRITEIT

Digitale technologie bracht ons formidabele voordelen, maar the endless digital forest of mediocrity, zoals Andrew Keen het in 2007 al uitdrukte (The Art of the Amateur, How user-generated media are killing our culture and economy), is er daar geen van.

De “spirit of liberty is that spirit which is not too sure that it is right”, zo formuleerde Judge Learned Hand het in 1952. En dat brengt ons bij de vraag hoe het dan met journalistiek vergaat in deze turbulentie: dat is voor volgende week.

  1. DE TOEKOMST VAN JOURNALISTIEK LIGT NIET ACHTER ONS.

Een democratie gaat ten onder als we andere meningen en andermans mening niet meer op prijs kunnen stellen, als we geloof gaan hechten aan elk onbewezen gerucht (= fake news) of anderen direct gaan beschouwen als tegenstrevers en vijanden. Democratie vergt een zekere gemeenschappelijkheid, betrokkenheid, en een breed gevoel van samenhorigheid – hoe verschillend we allen ook zijn en hoe ver meningen ook uit elkaar mogen liggen. En democratie vergt een open en sereen debat over meningsverschillen, op basis van argumenten (Cass S Sunstein, #republic, 2017).

FRAGMENTATIE EN SNELHEID?

Dat moet als een droom klinken voor journalistiek, toch? En toch… zoals vorige week besproken, lekt het businessmodel van journalistiek. Hoe zit het nu dan met het vak zelf, nu mediabedrijven hun inhoud ook “delen” via sociale media? Werken ze daardoor niet  mee aan de fragmentatie van hun eigen bundel? Dat bevordert  eigen selecties door hun publiek, dat minder kiest voor zender- of krantentrouw, en meer voor multiple choice: mijn selectie van artikelen uit jouw krant, van programma’s uit jouw aanbod: “Mijn Standaard”, “Mijn Journaal”.

Goede journalistiek zit ook kort op de bal. Er was een tijd waarin  het journaal van vanavond of de krant van morgenochtend een normaal tijdsperpectief was. Vandaag  verpulveren “breaking news” en “news alert” alle snelheidsrecords. Feitjes en feiten, bliksemsnel en24/7 zoals dat heet. Makkelijk zat met internet, en met de turbo van de technologieplatformen.

CHECK & DOUBLECHECK?

Is al dat snelle nieuws ook gecontroleerd? Volgens kenners nemen  millenials  genoegen met “good enough”. Was een bericht verkeerd? Dan kom ik dat straks ook wel te weten, ik maal er eigenlijk niet zo om, zo luidt vaak hun reactie.

Hier schuilt een risico voor journalistiek. Snel, ok, maar verifiëren en valideren is en blijft toch de kern van het journalistiek métier (Kovacs & Rosenstiel, ELements of Journalism, 2007). Dat gaat altijd ten koste van snelheid: voor journalistiek die zijn kern niet goed bewaakt wordt de race om de eerste te zijn een existentieel risico. Verificatie is de kerncompetentie van journalistiek, die opgeven betekent dat journalistiek zijn “USP” loslaat. Een vak dat zijn onderscheidend kenmerk niet zelf respecteert, verliest vertrouwen. Het is dé valkuil van de spagaat tussen journalistieke degelijkheid en de verlokking van de alert– en share-snelheid.

ACHTERHAALD POORTWACHTERSCHAP IS RAZEND ACTUEEL

Journalistiek contextualiseert ook, kadert, duidt. Maar in deze postmoderne tijden is het kader vaak zoek, of vrijblijvend;  journalisten geven niet steeds blijk van normatieve feeling  en stapelen vaak meningen op en naast elkaar. De lezer en kijker zoekt het maar uit, wij voorzien in een breed aanbod, zo luidt het mantra.

Dat is geen valabele bijdrage tot de gemeenschappelijkheid die de samenleving nodig heeft. Met ouders, politiek, middenveld, en onderwijs zijn ook de klassieke media aggregatoren van de gemeenschappelijkheid, poortwachters met een filterfunctie voor het brede publiek, op basis van de ‘canon’ van de samenleving. Wij benoemen zulke canon als “waarden en normen”, Nederlanders spreken van “de kern”, Fransen van “La République”. De fenomenale juridische voorkeurpositie die journalistiek geniet, rust net op zijn rol als kritisch bewaker  van die canon.

DE WARE DEMOCRATIE EIST AANDACHT

Democratie is niet vanzelfsprekend, er moet aan gewerkt worden. Het gefragmenteerd aanbod dat de algoritmes van de technologieplatformen voor elke consument of doelgroep uitsnijden, is niet genoeg. Het is nodig dat we voortdurend en ook onverwacht op andere personen, diverse meningen, andere gezichtspunten en op nieuwe analyses stoten. Personen in een samenleving dienen ook belevenissen te delen en ervaringen, zoals feestdagen, een festival of opera, of nog, diepe rouw. Van die beide elementen – voortdurende confrontatie met verschillende opinies én voldoende gedeelde ervaring – leeft de samenleving, aldus de Amerikaanse Grondwetsdeskundige Sunstein. Dat bereik je niet met fragmentering en met de zelf-isolatie waartoe de technologieplatformen verleiden.

CHECKS AND BALANCES IN HET BELEID

Sunstein wijst er op dat de US Grondwet weliswaar aanvangt met de iconische aanhef “We the People…”, doch dat diezelfde Grondwet absoluut wilde voorkomen dat populaire passies en vooroordelen lineair het beleid zouden bepalen of de wetgeving. Het is een doordachte combinatie van zeer brede uitings- en persvrijheid, met “checks and balances”, precies om te voorkomen dat subjectiviteiten van alle aard lineair in beleid en wetgeving zouden belanden. Populaire – vandaag zouden we schrijven “populistische” – verlangens worden institutioneel gefilterd zodat beleid leidt tot de bevordering van de publieke zaak. Ruime individualistische expressies zijn prima, maar tussen de plethora daarvan en beleid en recht staan institutionele drempels. Die verfijnen, verdiepen en verbreden de populaire zienswijzen, die immers worden bewerkt in representatieve organen met een grote verantwoordelijkheidszin, zodat ze worden ontdaan van ondoordachte elementen, te wilde emoties of al te particuliere belangenzucht. (Terzijde: de déconfiture van de beide grote partijen in de US, de impact daar van propagandamedia, en een bubble-bewoner in het Witte Huis, tonen hoe snel de afgang van de kern van een gezonde democratie kan gaan).

EN JOURNALISTIEKE CHECKS AND BALANCES

Wat betekent dit voor journalistiek? Redacties die nu werken binnen een versatiele bedrijfscontext, moeten het beter doen en méér oog hebben voor het effect van hun product op de samenleving. Een kritische factor wordt de vraag of ze ontmoetingsplekken vormen, makelaars kunnen zijn in een gedeeld algemeen belang, behartigers van de goede zaak van een inclusieve gemeenschap, actoren in de preventie van individualistische zelf-isolatie die de echokamers van de “social media” te vaak zijn. Het is ook de vraag of ze de fragmentatie van het publiek over vele, ook amateuristische en  declinistische fora kunnen overstijgen met een wervend aanbod dat  samen leven bevordert. Ruime persvrijheid steunt op de basisinzichten van de samenleving, en op de erkenning van die vierde macht-functie.

In de wereld van de fragmentatie, zonder poortwachters en gidsen verbergt de leuze ‘het is wat onze lezers/luisteraars/kijkers vragen’  te vaak de eigen mediocriteit. Dat is een vorm van neerkijken op oude paternalistische journalistiek die vaak namens religies, machtsblokken of zuilen werd bedreven. Maar het vertaalt ook een onvermogen om in te spelen op de grote maatschappeljke behoefte van vandaag. De wereld is veranderd, de journalistiek dient mee te veranderen, maar wel in lijn met zijn maatschappelijke plichten en verantwoordelijkheden. Zijn alle redacties zeker dat ze consistent die kant op gaan?

Goede, professionele journalistiek is geen luxeproduct: welvaart en democratie, kortom het welzijn van burgers, hangen af van een gezond expressiesysteem en goede journalistiek die een behoorlijk publiek debat voedt. Ook in ons rijke en welvarende land is er druk op  democratie en rechtsstaat  – niet in het minst door de toename van het aantal expressies en de significante daling van hun waarde. Government by discussion leidt tot welvaart, maar de discussie moet dan wel ergens over gaan, een oogmerk hebben, en verbindend werken. Anders haken mensen af. Als dat de betekenis is van de omstandigheid dat 70% van de Vlamingen weinig of geen vertrouwen uitspreekt in media (VRIND-indicatoren, 2015), dan zou ik als mediabedrijf met mijn professionele redacties direct een crisisberaad lanceren.

 

Gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws/nl op 24 augustus, 31 augustus en 6 september 2017