Waardige reacties op onwaardige uitingen. Overwegingen bij het Schild & Vrienden-debat

“Choquerend, storend en beledigend”: dat waren de meeste beelden die de PANO-reportage van Tim Verheyden toonde over de geheime “memes” en uitingen van Schild en Vrienden. Zulke uitingen zijn net beschermd door de vrijheid van meningsuiting. Uitingsvrijheid beschermt immers net zo goed onvriendelijke, onfatsoenlijke walgelijke, stuitende, of immorele uitingen als brave, fatsoenlijke of algemeen gedeelde meningen.

Juridisch gezien, is het dus zeer de vraag of Schild en Vrienden wel strafrechtelijk kan veroordeeld worden voor wat ze publiceerde op zijn occulte site. Waarschijnlijk valt de inhoud van wat daar circuleerde binnen de grenzen van beschermde uitingen onder het leerstuk van expressievrijheid.

Deze beschermt extreme en radicale opinies. Fatsoen of walging zijn er geen afwegingscriteria, noch de vraag of iets stuitend is of immoreel. Onder een vrijheidsregime is de keuze precies om zo veel mogelijk afwijkende, abnormale of schokkende opinies te vrijwaren: het antwoord is niet een publicatieverbod of rechterlijke veroordeling, het antwoord is een debat met argumenten: degenen die rare zaken naar voor brengen worden dan geconfronteerd met overwegingen die hen tot andere inzichten kunnen leiden.

VERWERPELIJKE MENINGEN

“C’est du choc des idées que jaillit la lumière”,zo luidt de zegswijze van Nicolas Boileau: wanneer we onthutst zijn door wat daar wordt voorgehouden, moeten we het beter maatschappelijk discours daar tegenover stellen. “Ik zal uw verwerpelijke mening altijd bestrijden, doch uw recht om die verkeerde zaken te uiten, ook altijd verdedigen”, zo luidt de aan Voltaire toegeschreven samenvatting van dit kernidee van de Verlichting.

Gebeurde hier niet net het omgekeerde? Werd de kennisname van deze walgelijke ideeën, en de lichtzinnigheid waarmee deze jongelui ermee omspringen, niet direct omgezet in aanvallen op de personen, gesymboliseerd door hun leider?

Dat is net het omgekeerde van wat de kern van de verlichtingsideeën, waarop we ons beroepen ter vrijwaring van de rechtsstaat, voorhoudt: bestrijdt de ideeën, maar niet de personen.

TEGEN DE PERSOONLIJKE AANVAL

Dat de confrontatie met deze uitingen leidde tot morele verontwaardiging, is goed, ze toont aan dat de maatschappelijke barometer voor ethische grenzen nog functioneert.

De directe stap van de morele verontwaardiging naar de scherpe aanval  ad personam  past evenwel niet bij de ethiek die de rechtsstaat kenmerkt. De terechtwijzing moet niet ontaarden in een aanval ad personam, belangrijker zijn argument en het debat, woord en wederwoord. Scherpe persoonlijke veroordeling kan emotioneel opluchten, maar biedt  geen goede voedingsbodem voor een correct debat.

PUIKE JOURNALISTIEK

De Pano-reportage “Wie is Schild & Vrienden echt?” deed haar titel alle eer aan. Ze ging, letterlijk, kijken achter de schermen, waar deze club er een onthutsend discours op nahield, aanschurkend tegen fascisme en nazisme, en dat in de virtuele onderwereld van het internet.

Een puik voorbeeld van onderzoeksjournalistiek: die neemt geen genoegen met het officiële verhaal, in dit geval een amalgaam van Vlaamse waarden en conservatisme, gekoppeld aan de retoriek van de Vlaamse Beweging en aan de fratsen van een studentenclub.

Dit is geen geringe verdienste van de reportage; immers, Schild & Vrienden was al eens grondig geanalyseerd, in een minder opgemerkt intellectueel discours  (Ico Maly, Nieuw Rechts, 2018).  Pano rukte, met zijn blik achter de schermen,  pas echt het deksel van het vuilnisvat.

In de bovenwereld was  een relatief klein clubje er in geslaagd om doelgericht zetels te veroveren in de Jeugdraad of in de Raad van Bestuur van de Universiteit van Gent. Het verwierf ook gemakkelijk een stoeltje aan de tafel van Terzake. In februari werd  de nu weggehoonde Dries Van Langenhove er als honorabele conservatieve Vlaamse stem uitgenodigd in debat met Petra De Sutter over de zgn. transgenderproblematiek. Het werd een tenenkrullend debat van een jonkie met weinig of geen kennis tegenover de altijd waardige Petra De Sutter.  Voor redacties is de les ongetwijfeld ook dat een tweetje niet per definitie aanduidt dat iemand met kennis van zaken spreekt.

CIVIELE FACADE OP EEN SOKKEL VAN SMEERLAPPERIJ

We weten nu dat de civiele en studentikoze façade rust op een verborgen sokkel van smeerlapperij, en dat de fatsoenspose samengaat met een veroveringsstrategie van een  maatschappelijk relevante posities om het publiek debat te forceren in een nauwe identitaire en retrograde antiverlichtingsrichting. De onderliggende ‘memes’en trollen die de jongelui rondjagen in hun internetbubbels zijn walgelijk en stuitend. Naar de bovenwereld werken hun internetbombardementen met trollen om het publiek debat scheef te trekken, met tweets om op de redactionele schermen te komen, en eigenlijk gewoon met leugens en bedrog.

Schild en Vrienden veroverde er formele zitjes mee in instituties en een plek in de  sociale mediasfeer. Opnieuw bleek hoe makkelijk dat online kan opgezet worden, en hoe snel een door fascisme geïnspireerd discours over normen en waarden eerbaar kan lijken.

TRIAL BY MEDIA

Redacties en instituties moeten onthouden hoe lichtzinnig ze in die val zijn getrapt. We kunnen met zijn allen leren hoe snel morele verontwaardiging ertoe leidt dat we vergeten te reageren volgens de beginselen van de rechtsstaat zelf. Terwijl die gasten de rechtsstaat beweerden te willen herstellen met de meest afschuwelijke middelen, reageerden velen met standrechtelijke executie van de personen.

De Gentse rector Vandewalle reageerde krachtig: uitsluiting als student! De vraag is op welke basis, en of dit geschiedde in overeenstemming met het tuchtreglement van studenten. Nog fundamenteler is evenwel de vraag of een universiteit niet bij uitstek de biotoop is voor héle breed maatschappelijk debat; zijn er niet aan alle universiteiten  studentenverenigingen met extreme standpunten die men steunt?

Zou het niet eerder aanbeveling hebben verdiend dat de Rector een vraag had gesteld bij het mandaat van de leider van Schild en Vrienden in het bestuur van de universiteit, dan hem als student te willen verwijderen? zou het geen aanbeveling verdienen dat de Rector het hele clubje  een geleid bezoek aan de Dossinkazerne aanbiedt? Het is immers te betwijfelen of deze jongelui  enige notie hebben van wat fascisme en nazisme écht betekenden. Beter blijven ze student, dan komen ze nog een keer écht iets te weten over de zaken waarmee ze nu lacherig, kinderachtig en sloganmatig badineerden.

DE RECHTSSTAAT VERGT VOORTDUREND ONDERHOUD, DAT VERGETEN WE TE GEMAKKELIJK

De onderwijsnetten doen er goed aan om na te denken of ze niet nog meer adequaat materiaal moeten aanbieden aan scholieren om ze voor mentale fuiken en valkuilen te behoeden.

Media moeten, ook buiten occasionele onderzoeksjournalistiek, attenter zijn op de personen aan wie ze het woord verlenen.  Het was ook geen gelukkige ingeving van de redactie van Terzake om het debat op dezelfde dag partijpolitiek te oriënteren. Daardoor verzandde het weer voorspelbaar in gratuite verwijten.

Normen en waarden zijn wel even een meer grondige aandacht waard, met stemmen die authentiek naar de kern kunnen gaan, zoals prof. Bruno De Wever of Rector Van Goethem deden.

ook om http://www.vrt.be/vrtnws 8 sept 2018

 

 

 

 

 

Mediabacterie: Gevaar voor Volksgezondheid?

 

Een “voedselcrisis” is onvermijdelijk nieuws, en de berichtgeving verloopt  volgens  een voorspelbaar patroon. Dat patroon toont improvisatie, amateurisme en emotie. Men moet een keer de vraag opwerpen of zulke berichtgeving  beantwoordt aan de principes van goede journalistiek. Het antwoord is, helaas, vaak negatief. Wélke redacties nemen het voortouw in betere berichtgeving?

Of het nu  dioxine was, of vleesbesmetting,  fipronil of de listeriabacterie, telkens weer worden grote paniekmaatregelen afgekondigd voor de Voedselagentschappen, wordt angst gezaaid, en worden drastische maatregelen genomen die veel kapitaal vernietigen bij de ondernemers in de betrokken sector. Vaak bleek het daadwerkelijk risico voor de volksgezondheid beperkt of moeilijk aan te wijzen, soms was het er zelfs helemaal niet.
Jaren na de dioxinecrisis werd nog het volgende geschreven : “De dioxinecrisis van 1999 heeft zwaardere gevolgen gehad dan tot nu toe werd aangenomen. (…) Het zou gaan om 20.000 extra kankers bij vrouwen en nog meer gevallen van suikerziekte en hoge bloeddruk. (…) Het is op dit ogenblik onmogelijk om die cijfers precies te berekenen en hard te maken maar het is mijn inziens evident dat de dioxinecrisis duizenden gevallen van ernstige ziektes heeft veroorzaakt. Zo heeft de dioxinecrisis volgens Van Larebeke in totaal al zeker 20.000 kankers bij vrouwen veroorzaakt, 22.000 gevallen van diabetes en 24.000 gevallen van hoge bloeddruk.” (https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2015/04/13/_de_dioxinecrisisheeftduizendenernstigeziektesveroorzaakt-1-2303705/).

 

Ondoordachte wetenschapscommunicatie, niet uitgesloten correlaties voorstellend als  oorzakelijk verband, brute ramingen voorstellend als bewezen cijfers. Journalisten plaatsen daar dan een heel affirmatieve titel boven, volgens de welke “… de dioxinecrisis duizenden ernstige ziektes heeft veroorzaakt”. Verkeerd dus.  Wat schieten we op met zulke tegenstrijdigheden? … in het geciteerd geval uitgaand van de academische wereld en via de mediamegafoon kritiekloos doorgezonden.

 

Om van de paniekzaaierij af te geraken werd in 1999 het Voedselagentschap in het leven geroepen en geprofessionaliseerd. In de recente crisissen zien we dat dit er maar moeilijk in slaagt om uit de paniekmodus te geraken. Nochtans is dat een prioriteit: de voedselveiligheid deskundig en professioneel bewaken, én ingeval van incidenten, doordacht en zonder paniekmakerij communiceren. Hier is ruimte voor verbetering, en die is er beslist ook in de journalistieke verslaggeving.
Paniek is emotie, en dat is het makkelijk stuk, voor redacties ook iets te verleidelijk: de criteria voor nieuwsselectie bevorderen de keuze voor emotie. Goede journalistiek vertrekt  daarentegen van de feiten, en controleert eerst alle feiten. De listeriabacterie is aanwezig bij groenten en fruit zoals in het menselijk lichaam in onschadelijke hoeveelheid. Feit. Diepvriesgroenten moet men, volgens de gebruiksaanwijzingen én de volkswijsheid, altijd koken. Feit. Koken doodt de listeriabacterie. Feit. Resultaat: bij normaal gebruik van diepvriesgroenten – koken voor gebruik – is er géén risico. Feit.

 

Wanneer er iets mis zou kunnen zijn, overleggen autoriteiten en bedrijven. Die kijken dan hun kwaliteitsprocessen na, en sluiten, wanneer nog niet alle informatie voorhanden is, uit voorzorg  een productie-eenheid. Voedselagentschappen doen er dan goed aan, bijvoorbeeld, om te herinneren aan het belang van de bereidingsvoorschriften. Maar ze communiceren nog paniekerig, leggen (te) snel oorzakelijk verband, en dragen bij tot waardevernietiging, terwijl ze net werden  opgericht om niét in die valkuilen te trappen.

 

Het is de valkuil van de opinies die voorgaan op de feiten. Ik las meedogenloze opinies over communicatiefouten van personen en instanties die niet bij het dossier betrokken waren. Zaken van terugroeping van produkten zijn vaak dramatisch, maar ze zijn nog dramatischer wanneer ze het gevolg zijn van ongefundeerde opinies en er dan nog een meningenbrij overheen wordt gegoten.

 

In tijden van risico-aversie aarzelen ‘bevoegde’ agentschappen en controle-instanties niet om drastische maatregelen te nemen als heftige preventie, en daar dan robuust over te communiceren. Vaak om aan het publiek hun flinkheid te tonen, dat niet beseft dat het  reëel risico voor de volksgezondheid in werkelijkheid beperkt of quasi-onbestaand is, of door consumenten-onachtzaamheid is georganiseerd.

 

Mogelijk vielen er voedselslachtoffers door ondeskundig gebruik van degelijke voedingsproducten, en het is wellicht te vroeg om hier al definitief uitsluitsel over te hebben. Zeker is dat een bedrijf werd geblameerd door de gebruikelijke paniekzaaierij in het mediaproces, waarin geen rechten van verdediging bestaan.

 

Voor de daadwerkelijke toedracht is er nadien geen aandacht, dat heeft geen nieuwswaarde. En de waardevernietiging is het probleem van de onderneming, die er op constante basis in slaagt om 99,99 % van haar product veilig, tijdig, kwaliteitsvol en feilloos tot bij de consumenten te brengen in vele landen. Zero “nieuwswaarde”.

 

Ondernemers rechten dan in stilte de rug, kijken naar de scherven op de grond en beginnen opnieuw te bouwen, voor de voedselautoriteiten en redacties waren ze even “collateral damage” van de mediocriteit.

 

20 juli 2018

ook op http://www.vrt.be/vrtnws

Vrijheid van emotionele Meningsuiting

Regelmatig wordt de ondermijning van de vrijheid van meningsuiting afgekondigd in indringende termen. Zo deden het ook meer dan 1.000 academici, ondertekenaars van een Open Brief (https://www.petities24.com/menselijkheid). Ze waarschuwen tegen “een klimaat dat kan leiden tot gevaarlijke situaties waarbij de academische vrijheid wordt beknot”, en “academici geen standpunten meer durven in te nemen”.

Hun Open Brief is wel een bewijs van het tegendeel, dat moet hen ontgaan zijn: vrij geschreven, vrij gepubliceerd, vrij ondertekend en door de media héél fors verspreid. De gespecialiseerde petitie-website (www.petities24.com) floreert trouwens als nooit tevoren. Als u eens iets wil tekenen: allen daarheen!

Wat vooral treft aan de Open Brief is de emotionele alarmkreet, alsof er in ons land een terreurregime dreigt of heerst rond meningsuiting. Het tegendeel is waar: gedachten zijn vrij, de uiting ervan is vrij. Inbegrepen de vrije uiting van extreme of radicale meningen. Ook slimme meningen of minder slimme, algemeen gedeelde meningen of heel geïsoleerde, fors geargumenteerde uitingen of emotionele, … ze kunnen in totale vrijheid geuit worden. Soms zonder de poortwachters van de journalistiek, of anders door deze poortwachters geselecteerd en gepromoveerd tot nieuws, zoals het nu in grote opmaak gebeurde. Tot zover de ondermijning van de vrije meningsuiting.

DE BOOMERANG VAN DE STAATSSECRETARIS

De aanleiding voor de Open Brief was de botte reactie van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie op de Open Brief van de 11 rectoren, die humaniteit bepleitten in ons asiel- en migratiebeleid, en daar een pleidooi voor één individuele oplossing in één individueel geval aan toevoegden. Dat was de definitieve regularisatie voor de ouders van het meisje dat omkwam in een schietincident tussen politie en mensenhandelaars die rondreden met een vol busje illegale transmigranten. Men kan zich afvragen of de rectoren systematisch het pad van “beleid per petitie” willen opgaan.

De Staatssecretaris had een misplaatste tweet gezonden waarin hij de rectoren kapittelde, door ermee te dreigen dat de rectoren “een boomerang in hun gezicht zouden terugkrijgen”.

De inkt van de tweet was nog niet droog of de Staatssecretaris trok zijn woorden al in, hij werd publiek op zijn plaats gezet door de Eerste Minister, en kreeg de hele journalistieke en  publieke opinie tegen zich. In Terzake van 6 juni (https://www.vrt.be/vrtnu/az/terzake/2018/terzake-d20180606/) had Annelies Beck dan weer wel haar handen vol aan de geenszins onredelijke beleidstoelichting van de Staatssecretaris, die net iets verder reikte dan de wat te makkelijke vragen.

DE VRIJHEID VAN DE ANDERE MENING

Kortom: de vrijheid van meningsuiting is niet bedreigd omdat iemand iets naar voor brengt wat men niet graag hoort, ongepast vindt of waar men tegen gekant is. Dat is er juist de kern van: tolerantie voor uitingen waarmee men het grondig oneens is, incasseringsvermogen voor wat men ervaart als andermans prietpraat of stommiteiten, verdraagzaamheid tegenover ongepaste of andere beweringen. Dé toets is de feitelijke grondslag van een opinie, en de uitwisseling van argumenten. Die zijn vatbaar voor discussie en tegenspraak, en vaak leren degenen die het met elkaar oneens zijn dan allemaal wat bij.

Op dat vlak schiet de zo enthousiast ondertekende Open brief van de wetenschappers tekort: het geschrift blijft hangen in de oppositie tegen een opinie. Die was bot, inderdaad; en ze was al door tegenspraak gecorrigeerd, daar was geen academische opinie voor nodig. Niemand stelde de vraag over welke boomerang een federaal Staatssecretaris beschikt om die terug op de hoofden van  rectoren of academici te doen belanden. Het ontnuchterend feitelijk antwoord is: geen enkele. Het is merkwaardig dat academici dit intimiderend noemden, om meer dan misplaatste bluf ging het niet.

De afkondiging van het einde van de meningsuiting, via een initiatief dat ruime verbreiding kende, was dus een slag in het water. Men kan gedacht hebben dat het nodig was om vooral hard en snel te roepen bij vermeende bedreigingen van fundamentele rechten. Nog beter was geweest de uiting van de Staatssecretaris op zijn feitelijke grondslag te toetsen, en vast te stellen dat hij er zich vooral mee in de voet had geschoten.

DEHUMANISERING OF BELEID?

De academici protesteerden ook tegen de zgn. dehumanisering van “de Ander”. Migranten zouden ontmenselijkt worden door de migratieproblematiek voor te stellen onder de noemer van vluchtelingenstromen of migratiegolven. Pardon?

Beleid kan alleen rusten op goed onderbouwd inzicht in de feiten en getallen: dat zijn de fameuze stromen en golven (B Benyaich, Klokslag 12, Tijd voor een ander migratie- en integratiebeleid, Itinera 2014). Wordt migreren als een te vervolgen crimineel feit beschouwd, zoals de Open Brief voorhoudt? Helemaal niet. Wel wordt wie zich buiten de rechtsstaat plaatst, zoals de zgn. transmigranten,  “illegaal” – precies zoals wie uitgewezen wordt, en dan onderduikt en in het land blijft hangen.

Om een analogie te maken: men kan toch niet ernstig beweren dat het Antwerps “Centrum voor Sociaal Beleid” met zijn jaarboeken over de armoede in België, de armen zou “de-humaniseren”? Het tracht, integendeel, het moeilijk grijpbaar fenomeen van armoede te voorzien van een beredeneerd inzicht en  feitelijke grondslag, noodzakelijke voorwaarde voor een degelijk beleid van armoedebestrijding, niet?

We hebben in België geen stabiel draagvlak voor migratie- en integratiebeleid, hoewel we grote migratiestromen hebben uitgelokt vanaf de jaren ’60. Daar hebben we  ook ooit de stopzetting van afgekondigd, maar toen was het hek al van de dam. Maar wat we doen – niet altijd even gecoördineerd en vaak meer gedreven door gebeurtenissen dan door planning – is humaan en humanitair geïnspireerd, ingebed in de canon van fundamentele rechten en vrijheden van de Grondwet en het Europees Mensenrechtenverdrag. Die fundamentele rechten worden in een rechtsstaat overigens ook onverkort toegekend aan wie zich door eigen handelen buiten de rechtsstaat plaatst, de zgn. ‘illegalen’ of ‘personen zonder papieren’.

EN BELEIDSVERRASSINGEN

Niemand was er op voorzien dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in 2012 in de zaak Hirsi Jamaa v Italië (2012) plots zou innoveren inzake de toepassing van het Mensenrechtenverdrag. Plots werden de zgn.  “pushbacks” van vluchtelingen vanuit Libië, in de territoriale wateren van de Middellandse Zee, strijdig verklaard met het Verdrag; voordien werd het als normaal beleid beschouwd. Dat was een nieuwe rechterlijke interpretatie, dat ertoe bijdroeg dat, met het wankelen van de dictatoriale regimes in Noord-Afrika en Syrië, plots door magistraten de deur werd opengezet voor de georganiseerde mensenhandel vanuit Centraal Afrika naar de Zuid-Europese lid-staten, die geen Europese buitengrenzen bleken te hebben.

Het siert ons niet dat we daar na 6 jaar nog geen degelijk antwoord op hebben, maar de waarheid is dat dat we sedertdien achter de feiten aanlopen zonder Europese buitengrenzen, met te weinig middelen, flauwe Europese solidariteit en recalcitrante lidstaten die wel de lusten van de EU willen, maar niet de lasten. In dat kader opereert het Belgisch migratiebeleid, dat reageert op gebeurtenissen elders – kijk naar de evenementen van deze week in Italië – op een wankel nationaal draagvlak, met inzet van veel middelen en energie, en op humanitaire basis. Daar is weinig academische aandacht voor, kennelijk minder dan voor een dwaze tweet.

VRIJE MENINGSUITING EN EXPERTISE

De cri de coeur van de meer dan 1.000 academici is wel een beschermde uiting in ons rechtsbestel. Van academici mag en moet de samenleving evenwel meer verwachten: dat ze door de emotie heen naar de feiten  gaan, dat ze niet direct alarmkreten slaken over hun bedreigde uitingsvrijheid (sic!), dat ze de publieke debatten voeden met kennis en inzicht.

Wie daaraan twijfelt, kan zijn voordeel doen met het recente boek van Tom Nichols, The Death of Expertise. The Campaign against Established Knowledge and Why it Matters (Oxford, 2017). Academici doen er goed aan om maatschappelijk standpunt in te nemen en het publiek debat te voeden. Maar het mag met meer zijn dan hun emotionele reflex, de samenleving rekent op hun nuchtere analyse en expertise. Laat het vooral geen Suicide of Expertise worden, dat kan de samenleving zich niet permitteren.

 

 

 

 

Botheid en Rede

We evolueren van kwaad naar erger inzake de kwaliteit van het publiek debat. Velen schijnen de remmen te verliezen, en menen dat elke emotionele uitbarsting een welgekomen bijdrage kan leveren – ook zonder feitelijke grondslag. Het was weer een drukke periode op dat vlak.

Waarschijnlijk hebben de 11 Belgische rectoren een bijdrage willen leveren tot een beter migratiebeleid, met hun open brief over “het huidig klimaat rond migranten, een afnemend respect voor de menselijke persoon, en de verminderde aandacht voor de bescherming van de meest kwetsbaren in onze samenleving” – een unicum. Nadat de Eerste Minister al had gesuggereerd dat de regering voor deze migranten, die zich buiten elke wettelijkheid bevonden, aan een tijdelijke oplossing op humanitaire grondslag zou werken, bepleitten de rectoren hun definitieve regularisatie.

Naar mijn oordeel is het goed dat academici hun stem laten horen in de grote maatschappelijke debatten, maar een pleidooi voor één, radicale, oplossing in één individueel dossier is toch iets anders. Een algemeen appel op humaniteit, de waarden van de rechtsstaat en redelijkheid zou m.i. meer hebben kunnen overtuigen, ook al was het al voorbijgestreefd door de aankondiging van de Eerste Minister.

Staatssecretaris Francken reageerde op de rectorenbrief als door een wesp gestoken met één van zijn gekende tweets, met een voorwaardelijk verwijt van politieke spelletjes, en de waarschuwing dat de rectoren “de boemerang terug in hun gezicht kunnen krijgen”. Ongepast en bot, en een gemiste kans voor de bevordering van een debat met redelijkheid.

NU WEL NAAR EEN DRAAGVLAK VOOR MIGRATIEBELEID?

Nochtans is dat wat we missen, een debat met redelijkheid. Nu zwaaien de morele verontwaardigingen op steriele wijze heen en weer, ieder blijft bij zijn groot gelijk: einde discussie. Zo bouwen we in een samen-leving niet aan inclusiviteit – één van haar moeilijkste opdrachten, en die kan niet lukken zonder grote rationaliteit in de argumenten en redelijkheid in het debat en met emotionele intelligentie; dat is iets anders dan emotie zonder meer.

Er is in dit land geen stabiel consensueel draagvlak voor een migratie- en integratiebeleid (B. Benyaich, Klokslag 12, Tijd voor een ander migratie- en integratiebeleid, Itinera, 2014) – vandaag net zo min als vroeger. Er gebeurt “van alles”, zoals zo vaak, maar een doordacht migratiebeleid en een werkende integratiepolitiek zijn er niet.

De belangrijkste verworvenheid van goed beleid zou dus nu kunnen zijn om een stabiel draagvlak voor een gedegen migratiebeleid te bevorderen. In een land dat eens voorloper was inzake mensenrechten en humanitaire acties, moet dat toch kunnen? De Staatssecretaris geniet van een uitzonderlijke hoge populariteitsscore in Vlaanderen en in franstalig België, ligt daar voor hem geen schitterende doelstelling?

GREENPEACE-FUNDAMENTALISME

Op een heel ander domein speelde dezelfde spanning tussen botheid en argument. Greenpeace wil actie voeren tegen de verkoop van sommige vleesprodukten, die aan  geldende warenvoorschriften beantwoorden. Het zet zich dus boven de wet; dat mag, maar dan moet je acties ondernemen om de wetgeving te wijzigen.

In zijn groot gelijk lanceerde Greenpeace  een aanval op een bedrijf dat heel ver buiten de focus opereert van het door Greenpeace beoogde doel, wijziging van de wetgeving inzake vleesconsumptie. Greenpeace liet een dure reclamespot maken met STUDIO100-figuurtje Maya De Bij, die roken aanprijst met, in het filmpje, een klein rokend meisje.

Het zou gaan om een analogie tussen het kankerverwekkend roken aan de ene zijde en potentieel kankerverwekkende effecten bij gebruik van bepaalde, legaal verhandelde, charcuterie. In plaats van een analogie werd het een amalgaam, met stuitende  overdrijving, storend misbruik van een minderjarig meisje in het filmpje, en de buitenproportionele afbeelding van dit meisje terwijl ze rookt.

Juridisch is  dit foutief gebruik en beschadiging, op basis van een bij de haren getrokken analogie. Studio100 investeert al jaren en internationaal vanuit Vlaanderen in dit figuurtje, met een zorgvuldig gecultiveerd imago; wie daaraan twijfelt kan het boek van Hans Bourlon nog eens rustig lezen, met zijn eerder in DE TIJD gepubliceerde opiniestukken (De Blik van Hans Bourlon, 2017).

Naar verluidt beroept Greenpeace zich op het begrip “parodie” uit het auteursrecht. Het parodierecht houdt in dat  gebruik met lichte en passende humor van een auteursrechtelijk beschermd werk (zoals Maya De Bij)  zonder toestemming van de rechtenhouder kan gebeuren; de wijziging aan het oorspronkelijk werk, of van het kader waarin het wordt gebruikt, moet moet getuigen van ironie of van een lichte spot.

Dat vergt een inzicht in humor dat de fundamentalisten van Greenpeace kennelijk niet hebben, het vergezocht karakter van hun analogie en de buitenproportionele overdrijving plaatsen het filmpje mijlenver buiten de vaste rechtspraak inzake parodie.

Men mag geen verwarring zaaien, men moet dus uitsluiten dat de parodie afkomstig zou kunnen zijn van de rechtenhouder; daar is niets toe ondernomen. En men mag niet denigreren…., aldus de duidelijke rechtsgrenzen: als je op zo grove wijze de zorgvuldige “character”-bewaking van een internationaal huis aantast, handel je foutief en inbreukmakend.

HET PUBLIEK DEBAT

Opnieuw: de botheid van radicaliteit, eigen gelijk in het kwadraat, op de kap van anderen. Het sluit aan bij een ongezonde en onhoudbare toonzetting in wat het publiek debat zou moeten zijn. Daar schiet onze samenleving niet mee op, en zo kunnen we  niet verder. Wanneer het publiek debat stilvalt onder zulke verbale bommen, sterft de democratie. Een levendige uitwisseling van voor en tegen, een confrontatie van argumenten met feiten en getallen, de opbouw van een redenering en de reactie met een weloverwogen vraag. Zo gemakkelijk zou het kunnen zijn. Zo gemakkelijk zou het, altijd, moéten zijn voor een autoriteit zoals een staatsecretaris of een niet-gouvernementele organisatie die teert op veel goodwill van jongeren.

DE PERTINENTIE VAN FORSE JOURNALISTIEKE VRAGEN

Dat zou ook mogen voor redacties en journalisten. Op de avond van de tragische moordaanslag in Luik, wanneer alle gerechtelijke, veiligheids- en politionele autoriteiten in volle onderzoek zijn, schiet een journalist niets op met een langdurige suggestieve herhaling naar een vraag van de aanwijzing van “de schuldige”. Die antwoorden zijn er op dat ogenblik niet. Iets meer rede kan dan ook bij vragen op zijn plaats zijn, journalistieke hardnekkigheid kan soms passend zijn, maar dan moet men bereid zijn om de juiste vragen stellen.

Mogelijk zullen er, altijd, fataliteiten zijn die we niet kunnen voorkomen binnen een rechtsstaat, ook daar liggen intelligente vragen.

En wanneer een minister niet aftreedt kunnen de vragen misschien minder aansluiten bij zijn emotioneel pleidooi over de veerkacht  van justitiële en penitentiaire ambtenaren?  Het is toch geen nieuws dat die zich niet altijd gesteund weten door een zwak beleid, of dat hun daadwerkelijke werkingsmiddelen in totale wanverhouding blijven staan tot wat van hun werk redelijkerwijze verwacht mag worden? Daar bleven veel pertinente journalistieke vragen liggen.

Ook gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws

 

SPECULATIES ZIJN DE NIEUWE FEITEN

 

Speculaties zijn de nieuwe feiten. Vroeger waren er feiten. Feiten zijn zaken die zeker zijn, en waar gebeurd, zoals men ze rapporteert. Journalisten checkten en dubbelcheckten feiten.

Naast feiten waren er meningen. Meningen zijn vrije opinies en gedachten. Gedachten zijn vrij, maar als men meningen uit die iemand kunnen benadelen, kan je op een schadevordering enkel succesvol antwoorden met het verweer dat je mening rust op een correcte feitelijke grondslag.

Vandaag moeten we aan de feiten en meningen de rubriek van de speculaties toevoegen. We beleefden de weken van de speculatie, dankzij de berichtgeving over de Bende van Nijvel en de evoluties in Catalonië.

In november plaatste ik een stuk over “Speculaties”, met verwijzing naar mediaberichtgeving over de Bende van Nijvel en Catalonië. Ivm het Bende-onderzoek wordt vandaag uit het gerechteleijk onderzoek gemeld dat de toen door een advocaat gesuggereerde dader met 99% waarschijnlijkheid niet de “de Reus” van de Bende is.

Daarom herinner ik aan wat ik schreef toen een spektakeladvocaat met zijn groot nieuws naar buiten kwam…

EEN BENDE NIEUWS

Inzake de Bende werd het brandje gesticht door een advocaat van de club van theatrale advocaten met een oud gerucht over de identiteit van de reus. De rest is geschiedenis: dagenlange speculatie over welke feitelijkheden er zouden kunnen geweest zijn, en wie of wat er nu in het vizier van het onderzoek zou zijn of er juist aan zou ontsnapt zijn.

Ieder zijn perceptie, ieder zijn speculatie, en ieder zijn waarheid. De leuze  ‘ieder zijn waarheid’  is gelijk aan: helemaal géén waarheid. Dan resten enkel nog geruchten. De aandacht voor feiten was beperkt,  controle van de aannemelijkheid of het waarheidsgehalte bleef achterwege.

Speculaties zijn immers oncontroleerbaar. Ze betreffen de toekomst en die laat zich lastig onderwerpen aan bewijs. Speculaties gaan over wat iemand mogelijk zal doen of nalaten. Daarmee  behoren ze tot de geruchtenmolen en zijn ze per definitie subjectief. Soms zijn ze zo fantasierijk dat er niets te controleren is.
SPECULATIE IS NEGATIE VAN JOURNALISTIEK

Kortom: speculatie alom, over mogelijke feiten in de toekomst.
Met speculatie neemt journalistiek verder afstand van zijn objectiveringsambitie. Nochtans is dat de echte belofte van goede journalistiek aan de samenleving: topjournalistiek controleert voor ons de aannemelijkheid van elk feit of gerucht, en beschouwt het als zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid om ons van de ware toedracht in te lichten. Zo draagt journalistiek bij tot de werking van de samenleving en van de maatschappelijke processen.

Het speculatiepad draagt daar niet toe bij, het desoriënteert, en voegt aan geruchten alleen maar andere geruchten toe. Die gaan nu niet alleen maar over wat er gebeurd zou zijn, maar over wat er zou kunnen gebeuren. Dat is erg, omdat die optie ook meebrengt dat de controle van de werkelijke feiten er ook onder lijdt. Daar zijn helaas  voorbeelden van.

Ook de advocaat die het Bendebrandje stichtte, gooit inmiddels verder olie op het vuur. Vanop de Boekenbeursstand van zijn uitgever, waar hij zichtbaar zijn nieuwe boek tekent breit hij – uiteraard enkel met de allerbeste bedoelingen –  rustig verder aan zijn  aankondigingen van niets, met veel geheimzinnigheid en media-aandacht. Gelukkig kon ditmaal een onderzoeksrechter duiding geven en de advocaat op zijn plaats zetten met diens ongepaste publieke verklaringen.
DIT KAN DUS BETER

De journalistieke focus moet primordiaal gericht zijn op feiten: wat, wanneer, waar – dat zijn de eerder gemakkelijke vragen – en ook: wie en waarom – dat zijn vaak moeilijke vragen. Het is altijd een heikele zaak om de échte ware feiten bloot te leggen, en de klassieke vijf vragen te beantwoorden. Dat vergt controle, controle en controle. Tot het beeld over de werkelijke feiten minstens voldoende aannemelijk wordt. Eerder brengt men niets naar voor.

Dat is iets anders dan speculaties en emoties. Dat laatste kan iedereen, daar hebben we geen  journalisten voor nodig.

 

Gepubliceerd op 7 nov 2017 op www.vrt.be/vrtnws en daar geherpubliceerd op 26 april 2018

Innovatie en Regulering : Leiderschap op Capitol Hill of in Silicon Valley?

            Regulering en innovatie staan op gespannen voet met elkaar. Regulering komt altijd laat, innovatie loopt voorop en gebeurt vaak ongepland, zowel wat de timing betreft als de precieze aard van de innovatie. Regulatoren weten dan vaak geen blijf met het nieuwe fenomeen… vroeger niet en nu vaak evenmin.

            Kijk naar de komst van radio, nu bijna 100 jaar geleden. De innovatie ging voorop: radiostations werden gemaakt door ingenieursbedrijven die radiotoestellen konden bouwen. Interessant, maar bij gebrek aan radioprogramma’s was er geen markt voor zulke toestellen. Bedrijven begonnen dan maar met radio-uitzendingen, en de eerste “vrije radio’s” waren actief.

Het zou bijna tien jaar duren eer deze innovatie in België gevolgd werd door regulering, en nog geen geringe ook. Het werd een totaal verbod van radio-uitzendingen, behalve wanneer die door de overheid gebeurden. Tot verbijstering van velen was de staatszender een feit.

Het formele excuus was de schaarste van de beschikbare ethergolven, de werkelijkheid was de angst voor het nieuwe communicatiemiddel. Dat liet immers toe dat één persoon in een kamer met de juiste technische uitrusting en wat zendmasten, rechtstreeks en gelijktijdig tot de gehele bevolking kon spreken. Het moet, in tijden van trage communicatie die via dagbladen, affichage, postzendingen en telegrafie geschiedde, inderdaad een beangstigend idee zijn geweest dat gelijk wie over een zendinstallatie kon beschikken, op die wijze het woord kon nemen voor de gehele bevolking.

De grote beginselen uit de toen bijna honderjarige Belgische Grondwet, die menings- en persvrijheid hoog in het vaandel voerde, gingen voor deze technische innovatie zo goed als overboord. Dat zou tientallen jaren zo blijven voor radio en tv, tot de laatste decennia van de vorige eeuw.

-o-

Eerder heb ik, met Jo Caudron en Dirk Wauters, al eens gepleit voor een “legal shelter”, een periode waarin met een innovatie kon geëxperimenteerd worden, en waarin voorstanders van innovatie konden tonen wat ze juist deden, zodat de samenleving kon zien welke effecten, in de zin van voor- of nadelen, aan de innovatie verbonden waren. Dat vergt uiteraard een open mentaliteit en wederzijds vertrouwen (Jo CAUDRON, Dirk WAUTERS, Leo NEELS, Geert WELLENS, Het nieuwe TV-kijken, LannooCampus 2014; Dado VAN PETEGHEM, Jo CAUDRON, Digitale Transformatie, 2014).

De directe aanleiding was toen Uber en het protest van uitbaters van taxibedrijven en autoriteiten die fors negatief reageerden, terwijl Uber de samenleving probeerde wijs te maken geen taxidienst in te richten. Dat kon anders en beter, maar een vijftal jaar later zijn we niet veel verder dan de combinatie van een stellingenoorlog aan de ene zijde en een “occult gedoogde” innovatieve exploitatie buiten elk wettelijk kader aan de andere zijde. Het illustreert het wat laffe gebrek aan transparantie aan de innovatiezijde en een onaanvaardbare mate van onbeslistheid en onverantwoordelijkheid aan de overheidszijde.

-o-

De hearing van Facebook-stichter Marc Zuckerberg in de US Senate en US Congress toont dezelfde ongemakkelijke verhouding tussen een innovator en de eindverantwoordelijken voor regulering.  Het werden twee stuitende vertoningen. Aan de ene zijde leken Senatoren en Volksvertegenwoordigers wat vragen te improviseren bij gebrek aan kennis en inzicht, of om zichzelf interessant te maken; aan de andere zijde trotseerde een redelijk zelfzekere jongen dit bejaard gezelschap rustig met een combinatie van zijn angeliek gefilosofeer over het verbinden van mensen, een gespeelde onwetendheid over hoe het er in zijn bedrijf aan toe gaat, en nieuwjaarsbriefachtige branie over hoe zeer hij zijn leven nu gaat beteren.

Voor iemand die als student in 2006 door de Harvard-autoriteiten al eens was gestopt met de voorganger van Facebook, www.facemash.com, wegens ongeoorloofd gebruik van de gehackte foto’s van de online smoelenboeken van Harvard-Colleges, en ongeoorloofde rangschikking van de studenten op basis van hun aantrekkelijkheid (“Am I Hot or Not”?) met zijn eerste algoritmes, is dat toch ruim onvoldoende?  Zijn online-experiment werd toen uit de lucht gehaald, en Zuckerberg verklaarde… “dat het onmogelijk leek om zoiets te doen zonder de privacy-rechten van de betrokken personen te schenden”; hij beleed… “dat hij geen mensen meer wilde kwetsen”. Profetische woorden, want hij kwam eergisteren – 12 jaar later – op het Capitool weg met dezelfde smoes, en werd nog beloond met een keurige stijging van de beurskoers van zijn bedrijf.

-o-

            De heer Zuckerberg heeft ons allen hiermee een hele slechte dienst bewezen, en getoond dat hij een wereldbedrijf heeft gemaakt dat niet in staat is om transparant te opereren en heldere antwoorden te geven op voor de hand liggende vragen. Dat schaadt alle techplatformen waarvan we allen vele voordelen genieten en die vandaag de werkwijze van vele beroepen danig beheersen. De indrukwekkende en kartel-achtige, collectieve stilte van zijn kompanen van Google, YouTube, amazon, Apple, Twitter etc. inspireert ook al niet al te veel vertrouwen.

-o-

            Amerika kent een hele reeks regulatoren en instanties die bevoegd zijn voor communicaties, handel, advertentiestandaarden, eerlijke competitie en bestrijding van misbruik van economische machtsposities. Met het understatement van het decennium, kan men zeggen dat deze vrij rustig hebben afgewacht en wel een héél lange gedoogperiode in acht nemen.

De werkelijkheid is minder idyllisch,  ze lijken verstijfd tegenover machtsposities, eerder dan bedachtzaam kritisch ten opzichte van interessante innovatie. Juist dan moet iemand waken over de belangen van burgers en hun fundamentele rechten, privacy- en data-rechten inbegrepen.

Onachtzaamheid van de burgers zelf, die zich laten verleiden door het “gratis” gebruik van interessante en op de duur onmisbare diensten is geen rechtvaardiging voor verzuim door instanties. Immers, die hebben nu net de wettelijke opdracht om waakzaam te blijven wanneer burgers het minder zijn, en ze opereren  onder een verantwoordingsplicht aan de parlementen. Het stilzitten van de verzamelde autoriteiten heeft dat evenwicht doorbroken, dan werken de fameuze “checks and balances” van de moderne verzorgingsstaat niet.

De hoorzitting van enkele uurtjes (sic!) was verbazingwekkend slecht  voorbereid door de parlementsleden, en strekte er blijkbaar hoofdzakelijk toe dat elk lid haar of zijn vijf minuten faam kon verwerven door het woord te richten tot de Facebook-hoogheid. Voor Zuckerberg volstonden enkele goed voorbereide algemeenheden en de koelbloedigheid van zijn jongensachtig branie.

-o-

            De meest wonderlijke passages zijn (i) deze waarin een Senator  Zuckerberg’s opinie vraagt over regulering, waarop Zuckerberg antwoordt dat hij niet tegen “de juiste” regulering gekant is, en dat het miljoenengebruik suggereert …dat er geen heel grote behoefte aan is, (ii) deze waarin Zuckerberg gevraagd wordt of zijn bedrijf geen monopolie bekleedt en Zuckerberg antwoordt… dat hij dat zo niet voelt (sic!) en (iii) Zuckerberg op vragen over privacy toch even gaat aarzelen tot zijn angeliek geloof in de goedheid van het verbinden van mensen hem opnieuw te binnen valt en hij weer bijna gaat ijlen.

-o-

            Tenzij het leiderschap van al de grote tech-platformen echt maatschappelijk leiderschap gaat tonen, tenzij Mevrouw Vestager – de EU-Commissaris voor Mededinging – nog wat doorduwt, tenzij de US-antitrust-autoriteit ontwaakt, en/of tenzij privacy-autoriteiten eens grondig gaan kijken naar de olifant in hun kamer, zal Facebook blijven aanmodderen met uw privacy.

Die lijkt nu wel  ge-de-personaliseerd, nu ze  semantisch promoveerden tot “data”; maar het zijn wel ùw gegevens, het is ùw profiel dat de basis is van het verdienmodel van deze dollargigant en zijn kompanen. Jij en ik werden ongewild of onbewust de koopwaar van wat Wu de “attention merchants” noemt. En we werden de koopwaar van bedrijven die noch meer noch minder dan systemisch zijn door hun maatschappelijk impact… een perfecte “catch 22”.

Er is een alternatief. Unilever heeft in februari aangegeven zijn reclamedollars elders te gaan besteden als het zijn advertenties moet blijven publiceren op platformen met rommel, fake news en ziekelijk materiaal voor minderjarigen, waarbij verdeeldheid wordt gezaaid en aangezet tot haat (FT, 12 februari 2018). Nadat eerder al Google zich al  had verontschuldigd voor zulke inhoud op YouTube, had Zuckerberg ook in februari al gemeld dat Facebook zijn leven zou beteren. Op hoeveel van die beloften heeft deze man, na zijn miserabele vertoning op Capitol Hill, nog recht?

Bij de aanvang van de vorige eeuw lagen adverteerders aan de basis van de eerste journalistieke codes voor de Amerikaanse kranten die toen echte schandaalblaadjes waren. Zulke codes zijn er vandaag nog en steeds hebben ze nog betekenis.

Nu Zuckerberg zijn laatste speeltijd heeft verbrod, ligt er een enorme opportuniteit voor da leiders van de andere techplatforms. In deze digitale tijden zijn dit systemische bedrijven zonder dewelke de zaken niet meer organiseerbaar zijn; het gaat dan niet om foto’s van katten of bling-bling en naakt, maar om essentiële infrastructuren in een moderne democratie en economie. Die vergen leiderschap en op dat vlak creëert deze week een somber vooruitzicht.

De afwezigheid van maatschappelijk leiderschap, dat niet slechts gekenmerkt is door praatjes maar door daadkracht, werd nu nog beloond met een stijging van de beurskoers. Blijkbaar moeten de advertentiedollars werkelijk verschuiven, zoals Unilever dreigde, opdat de werkelijke waarden-keten bijgestuurd wordt?

Maar ook dat is geen reden voor de bevoegde autoriteiten om stil te zitten.

 

Ook op http://www.vrt.be/vrtnws

 

 

Jet-journalistiek

Er was de jongste weken veel te doen over wie verantwoordelijk is voor het achterhouden van een memo van vliegtuigbouwer Lockheed Martin. Daarin wordt betoogd dat de levensduur van de Belgische F-16’s kan worden verlengd van 8.000 tot 12.000 vlieguren.  Dat memo kwam plots naar boven via een oppositiepartij die ermee triomfeerde en leidde tot grote morele verontwaardiging. De juiste feitelijke toedracht is van latere zorg, daarnaar wordt ondertussen tegen medio april gezocht.

Hoe kan een memo waarvan de inhoud al in 2016 in de pers stond, achtergehouden zijn? Op 11 juni 2016 schreef Rik Van Cauwelaert in zijn onvolprezen wekelijks stuk Het Paleis der Natie in De Tijd het volgende: “Officieel hebben de F-16’s een levensduur van 8.000 vlieguren. Maar Amerikaanse tests wezen uit dat die toestellen er probleemloos 12.000 aankunnen. Dat geeft de Belgische regering, die haar miljarden elders nodig heeft, een bijkomende reflectieperiode van ruim vijf jaar.”

Op 13 april 2017 werd naar het memo verwezen in de Nieuwsbrief DefenseNews: https://www.defensenews.com/air/2017/04/13/lockheed-says-it-can-double-f-16-s-service-life-but-will-have-to-compete-for-opportunity/#.WrzqvJ5AYdw.email. De titel van dat artikel luidt dat volgens Lockheed de levensduur van de F-16’s mogelijk zelfs verdubbeld kan worden. Er hoort veel voorbehoud bij zulke prognoses, die niet rusten op tests die zouden uitgevoerd zijn op de Belgische vloot, en men maakt o.m. onderscheid tussen de ‘carrosserie’ en heel specifieke technologische uitrusting. “Service Life Extension Programs (SLEP)” zijn denkbaar en wellicht voor sommige landen uitgevoerd, maar er blijkt niet uit dat een studie werd gedaan met Belgische F-16’s.

Wat gebeurt is dus merkwaardig. Stellingnames die al lang publiek gekend zijn – zeker voor kenners van de zaak – worden plots als nieuw en achtergehouden aangemerkt. De morele verontwaardiging belet kennelijk een daadwerkelijke kritische bevraging.

Journalisten die graag uitpakken met hun rol als kritische waakhond van de democratie, gaan niet op zoek naar de werkelijke toedracht, ze zoeken slechts schuldigen. Die zijn snel gevonden in militaire kringen. Dan zijn zowel politiek als journalistiek alle remmen weg. Sommige politici schilderen de Belgische legertop af als een “staat in de staat”, en terwijl militairen een stap opzij zetten, titelen sommigen al dat ze “aan de kant zijn gezet” (HLN, 22 maart). Het ontslag van de Minister wordt ook links en rechts al gevorderd.

Rik Van Cauwelaert herinnert er in De Afspraak (VRT, 23 maart) rustig aan dat hij al eerder schreef over de zgn. spectaculaire ontdekking van de oppositie, maar niets helpt nog. Iedereen moet zich blijven verdedigen op het achterhouden van publiek gekende gegevens.

De Morgen richt op zijn voorpagina alvast een standbeeld op voor een jonge medewerkster van de studiedienst van de socialistische partij, met een omstandig interview op de binnenbladzijden (DM, 22 maart 2018). Zij is de militaire experte die de studie te pakken heeft gekregen en dus de heldin van de dag. Coté jardin moeten koppen rollen, côté cour worden de nieuwe helden alvast gehuldigd.

Een rustige beschouwing van het verloop van deze tiendaagse rel inspireert een zekere verbijstering. Wat, wie, waar, wanneer en waarom: het blijven de basisvragen naar de feitelijke grondslag van een informatie, van wie ze ook komt. Het is het ABC van de journalistiek. Is er behoefte aan een opleiding journalistieke wijsheid… voor  redacties?

 

Ook op http://www.vrt.be/vrtnws

Mag men aanzetten tot Terrorisme?

           Democratie is de slechtste vorm van regeren, zo zei Churchill, met uitzondering van alle andere vormen die al uitgeprobeerd zijn. Een kernvraag is hoe je een democratische rechtsstaat verdedigt wanneer die in zijn kern wordt aangevallen door personen of groepen die deze willen vernietigen. Dat gebeurde twee jaar geleden met de terroristische aanvallen in Brussel.

Sedertdien heeft de regering veel maatregelen genomen inzake staatsveiligheid, preventie van aanslagen en waakzaamheid. In het kader van de bestrijding van terrorisme werd ook strafverzwaring voorzien wanneer misdrijven gepleegd worden met het oogmerk om terreur te zaaien. De regering heeft aangevoerd dat met dat nieuw arsenaal al nieuwe aanslagen werden voorkomen; het belang daarvan is, zeker in deze herdenkingsweek, niet te onderschatten !

Het gaat bij terreuraanslagen om gewone misdrijven, zoals moord en doodslag, of slagen en verwondingen en dergelijke, die met een bijzonder opzet gepleegd worden. Dat opzet is dat terroristen opzettelijk ernstige schade willen toebrengen aan het land. Ze willen de bevolking ernstige vrees aanjagen, of  de overheid op onrechtmatige wijze onder druk te zetten om iets te doen of niet te doen, of nog,  de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van het land ernstig  ontwrichten of  vernietigen. Misdrijven die met dat opzet gepleegd worden, zijn terrorismemisdrijven en die worden sedert 2013 dus zwaarder gestraft.

TERRORISME KAN NIET. ERTOE AANZETTEN OOK NIET.

Eén van de maatregelen betrof ook de aanzetting tot het plegen van een terrorismemisdrijf. De verspreiding van boodschappen die aanzetten tot het plegen van een terrorismemisdrijf werd strafbaar gesteld “wanneer de aanzetting het risico oplevert dat zo’n misdrijf mogelijk wordt gepleegd”. Om strafbaar te zijn, moest de aanzetting het risico inhouden dat er mogelijk een terrorismemisdrijf werd gepleegd.

In 2016, na de aanslagen, werd die bepaling flink aangescherpt. O.m. werd het vereiste dat de aanzetting het risico moest opleveren dat zo’n misdrijf mogelijk wordt gepleegd nu weggelaten. Het Grondwettelijk Hof heeft deze week deze weglating strijdig verklaard met de beginselen inzake uitingsvrijheid. Dat is een uiterst belangrijk arrest over één van de fundamenten van ons samenlevingsmodel.

In een democratische rechtsstaat wil je de fundamentele rechten en vrijheden maximaal verdedigen tegen degenen die terreur willen zaaien. We verdedigen ons daartegen,  precies  omdat we die rechten en vrijheden willen vrijwaren. Soms, zo oordelen overheden, moet je op sommige rechten en vrijheden kunnen ingrijpen omdat het te bereiken doel – voorkoming van nieuwe terroristische aanslagen – zo belangrijk is dat, bijvoorbeeld, de vrijheid om in dat verband uw mening te uiten moet beperkt worden. Als je geen aanslagen wil, moet je toch ook niet toelaten dat iemand ertoe oproept of aanzet? En daar komen we dus in de nuance: daarover gaat de rechtsstaat. Geen brutale of overdreven, maar beredeneerde beperkingen. Dat onderscheidt immers een rechtsstaat van een dictatuur.

De beperking die we aan aanzetting tot terrorismedaden opleggen moet dus aan voorwaarden beantwoorden. Immers, we willen maximaal onze fundamentele rechten en vrijheden vrijwaren. Ziedaar een moeilijke paradox. Destijds was zelfs overwogen om sympathie met terrorisme strafbaar te stellen. We hebben weinig sympathie voor wie sympathiseert met terrorisme, en dat vinden we zeker een extreme en ongepaste meningsuiting. Maar extreme en ongepaste uitingen zijn toegelaten: we gaan ervan uit dat we die met betere uitingen kunnen bestrijden, dàt is het leerstuk van meningsvrijheid.

RISICOLEER

Parlement en regering moeten nu wel de terrorismewet bijsturen en de risicovoorwaarde die eerst aan aanzetting tot terrorisme verbonden was, weer terug in de wet inschrijven. Dat is belangrijk, omdat het aansluit bij een van de klassieke leerstukken inzake uitingsvrijheid.

Dat noemt men de risicoleer, en die is afkomstig uit het Amerikaans recht, en heet daar de “clear and present danger-“test. De politieke overheid kan omstandigheden aanduiden die ze volstrekt wil voorkomen, zoals terrorisme-aanslagen: dat is zowel haar taak als haar goed recht. Ze mag daarbij ook de “aanzetting tot” zulke aanslagen strafbaar stellen, maar op voorwaarde dat de aanzetting het duidelijk en acuut gevaar oplevert dat het tot reële terrorismedaden kan komen. Het iconisch voorbeeld, buiten terrorisme, is dat men in een volle theaterzaal niét de uitingsvrijheid heeft om zomaar “Brand! Brand!” te roepen: dat roept het direct gevaar op dat mensen in paniek wegwillen en dat er doden en gewonden vallen ingevolge de onverantwoordelijke paniekkreet. Die is dan strafbaar.

In 2013 had ons parlement bij de invoering van het aanzettingsmisdrijf inzake terrorisme, de risicobepaling mee opgenomen, in 2016 werd die weggelaten. Het Grondwettelijk Hof heeft nu beslist dat die weglating strijdig is met de beginselen van uitingsvrijheid: de afweging aan een duidelijk en acuut gevaar dat uit een uiting ook daadwerkelijk een terroristische aanslag zal volgen, moet terug in de wet.

Het is een toonbeeld van hoe we bij de verdediging van onze waarden en normen – in dit geval de vrijheid om ons te uiten – tegelijk proberen te streven naar maximale handhaving van onze vrijheden. Het heeft immers geen zin je tegen terreur die die vrijheden wil opheffen te beschermen en dan zelf je fundamentele rechten en vrijheden te vernietigen.

Het Grondwettelijk Hof heeft bepaald dat het parlement te ver is gegaan. Het parlement moet dus de balans nu terug in evenwicht brengen met de basisinzichten van vrijheid. Die vrijheid is geen geringe zaak: daarop rust en daarvoor dient een democratie en een rechtsstaat.

“CHECKS AND BALANCES”
Het is opmerkelijk dat we die debatten nauwelijks voeren, de media hebben er nauwelijks belangstelling voor. Dat is eigenlijk niet aanvaardbaar: het arrest van het Grondwettelijk Hof is uiterst belangrijk nieuws, het betreft de kern van ons samenlevingsmodel.

Het is ook niet erg dat het Hof de regering en het parlement corrigeert: dat zijn immers juist de zgn. “checks and balances”  in een democratische rechtsstaat. Zo werkt een democratie nu precies. Dat zien we in de US, waar de 45ste President voortdurend tegen de beperkingen van zijn macht aanbotst. We zien het ook in Hongarije, Polen of Turkije waar regimes die beperkingen opheffen en zich buiten de democratische rechtsstaten aan het positioneren zijn.

VEEL UITINGSWETGEVING KAN EN MOET BETER GEMAAKT WORDEN

We kennen nog wel beperkingen van meningsuiting, zoals de aanzetting tot haat of geweld, die moeten bewezen worden bij het racismedelict. Misschien is het goed daar ook het daadwerkelijk risico aan toe te voegen.

In de mate dat onze bijzonder ruime discriminatiewet ook uitingen zou verbieden – wat sommigen denken – is er geen enkele rem. Het is best dat de wetgever dit eens en voor altijd verduidelijkt: de discriminatiewet bestraft effectieve handelingen die discrimineren, en is geen regeling van uitingen.

De seksismewet is op dit punt te verwerpen. Het is goed dat die seksistisch gedrag strafbaar stelt, dat is publiek gedrag dat iemand vernedert of minacht omwille van haar of zijn geslacht. Maar de wet stelt ook zulke uitingen strafbaar, zonder dat aangetoond moet worden dat er opgeroepen wordt tot haat of geweld ten opzichte van personen of dat er een direct gevaar is dat ze het voorwerp worden van vernederend gedrag.

Die wetten zijn eigenlijk niet in orde. Het Hof corrigeerde deze week terecht de terrorismewet en noopt het beleid om het risicobewijs terug in te voeren vooraleer we aanzetting tot terrorisme veroordelen.  De discrimininatiewet moet alleen discriminerende handelingen bestrijden, en de seksismewet moet alleen seksistische handelingen bestrijden. Die wetten moeten dus meteen aangepast worden. Ook dat is de les van het Gondwettelijk Hof met dit princiepsarrest.

Het heeft geen zin de democratische rechtsstaat te willen verdedigen door bij wet een verregaande erosie te introduceren van zijn fundamentele waarden.  Dit is echt en fundamenteel werk voor het parlement.

18 maart 2018

Liedverbranding

            De Vrouwenraad heeft gescoord met een eenvoudig modern stramien: grote morele verontwaardiging, dreiging met een rechtszaak, polemiekjes links en rechts, bestuurlijke hardnekkigheid van het voetbalmanagement,   druk van de commerciële sponsoren, clubs en politiek,  … : resultaat!

De vraag is: welk resultaat? Wellicht de grootste gratis reclamecampagne voor de liedjes van de heer Damso. Bij de keuze van Damso in november bleef het  stil, nu leek Vrouwendag  het juiste ogenblik voor een nieuw initiatief, nadat de Voetbalbond eerder de Auch-award van de Vrouwenraad zo stuntelig weigerde.

Had de Vrouwenraad een juridische vordering tegen de Voetbalbond? Dat is bijzonder twijfelachtig, zeker wanneer het nieuwe fanlied zo teder, innemend, inclusief en warmhartig zou geweest zijn als nog even werd gesuggereeerd. Dat lied wordt de volgende “hit” van de man, zoveel staat vast.

Wat de Voetbalbond werd aangewreven is de keuze van een rapper die zich eerder denigrerend, ongepast, grof, onfatsoenlijk, schaamteloos, vernederend, enz. had uitgelaten in zijn liedjes over vrouwen die hij aanmerkte als teven die zich voornamelijk onderdanig en desnoods met geweld moesten lenen voor  sexuele escapades. De selectie van een zanger met zulk repertoire werd gehekeld: vele teksten staan vol van afkeer, beledigingen en verbaal geweld tegenover vrouwen, en getuigen van haat en geweld. Nobele overwegingen betreffende oudere liedjes van de grofbebekte knaap, maar een rechtsvordering tegen de Voetbalbond?

Het staat vrijwel vast dat daar geen enkele rechtsgrond voor was. Uitingsvrijheid houdt zelfs het recht in om grove, onfatsoenlijke, storende, schokkerende en beledigende opinies te uiten, de kern is juist dat we zoveel mogelijk opinies en standpunten willen, zodat we daarop kunnen antwoorden om ze te weerleggen. Dat de Vrouwenraad, die het moet hebben van campagnes en uitingen, dreigde met een rechtszaak was niet zo’n slimme zet…

Foute opinies bestrijdt men met betere opinies, niet met rechtsvorderingen en verboden. Daar hebben de dames van de Vrouwenraad zichzelf op een merkwaardige wijze te kijk gezet: stof om eens over na te denken. Emotie is één zaak, als maatschappelijke beweging over zaken nadenken en een publiek debat voeden is een andere.

Er wringt nog wel meer. Moeten we van iedereen in de toekomst altijd totale retro-actieve zuiverheid vergen? Moet ieder die zich eens grof, scabreus of op stuitende wijze heeft uitgelaten, voor eeuwig het zwijgen worden opgelegd? Dat is het nieuwe ressentiment, de uitvergrote morele verontwaardiging die mikt op de persoon, en diens standrechtelijke executie nastreeft.

Het nobel ethisch doel dat men wil realiseren, legitimeert dan alles, als men de “dader van vroeger” maar de grond in kan boren. Daarmee mist men de kans op de activering van diens betere ik, gebruikt men eigen verbaal geweld, ook zonder nuance of ruimte voor tegenspraak: de slogans volstaan, en het beoogd resultaat is direct.

In werkelijkheid speelde er geen enkele kwestie van uitingsvrijheid. Nooit is Damso de mond gesnoerd, zijn liedjes zijn nu ook in Vlaanderen  bekend, en sommige tekstfragmenten zelfs letterlijk. Hij kan zijn repertoire nog overal gaan opvoeren, zonder enige beperking, en zijn naambekendheid reikt plots tot de pagina’s van Amerikaanse kranten.

Jammer van het quasi-juridisch opstel dat Frank Depoorter, hoofdredacteur van Het Laatste Nieuws (8 maart) als editoriaal afdrukte. Een merkwaardig overzicht van echte en vermeende censuurkwesties. Maar hier was van enige censuur werkelijk geen sprake. Het ging enkel om retroactief ressentiment tegen een persoon, ongeacht welk lied hij in de volgende weken zou presenteren.

De kern van de kwestie was een ongelukkige  keuze van de Voetbalbond om zijn imago rond de WK-participatie van de Rode Duivels te verzilveren.  Met een track record van bevordering van fair-play, van acties tegen racisme of andere maatschappelijk verantwoorde items, was er veel ruimte voor een betere keuze. Zeker ook omdat de Voetbalbond wellicht, met de jeugdbewegingen, de grootste jongerenwerking van het land organiseert, met een inclusiviteit van personen met buitenlandse achtergrond die we in andere segmenten van de samenleving nog vrijwel nergens aantreffen.

Dat noopt bij alle beslissingen tot luciditeit en leiderschap, en dat ontbrak. Zelfs toen de eerste signalen kwamen, verviel men in bestuurlijke hardnekkigheid – zelden een passende reflex. De eigenaardigheid is dat de commerciële sponsoren van de Voetbalbond opstonden: zij wensten hun merken niet bij dergelijke polemiek betrokken te zien. En meteen was de zaak in de kortste tijd beklonken.

Dat spoort met de rol die commerciële bedrijven historisch al wel langer spelen. Ze lagen mee aan de grondslag van de eerste grote golf van ethiek in de journalistiek bij het begin van de twintigste eeuw in de Verenigde Staten, toen ze dreigden hun reclamecampagnes uit de schandaalkranten terug te trekken.

Het zijn vandaag, opnieuw, de grote adverteerders die zich beginnen te keren tegen Google en Facebook omdat ze te weinig optreden tegen scabreuze inhoud op hun platforms, en daarvoor de verantwoordelijkheid willen blijven ontlopen. Unilever dreigde er op 12 februari mee om al zijn budgetten terug te trekken als hun waardevolle merken nog langer bij dubieuze ongecontroleerde inhoud op de techplatformen zouden staan.

En Proximus, ABInbev en hun collega’s trokken nu de kar om de Voetbalbond tot een betere keuze te brengen. Weliswaar ook niet in november en niet zonder publieke commotie, maar het is hun interventie die ook hier nodig was om de voetbalmanagement uit zijn bizar maatschappelijk isolement te halen.

 

ook gepubliceerd op http://www.vrt.be/vrtnws

 

 

 

 

News is now the News: Roles and Responsibilities of Journalism in an Amazing Era

Dit is mijn emeritaatslezing aan de Universiteit van Antwerpen

van 26 februari 2018.

           News is now the news. For a long time, we didn’t care. Gentle criticism on editors, journalists and media was the overarching tone and the news was what it was: radio and print in the morning, television in the evening. Everything changed, and news is now around us as if it was the air that we breathe. News became the news, think about ‘fake news’ or ‘alternative facts’.

            Meanwhile, the two Flemish newspaper editors are the owners of most of the newspapers in the Netherlands.  Profitable media companies are an important protective factor for serious journalism. In that regard, the decline of commercial revenue, as a consequence of the agressive strategy of tech platforms, is an issue of great concern.

JOURNALISM

            Journalism plays a central role in society. That’s why we call it the fourth estate – suggesting that it is one of the building blocks of our societies, next to their basic institutions. Independent journalism is the biomarker of the condition of the fundamental fabric of society: democracy, rule of law and civil rights. That is an essential role that justifies to regard the journalistic performance critically.

We must not blame journalism or media for all the sins of the world. It is also unhelpful to cherish a nostalgic view, in the sense that journalism was better in the past. It wasn’t.

In my view, we have excellent journalism and other journalism at the same time. The divide is not between serious outlets and the rest, all have excellent journalism regularly and they all struggle with the difficulty to comply in a consistent manner with editorial standards.

All media suffer from the daily tsunamis of social media, tweets and clickbaits that  disorient newsrooms. Whilst social media steal a lot of advertising money from incumbent media, editors are under constant pressure to opt for speed and to adapt their news selection to what is ‘trending’ – risking to miss the rationales for an autonomous news selection,  and failing to apply the quality norms that their charters and solemn editorial messages suggest.

However, with all their flaws, I am still convinced that  ‘media are good for us’ – going against a trend that shows low levels of trust in journalism. We must applaud free media. But complacency that can inspire  editorial blindness is worrying, and we can’t afford it.

I would argue that an underestimated enemy of good journalism could be an internal one, the lack of ambition to excell, mediocrity in the newsroom, the conviction that performing on a “good enough”-basis will do. It won’t.

AMAZING ERA

We live in an amazing era. We live in one of the most prosperous regions of the world, peaceful for more than 70 years now, where I was educated with values and the foresight of more freedom, emancipation, prosperity and solidarity. It inspired a conviction of progress, of science, knowledge and civilisation, and a belief in the realisation of the pledges of the French Revolution: liberté, égalité, fraternité.

Where did we lose our talent for optimism, our belief in emancipation and progress, and our willingness to share with others what we, privileged kids of history, have? We talk of inclusive societies, but we have  difficulty to become one, now that we are confronted with real diversity in our country. The spirit of fairness and generosity that underscored my education, seems to weaken rather than to become stronger. The climate today is characterised to a considerable degree with fear and resentment, insult and innuendo, suspicion, selfishness and moral condemnation. More and more do identity-based claims clash without perspective, and societal divides seem here to stay. That is what I qualify as “amazing”.

It is unhelpful that the commanding states pulverized to administrative entities,  pale shadows of their former selves. For Belgium, we could refer to the institutional chaos of our country, the close-to-apartheid solution for our traditional language-based diversity and the appalling inefficacy  of too much of our institutions and public services.

For a significant part of the Western world, we seem stuck with  the confrontational character of public discourse, right- or left-extremist parties that attract large numbers of voters in many countries, states withdrawing from international treaties, and member-states of the European Union opposing its fundamentals with regard to rule of law and human rights.

That is in sharp contrast with the single most important event that I witnessed in my lifespan, the fall of the Berlin Wall on Nov. 9th, 1989. There were no reports of people fleeing from the West to the East.

And yet, many in the West hesitate and complain, and we are confronted with a sentiment of a sick society, whilst we live in countries that are not known for their autocratic regimes and that recognize freedom of expression at large. In terms of the reports of Freedom House, we are part of the priviliged 39% of the world’s population that lives in a democracy and the 13 % that lives in a state that does recognize freedom of the press.

Steven Pinker argues in his opus magnum “Enlightenment Now” that we are getting healthier, richer, safer and freeer, and we are becoming more literate, knowledgeable and smarter. I believe that Pinker is right in emphasizing that people are also fitted with a sense of sympathy, an ability to reflect on their predicament, and faculties to think up and share new ideas – the better angels of our nature, in the words of Abraham Lincoln.

This is the wisdom that I want to convey to the next generations. Whilst I terminate my tenure as a media law teacher at this university, it is my motive to remain active in other roles. It is the duty of the elites in society – academic and media elites, entrepreneurial and civil society-elites – and the duty of all citizens as well to raise the standards and to overcome fear, anger and resentment that stall inititiative and hamper progress for the benefit of all.

MEDIA LAW

            In 1831, the Belgian Constitution laid the foundations of the legislative, executive and judicial powers, as they were called, but it  came also with 3 provisions on the press, the fourth estate. It was a liberal example on the Continent and it worked well. It is remarkable that 187 years later we see that the Belgian Constitution of 1831 still stands, whereas the solemn Paris Déclaration des Droits de l’homme could not prevent that France had an unstable regime for more than 80 years after the French Revolution, with very repressive governments indeed. It is my conviction that the strong provisions on press freedom in the Belgian Constitution were substantial in order to ensure stability as well as incremental changes that are monumental if we look back.

There are always matters that can be improved: allow me to point to a nonsensical constitutional issue. Art. 25 of the Belgian Constitution reads: “La presse est libre”. Notwithstanding a constitutional provision on the freedom of languages, it was in french only until it was officially translated in 1967 (sic!). “La presse est libre” was translated : “De drukpers is vrij”… Printing Press is free.

I would argue that that is an incorrect translation, 37 years after the vote of our first Radio law, and 7 years after the vote of Belgium’s first television law. It leads to the oddity that the Belgian Constitution has 2 provisions with regard to printed press in 2018. In an intelligent manner, our courts and tribunals manage to judge all media cases, e-media included on that constitutional basis, but with a hesitation by our High Court – as if our founding fathers wanted a privileged status for the print industry, misrepresenting their promotion of media freedom.

DEMOCRACY

Since media are the 4th estate, allow me to briefly comment the other 3 estates. When queried when he left Independence Hall at the close of the Constitutional Convention in 1787, Benjamin Franklin is believed to have answered to a lady that asked what they had finally got, “A Republic, if you can keep it.” He referred to a deliberative democracy without a sovereign operating independently of the people.

With all its flaws, its difficulty to deliver and the clumsiness of its processes, the underlying liberty and the ambition to not start governing without or against the population are reflections of values that we must not underestimate. Liberty is the foundation on which it rests, and it is difficult to combine fundamental liberty of all with a robust governance model. However, there are no such things as “illiberal democracies” that adopt the form of democratic regimes, mimicing elections, but ruining the substance.

            And yes, Western democracies are imperfect, but perfectionism was tried in other regimes. The imperfections of free states are preferable in comparison with the pretended perfection of unfree regimes. Regimes based on the democratic canon create prosperity, and they combine stability with incremental but continuous change.

            Churchill famously said in the House of Commons in 1947 that “democracy is the worst form of Government except for all those other forms that have been tried from time to time”.

Nevertheless Peter Mair analysed “the hollowing of Western democracy”, as if it were easing away of its popular component in favour of political parties failing in their capacity to engage ordinary citizens. It made citizens change from participants to spectators. The result, Mair wrote, is the beginning of a form of democracy in which the citizens stay at home while the parties get on with governing.

Meanwhile, the dominant political parties of the  20th century were running out of steam whilst their visions were scrambled in the delivery programs of the welfare states, with  citizens focusing on their entitlements as consumers in the supermarket of their state of the 21st century – as if consumerism would validly replace their active role as citizens.

Unsurprisingly, these evolutions inspired the cry of despair of all sorts of identitarian groups that don’t feel involved in the political decision making and left behind because there is always a sentiment that their claims should be met more properly. We call it populism, and extremist parties left and right try to capitalize on that despair and attack the so-called elite, politicians and their institutions,  incumbent media and journalists included.

And so, the suggestion of Benjamin Franklin “A Republic, if you can keep it…” was prophetic. We underinvested in the discipline and self-restraint that is required to keep our valuable institutions in good shape, and this confronts us with growing impatience of identitarian groups, and the emptiness of a deflated public sphere.

FREE SPEECH AND MEDIA FREEDOM

 For lawyers, free speech comes with an inconvenient truth. In the wording of Eric Bahrendt,  the philosophical insight favours a free speech principle under which speech is entitled to a greater degree of immunity from regulation than other forms of conduct which cause similar harm or offence.

In general, lawyers tend to think that strong liability principles, a vibrant litigation that  enforces accountability, and regulation are the indispensable conditions to ensure that professions and sectors act in a professional manner. The 117.000 pages that the Belgian Offical Gazette published last year, prove  unconstrained belief in the benefits of regulation.

With free speech, we reverse the debate. We consider speech should be immunized from regulation, and government’s interventions are regarded with suspicion.  Free speech is the exclusive zone in society for which we accept that less regulation will lead to more excellence. It places a heavy burden on the shoulders of journalists. I would argue that the low levels of trust in journalism suggest that journalists underestimate how heavy the burden on their shoulders is.

            The importance of speech is based on different arguments, the first of which is individual delevopment and self-fulfilment. The right to express one’s opinions is linked to the intrinsic value that we attach to each individual person. Their development and self-fulfiment  leads to a consequential benefit for society, the presence of reflective and mature individuals – which brings us to the more consequential arguments for free speech.

THE ARGUMENT FROM CITIZEN’S PARTICIPATION IN DEMOCRACY – THE PUBLIC SPHERE

The argument from democracy refers to the importance of public discourse on matters of public interest. It is the cornerstone of liberal democracy, that is fuelled by fearless and open debate of facts, figures, beliefs and opinions that underscore good policies.

Justice Brandeis  wrote that “… that the greatest menace to freedom is an inert people.” His warning against “an inert people” is essential, and it refers to the deliberative character of modern democracy. That is  symbolised by the iconic opening sentence of the preamble to the US Constitution… “We, the people…”.

            Sunstein remembers that “We the People” came with a form of gatekeeping. Not a filtering of what people would see or hear, but a form of filtering by checks and balances, institutions that would filter popular desires so as to ensure policies that promote the public good. The new-invented republic for a great group of people would, in the words of James Madison, have… “to refine and enlarge public views, by passing them through the medium of a chosen body of citizens”. Representation would submit the public voice to checks and balances, and make it “…more consonant to the public good than if pronounced by the people themselves”.

            That refinement and enlargement offered a cautionary note, in the sense that all that could be said and expressed was to be brought together to coherence, consistency and reason – so as to ensure that what would emerge would be both reflective and well informed. At the same time, Sunstein continues, the founders placed a high premium on the idea of civic virtue, which required participants in politics  to act as citizens dedicated to something other than their own narrowly-conceived self-interest.

It is believed that better decisions are likely to emerge from uninhibited discussion than from a process regulated by an authority. That was the approach of Justice Holmes of the US Supreme Court in his famous dissenting opinion: “The ultimate good desired  is better reached by free trade in ideas, or… the competition of the market.”

“The ultimate good desired” refers to the wider societal context of  the public sphere. A good democratic order attempts to ensure informed and reflective decisions, based on open and intelligent public debate. Over the last years, with people enabled to publish their most individual thoughts and emotions, we were starting  to think that each snapshot of individual opinion or emotion  contributes to collective progress on equal foot. It doesn’t.

The underlying assumption is the hypothesis of a shared commitment to better decisions – that need to rest on a reliable factual basis. With that, it is also clear that free speech as an individual right on the one hand, and media freedom on the other hand, are rather different basic rights: the distinction should make editors and journalists more critical to their personal or private beliefs, because, as media professionals, they act with a purpose,  defined by what we expect from the fourth estate, and that is the common good.

Cass Sunstein formulated this role as the role of well established general-interest-intermediairies, that enable people that find themselves together in a country to gather in a single public space receiving and  discussing reliable reports on the issues of the day. That comes close to the case law of the ECHR that defines journalism as “the public wathdog of democracy”, it comes close to qualifying media as essential infrastructures of democracy, with systemic relevance indeed. More recently, the ECHR came up with a broader formulation, that of “living together”. The argument from “living together” refers to the framework of the set of values of an open and democratic society, or the minimum requirements of life in society. That is the provisional highlight of the consequential approach to freedom of expression: it serves a peculiar purpose in society, it is a function of the collective effort of “living together”, in Sunstein’s words, of the production of social glue.

That social glue rests on a societal canon, built by gremia that construct society’s framework, the truth that is accepted knowledge at a given moment, produced and under constant review by science, politics, justice, education, the arts and media.

Allow me to build in a caveat here. My focus here is the intellectual foundation of media freedom, but it is important for media to pay attention to a broad range of issues, as highlighted by Lord Leveson in his Executive Summary of the Leveson inquiry: “It is not necessary or appropriate for the press always to be pursuing serious stories for it to be working in the public interest. Some of its most important functions are to inform, educate and entertain and, when doing so, to be irreverent, unruly and opinionated. It adds a diversity of perspective. It explains complex concepts that matter in today’s world in language that can be understood by everyone. In no particular order, it covers sports, entertainment, fashion, culture, personal finance, property, TV and radio listings and many other topics. It provides help lines and advice; it supports its readers in a wide variety of ways. It provides diversion in the form of crosswords, games, and cartoons. In short, it is a very important part of our national culture”.

THE ARGUMENT FROM TRUTH : THE ART OF VERIFICATION

Kovach and Rosenstiel define truth as the first and the most confusing principle of journalism. It is good to realize that it is always under pressure of social context, timelines, influences and, I would add, the monstruous intellectual demolition industry of postmodernity that is overrepresented in newsrooms.

            They coined the notion of journalism as the discipline of verification. Without it, the public sphere becomes an arena solely for polarized debate, not for compromise, consensus and solution that are necessary for the potential of civil society to confront and solve problems. It is not a coincidence that the key elements of the scientific journalistic method are written in codes of conduct: “truthfulness, fair play, independence and respect for human dignity”, with all the implications these have for journalistic methods.

            At this point, it is interesting to note that media law internalized these elements completely. First of all,  in all the media judgments of the ECHR, it is now said that journalism must be in accordance with the ethical rules of the profession. For a lawyer it is interesting to see that soft law-principles are now part of the judicial assessment of media cases, as if they were binding legal rules. And secondly, the judicial assessment of journalistic products evolved from an assessment of the end result to an assessment of the quality of the editorial production process. The strict veracity of what was said, printed or broadcasted is no longer the decisive element in media litigation. Judges now evaluate the plausibility of the journalistic product on a given moment, in the light of the carefullness of the editorial production process, done in good faith and in accordance with the ethical principles of the profession.

THE ART OF ARGUMENTATION & CONVERSATION

It is well documented now that the unrestrained content of the tech platforms does  little to strengthen the “living together”, rather on the contrary: it megaphones unfiltered resentment, fear and identitarian claims that resonate in echochambers and deconstruct citizenship. I would argue that this is an excellent opportunity for journalism as the purveyor of validated content, and as the essential fluent navigator of democracy, the general interest-intermediaires coined by Cass Sunstein.

We need to focus on the essentials here. Castells was an early thinker on networking as the new normal in communication, and today there is a Silicon Valley-hype that is rarely contradicted and can be unpolished and a little uncritical, as in the title of Peter Hinsen’s book, “The network always wins”. That is certainly true if one regards their dominant economic position and the eventual abuse thereof, only slowly corrected now, sometimes by  European antitrust authorities, but also by advertisers that don’t want to see their brands any longer in connection with negative content. By the way, journalism ethics was introduced in the beginning of the 20th Century under the pressure of advertisers that soon found followers under the more intelligent owners of newspapers. Recently, one of the biggest advertisers repeated his position: “We will not invest in platforms or environments that do not protect our children, or which create division in society, and promote anger or hate.” Mind the opportunity for real media companies, that promote excellent journalism.

I would argue in favour of an additional dimension to the journalistic production process: the art of argumentation that regards the quality of the content. Whilst human beings, fortunately, act and react with emotions, the living together-ambition carries duties and responsibilities that presuppose reasoned judgment as well – in Kahnemann’s terms, our Slow Thinking or system 2, that refers to the cognitive part of our brain. It is about reflection as opposed to reaction, argument instead of emotion.

An important and irreplaceable role for journalism in the 21th Century is the promotion of  reason as an important modus operandi, in order to correct the spontaneous and emotional content that is easily megaphoned by the tech platforms filled by millions of individuals. The added value of excellent journalism is to analyze and contradict “the real or imaginary dictates of public feeling” – referred to by the ECHR in different judgments – that overwhelm social media, and pick up their role as general-interest-intermediairies in a democratic society, “since”, as the ECHR judged, “that society must remain reasonable in its judgment”. At the end of the day, democracy must lead to decisions and it is important that these make sense, are well funded and rest on a reasonable basis.

Journalism with a purpose  should inspire a sound basis for reasonable decisions and a public basis as well. In view of the essential role a free press fulfills in society,  that role is of an overwhelming importance for the future of our values and institutions. In that regard, the  agenda of editors is  an agenda of promoting the public sphere, of assisting people in their not-so-simple role as citizen.

Jonathan Haidt famously coined the image of the rider on the elephant: the rider on the back of the elepant is his  metaphor for our reflective brain, acting with controlled processes and reasoning – and the elephant is the metaphor for automatic quick moral emotions and intuïtive reactions. It is a reminder of Spinoza’s wisdom according to which he made a ceaseless effort not to ridicule, not to bewail, not to scorn human actions, but to understand them.

Journalism is in a unique position to strengthen its USP, rather than to weaken it. Journalism and, for that matter, academia, are the preferred professions that can heavily invest in the art of argumentation and art of conversation that society and citizens need badly. That is opposed to mediocrity, it requiers sharp selection criteria of what is really important, it leads to the creation of a constant stream of curated content, highly valuable insights, amidst a diversity of subjects from sports to entertainment. That is not a minor role or responsibiity, nor can it be cheap.

VALUABLE CONTENT

The production process of validated and valuable content is expensive. But in the connected age, analysed by Timothy Garton Ash, content is everywhere, and the illusion is that it is free. That makes more reach  easy, more weight  uncertain, and more income  unlikely. The paradox was summarized by Stewart Brand in 1984: “On the one hand information wants to be expensive, because it’s so valuable. The right information in the right place just changes your life. On the other hand, information wants to be free, because the cost of getting it out is getting lower and lower all the time. So you have these two fighting against each other”.

However, the zero-marginal-cost-world coined by Jeremy Rifkin doesn’t exists  for the creative sectors. In his cry from the heart “Free Ride” of 2011, Robert Levine reacted against the destructive impact it could have on culture businesses. In a blunt manner, Levine added: “the information that wants to be free is almost always the information that belongs to someone else”.

In his iconic analysis World without Mind, Franklin Foer warned against the dismantling of the structures that protected our ideas of authorship by the tech platforms that pursue a business plan that radically deflates the value of knowledge.

It’s a confronting idea in a knowledge economy; for journalism it can imply that there is now a business model in the hands of global corporations in dominant positions that disrespects the investment in the expensive validation process that precedes the publication of serious journalism. That is a challenge for modern media companies, and one that inspires great uncertainty. Owners and editors need to clear their minds and set their ambitions right.

However, we may need a little more here. We have laws on abuse of dominant positions in the economic field, essentially in an effort to protect consumers and the level playing field in economy. But we don’t have laws on abuse of dominant positions in the democratic field. What if dominant communicative positions, or rather their abuse, would influence a healthy public discourse on matters of public interest in an irrepairable way? This is where regulation may be necessary in order to prevent collapse of democratic institutions.

NEWS, POST TRUTH, FAKE NEWS…

            Recently, we see a lot of discussion on so-called post-truth – that is why news is so much the news now. Semantically, the notion of post-truth suggests that the post-truth era we live in was preceded by a truth-era. Reality is probably  a little bit more modest.

“C’est du choc des idées que jaillit la lumière”: the belief is that false beliefs will be corrected by better beliefs, and that the free expression of both will inspire deeper insight. False, inappropriate, extreme, radical, disturbing, offending or shocking speech can be protected, and it will be protected in most cases. It must not be forbidden but corrected.

If that is true, fake news is less important, because editorial intelligence should be able to detect falsity and capable to bring in better beliefs that correct the false ones. Bad speech is not per se unprotected speech. But free speech implies that bad speech is corrected by more speech, not by less speech, that is the basic lesson from the Enlightenment, and it is the legal doctrine as well.

NEWS SELECTION

            I would like to make a final remark with regard to the journalistic production process, after the art of verification, the art of argumentation, and the art of conversation. News values research highlights that editors rely on a relatively stable set of news criteria: sudden events, elements out of the ordinary and bad news are newswhorty;  simple events, action events and stories with conflict are often selected.

            I would argue that there is room for sharper news selection. What if the important issues evolved more like flows – take the really important things for modern societies, such as the creation of wealth and prosperity, the redistribution of equal opportunities in society, the provision of healthcare or the difficult process of integration?

With news criteria that focus on the incidents, newsrooms tend to miss the most important evolutions, because their selection would dominantly be directed to the hick ups. That could be one of the elements that fuel the impression that politicians are constantly in serious crisis and that societies keep sinking. Look at the pages and minutes that news bulletins devote to the “Wetstraat”, as if it rules the world, and at the attention for all the pony-and-dog-shows of elected officials, their tweets not excluded. Pinker argues that there will always be enough incidents and bad things that are thought to deserve attention. As a result, the nature of news is likely to distort the people’s view of the world because of the mental bug described by Kahnemann called “the availability heuristic”: people will overestimate the atypical selection of news reports and forget the bigger trends of society that weren’t withheld in the news selection. With dated selection criteria, media are out of sync with reality, Pinker argues, and he adds that it is unhelpful that they tend to report the news as live sports commentators.

The repetition of incidents and bad things creates the impression that the societal fabric is on fire and that the political world has no control whatsoever. It discourages people to engage as active citizens in an environment is depicted as hopeless and negative.

That would be the opposite of the purpose that underpins media freedom. So, I would, finally, argue that media are good for us, but that it would not be wrong to review editorial selection criteria – now that all the other paradigma’s of journalism and its business environment have changed.

CLOSING REMARKS

            With that I conclude my attempt to define the roles and responsibilites of journalism in the 21st Century, of the fourth estate as essential in the living together that we have to re-invent. The recalibration of vital, multidiverse and active democracies depends to a large extent on serious journalism. But that journalism will not have to act in an isolated manner. It will act in a shared commitment to a better environment for the next generations with all of us, citizens, politicians, civil society, academia and journalists.

Let us indeed dream, and not only dream, but … realize “the impossible dream”.

Thank You.

BIBLIOGRAPHY

 

George A. AKERLOF & Robert J. SHILLER, Phising for Phools. The Economics of Manipulation and Deception, 2015;

Kwame Anthony APPIAH, The Honour Code. How moral evolutions do happen, 2010;

Eric BAHRENDT, Freedom of Speech, 2005;

Eric BAHRENDT et al., Media Law: Text, Cases and Materials, 2014;

James BALL, Post-Truth. How bullshit conquered the world, 2017;

Zygmunt BAUMANN, Does ethics have a chance ina world of consumers? 2008;

Zygmunt BAUMANN, Liquid Modernity, 2011;

Alan BEATTIE, False Economy. A surprising Economic History of the World, 2009;

Tom BINGHAM, The Rule of Law, 2010;

Jeremy BLACK, The Power of Knowledge. How information & Technology made the modern world, 2014;

Pablo BOCZKOWSKI & Eugenia MITCHELSTEIN, The News Gap. When the Information Preference of the Media and the Public Diverge, 2013;

George BROCK, Out of Print. Newspapers, Journalism and the Business of News in the Digital Age, 2013;

Erik BRYNJOLFSSON, Andrew Mc AFEE, The Second Machine Age. Work, Progress and Prosperity in a time of brilliant Technologies, 2014;

Nicolas CARR, The Shallows. What the Internet is doing to our Brains, 2011;

Nicholas CARR, Utopia is Creepy and Other Provocations, 2016;

Manuel CASTELLS, Communication Power, 2009;

Manuel CASTELLS, Networks of Outrage and Hope, 2012;

Nick DAVIES, Flat Earth News, 2009;

Nick DAVIES, Hack Attack. How the Truth caught up with Murdoch, 2014;

Marc De Vos, Les Vertus de l’Inégalité, 2017;

Egbert DOMMERING, Het Verschil van Mening. Geschiedenis van een Verkeerd Begrepen Idee, 2016;

Niall FERGUSON, The Square and the Tower. Networks, Hierarchies and the Struggle for Global Power, 2017;

Franklin FOER, World without Mind. The existential threath of Big Tech, 2017;

Thomas L. FRIEDMAN, Thank you for being late. An optimist’s guide to thriving in the Age of Accelerations, 2016;

Frank FUREDI, On Tolerance. A defence of Moral Independence, 2011;

Frank FUREDI, Authority, 2013;

Judit E. GLASER, Conversational Intelligence. How Great Leaders Build Trust and Get Extraordinary Results, 2013;

Ben GOLDACRE, Bad Science, 2008;

Ben GOLDACRE, I think you’ll find it’s a bit more complicated than that, 2014;

Anthony GOTTLIEB, The dream of Enlightenment. The Rise of Modern Philosophy, 2016;

A.C. GRAYLING, The Age of Genius. The 17th Century & the Birth of the Modern Mind, 2016;

Jonathan HAIDT, The Righteous Mind. Why good people are divided by politics and religion, 2012;

Mark HELPRIN, Digital barbarism. A Writer’s manifesto, 2009;

Peter HINSSEN, The Network Always Wins. How to survive in the age uf Uncertainty, 2014;

Stéphane HOEBEKE, La Liberte d’Expression. Pour Qui? Pour Quoi? Jusqu’où? 2015;

Mick HUME, There is no such thing as a Free Press… and we need one more than ever, 2012;

Samuel P. HUNTINGTON, Who are we? The challenges to America’s National Identity, 2005;

Aaron HURST, The Purpose Economy. How your desire for Impact, Personal Growth and Community is changing the World, 2014;

John D. INAZU, Confident Pluralism. Surviving and Thriving through Deep Difference, 2016;

Jonathan I. ISRAEL, Democratic Enlightenment. Philosopy, Revolution and Human Rights,  2012;

Daniel KAHNEMANN, Thinking, Fast and Slow, 2011;

Robert L. KEEBLE & John MAIR, The phone hacking scandal. Journalism on Trial, 2012;

Andrew KEEN, The Cult of the Amateur. How today’s internet is killing our Culture, 2008;

Ruud KOOPMANS e.a., Contested Citizenship. Immigration and Cultural Diversity in Europe, 2005;

Bill KOVACH & Tom ROSENSTIEL, The Elements of Journalism. What Newspeople should Know and the Public should Expect, 2001;

Sabine LANG, NGO’s, Civil Society and the Public Sphere, 2013;

Robert LEVINE, Free Ride. How the Internet is Destroying the Culture Business, and How the Culture Business can Fight Back, 2011;

Daniel LEVITIN, Weaponized Lies: how tot hink critically in the post-truth era, 2016;

Anthony LEWIS, Freedom fort he Thought that we hate. A Biography of the First Amendment, 2007;

Christian MADSBJERG, Sensemaking. What makes Human Intelligence essential in the Age of the Algorithm, 2017;

Peter MAIR, Ruling the Void. The Hollowing of Western Democracy, 2013;

Raoul MARTINEZ, Creating Freedom. Power, Control and the Fight for our Future, 2017;

John MICKLETWAITH & Adrian WOOLDRIDGE, The Fourth Revolution. The global race to reinvent the State, 2014;

Pankaj MISHRA, Age of Anger. A history of the Present, 2017;

George MONBIOT, Out of the Wreckage. A new politics for an Age of Crisis, 2017;

Susan NEIMAN, Moral Clarity. A Guide for Grown-up Idealists, 2009;

Nick NEWMAN et al., Reuters Institute Digital News Report 2017

Gavin NEWSOM, Citizenville. How to thake the Town square digital and reinvent Government, 2013;

Martha NUSSBAUM, Creating Capabilities. The Human Development Approach, 2011;

Martha NUSSBAUM, Political Emotions. Why Love Matters for Justice, 2013;

Martha NUSSBAUM, Anger and Forgiveness: Resentment, Generosity, Justice, 2016;

Mark PAGEL, Wired for Culture. The Natural History of Human Cooperation, 2012;

Roger PARRY, The Ascent of Media. Fro Gilgamesh to Google via Gutenberg, 2011;

Andrew PETTEGREE, The Invention of News. How the World came to know about itself, 2014;

PEW RESEARCH CENTER, Project for Excellence in Journalism, The State of the News Media, 2017;

Steven PINKER, Enlightenment Now. The case for Reason, Science, Humanism and Progress, 2018;

William POUNDSTONE, Head in the Cloud. Dispatches from a Post-fact World, 2017;

Anne-Cathérine RASSON et al., Six Figures de la Liberté d’Expression, 2015;

Jonathan RAUCH, Kindly Inquisitors. The new Attacks an Free Thought, 1993;

Jeremy RIFKIN, The Empathic Society. The Race to Global Consciousness in a World in Crisis, 2009;

Jeremy RIFKIN, The Zero Marginal Cost Society. The Internet of Things, the Collaboratove Commons, and the Eclipse of Capitalism, 2014;

David RUNCIMAN, The Confidence Trap. A History of Democracy in Crisis from World War I to the Present, 2013;

Michael J. SANDEL, Justice. What’s the Right Thing to do? 2009;

John Ralston SAUL, On Equilibrium. Six Qualities of the New Humanism, 2004;

Michael SCHUDSON, Why Democracies nee dan Unlovable Press, 2012;

Charles SEIFE, Virtual Unreality, Just because the Internet told you, How do you know it’s true? 2014;

Amartya SEN, The Idea of Justice, 2009;

Stephen B. SHEPARD, Deadlines and Disruption. My Turbulent Path from Print to Digital, 2013;

Charles SLACK, Liberty’s First Crisis. Adams, Jefferson and the Misfits who saved Free Speech, 2015;

Tom STANDAGE, Writing on the Wall. Social Media: the first 2000 years, 2013;

Cass SUNSTEIN, #republic. Divided Democracy in the age of Social Media, 2017;

Jonathan TEPPERMAN, The Fix. How nations survive and thrive in a World of Decline, 2016;

Jean TIROLE, Economie du Bien Commun, 2016;

Steven VAN BELLEGHEM, The Conversation Company, 2012;

Stephen J.A. WARD, The Invention of Journalism Ethics. The Path to Objectivity and Beyond, 2004;

Christian WELZEL, Freedom Rising. Human Empowerment and the Quest for Emancipation, 2013;

Betty H. WINFIELD, Journalism 1908, Birth of a Profession, 2008;

Philip R. WOOD, The Fall of the Priests and the Rise of the Lawyers, 2016;

Tim WU, The Attention Merchants. The Epic struggle to get Inside our Heads, 2016.