Democratische Vernieuwing en Burgerschap

INLEIDING

De Commissie voor de Democratische vernieuwing en Burgerschap van de Senaat wenst “een informatieverslag op te stellen betreffende de noodzaak om ons democratisch systeem te moderniseren door de representatieve democratie aan te vullen met meer burgerparticipatie in de besluitvorming op de verschillende bevoegdheidsniveaus alsook in de samenleving” [i].

Op dit ogenblik wenst de Commissie via hoorzittingen met diverse experten meer inzicht te verkrijgen in de materie. U verwacht van ons om ons uit te spreken over “de huidige toestand van de democratie”, met name een overzicht van de factoren die een modernisering van het huidige democratische systeem noodzakelijk maken. Die factoren kunnen slaan op diverse elementen, zoals de werking, knelpunten, lacunes in het huidige systeem.

Ze kunnen leiden tot aanbevelingen.

Uw Commissie heeft de volgende subthema’s gesuggereerd :

  1. Wat is de huidige situatie van de democratie ?
  2. Wat zijn de oorzaken van de kloof tussen volksvertegenwoordigers en vertegenwoordigden ?
  3. Welke rol spelen de media?
  4. Welke rol vervult de digitalisering ?

Uw Commissie vertrekt van de noodzaak om de representatieve democratie, die disfunctioneert, aan te vullen met burgerparticipatie. Burgers werden te veel toeschouwers, hetgeen blijkt uit hun lage opkomst bij verkiezingen, een laag vertrouwen, de daling van partijlidmaatschappen en de toename van protest tegen beslissingen.

 

Impliciet rust de suggestie op de ernst van het probleem aan de input-zijdevan het democratisch proces in een representatief regime. Men kan daar de vraag tegenover plaatsen of het probleem zich niet eerder aan de output-zijdevan het democratisch proces bevindt, zelfs als er aan de input-zijde verbeteringen zouden mogelijk zijn.

XXX

Itinera is een onafhankelijke denktank, opgericht door ondernemers en academici. Ze wordt integraal privaat gefinancierd door ondernemingen, ondernemers en families, die totale intellectuele onafhankelijkheid garanderen. De zorg van de ondernemers, families en academici die in 2006 het initiatief namen, was de vraag of België, en zijn verschillende beleidsniveaus,  aan de toekomstige generaties de welvaart kon garanderen die de naoorlogse generaties kenden.

Itinera maakt wetenschappelijk onderbouwde analyses – de zgn. “facts & figures”– van de grote maatschappelijke dossiers, en verbindt daaraan aanbevelingen met het oog op beter bestuur in België. Het hanteert daarbij een visie op iets langere termijn van ong. 10 jaar.

Itinera vertrekt van het belang van de waardecreatie in België, en de dominante verantwoordelijkheid die ondernemers en ondernemingen daarin hebben, bepleit een inclusieve samenleving waar eenieder bijhoort, en actief burgerschap van burgers in die samenleving.

Itinera let voortdurend op de rol van vier actoren in de samenleving: ondernemingen, overheden, middenveld, burgers. Elk van die actoren dient zijn rol positief te spelen, eigen verantwoordelijkheid te nemen, zich te focussen op kerntaken en zijn acties te richten op welvaartscreatie en –herverdeling op de langere termijn, op sociaal correcte en duurzame wijze. Algemeen belang primeert altijd op bijzondere belangen.

Samengevat is de actie van Itinera altijd gericht op de bevordering van goed bestuurop alle beleidsniveaus in het land. Itinera zal derhalve de vragen van uw commissie behandelen door de invalshoek van goed bestuur.

In deze nota kijken we naar de problematiek van het democratisch proces.

DE SITUATIE VAN DE DEMOCRATIE: NAAR POST-DEMOCRATIE ?

Recent heeft de Franse filosoof Tavoillot gewaarschuwd voor de neergang van democratie, of zelfs voor een post-democratisch tijdperk [ii]. Er zijn, aldus Tavoillot, een drietal oorzaken aan te wijzen voor de hedendaagse teleurstelling over de representatieve democratie: ze lijdt, vooreerst, onder een vreselijke crisis van de representatie, vervolgens, onder een ernstige publieke machteloosheid, en, tenslotte, een diep aangevoeld gebrek aan zingeving.

Dat betekent het volgende :

  • we zijn de mensen, het volk, dat ten grondslag ligt aan de representatieve democratie, voor een stuk verloren;
  • eveneens kunnen we niet meer rekenen op de regering wiens taak het is om de democratie te onderhouden;
  • en we zijn de horizon kwijtgeraakt, het vooruitizcht of het perspectief, dat in een democratie richtinggevend moet zijn.

Wat we hebben aanzien als verworven vooruitgang – de democratie – is in werkelijkheid, aldus Tavoillot, een duizelingwekkende werf geworden. We zweven tussen de nachtmerrie van de publieke machteloosheid en het spook van autoritarisme, en we staan voor de opdracht om de vrijheid van de burgers opnieuw te verzoenen met de efficiëntie van de machtsuitoefening.

Hij pleit voor de kunst om ons te laten besturen, en noemt dit het geheim van vrijwillige gehoorzaamheid,  “une obéissance volontaire” : ”I’art de gouverner est surtout un art d’être gouverné”.

Zijn stelling lijkt te bevestigen dat de gebrekkige steun voor de politiek veroorzaakt is door de falende output van het democratisch procesin een representatieve context. Men haakt af omdat regeringen geen perspectief meer representeren, geen zingeving weten op te bouwen, noch de samenleving weten te begeesteren.

Tevens is wat men ziet en hoort van het democratisch proces weinig geloofwaardig, en geeft het allerminst de indruk dat de politiek bezig is met de vraagstukken van de burgers, en waarvoor het bij verkiezingen mogelijk zelfs aangenomen had dat de kandidaten er zich bewust van waren en er werk van zouden maken[iii].

 

Burgers hebben vooral nood aan perspectief dat politiek ook concrete zaken realiseert. We kunnen onderscheid maken tussen beleid (‘policy’) en politiek (‘politics’). Beleid voeren impliceert het opstellen van doelstellingen op zo’n manier dan de bevolking ook weet wat het project is, wat de grote assen zijn die men wil realiseren. Vervolgens hoort bij onderbouwd beleid ook een evaluatie ex post van de resultaten. Essentieel is dat uit zo’n evaluatie ook conclusies getrokken worden door beleid zo nodig bij te sturen. De politiek kan enorm aan geloofwaardigheid winnen door beleid veel meer te onderbouwen.

HET BELANG VAN WAARDEN EN INSTITUTIES

Burgers hebben een omgeving nodig die hen kadert en beschermt. Onze zgn. “waarden en instituties” spelen die rol: ze stellen samenlevingen in staat stellen om belangrijke economische activiteit te ontwikkelen op lange termijn, en welvaart te creëren[iv]. Dat gaat van waarden zoals rechtszekerheid, en de wettelijke erkenning van de rechtswaarde van contracten, over individuele vrijheden – waaronder de vrijheid van handel en nijverheid[v], of nog, gelijkheid en goed bestuur.

 

Dat gaat ook over de rechten en vrijheden in het algemeen, en de vrijheid van mening en van meningsuiting in het bijzonder, die  van belang is omdat zonder die vrijheden de vaststelling en publicatie van accurate feiten en waardevolle opinies niet mogelijk is. De “free trade in ideas”, ook gekend als “the marketplace of ideas”,drukt de kracht uit van ideeën die sterk genoeg moeten zijn om overeind te blijven in een open concurrentie van verschillende ideeën.

Diezelfde vrijheden borgen ook de mogelijkheid tot ontwikkeling en zelf-ontplooiing van individuen, die ook nodig is als grondslag voor actief burgerschap in een democratische samenleving, en zijn ook de grondslag van toezicht en controle op het handelen van overheden.[vi]

We doen te weinig om onze waarden in instituties tot leven te brengen in de samenleving, zowel in het onderwijs als in het publiek debat. Democratie is moeilijk en houdt imperfecties in, de vermeende perfectie doet zich slechts voor in autoritaire regimes en dictaturen. Maar democratie moet constant uitgelegd worden. Voornamelijk omdat vrijheid en rechtsstaat optimistische idealen zijn, gehinderd door menselijke gebreken en maatschappelijke obstakels. De fundamentele keuze is om het risico van de vrijheid te verkiezen boven het risico en de imperfectie van de onvrijheid[vii]. Dat vergt voortdurend toelichting en samenlevings-wijsheid, burgereducatie en open dialoog… en daarin zijn we niet sterk…

Dit brengt ons bij een doorslaggevend element van het democratisch proces: de noodzaak om verantwoordingaf te leggen over doen en laten, en het kernbegrip van politieke verantwoordelijkheid. Die beide elementen zijn verregaand geërodeerd.

Het is niet overdreven om te stellen dat ze zijn opgegaan in procedures zonder gevolg. De jaarboeken van het Rekenhof – in de volksmond gekend als “blunderboek” – leiden nauwelijks tot debat en zichtbare wanprestaties – elk van u kan zich hierbij een serie van zaken voor de geest halen – blijven in de regel zelfs zonder gevolg.

CHAOS DOOR SOCIAL MEDIA?

Social media spelen een rol, zoals uw bevraging terecht stelt. McLuhan leerde dat, naast media-inhoud, voornamelijk de invloed van media op sociale relaties van belang is[viii]. Dat is sedertdien wel gebleken, doch niet zozeer met de nu bijna idyllisch klinkende betekenis die McLuhan aan nieuwe mediavormen leek toe te schrijven :

“In the mid-1960s, Canadian cultural scholar Marshall McLuhan (1964) wrote that, with the rise of electronic media, “we have extended our central nervous system itself in a global embrace. McLuhan belíeved that the rise of electronic media marked a new phase in human history. For the first time, physical distance was no longer a barrier, and instantaneous mass communication across the globe was possible. The result was McLuhan’s notion of “global village”, in which the people of the world would be brought closer together as they made their voices heard. Such an information environment, according to McLuhan, “compels commitment and participation. We have become irrevocably involved with, and responsible for, each other[ix].

 

Integendeel, vandaag, na de opkomst van audiovisuele communicatie, en met de zgn. sociale mediaplatformen, spreken we van …

an overheated political climatethat appears increasingly unstable, riven with místrust and mutual intolerance, fuelled by wild accusatíons and online bullying, a dialogue of the deaf drowning each other out with noise. (…)

Democracy is starting to look unhinged”, aldus David Runciman[x].

We moeten beseffen dat (de  algoritmen van de) “social media” marketínginstrumenten zijn. Ze profileren de gebruikers van zgn. “gratis” diensten op basis van alle data die ze van hen “stelen” door hun surfgedrag voortdurend te bespieden en data te collecteren. ln de marketing verhoogt dat aanzienlijk de efficiëntie. Immers, gebruikers van “social media” worden integraal geprofileerd: “social media” capteren àlle data van gebruikers op basis van de inhoud van mails, de sites die worden bezocht en de duur die  er wordt besteed, de “Iikes” en “friends” of duimpjes die uitgedeeld worden, enz. Dat laat toe om advertenties zeer specifiek op potentieel geïnteresseerde gebruikers te richten . Op die wijze komen gemakkelijker transacties tot stand, wat deadverteerders helpt. En consumenten worden minder geplaagd met reclame-aanbiedingen voor producten en diensten waarvoor ze geen belangstelling hebben.

Het belangrijkste is dat personen er herleid worden tot een data-profiel, en daarmee worden geïdentificeerd. Dat is – té beknopt samengevat – wat algoritmen doen, en Al kan daar een boost opzetten. Algoritmen en  Al kunnen tot enorme maatschappelijke en persoonlijke voordelen leiden – we staan nog maar aan het begin van die evolutie[xi].

Dit marketingmodel, op basis waarvan de “social media” functioneren, heeft evenwel

desastreuze effecten voor het democratisch proces. Het bevordert niét de uitwisseling van

zinvolle opinies, stimuleert geen redelijke tegenspraak, voedt het publiek debat niét met

gevalideerde content, bevordert zingeving niet, en inspireert noch vertrouwen noch

verbondenheid. Dit zijn nochtans de noodzakelijke basiskenmerken van een democratische

samenleving die steunt op actief burgerschap: zonder die kenmerken en fundering verdampt de democratische samenleving en komt democratie in problemen.

Zover zijn we.

Het marketinginstrument is inmiddels verderdoorgeslagen naar inhoud. Niet alleen is het actief ten aanzien van de efficiëntie van advertenties en hun bereik, maar het werkt ook door op de inhoud die iemand via “social media” opzoekt. Zo stellen die tech-platformen steeds meer inhoud voor van het type dat iemand opzoekt, en op die wijze creëert men zgn. “bubbels” van gelijkgestemden.

Personen worden op die manier, langzaam maar zeker, opgesloten in een cirkel van

dezelfde inhoud, van het eigen gelijk en de voortdurende bevestiging. De kritische bevraging

van opinies en ideeën wordt marginaal of verdwijnt, en de illusie van het eigen groot gelijk

wordt gevoed. Naarmate steeds meer extreme inhoud via de tech-platformen wordt

verspreid, neemt de radicalisering en polarisering toe, en neemt de kritische attitude ten

aanzien van informatie af. Hoewel de tech-platformen ons informatief bereik aanzienlijk

hebben vergroot, vergt het steeds meer alerte gebruikers, indien men wil voorkomen dat

opiniëring verarmt en verdamptl[xii].

Zo verwierven Al en algoritmen ook een vernietigende invloed op het publiek debat,

dat ten grondslag ligt aan een democratische rechtsstaat. Het is net op basis van de open

uitwisseling van ideeën dat een democratische samenleving kan bestaan.

Freedom House sluit zijn laatstejaarverslag over “social media” in 2019 af met de titel “The Crisis of Social Media”[xiii]. lnternetvrijheid, aldus Freedom House, wordt steeds meer bedreigd door de instrumenten en tactieken van digitaal autoritarisme, die zich snel over de hele wereld hebben verspreid. Repressieve regimes, verkozen leiders met autoritaire ambities en gewetenloze partijdige functionarissen hebben de niet-gereguleerde ruimtes van sociale mediaplatforms geëxploiteerd en omgezet in instrumenten voor politieke distorsie en maatschappelijke controle.

Hoewel “social media” soms hebben gediend als een gelijk speelveld voor

maatschappelijke discussie, neigen ze nu gevaarlijk naar “ílliberalisme[xiv]”, waardoor burgers

worden blootgesteld aan een ongekend hardhandig optreden tegen hun fundamentele

vrijheden. Bovendien zet een verbazingwekkende verscheidenheid van overheden

geavanceerde hulpmiddelen in om gebruikers op een enorme schaal te identificeren en te

volgen.

POORTWACHTERS EN ECHOKAMERS

Yascha Mounk wees er op dat techno-optimisten vooral veel heil zagen in de nieuwe

media. Die zouden burgers in staat stellen om zelf verslag uit te brengen over nieuws, misbruiken aan de kaak te stellen, vrije opinies te verspreiden, overheidshandelen op te volgen en burgerparticipatie te bevorderen. Men verwees naar evoluties van Malaysia over de Filippijnen tot China en de zgn. “Arabische lente”, waar kogels werden beantwoord met

tweets[xv]. De voorbeelden inspireren toch eerder twijfel, omdat de democratische winst in de genoemde landen beperkter is dan men aanvankelijk dacht.

Er zijn ook stemmen, zoals Mozorov[xvi]of, Cass Sunstein[xvii]die voorzichtiger argumenteren. Vrijheid, aldus Sunstein, veronderstelt de mogelijkheid om zijn leven vrij in te richten, richting te geven zoals men dat zelf ziet.

Mensen hebben er behoefte aan om te zien hoe ze hun toekomst kunnen tot stand brengen.Als ze dat niet kunnen zien, voelen ze zich te beperkt in hun mogelijkheden en riskeren ze af te haken. En het internet desoriënteert mogelijk meer dan het oriënteert: internetgebruikers kunnen zelf hun informatiebronnen selecteren – of ze denken toch dat te doen – maar zo ontstaan de fameuze “bubbles” of “echokamers” tussen gelijkgestemden[xviii].

Paradoxaal genoeg is het dus mogelijk dat het toegenomen gemak van communicatie met iedereen ter wereld toch leidt tot veel minder communicatie over de meest opvallende sociale en politieke verschilpunten.

Yascha Mounk wijst er op dat de sociale media voornamelijk de poortwachters (“gatekeepers”)van communicatie hebben weggenomen. Voor er “social media” waren, bewaakten overheden en grote mediabedrijven meer een soort van “standaard van aanvaardbaar publiek debat”. ln een goede democratie stond op die manier een grote rem op zaken zoals puur racistische inhoud, samenzweringstheorieën en patente leugens; zo werd de liberale democratie gestabiliseerd. Onder autocratisch bewind perken poortwachters daarentegen mogelijke kritiek op de dictator ` in, en wordt democratisering net tegengewerkt[xix].

ln hun boek “Digital Transformation” hadden Caudron en Van Peteghem dergelijke stelling al eerder uitgewerkt[xx].

WAAKT “THE PUBLIC WATCHDOG OF DEMOCRACY” NOG VOLDOENDE ?

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens herhaalt voortdurend dat expressievrijheid één van de essentiële fundamenten is van een democratische samenleving, en één van de basisvoorwaarden voor haar vooruitgang en voor de zelfontplooiing van elk individu. Ze beschermt zowel informatie en opinies die men gunstig beoordeelt of met onverschilligheid bejegent, als degene die ons choqueren, verontrusten of zelfs beledigen. Dat wordt immers gevergd door pluralisme, verdraagzaamheid en ruimdenkendheid, zonder dewelke er geen democratische samenleving denkbaar is[xxi].

In het bijzonder wat de rol van pers en media betreft in een democratische samenleving, wijst het Hof er voortdurend op dat zij zeker wel bepaalde grenzen moetenrespecteren, o.m. de vrijwaring van andermans eer en goede naam of privacy, doch dat hettoch hun essentiële plicht is om, op een wijze die verenigbaar is met haar essentiële plichtenen verantwoordelijkheden, informatie en ideeën te verspreiden over alle maatschappelijkeaangelegenheden van algemeen belang[xxii]. Het blijft in het belang van een democratische samenleving om een vrije pers in staat te stellen om haar vitale rol van“public watchdog of democracy” uit te oefenen, door haar mogelijkheden te vrijwaren om vrij over alle maatschappelijke zaken van algemeen belang te kunnen publiceren.

Het is essentieel om de bovenstaande beginselen altijd voor ogen te houden. Wanneer we de rol van informatie- en expressievrijheid in en voor een democratische samenleving onderzoeken: dit zijn de standaarden – ook ten aanzien van die informatie die bewerkt zou zijn met Al en algoritmen. We moeten voor ogen houden dat het daarbij gaat over digitale technieken – essentieel zelfs marketingtechnieken – die inhouden dat ze kunnen worden ingezet voor manipulatie.

Bij ons wezen Caudron en Van Peteghem wezen er al eerder op dat digitale transformatie op informatief vlak, een neiging stimuleert naar minder “content” of kwaliteit.

Summiere informatie, “headIines” of korte “reviews” volstaan :

“We judge by new criteria: short reviews, comments, recommendotions, and ratings. Often it becomes very difficult to differentiate on quality content. Many of the paid-for models of online newspapers are based on “quality behind the paywal”. The problem with this is that most people settle for the quantity before the paywall. lt they get the summary, the headlines, the conclusions, that often is enough. Good is good enough.”[xxiii]

Het is zelfs de vraag of gewone moderne journalistiek eigenlijk nog wel voldoende kwalitatief en kritisch is voor wat moderne democratische samenlevingen, met een zekere graad van complexiteit, nodig hebben. Rolf Dobelli publiceerde al in 2010 zijn zeer kritisch pamflet over journalistiek[xxiv]. Het is zopas als boek uitgegeven, met dezelfde inhoud. Journalistiek, aldus Dobelli is irrelevant geworden, de focus ligt te veel op onbenulligheden, en de zaken die ertoe doen worden niet echt behandeld. Een mens functioneert, aldus Dobelli, beter als hij zijn geest niét vergiftigt met al die gepubliceerde en uitgezonden rommel, verkeerde selectieen oppervlakkige analysen.[xxv]

Steven Pinker herinnerde in dit verband aan de povere selectiecriteria van nieuws en journalistiek in het algemeen. Ze dateren van de 60’er jaren en bevoordelen berichtgeving over abnormale, spectaculaire en negatieve zaken; zo ontstaat wat Pinker noemt “progressophobia”,de angst voor vooruitgang. Vooruitgang doet zich eerder geleidelijk voor

en relatief lineair; zelden is ze echt spectaculair. Met de aandacht gericht op negativiteit en,

dus, ook eerder op mislukkingen dan successen, doet men mensen denken dat vroeger alles

beter was, dat de toekomst er somber uitziet en dat we alleen nog achteruit kunnen gaan en aan onze kinderen een slechter perspectief kunnen bieden dan we zelf kenden. Er waren zelden zo veel en zo vaak gereproduceerde apocalyptische geluiden als vandaag[xxvi].

“LlVlNG TOGETHER”, “VIVRE ENSEMBLE”, “SAMEN-LEVEN”

Zodra omstreden zaken van maatschappelijk belang aan de orde zijn die tot polarisering leiden, zijn de fundamenten van de samenleving in het geding. Dan is het van het grootste belang dat overheden maatschappelijke keuzen maken. Overheden moeten dan echt op hun strepen staan in verband met de basisregels van sociale communicatie, en de eisen van “vivre ensemble”.Overheden moeten de beginselen van interactie tussen individuen beschermen, want die zijn essentieel is voor waarden zoals pluralisme, tolerantie en ruimdenkendheid, zonder dewelke er geen democratische samenleving is.

Dààr ligt een echte kerntaak voor overheden, en een fundamentele zorg in onze moderne democratie. Uiteraard moeten zulke keuzen gemaakt worden binnen het kader van het Mensenrechtenverdrag. Dat kwam goed aan bod in een arrest van 1 juli 2014 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende het zgn. “boerkaverbod” in

Frankrijk[xxvii], en wel in de volgende bewoordingen:

  • 153. Furthermore, admittedly, as the applicant painted out, by prohibiting everyone

from wearing clothing designed to conceal the face in public places, the respondent

State has to a certain extent restricted the reach of pluralism, since the ban prevents

certain women from expressing their personality and their beliefs by wearing the full-

face veil in public. However, for their part, the Government indicated that it was a

question of responding to a practice that the State deemed incompatible, in French

society, with the ground rules of social communication and more broadly the

requirements of “living together”. From that perspective, the respondent State is

seeking to protect a principle of interaction between individuals, which in its view is

essential for the expression not only of pluralism, but also of tolerance and

broadmindedness without which there is no democratic society(see

paragraph 128 above). lt can thus be said that the question whether or not it should be permitted to wear the full-face veil in public places constitutes a choice of society. “

De eisen van “samen-leven”, “le vivre ensemble”, “the requirements of living together” kunnen dus beperkingen opleggen aan individuele rechten, waaruit voortvloeit dat ze voorrang hebben op de uitoefening van fundamentele vrijheden. De verantwoording daarvan raakt precies de kern van een “democratische samenleving” en rechtsstaat. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens drukt dit in het arrest als volgt uit:

“§ 128. Pluralism, tolerance and broadmíndedness are hallmarks of a

“democratic society”. Although individual interests must on occasion be subordinated

to those of a group, democracy does not simply mean that the views of a majority must always prevail: a balance must be achieved which ensures the fair treatment of people from minorities and avoids any abuse of a dominant position (see, mutatis

mutandis, Young, James and Webster v. the United Kingdom, 13 August 1981, §

63, Series A no. 44, and Chassagnou and Others v. France [GC],

nos. 25088/94, 28331/95 and 28443/95, § 112, ECHR 1999-lll).

Pluralism and democracy must also be based on dialogue and a spirit of compromise necessarily entailing various concessions on the part of individuals or groups of individuals which are justifled in order to maintain and promote the ideals and values of a democratic society(see, mutatis mutandis, United Communist Party of Turkey and Others v. Turkey, 30 January 1998, § 45, Reports 1998-I, and Refah Partisi (the welfare Party) and Others, cited above, § 99). Where these “rights and freedoms of others” are themselves among those guaranteed by the Convention or the Protocols thereto, it must be accepted that the need to protect them may lead States to restrict other rights or freedoms Iikewise set forth in the Convention. lt is precisely this constant search for a balance between the fundamental rights of each individual which constitutes the foundation of a “democratic society” (see Chassagnou and Others, cited above, § 113; see also Leyla ,$ahin, cited above, § 108). ”

                        Tenslotte waarschuwt het EHRM ervoor om te veel voort te gaan op emoties. In de rechtsstaat zijn mensenrechten niet onderworpen aan beperkingen om tegemoet te komen aan een dictaat van pubieke verontwaardiging: de democratische rechtsstaat moet zijn oordeel altijd doen steunen op argumenten en redelijkheid in plaats van op emoties. De samenleving moet altijd redelijk –reasonable – blijven in haar oordeel[xxviii]:

a legal system which applies restrictions on human rights in order to satisfy the dictates of public feeling – real or imaginary – cannot be regarded as meeting the pressing social needs recognised in a democratic society, since that society must remain reasonable in its judgement[xxix]”.

VERTROUWEN EN PUBLIEK DEBAT

Internationaal wordt een achteruitgang geregistreerd van het aantal burgers in de

wereld dat leeft onder democratische regimes, ten voordele van autocratische leiders. Het

laatste jaarverslag van Freedom House over de stand van zaken van de democratie in de

wereld draagt als titel: “Democracy in Retreat. Freedom in the World 2019.[xxx]

In democratische staten is de tevredenheid van burgers over de werking van hun democratie maar matig. Zo spreekt, volgens de Eurobarometer, slechts 50% van de burgers in de EU zijn tevredenheid over de democratie uit, terwijl 65% van de burgers in Vlaanderen tevreden is over de democratie.

Burgers spreken eveneens geen overdreven vertrouwen uit in hun instellingen[xxxi].

Slechts in onderwijs, politie en gemeentelijke administratie spreekt meer dan 50% van de

Vlamingen vertrouwen uit. Het vertrouwen in andere instellingen is lager, met minder dan

25% van de bevolking dat nog vertrouwen uitspreekt in de Vlaamse regering, pers of

parlement, de federale regering en parlement, of nog, vakorganisaties en politieke partijen.

Over veel instellingen neemt tot de helft van de burgers neemt geen uitgesproken standpunt. De cijfers voor franstalig België zijn nog lager[xxxii].

Dit zijn zorgwekkende cijfers, die tot actie nopen. Een democratische rechtsstaat kan

niet behoorlijk functioneren zonder uitgesproken vertrouwen van zijn burgers

DE WAARDE VAN EEN REPRESENTATIEF REGIME

Het “We, the People” van de US Constitution spreekt niet rechtstreeks, doch via representatie. Dat is de enig mogelijke manier om een grotere bevolking toch bij zijn bestuur te betrekken. Populistische verwachting, eisen, passies en vooroordelen moéten gefilterd worden vooraleer je wetgeving kan maken: er is een mediator nodig die de verlangens van het volk toch goed kan capteren om dan beleid uit te tekenen dat goed is voor het algemeen belang en het welzijn van eenieder[xxxiii].

In een democratie zijn de zgn. “checks and balances”,zoals die grondwettelijk zijn uitgewerkt van bijzonder belang.  Zo is, o.m. een representatief regime zelf, al een vorm van “checks and baIances”, omdat het volk zich uitspreekt via het stemrecht, en het woord dan legitiem wordt gevoerd door de verkozenen[xxxiv].

Zaken als recurrente vrije verkiezingen, algemeen stemrecht, of nog, de scheiding van wetgevend, uitvoerende en rechterlijke macht e.dgl. behoren tot dat arsenaal. Die “checks and baIances” moeten beschermen tegen deviatie van de ene of de andere in het systeem van machtsuitoefening, en ook een zekere stroomlijn brengen in de te grote veelheid van gedachten en opinies van eenieder, en het rechtsstatelijk democratisch kader bewaken.

Met andere woorden: een representatief regime heeft zeer veel zin. Het is de enige vorm die beschermt tegen de chaos van de zgn. publieke opine van een gehele bevolking[xxxv]. Wie daar nog aan zou twijfelen, kan zich vergewissen van de extreme en vulgaire uitlatingen op de zgn. “social media”.

Daarnaast doen ook ongeschreven democratische normen de democratie beter functioneren. Levitski en Zyblatt voeren aan dat er zo ongeschreven vuistregels zijn die de formele Amerikaanse “checks and balances” mee hebben gevrijwaard: vooreerst het concept van wederzijdse tolerantie, of het begrip dat concurrerende partijen elkaar accepteren als legitieme rivalen, en, vervolgens, een zekere terughoudendheid (”forbearance”), of het idee dat politici terughoudend moeten zijn in en met de uitoefening van hun prerogatieven[xxxvi].

Rivaliserende leiders dienen elkaar als legitieme tegenstrevers te zien en ze moeten aan de verleiding weerstaan om hun tijdelijke controle over instellingen te misbruiken om een partijdig voordeel te maximaliseren. Die vuistregels inzake tolerantie en terughoudendheid zijn “de vangrails van een liberale democratie”[xxxvii].

Gaandeweg zijn we in de voorbije jaren de wijsheid van die vuistregels, en hun vitaal

belang voor een gezonde democratie uit het oog verloren. Politieke leiders ondernamen

steeds meer pogingen om het extreme uit hun tijdelijke bevoegdheden te halen, en

respecteerden steeds minder de legitimiteit van hun tegenstrevers. Het hedendaags politiek discours spreekt in dit verband – internationaal, maar ook nationaal – boekdelen.

XXX

ln België zijn deze fenomenen goed gekend door elementen zoals verzuiIing[xxxviii], waarbij partijen uitdeinden tot goed gesubsidieerde dienstverlenende elementen van de bevriende zuil, die ook ruim bedacht werden met de uitvoering van overheidstaken in onderaanneming.

Een tweede verschijningsvorm, in België, van de erosie van de ongeschreven vuistregels is de zgn.particratie[xxxix], waarin alles door de bril van het partijbelang wordt geëvalueerd, ten nadele van het algemeen belang. Een afgeleide daarvan is een zekere mate van corporatísme, waarbij particuliere belangen zwaarder gaan doorwegen dan het algemeen belang, of het algemeen belang gesubstitueerd wordt door een optelling van een selectie van verbonden en gepriviligiëerde particuliere of bijzondere belangen.

België heeft, naast de politieke democratie, nog een tweede kans-democratie, in de vorm van het  fors verankerde sociaal overleg, met hoofdzakelijk gevestigde werkgevers- en werknemersorganisaties – waarbij deze laatste geaffilieerd zijn aan de hierboven genoemde zuilen. Dit is een redelijk unieke vorm van burgerparticipatie, die, mogelijk, de geanalyseerde nadelen van de politieke representatieve democratie wel heeft overgenomen.

 

Deze elementen leiden tot polarisatie, omdat partijen rivalen worden in de zonet beschreven voordelenwedloop, en tegenstrevers als vijanden worden gebrandmerkt waarvoor men geen respect meer opbrengt. Extreme polarisatie is dodelijk voor een liberale democratie, dat is de basisstelling van Levitsky en Ziblatt. Dit zijn factoren die ons ver buiten “de vangrails van de democratie”[xl]hebben gebracht.

Maar, zoals bij aanvang gesuggereerd, ze gaan niet over de input-zijde, maar over de output-zijde, over gewoonten en attitude van de professionals IN het democratisch proces.

PERSPECTIEF, KENNIS, ZINGEVING

Het ontbreekt in de samenleving aan een wervend verhaal. De grote ideologieën vervelden, en verbinden blijkbaar niet meer. Het is ùw taak, een essentieel onderdeel van ùw mandaat, om dat verhaal samen te stellen, te communiceren, te doen leven. Nu er geen meerderheden meer zijn, maar optelsommen van minderheden, is het ook ùw taak om dergelijk verhaal samen te stellen met het oog op de lange termijn.

Electoraal gewin van gisteren of electoraal gespin voor morgen ondermijnt het. Zijn partijen niet te zeer voortdurend in een electorale modus, die het verworven mandaat herleidt tot een faciliteit voor de verzekering van een volgend mandaat?

Social media dragen enkel daartoe bij, ook al omdat politieke partijen (met hun rijkelijke publieke financiering) massaal investeren in communicatie op social media, en de infernale spiraal die zo nadelig is voor een volwaardig publiek debat mee voeden en daardoor ook lijken te legitimeren.

XXX

Er is veel evidentie dat verzorgingsstaten als groot nadeel hebben dat ze een zekere passiviteit bij burgers inspireren; men heeft “recht” op veel voorzieningen, en dat wekt de indruk dat het gaat om automatismen. Betrokkenheidwordt afgebouwd, het “quid-pro-quo”-idee of de nobele gedachten over solidariteit verdwijnt op de achtergrond. Hoe meer voorzieningen de verzorgingsstaat aanbiedt, hoe meer burgers lijken af te haken.

Zowel wat men in Nederland “de zgn. ‘protestantse ethiek’ noemt – zichzelf maatschappelijk ‘verbeteren’ door hard werken, sparen en carrière maken – alsook die welke was verbonden met de socialistische maatschappijbeschouwing, geconcretiseerd in collectieve solidariteit. Beide grondhoudingen zijn door de verzorgingsstaat min of meer overbodig geworden[xli].

Overheden, politici of partijen stralen niet langer een positief toekomstperspectief uit, ze lijken te worstelen met het heden, lijken overweldigd door de technische eisen en complexiteit van bestuur en werven of verbinden niet meer – terwijl we in een welvarend gebied van de wereld leven en al decennialang vrede kennen en vooruitgang. Dàt is de kern van het vraagstuk van het democratisch proces. Nogmaals: het betreft niet de input, het gaat over de output.

We missen een “man on the moon- “verhaal, zoals President John Kennedy dat in 1962 in de USA lanceerde[xlii]. Zijn oproep suggereerde de ruimte als nieuwe grens, en appelleerde aan de Amerikaanse pioniersgeest; tegen de achtergrond van de zgn. Koude Oorlog voedde hij zijn toespraak met een gevoel van urgentie en bestemming, en hij beklemtoonde de vrijheid die Amerikanen genoten om hun bestemming te kiezen in plaats van ze te laten opdringen door omstandigheden of derden.

De speech heeft alle kenmerken van een toekomstgericht wervend appel dat we vandaag node missen, en zonder hetwelk een goed democratisch bewind ook teloor gaat. Hij overschaduwde de vragen over de kosten en de uiteindelijke meerwaarde van zijn voorstel, en in Juli 1969 zetten Neil Armstrong en Buzz Aldrin, met de Apollo 11-missie, voet op de maan.

Kennedy kapitaliseerde op waarden zoals fierheid, wetenschap, kennis, vooruitgang,

technologie, excellentie:

“There is no strife, no prejudice, na national conflict in outer space as yet. Its hazards

are hostile to us all. lts conquest desen/es the best of all mankind, and its opportunity

for peaceful cooperation may never come again. (…)

We choose to go to the Moon…We choose to go to the Moon in this decade and do the

other things, not because they are easy, but because they are hard; because that goal

will serve to organize and measure the best of our energies and skills, because that

challenge is one that we are willing to accept, one we are unwílling to postpone, and

one we intend to win, and the others, too.”

Op een ogenblik van grote kennis, net nu we geconfronteerd worden met een schaduwzijde, zoals de toepassing van het marketingmodel van algoritmen op globale communicaties via de “social media”, moeten we de moed hebben om het belang van kennis te restaureren, om wetenschap en evidentie ten grondslag te leggen aan beleid, maar ook aan de strijd tegen misbruiken. De waarde van kennis wordt onderschat, en soms gedenigreerd, het algoritme-misbruik en de desastreuze gevolgen ervan voor democratie, actief burgerschap en rechtsstaat zijn dramatisch.

Ook in de behartiging van de publieke zaak, kunnen we niet zonder de re-evaluatie van grondslag van expertise en kennis[xliii].

We moeten opnieuw zin geven aan onze toekomst, “purpose”,de behartiging heruitvinden van “the common good”.Zowel Nobelprijswinnaar Jean Tirole als Aaron Hurst riepen er al toe op[xliv]. Een niet zo onbelangrijk deel van de schade die we lijden ingevolge de

beschreven negatieve invloed van het “social media”-marketingmodel op de democratie, is maar mogelijk omdat in de moderne democratieën een vacuüm heerst dat hen ondermijnt.

Dat vacuüm kunnen en moeten we aanpakken, met burgers en échte politieke leiders die opnieuw een perspectief op lange termijn uitwerken, daadkracht tonen en leiderschap.

Zopas nog werd deze behoefte aan perspectief, doelstelling en vooruitzicht – in deze

zgn. “VUCA”-tijden – “volatile, uncertain, complex and ambiguous”– beschreven, en werd er

perspectief tegenover gesteld[xlv]. Dat is één van de beste manieren om de kwalijke gevolgen

van de aanwending van een marketingmodel op de publieke zaak te keren. Niet de enige. Ook de tech-platformen dragen een gigantische verantwoordelijkheid, ze keken te lang de andere kant op; wellicht moeten ze ook  aangepakt worden. Politici, tenslotte, moeten het inzicht en de moed hebben om te herpakken en zich in te zetten voor de toekomst

van de volgende generaties. Dat is hun échte verantwoordelijkheid.

ln deze meest welvarende contreien van de wereld hebben we de gedeelde verantwoordelijkheid om dit beter aan te pakken. We kunnen dit niet langer op zijn beloop

laten.Verantwoordelijkheid,daadkracht en perspectief kunnen de infernale spiraal waarin we dreigen terecht te komen overstijgen.

GOED BESTUUR

Itinera heeft 30 internationale landenindexen op zijn website geplaatst: samen geven die een redelijk objectief beeld van de prestaties van landen[xlvi]. Het beeld van België toont vooral middelmaat. België is nergens top, en presteert duidelijk onder zijn potentieel. We hinken fors achterop bij vergelijkbare landen[xlvii].

 

Er zijn geen goede redenen waarom landen zoals Nederland, Zwitserland en Denemarken in de IMD-Competitiveness Index op plaatsen 4, 5 en 6 staan, en België pas op plaats 26; we gingen daarenboven systematisch achteruit over de laatste jaren.

VOKA publiceert een “Value-for-money-index”,die de kost van een overheid vergelijkt met haar prestaties. België behaalt maar een 18deplaats op 26 onderzochte landen; Ierland, Zwitserland en Nederland zijn de toppers. Ook zij hebben relatief zware overheden die veel aanbieden aan hun burgers, maar aan significant lagere kost. België scoort in de top-5 qua kosten, maar bengelt bij de laatste 6 inzake prestaties[xlviii]. En ook hier zakken we naar beneden.

 

Vergelijkbare landen die systematisch beter scoren beschikken niet over wondermiddelen. Wat hen onderscheidt van België is: goed bestuur.

GOED GEORGANISEERDE BELEIDSNIVEAUS

Goed bestuur veronderstelt goed georganiseerde beleidsniveaus. Elk bestuursniveau dient over een helder bevoegdheidspakket te beschikken, met compacte en volwaardige domeinen, zodat doelstellingen kunnen bereikt worden.

Een basisbeginsel over de gezamenlijke verantwoordelijkheid om altijd het beste resultaat te bereiken voor het algemeen belang – een vorm van “Bundestreue” –is nodig als richtinggevend beginsel voor het handelen van élk bevoegdheidsniveau.

Een bijzonder sterk orgaan is nodig voor overleg tussen bevoegdheidsniveaus voor de prompte oplossing van problemen van coördinatie en samenwerking.

Op elk van deze punten faalt de constitutionele regeling na de diverse staatshervormingen totaal. Hier is dringend bijsturing nodig.

 

FOCUS OP HELDERE DOELSTELLINGEN

Goed bestuur rust op de vaardigheid om heldere doelstellingen te definiëren, in een correcte relatie tot andere maatschappelijke belangrijke doelstellingen, en daar vervolgens een projectmatig plan voor uit te werken waarbij de noodzakelijke middelen en de tijdslijn worden bepaald. Dit heeft eveneens te maken met de behoefte aan een focus op kerntaken, waarvan de ambitie moet zijn om die altijd voorrang te geven en excellent te vervullen.

Deze fase moet rusten op kennis enerzijds, zodat beleid evidence-based is, en op legitimiteit anderzijds, zodat beleid aanvaard wordt en door burgers gedragen wordt. In essentie is dat de politieke fase van goed bestuur, of het geheel van politieke beslissingen die dienen te worden genomen als basis van goed bestuur.

Terloops weze opgemerkt dat de focus van uw commissie op zgn. burgerparticipatie  blijkbaar doelt  op het legitimiteitselement. Burgerparticipatie is, misschien,  een onderdeel van de oplossing, maar niet de panacea.

 

STOP SLECHTE PARTICRATIE

Verder rust goed bestuur op beleidsuitvoering zonder  politisering, door professionele en neutrale ambtenaren met het oog op de realisatie van de doelstellingen, op ethische wijze, en in een kader van algemeen belang. Dat vergt beleidsuitvoering door een goed opgeleide en goed georganiseerde “civil service” die transparant werkt en verantwoording aflegt.

Te vaak handelen regeringen in een grote mate van isolement van de samenleving en van expertise. De kwalijke gewoonte om niet met de administratie te werken, doch zich daarvan te isoleren in zgn. kabinetten, dient beëindigd.

Beleidsvoorbereiding en –opvolging geschiedt essentieel door de administraties; zij hebben het voordeel van een continuïteit over electorale limieten heen, en van expertise in de beleidsdomeinen op grond van hun bekwaamheid, opleiding en ervaring.

Dat zijn dan ook de enige aanwervingscriteria, wat het verbod inhoudt van zgn. politieke benoemingen op gelijk welk niveau, en de overbodigheid van een instituut zoals Selor.

 

MAAK BELEIDSEVALUATIES

Goed bestuur evalueert regelmatig en stuurt bij waar nodig. Het respecteert tijdslijnen en te behalen stappen in de uitvoering van het plan.

Evaluatie van het gevoerd beleid geschiedt regelmatig of voortdurend vanuit de doelstellingen en de afspraken inzake middelen, tijdslijn, en bereikte evaluatiepunten.

 

VOER PROMPT EEN ANDERE BELEIDSCULTUUR IN. ERKEN DE ROL VAN KENNIS

De Belgische politieke cultuur is uit zichzelf niet bevorderlijk is voor goed bestuur. Zonder dat daar hier diep op kan worden ingegaan, kan worden opgemaakt dat we niet altijd helder zijn in de omschrijving van beleidsdoelstellingen of hun relatie met andere – mogelijk strijdende of versterkende – doelstellingen, en al evenmin in projectmatige plannen.

Te vaak wordt gehandeld in de electorale cyclus, d.i. op te korte termijn, naar te partiële (weliswaar zichtbare of spectaculaire) doelstellingen, en op basis van te weinig kennis.

Nu er soms gesproken wordt van een experten-regering, is het misschien goed om te wijzen op het belang van expertise als grondslag van de politieke besluitvorming. Politici zijn verkozen en gemandateerd om de politieke beslissingen te treffen, maar ze horen dat te doen op basis van de best beschikbare kennis – die we massaal hebben bij universiteiten, in onderzoekscentra of diverse instituties, zoals een Nationale Bank of Planbureau, of nog, thinktanks.

Beter dan een regering, samengesteld uit experten, is een regering die besluiten neemt op basis van expertise. Dit leidt tot beter beleid, en legitimeert beleid ook beter.

 

VOLWASSEN DIALOOG REGERING-PARLEMENT

Regelmatige evaluatie dient te geschieden in en gedragen hoogstaande dialoog tussen parlement en regering, waar het voorgelegd plan wordt geëvalueerd op basis van kennis en expertise, en wordt geëvalueerd op basis van vooraf vastgelegde evaluatiepunten. Meerderheid en oppositie hebben daarbij een volwaardige rol: wie vandaag tot de oppositie behoort, kan morgen deel uitmaken van de meerderheid, en omgekeerd.

Te vaak handelen regeringen in een grote mate van isolement van de samenleving en van expertise. De kwalijke gewoonte om niet met de administratie te werken, doch zich daarvan te isoleren in zgn. kabinetten, dient beëindigd.

 

DUIDELIJKE REGELGEVING. RECHTSZEKERHEID

Goed bestuur veronderstelt een helder en stabiel wettelijk en reglementair kader dat toelaat om de bestuursbeslissingen geldig te nemen en ze in stand te laten.

Vandaag worden te veel overheidsbeslissingen in rechte aangevochten – omdat we het evenwicht tussen rechtszekerheid en rechtsbescherming uit het oog verloren zijn – en worden daarenboven te veel overheidsbeslissingen geschorst of vernietigd. Dit wil zeggen dat onze overheden nog moeilijk in staat zijn om geldige besluiten te nemen. Dit vergt een aanzienlijke vereenvoudiging van het onderliggend materieel recht en van het bestuursrecht.

Een herstel van rechtszekerheid als waarde in de rechtsstaat is nodig, ook al blijft rechtsbescherming belangrijk.

 

BESTUREN MOET

Goed bestuur vooronderstelt dat er bestuurd wordt.

Sedert het ontslag van de regering-Michel zijn meer dan 430 verlopen zonder effectieve federale regering met volheid van bevoegdheid. Na de verkiezing van 13 juni 2010 duurde het 541 dagen eer een federale regering werd gevormd. Samen zijn we dus in de jongste 10 jaar gedurende bijna 30% van de tijd zonder effectieve federale regering geweest met volheid van bevoegdheid.

Dit betekent dat de politieke wereld, vlak na verkiezingen, langdurig de rug keert naar de kiezers. Het is eigenaardig om van burgerinitiatieven te spreken, wanneer men niet in staat is om de gewone electorale basis van regeringsactie te doen werken, et name de tijdslijn van (i) ontbinding van de Kamers, (ii) verkiezingen, (iii) regeringsvorming te doen slagen binnen redelijke termijn. Dit heeft te maken met een gebrekkig ambitieniveau om goed te besturen.

Het is een elementaire plicht van politici om deze cyclus dringend te reanimeren. Ze is de basis van de kern-democratie, die de legitimiteit van het politiek proces maakt of kraakt. Zonder die basis is sleutelen aan andere aspecten van het democratisch proces betekenisloos.

Lezing, hoorzitting Senaat, 10 februari 2020, Commissie voor Democratische Vernieuwing en Burgerschap.

VOETNOTEN

[i]Senaat, Zitting 2019-2020, nr. 7-117 dd 12 nov. 2019.

[ii]Pierre Tavoillot, Comment gouvemer un peuple-roi ? L`art d’être gouvemé, 2019.

[iii]Zie ook P. Mair, Ruling the Void. The Hollowing of Western Democracy, 2013.

[iv]I. Van de Cloot. Waarden als Economische Fundamenten. in: L. Neels, T. Beeckman, M.

De Vos en 1. Van de Cloot, De Verlichting uit evenwicht ? Over Normen en Waarden, Vrije

Meningsuiting en Dominante Religies, 2016, p. 73-93.

[v]Dit is het zgn. Decreet d’Allarde van 2 en 17 maart 1791, vlak na de “Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen” van 1789. Het kerngedeelte ervan luidt : “II sera libre à toute personne de faire tel négoce ou d’exercer telle professíon, art ou métier qu’elle trouvera bon.”. Het geldt in het Belgisch recht als een algemeen rechtsbeginsel, dat vandaag ook in Titel 3 van Boek ll van het Wetboek van Economisch Recht is verankerd als volgt: ”Art. lI.2: “Dit Wetboek strekt ertoe de vrijheid van ondernemen en de loyauteit van economische transacties te verzekeren, en een hoog niveau van bescherming van de consument te waarborgen. Art. IIII.3:“Iedereen is vrij om enige economische activiteit naar keuze uit te

oefenen.”

[vi]Eric Bahrendt, Freedom of Speech, 2005, p. 6 e.v.

[vii]M. De Vos, « De Rechtsstaat : Vrijheid onder het Recht », in : L. Neels e.a., De Verlichting, gec., p. 33.

[viii]Marshall McLuhan, Understanding Media: The Extensions of Man, 1964;

[ix]D. Croteau, W. Hoynes, Media & Society : Industries, Images and Audiences. 2014, p. 334.

[x]David Runciman,How Democracy Ends, 2018. p. 2-3.

[xi]Th. Geerts, Digitalis, Hoe we onze wereld kunnen heruitvinden, 2018.

[xii]J. Billiet e.a., De Strijd om de Waarheid. Over nepnieuws en desinformatie in de digitale

mediawereld, KVAB-Standpunt, 2018; Andrew Keen, The Cult of the Amateur: How Blogs,

MySpace, YouTube and the rest of today/s user-generated media are destroying our

Economy, our Culture and our Values, 2001; Franklin Foer, World Without Mind. The

Existential Threat of Big Tech, 2017; Andrew Keen, How to Fix the Future, 2018; Andrew

Keen, Tomorrows vs. Yesterdays: Conversations in defence of the Future, 2020.

[xiii]www.freedomonthenet.org/report/freedom-on-the-net/2019/the-crisis-of-social-

media

[xiv]Wikipedia (English) definieert ”illibera/ democracy” als volgt: Een illiberale democratie, ook wel gedeeltelijke democratie, lage-intensiteitdemocratie, lege democratie, hybride regime of geleide democratie genoemd, is een regeringssysteem waarbij burgers worden afgesneden van kennis over de activiteiten van degenen die echte macht oefenen, en wel door de afwezigheid van burgerlijke vrijheden? Het is dus geen “open samenleving”. Er zijn veel landen die nu worden gecategoriseerd als noch “vrij “noch “onvrij “, maar als “waarschijnlijk vrij”, ergens tussen democratische en niet-democratische regimes. Dit kan zijn omdatdegenen die de macht uitoefenen de vrijheden van de burgers negeren of onderdrukken, hoewel er een Grondwet is die theoretisch de bevoegdheden van machthebbers beperkt. Het kan ook zijn omdat een adequaat juridisch constitutioneel kader van vrijheden niet eens bestaat.

[xv]Yaschka Mounk, The People vs. Democracy. Why our Freedom is in Danger & How to save it, 2018, p. 142.

[xvi]Evgeny Mozorov, The Net Delusion, The Dark Side of internet Freedom, 2012.

[xvii]Cass R. Sunsteín. #republic. Divided Democracy in the Age of Social media. 2017 ; Cass R.

Sunstein, On Freedom, 2019.

[xviii]Sunstein, #republic, gec. Het inzicht over de « bubbles » wordt ook tegengesproken : Axel Bruns, « It’s not the Technology, Stupid. » http://snurb.info/files/2019/It%E2%80%99s%20Not%20the%20Technology%2C%20Stupid.pdf?source=post_page—————————

[xix]Yascha Mounk, p. 144.

[xx]Jo Caudron & Dado Van Peteghem. Digital Transformation, 2014, p. 212 e.v.

[xxi]ECHR Bergens Tidendev Norway, 2 juli 2ooo, § 48 e.v.

[xxii]Ook: Eric Bahrendt, gec., p. 39 – 72; Eric Bahrendt e.a., Media Law: Text, Cases and Materials, 2014, Stéphane Hoebeke et Bernard Mouffe, Le Droite de la Presse, 2005; Koen Lemmens, La Presse et la Protection juridique de l’individu, Attention aux chiens de garde! 2004.

[xxiii]Caudron en Van Peteghem,p. 219.

[xxiv]Rolf Dobelli, Avoid News : towards a healthy News Diet, www.dobelli.com , 2010.

[xxv]Rolf Dobelli, Stop reading the News. How to cope with the Information Overload and

Think more Clearly, 2020.

[xxvi]Steven Pinker,Enlightemnent Now, The Case for Reason, Science, Humanism and

Progress, 2018, p. 39-52.

[xxvii]EHRM, Arrest van 1 juli 2014, in de zaak S.A.S. v France.

[xxviii]ECHR, Arrest van 5 juli 2008, Vajnai v Hungary.

[xxix]ECHR, Arrest van 5 juli 2008, Vajnai v Hungary, § 57.

[xxx]https://freedomhouse.org/report/freedom-world/freedom-world-2019;

https://www.freedomonthenet.org/report/freedom-on-the-net/2019/the-crisis-of-social-media

[xxxi]VRIND-Indicatoren, 2017, p. 79 e.v.

[xxxii]  https://www.institut-solidaris.be/index.php/barometre-wallonie-bruxelles/

[xxxiii]Cass E. Sunstein, #republic, p. 45.

[xxxiv]Cass R. Sunstein, #republic, gec.; Cass R. Sunstein, #republic.

[xxxv]Ph. Pettit, Republicanism : A Theory of Freeom and Governement, 1999 ; A. Gutmann & D. Thompson, Democracy and Disagreement, 1988.

[xxxvi]Steven Levitsky & Daniel Ziblatt, How Democracies Die, What history reveals about our

Future, 2018, p. 8.

[xxxvii]Levitsky & Ziblatt, p. 9 en 118 – 144.

[xxxviii]A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, 1968; L. Huyse, De Gewapende Vrede. Politiek in België na 1945, 1987.

[xxxix]Wilfried Dewachter, De trukendoos van de belgische particratie, een Europese schande,

2014; H. Vuye en V. Wouters, Schone Schijn. Particratie wurgt Democratie, 2019.

[xl]Levitsky & Ziblatt, p. 9 en 118 – 144.

[xli]J.A.A. van Doorn & C.l.M. Schuyt, De stagnerende verzorgingsstaat. Boom, Meppel /

Amsterdam, 1982 (derde druk), Voorwoord.

[xlii]https://en.wikipedia.org/wiki/We_choose_to_go_to_the_Moon

[xliii]Tom Nichols, The Death of Expertise. The Campaign against Established Knowledge and

Why it Matters, 2017.

[xliv]Jean Tirole, Economie du Bien Commun, 2016; Economics for the Common Good, 2017;

Aaron Hurst, The Purpose Economy. How your Desire for Impact, Personal Growth and

Community is changing the World, 2014,

[xlv]Jo Caudron, De Wereld is Rond. Een optimistisch Masterplan voor de Transformatie van Business en de Maatschappij, 2019; ook : H. Toch en A. Maes, The Positive Sum Game, 2019.

[xlvi]https://www.itinerainstitute.org/nl/indices/; L. Neels, e.a., Itinera, Een Plan voor het Land, Un Projet pour la Belgique, 2019.

[xlvii]https://www.itinerainstitute.org/wp-content/uploads/2018/09/Indices-2019.pdf

[xlviii]https://www.itinerainstitute.org/nl/index/value-for-money-index/

Carnaval en Shoah, niet te verzoenen. Net zo min als Censuur en Uitingsvrijheid.

            In DE MORGEN (18 februari) publiceren enkele academici een ”pleidooi voor historische gevoeligheid bij Aalst Carnaval”. Hun oproep is niet gericht tot de carnavalisten die al hadden aangekondigd de vorig jaar fel gehekelde representatie van Joden te zullen hernemen. Ze richten hun oproep specifiek tot de pers, en dringen er op aan “om bij de beschrijving van de verdere polarisatie die eventueel opgezocht wordt met nieuwe anti-Joodse karikaturen, daarvan geen beelden te laten zien of deze beelden steeds te (doen) vergezellen van een beschrijving van de historische achtergrond en betekenis ervan. Dus geen pleidooi voor censuur, maar een oproep – voorbij de sensatie, populisme en polarisatie – tot zorgvuldigheid, historische gevoeligheid en inzicht.” Hun motief is dat een heroplevend antisemitisme en de beeldvorming rond Joodse mensen in het bijzonder, en minderheidsgroepen in het algemeen, de broze samenleving die we kennen kunnen bedreigen.

 

            Carnaval is, volgens Wikipedia, een feest van zotheid, spot en uitbundigheid. Het is “een levende spotprent in stoetvorm”, dixit De Standaard (15 02), men lacht er met alles en met iedereen. Vorig jaar dreigde Carnaval Aalst van de Unesco-Werelderfgoed-lijst te vliegen, waar het tot verbazing van velen op prijkte, na felle reacties van, o.m., het Forum der Joodse Organisaties en het Coördinatiecomité van Joodse Organisaties in België. Het incident haalde de internationale pers, ongetwijfeld meer ingevolge die reacties dan ingevolge de stoet zelf.  Toen werd de stoet gehekeld als uiting van antisemitisme, vandaag wordt ervoor gewaarschuwd omdat de stoet instrumenteel zou zijn in de verdere verspreiding van antisemitisme.

            In Aalst denkt men “het laatste bastion te zijn van de vrije meningsuiting” (DS 15 02), en de Stad stond op zijn “recht” op carnaval en stapte zelf op bij de Unesco-Werelderfgoedlijst om de blamage voor te blijven. Zijn ze daar, écht, “het laatste bastion van de uitingsvrijheid? Dat is toch echt onzin.

CARNAVAL CHOQUEERT. ET ALORS ?

            Vorig jaar schreven wij al dat de stereotiepe afbeelding van de Joodse mannen misplaatste humor is, ongepaste bejegening, oerdom, stuitend en weerzinwekkend (De Aalsterse Praalwagen: misplaatst zeker, maar strafbaar? 06 03 2019). Het is toch eigenaardig om zo veel onfatsoen te willen voorstellen als een hoogtepunt van de expressievrijheid…?! Dat is het dan ook niet, want ook die vrijheid bestaat in beginsel binnen de rechtsstaat, en die vooronderstelt respect voor de waardigheid van elke menselijke persoon, ongeacht haar of zijn bijzondere kenmerken of eigenschappen.

            Carnaval heeft nu wel, als volksfeest, de afwijkende eigenaardigheid dat het eenieder te kijk kan zetten en te schande kan maken. In beginsel kan dat dus, en ook dat valt binnen de beschermde uitingsvrijheid, met name omdat deze niet alleen uitingen beschermt die ons onverschillig laten, maar ook degene die ons choqueren,  verontrusten of beledigen. Dat is de geijkte motivering van bijna alle arresten van het   Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Fijnzinnigheid of fatsoen, historisch bewustzijn of betekenis zijn daarbij op zichzelf niet aan de orde.

TEGENSPRAAK IS HET STERKSTE WAPEN

            Tegelijk moeten we ons wel durven verzetten tegen een zgn. “recht om te beledigen”, waarvan sommigen beweren dat het zou bestaan. In onze rechtsstaat is dat niet zo: belediging is altijd een misdrijf gebleven, en terecht. Dat geeft de spanning aan die er is tussen ruime uitingsvrijheid enerzijds en menselijke waardigheid anderzijds. Eenieder heeft er recht op om niet beledigd te worden, maar tegelijk moet eenieder over een groot incasseringsvermogen beschikken ten opzichte van onwelgevallige, verontrustende, choquerende en beledigende uitingen, ook ten aanzien van zijn of haar persoon. Dat is de spanning tussen twee strijdende rechten.

In een democratische rechtsstaat wordt dan traditioneel gekozen voor een zeer ruime uitingsvrijheid. Immers, het betere antwoord is om te antwoorden, om te reageren met andere uitingen, om tegengas te bieden met tegenspraak. Het betere antwoord op bad speech is niet less speech, maar more speech. Die optie is fundamenteel.

EEN BEETJE CENSUUR, TOCH MAAR DAN?

            De academici doen met hun oproep het omgekeerde. Ze willen toch dat de media, tja… niét zouden publiceren wat er in Aalst opnieuw gaat gebeuren: de representatie van Joden die een geheel van hilarische, satirische en sarcastische kenmerken die men aan ze toeschrijft uitvergroot en stereotypeert. De onthouding van publicatie lijkt toch wel erg op censuur, ook als men zou volhouden dat het dat niet zou zijn.   Is het hun wens dat journalistiek in de toekomst de werkelijkheid verbloemt of vertekent? Ik kan het bijna niet aannemen, maar het is wel de strekking van hun vriendelijk verzoek: “Dames en heren van de pers, gelieve vanaf heden fake news te organiseren, het is voor de goede zaak”. Het lijkt toch een beetje ondoordacht als stellingname.

            Destijds bestond de indruk dat men vooral wilde reageren tegen antisemitisme, als uiting van de – bij definitie aanwezig geachte – antisemitische gevoelens van degenen die de stereotypering gebruikten, met name de carnavalisten. Er is een sterk vermoeden dat zij zich in die toegeschreven gevoelens niet herkenden, en eerder op onnozele manier naar stereotyperingen hadden gegrepen zonder daarbij verder stil te staan. Vandaag wordt opgeroepen om geen visuele ruchtbaarheid te geven aan carnavaleske representaties van joden, om een vastgestelde groei van antisemitisme niet verder aan te wakkeren.

WEL OERDOM EN ONFATSOENLIJK, MAAR GEEN STRAFBARE DISCRIMINATIE

            De forse reactie van vorig jaar riep op tot strafbare veroordeling van wat naar ons recht niet strafbaar is. Dat is inmiddels ook het uitstekend geargumenteerd oordeel van Unia (https://www.unia.be/files/Documenten/Publicaties_docs/Carnaval_2019_NL.pdf).

De verontwaardiging en de grootschaligheid van de roep om veroordeling van de Joodse organisaties van vorig jaar, gaf   een niet een te vermijden grote aandacht  aan deze zaak. Daardoor werd de representatie uit de carnavalcontext getild, op een niveau van intellectueel debat. Die combinatie spoort, uiteraard, niet. Het ging “maar” om een carnaval-item, naast tientallen andere schandaalverwekkende expressies. Maar de concrete omstandigheden, in dit geval dus precies carnaval, plaatsen de representatie buiten bereik van legale kritiek: zo is nu eenmaal de vaste rechtspraak.

HET GAT ZIT NU IN DE HAAG

            Men kan wel aanvoeren dat het gaat om afbeeldingen die precies refereren naar wat in de afschuwelijke jaren ’30 de aanzet werd tot de Shoah, maar zijn daar geen zaken verbonden die contextueel echt niet te verbinden zijn? Nu deze verbinding gemaakt is, is ze ook niet meer weg te denken: het blijft altijd een onwerkzame poging om het gat uit de haag te knippen.

            Het gaat om te ver uit elkaar liggende categorieën, waarvan het … euh… waardenkader niet goed te verzoenen is. De draak steken met alles, versus een rauwe kreet van onverwerkbaar Shoah-leed… Kan men dat type van gevoeligheid doen binnendringen in de carnavaleske sfeer die bruist van totale afwezigheid van eerbied, terughoudendheid en finesse, ja van brutaliteit, onfatsoen, provocatie en vulgariteit? Ik geloof het niet echt.

In het Vlaamse Parlement werd terecht naar voor gebracht dat sommige uitingen die men kan doen binnen de ruime grenzen van onze vrije meningsuiting, toch moreel verkeerd en totaal fout zijn. Oproepen om de camera stil te leggen bij verslaggeving zijn voor redacties ondenkbaar, en ze werken ook niet in een wereld van “social media”. Ze ontroeren een beetje door simplisme.

Het is zoals Journaals, Terzakes en Afspraken wereldbekendheid gaven aan de domme mysogyne uitspraken van een plastisch chirurg in een zaaltje voor enkele tientallen studenten van de UGent, omdat de journalistieke agenda nu eenmaal die van de “social media” imiteert.

Dat is spijtig, maar het is niet anders. Daar is veel ruimte voor redactionele verbetering, maar een oproep aan redacties om hun werk niét te doen, draagt daar niet echt toe bij. Ze moeten hun werk doen, daar is correcte verslaggeving van een rauwe werkelijkheid bij. Maar ze kunnen op veel vlakken ook beter.

 

 

 

 

 

Zijn we verdeeld door onze vrijheid ?

Vrijheid van mening, van meningsuiting en van godsdienst leveren vandaag vaak het slagveld van waarden en normen. Ik gebruik het woord “slagveld”, omdat er zich tegenwoordig zo vaak incidenten voordoen.

In de Dossinkazerne bleek het plots niet mogelijk om de Pax Christi-Vredesprijs uit te reiken; aan de UGent ontstond commotie  naar aanleiding van mysogyne uitlatingen van een plastisch chirurg voor enkele KVHV-studenten; de New York Times besloot in 2019 om de dagelijkse politieke cartoon uit de internationale editie te schrappen, nadat de krant nog in 2018 een Pulitzer-prijs had ontvangen voor “political cartooning”.Vorige week was het prijs in Frankrijk, met het Instagrammeisje Milla en haar ongepaste opmerkingen over de profeet; de Franse justitieminister suggereerde klaarblijkelijk herinvoering van blasfemie als misdrijf. En ik mag Aalst niet vergeten, met de stigmatiserende Joden-representatie op een praalwagen.

Blijkbaar zijn we we “verdeeld   door onze vrijheid”. Dat werd op een vrijwel vanzelfsprekende wijze het thema van deze lezingenreeks. Volgens de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, beschermt de vrijheid van mening en van meningsuiting niet alleen uitingen die ons onverschillig laten of algemeen aanvaard zijn, doch ook degene die ons choqueren, verontrusten of beledigen. “Beledigen” is opmerkelijk in het lijstje, want art. 448 SWB merkt belediging nog steeds aan als misdrijf. Het spanningsveld is dus voor de hand liggend.

LIBERTE EN TOUT ET POUR TOUS

Dat heb je met vrijheden, zelfs als – zoals wijlen collega Karel RImanque opmerkte – de Grondwetgever van 1831 bijzonder vrijheidslievend was: la liberté en tout et pour tous, was het leidend beginsel. Daarrond vonden, toen, Katholieken en volgelingen van de Verlichting – bemerk de antithetische suggestie – een vergelijk. De toenmalige Aartsbisschop van Mechelen, de Méan, die nog Prinsbisschop van Luik was geweest, ligt mee aan de grondslag hiervan. Na strubbelingen hierover met het Hollands Bewind, eiste hij van het Nationaal Congres in een opmerkelijke brief de volstrekte vrijheid van eredienst, totale onafhankelijkheid van de Kerk, vrijheid van onderwijs en vrijheid van vereniging – met het oog op katholiek onderricht en op herstel van de kloosterorden. De erfgenamen van de Verlichting en van “liberté, égalité, fraternité” voegden er de vrijheid van meningsuiting, van drukpers en  van vergadering aan toe. Op die wijze vond een hele catalogus van vrijheden ruim zijn weg naar Titel II van de Belgische Grondwet van 7 februari 1831 – waar ze nog steeds staan, netjes voorafgaand aan de Titel over de machtsuitoefening.

EEN BIJZONDERE VRIJHEID

In belangrijke mate hebben we expressievrijheid vrijgesteld van sancties die we vrij makkelijk toepassen op ander mogelijk schadelijk gedrag; op dit vlak wantrouwen we autoriteiten nog wat meer dan anders, en al zeker hun regulering.

Bij de rechtvaardiging daarvoor treffen we argumenten aan de zoektocht naar waarheid, de zelfontplooiing van mensen, en de betere mogelijkheid om te participeren aan“government of, by and for the people” –de vaak aan Lincoln toegeschreven samenvatting van een democratie.

DE VRIJHEID VAN GESCHONDEN GEVOELENS?

Een opmerkelijke wending deed zich inmiddels voor in de visie op expressievrijheid: van de nadruk op wat er moest kunnen geuit worden, verschoof de belangstelling naar wie door een uiting kon geraakt worden. Huldigde men gedurende vele jaren de vrijheid van degene die het woord nam, en moesten anderen daar maar tolerant tegenover staan, steeds meer kwam de kwetsbaarheid van anderen naar voor, die met zaken werden geconfronteerd die hen hadden geraakt.

En zo verschoof de aandacht van het dogma van de vrijheid van de spreker, naar de zorg voor de geschonden gevoelens van de toehoorder – en al snel riskeerden we buiten de lijnen te kleuren van wat geldt als de fameuze “aanzetting tot haat of geweld”als beperkingsgrond voor uitingsvrijheid.

Uiteraard moet iemands uitingsvrijheid afgewogen worden tegen andermans vrijheden en rechten, maar gaandeweg rees ook de vraag of ze niet ook moet afgewogen worden tegen een recht om niét gekwetst, geconfronteerd of in zijn gevoelens of overtuigingen geraakt te worden. Dan lijkt men toch in een ander paradigma te verzeilen, waar de oorspronkelijk geprezen vrijheid systematisch van een fors vraagteken werd voorzien.

WORSTELEN MET DE VRIJHEID VAN GODSDIENST

Worstelen we vandaag op al even bizarre wijze met de vrijheid van godsdienst? De vrijheid was beoogd om de door de Franse Revolutie bijna geruïneerde rooms-katholieke godsdienst te herstellen, maar ook om kerkelijk gezag definitief ondergeschikt te maken aan wereldlijk gezag. Wat er ook van zij, de katholieke godsdienst werd wel bijzonder snel terug dominant, en drong diep door in het Belgisch Burgerlijk Wetboek, waar met name de rechtsregels inzake  personen- en familierecht,  erfrecht en  huwelijksvermogensrecht stoelen op de oude morele inzichten van de rooms-katholieke Kerk – opgelegd aan àlle Belgen. Zelfs met de belangrijke secularisering van de bevolking ,   bleef dit zo, tot ver in de vorige eeuw, waar pas in de laatste decennia van de 20steeeuw die leerstukken werden herzien.

Vandaag worstelen we met grote onbeholpenheid ten aanzien van godsdienstige uitingen die zich kunnen voordoen in het straatbeeld, met name van andere proselitische godsdiensten – om de Islam niet te noemen – en het openlijk vertoon van beweerdelijk door religieuze regels voorgeschreven klederdracht voor moslima’s, de fameuze hoofddoek. Te vaak spreken we over “het hoofddoekenverbod”, want in beginsel is de dracht ervan vrij. Enkele uitzonderingen bevestigen de regel.

We hanteren tamelijk absoluut het beginsel van de zgn. scheiding van Kerk en Staat ten aanzien van de katholieke godsdienst, ook al erkennen we godsdiensten en subsidiëren we die ongelijk. Maar we schijnen niet te overwegen om evenzeer de scheiding van kerk en buitenlandse staat te hanteren, en gedogen dat buitenlandse regimes, zoals Turkije en de VAE, rechtstreeks moskeeën subsidiëren en er de imams benoemen – ook wanneer ze, zoals de VAE, een extreme versie van de Islam voorstaan.

Kortom, onbeholpenheid lijkt hier wel het belangrijkste kenmerk van ons beleid, en die onbeholpenheid problematiseert het actueel begrip van godsdienstvrijheid nog meer. De vrijheid van godsdienst lijkt ook in de jurisprudentie van het EHRM een voorkeurpositie te genieten.

Godsdienstvrijheid wordt  al geschonden geacht bij een zgn. aanzetting tot religieuze intolerantie; bij de uitingsvrijheid ligt de grens bij aanzetting tot haat of geweld. Is dit verschil in behandeling gerechtvaardigd? Is de voorkeurbehandeling van godsdienstvrijheid niet voorbijgestreefd, en missen we in de jurisprudentie niet te veel het argument dat de bescherming van godsdienstvrijheid – zoals die van andere rechten en vrijheden – altijd moet gesitueerd blijven binnen het rechtstatelijk kader?

DISCRIMINATIE-INSTITUTEN

Inmiddels kennen we overheidsinstanties – jawel – die ongelijkheid, onder de vorm van discriminaties, moeten bewaken en bestrijden, we kennen er zelfs twee. Daarmee zijn we wel ver van het aanvankelijk wantrouwen ten opzichte van overheden, en verwachten we positieve actie van hen ten aanzien van discriminerende handelingen, … of zou het ook zijn ten aanzien van discriminerende uitingen?

Liefst 19 discriminatiegronden gelden er voor de ene institutie, Unia, en nog 1 voor de andere, het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen. Waarom 19? Dat lijkt willekeurig, en de catalogus is te casuïstisch en te weinig principieel.   Ik begrijp het niet steeds, net zoals ik veronderstel niet de enige te zijn die geen lijn kan trekken in de gelijkheidsarresten  van het Grondwettelijk Hof.

DE VRIJHEID OM TE DEMONSTREREN EN TE BETOGEN

We vergeten niet de vrijheid van vereniging en vergadering, in haar verschijningsvorm van de demonstraties en betogingen. Deze vrijheid is niet zo onbelangrijk onder de uitingsvrijheden, laten we dat niet vergeten. De uitoefening ervan heeft mee de geschiedenis van dit land bepaald,  niet in het minst in zijn sociale componenten, zoals het sociaal recht en de sociale zekerheid. Werden zij niet de wat late vertalingen van de solidaritévan 1789 en 1830, en een invulling van het gelijkheidsbeginsel, dat altijd al prominent in de Grondwet stond maar niet altijd even enthousiast werd begrepen?

Demonstraties en betogingen, zonder hen zijn er geen vrije samenlevingen, en in onvrije samenlevingen zijn ze hét vehikel van burgers die naar vrijheid streven. Ze verjongen en moderniseren ook, zoals blijkt uit scholenacties en scholierendemonstraties.

VRIJHEDEN EN DE ROL VAN DE STAAT

De lezingenreeks eindigt met de confrontatie met de rol van de staat – die we meestal grotendeels buiten het kader van de fundamentele rechten en vrijheden  plaatsen. Of lijkt dat maar zo?  Daarvoor nodigen we een buitenlandse gast uit, prof. Paul Frissen, autoriteit in Nederland, vrijwel ongekend in België.  Ik hoop dat u er niet de bedenking aan koppelt dat het altijd vrijer spreken is in een ander land…, dat is niet de bedoeling. Maar weinig auteurs hebben zo veel aandacht geschonken aan het fenomeen van “de staat” als Frissen.

VRIJHEDEN ZIJN EEN ONGEMAKKELIJK BEZIT

Vrijheden zijn een ongemakkelijk bezit. Velen strijden ervoor om ze te af te dwingen of te vrijwaren; velen kunnen er niet eens van dromen.

Tot het einde van de vorige eeuw nam het aantal Staten dat behoorlijke grondwetten kreeg en fundamentele rechten en vrijheden onderschreef, gestaag toe. Sedert 2005 rapporteren NGO’s zoals Freedom House of Amnesty International een systematische neergang van rechtstatelijke regimes naar meer autoritaire trekken, over het eufemisme van “illiberalisme”naar vrijwel pure dictaturen, zelfs binnen de Raad van Europa en de Europese Unie.

VERTROUWEN IN INSTITUTIES

In onze regio, die bij  de meest welvarende én meest herverdelende regio’s van de wereld hoort, keert een meerderheid van de bevolking zijn rug naar de instellingen en naar de politieke leiders: slechts 30% spreekt, volgens de VRIND-indicatoren, nog vertrouwen uit in onze instituties.

Dat is een ongemakkelijke waarheid, het is ook een aspect van onze verdeeldheid door vrijheid. Het blijkt moeilijker om ermee om te gaan dan gedacht. Denk niet alleen aan de bestuurlijke chaos die verkozenen zich permitteren door eenvoudigweg niet te besturen.

Denk ook aan de minderwaardige communicatie op zgn. “social media”. We hebben ons ontdaan van de censoren van de overheid, en van de poortwachters van redacties, of andere filters. Maar blijkbaar levert dat vooral bagger op, minderwaardige en denigrerende praat en vulgariteit. Ook al een ongemakkelijke waarheid…

Er is dus reden om de focus te richten op verbinding door vrijheid, op wat reëel waarde heeft in de samen-leving, het vivre ensemble, zoals het EHRM het uitdrukt, en dat zijn die waarden. Dàt is het verbindend thema van deze reeks.

TENSLOTTE

Ik ben ervan overtuigd dat onze eminente sprekers van deze reeks, die allen op eerste verzoek hebben aanvaard om hier het woord te nemen, deze boodschap gemeen hebben. Alleen dat al, samen met hun talent, rechtvaardigt uw grote belangstelling.

Ziehier, Dames en Heren – en om niemand te discrimineren, verwelkom ik tevens al degenen die zich niet tot deze achterhaalde binaire verwelkoming wensen te bekennen… – enkele overwegingen bij opening van de lezingenreeks ZIJN WE VERDEELD DOOR ONZE VRIJHEID?

 

Openingslezing van de cyclus VERDEELD DOOR ONZE VRIJHEID?

UANTWERPEN, 4 februari 2020

 

 

 

Belgische Politieke Cultuur. Dat zou een heel goed idee zijn.

Op de vraag wat hij dacht van de Westerse beschaving, zou Mahatma Gandhi geantwoord hebben : « Dat zou een heel goed idee zijn ». Is dat niet ook een beetje het geval met de Belgische politieke cultuur? Onze parlementsleden zijn verkozen in een harmoniemodel, maar hebben partituren meegebracht van een conflictmodel, en werkmethoden van een voorbije eeuw.

Politiek moet keuzen maken, oplossingen voorstellen, en die tot een goed einde brengen. Kortom, bestuderen, beslissen, uitvoeren. Handelen. Daadkracht tonen, draagvlak tot stand brengen tegen entropie en tegen lethargie, tegen nostalgie. Verantwoordelijkheid nemen, verantwoording afleggen. Toekomstperspectief creëren voor de héle samenleving.

Vandaag is de politiek evenwel afgestemd op het grootste aantal kiezers. Een politiek mandaat dient nu om de herverkiezing van morgen voor te bereiden. Met andere woorden, een marketingmodel beheerst het politiek handelen. Niet verwonderlijk dat de democratie dan ontspoort.

Een meerderheid van de burgers heeft dat al begrepen en zet zich met de rug naar politiek:  nog slechts een kleine 30% spreekt zijn vertrouwen uit in onze instellingen. Erger, ze lopen achter rattenvangers van Hamelen aan, die te linker en te rechterzijde simpele oplossingen prediken, met stevige oneliners. En de vroegere grote partijen? Die laten hun bagage vallen en doen net hetzelfde.

Democratie gaat ten onder indien men de ongeschreven vuistregels niet respecteert. De eerste is dat politieke opponenten elkaar moeten aanvaarden als legitieme rivalen, met respect en tolerantie. “De anderen” kunnen in een democratie niet als vijanden worden bejegend, en geen enkele partij kan beweren de waarheid in pacht te hebben: er zijn enkel nog minderheidspartijen, enige bescheidenheid zou eenieder passen, en een gesprek ten goede komen.

De uitwisseling van emoties heeft vandaag voorrang op deze ongeschreven vuistregel, die een ethisch beginsel vooropstelt voor behoorlijk politiek handelen. De marketeers in stemmen, de spinners en draaiers in het leger woordvoerders dat we op gemeenschapsgeld onderhouden trekken het zich niet aan. Ze zijn zeker aan de volgende overwinning van hun partij bij te dragen met de onzin die ze uitkramen.

Een tweede vuistregel is dat politici met terughoudendheid dienen te handelen, met een zekere reserve bij de uitoefening van hun institutionele prerogatieven. In essentie zijn ze dienaars van het gehele volk, dat niet samenvalt met hun partijleden of kiezers. Ze wijden hun carrière aan de publieke zaak, de welvaartscreatie en de goede besteding ervan voor de volgende generaties. Dat kan enkel slagen als ze de limieten van hun handelen goed kennen, en ze zich niet willen blijven profileren als wonderdokters met oplossingen voor alles, of als de enigen die het begrepen hebben. Wat hebben ze begrepen? De politieke zeden van de vorige eeuw, of de dringende behoefte aan goed bestuur, met efficiëntie en ethiek – ook als het complex is?

De faraonische partijfinanciering heeft de partijen losgezongen van de ethiek. Werden ze niet te veel verzelfstandigde conglomeraten van politieke invloed, benoemingen en distorsie van de doelstellingen van de democratie en de funderingen van de welvaartsstaat?

Het is uitkijken naar de oplossingen die het volgend regeerakkoord op dié vragen biedt. Dat zijn de essentiële vragen voor de toekomst. Het is belangrijker hoé ze worden beantwoord dan wié ze beantwoordt. Belgische politieke cultuur, dat zou een heel goed idee zijn, niet?

Vandaag ook in De Standaard: Spinners, Marketeers, en Wonderdokters 

 

 

De Vrijheid van Passende Meningen

In een toespraak voor de Vlaamse Auteursvereniging, verkort weergegeven in De Morgen (27 dec. 2019), heeft de Vlaamse succesauteur Anne Provoost een pleidooi gehouden voor  wettelijke beperking van de uitingsvrijheid. Voor zover ik haar goed begrijp, pleit mevrouw Provoost tegen “absolute vrijheid van meningsuiting”. Ze vraagt daarbij nieuwe regels die  “groepen die kwetsbaar zijn voor uitsluiting”  moeten beschermen in of tegen het publiek debat.

Minstens tijdelijk, zo  suggereert ze, zijn regels nodig die “het recht op het vrije spreken gepaard doen gaan met de plicht, minstens het engagement, tot sociale pacificatie”. Het is tijd, aldus haar betoog, dat het onderwerp van de grenzen van uitingsvrijheid niet langer “in handen kan blijven van witte geprivilegieerden”, die  ineens met grote urgentie zouden pleiten voor het absoluut karakter van uitingsvrijheid, net “nu vrouwen en zwarten” beginnen te praten.

 

Geert Van Istendael reageerde op de webstek van MO-magazine https://www.mo.be/column/een-auteur-die-argumenten-levert-tegen-de-vrije-meningsuiting)  en Andreas Tirez in De Morgen (https://www.demorgen.be/meningen/wie-bepaalt-welke-woorden-en-meningen-verboden-worden-beste-anne-provoost~bd77e043d/).  In de redenering van Mevrouw Provoost, zijn beide reacties wellicht de kenmerkende pleidooien van de verdedigers van een te ruime uitingsvrijheid, waartegen ze precies wilde waarschuwen. Bovendien beantwoorden beiden aan de niet erg flatterende kwalificatie van  “witte gepriviligieerden”, zoals ze dat in haar tekst uitdrukt. Oei!

UITINGSVRIJHEID IS NIET ABSOLUUT

Vooreerst zijn er weinig voorstanders van absolute uitingsvrijheid: zowel in de Grondwet, als in het Europees Mensenrechtenverdrag is uitingsvrijheid echt niet absoluut, integendeel. Uitingsvrijheid is een fundamentele vrijheid, maar er zijn altijd legitieme beperkingen, uit hoofde van de rechten en vrijheden van anderen en uit hoofde van maatschappelijke belangen. Meningsvrijheid is fundamenteel maar niet absoluut; het censuurverbod is dat wel.

Haar identitaire argumentatie, als zou uitingsvrijheid iets zijn van “witte gepriviligieerden”, slaat werkelijk nergens op. Net groepen van personen die vroeger weinig of niet aan bod kwamen, konden hun rechtspositie en maatschappelijke posities aanmerkelijk verbeteren dank zij hun uitingsvrijheid. Het is bijzonder modern om zoveel mogelijk analyses vandaag te maken vanuit een slachtofferrol, doch het is een omkering van de werkelijkheid.

INTENTIEPROCESSEN, ECHT ?

De overige stellingname van mevrouw Provoost vertrekt van de maatschappelijke wenselijkheid dat eenieder bij haar of zijn uitingen rekening zou houden met het feit dat uitingen altijd gedaan worden in de context van een samenleving, en dat het aanbeveling verdient om er op te letten dat men anderen kan denigreren of kwetsen. Dat is een legitiem uitgangspunt, net zoals haar wens dat personen ernaar zouden streven om meer sociale pacificatie tot stand te brengen.

De sprong van sociale wenselijkheid naar de suggestie van juridisch verankerde verplichtingen, of nieuwe juridische uitingsbeperkingen, wekt evenwel verwondering. Dan zouden uitingen juridisch sanctioneerbaar zijn omwille van een ontbrekende “ plicht, minstens het engagement, tot sociale pacificatie”. Dat zou dan, als ik het goed begrijp, een vorderingsrecht verlenen aan “groepen van mensen waarvan de geschiedenis heeft bewezen dat ze kwetsbaar zijn voor uitsluiting”, en wel op basis van intentieprocessen. Meent ze dat?

 

ANDERMANS RECHTEN EN VRIJHEDEN

De bescherming van de goede naam of de rechten van anderen was altijd al een legitieme beperkingsgrond van uitingen, zoals blijkt uit wetgeving inzake bescherming van ieders eer en goede naam, en, vandaag ook, uit sanctionering van alle uitingen die oproepen tot haat of geweld ten opzichte van personen of groepen van personen. Met name de discriminatiewetgeving heeft er meer beperkende dimensies aan toegevoegd, hoewel ze aanvankelijk eerder sloeg op daden en handelingen dan op uitingen. Mevrouw Provoost pleit voor censuur, dat zijn verbod om iets te mogen zeggen. Dat staat  op gespannen voet met de Grondwet.

Er is overigens een evolutie gaande, die steeds minder vertrekt van de uitingsvrijheid van wie iets naar voor brengt, en steeds meer aandacht geeft aan de gevoeligheid van wie met andermans uitingen wordt geconfronteerd. Het traditionele leerstuk is dat expressievrijheid echt bijzonder ruim hoort te zijn, omdat een zeer ruime uitingsvrijheid meehelpt om overheden op het rechte pad te houden: het is een essentiële bescherming van de vrijheid als grondslag van de democratie en de rechtsstaat. Dat aspect wordt door mevrouw Provoost buiten het debat gelaten: méér overheidsrestricties zouden beter zijn. Echt?

CHOQUEREN, VERONTRUSTEN EN BELEDIGEN

De ruime expressievrijheid beschermt, volgens de vaste rechtspraak, ook uitingen die “choqueren, verontrusten of beledigen”. We moeten daar tegen kunnen, we kunnen immers zelf antwoorden op basis van onze eigen uitingsvrijheid: uitwisseling van argument, over en weer, leidt tot beter inzicht voor alle betrokkenen. In een gepolariseerde samenleving, waarin eenieder de vele megafoons van de sociale media meer met zijn duimen dan met zijn verstand kan besturen, verdwijnt evenwel het hoffelijk debat voor het gescheld, en ziet het ernaar uit dat de hardste roeper altijd wint, en de zwaksten altijd verliezen. Voor slachtofferisme zijn het dan gouden tijden. De stellingname van mevrouw Provoost past daar naadloos in, maar negeert wel de kern van uitingsvrijheid.

Beleid is een beter antwoord dan loting

2019, wordt dit het jaar waarin we evolueren we naar crowd-funding voor toegang tot geneesmiddelen, loterijen die patiënten aanwijzen als “gelukkige winnaars”, of zangstonden en bedelacties voor bestrijding van armoede? Beleid is nochtans altijd het beter antwoord.

Novartis-dochtermaatschappij AveXis, de producent van ZolgensmaÔ, gaat loterijen organiseren om het zgn. duurste geneesmiddel van de wereld jaarlijks voor 100 patiënten gratis beschikbaar te stellen. Het is hun best gevonden antwoord om kleine kinderen tot 2 jaar de voor hun herstel noodzakelijke eenmalige toegang te verlenen tot dit geneesmiddel; dat gaat gebeuren in landen waar het nog niet  verkrijgbaar is, ook in het licht van een alsnog te beperkte productiecapaciteit voor deze gen-therapie.

Dit initiatief wekt alom verbijstering. Het bedrijf had langdurig stilgezeten toen wanhopige ouders naar het geneesmiddel op zoek waren om hun kind te redden. Nochtans zijn er in onze ziekteverzekering goede mogelijkheden om dergelijk probleem op te lossen; men kent ze als schema’s voor gebruik van geneesmiddelen in schrijnende gevallen of medische noodprogramma’s. Behandelende artsen en farmaceutische bedrijven hebben in bijna alle gevallen, samen met overheden, met name het Geneesmiddelenagentschap, makkelijk toegang tot betaalbare oplossingen. Het blijft een raadsel waarom deze paden niet werden  bewandeld.

“Social media” zijn op hun best met hun ongeëvenaarde emotionele turbo, wanneer – opnieuw – een publieke roep om behandeling voor een kind verschijnt. Dat we nu sommige van die kinderen dubbel behandelen, een keer via crowdfunding, en ook een keer via de ziekteverzekering, verdwijnt dan wat naar de achtergrond. Dat de hoofdresearcher verklaarde dat sommige kinderen waarschijnlijk te oud zijn om het echte voordeel van de nieuwe dure therapie te bekomen, blijft dan wat buiten beeld. Nogmaals, men kan begrip opbrengen voor de wanhoop van ouders van zieke kinderen, dat is het punt niet; het punt is dat er beleidsmatige oplossingen zijn. Daar zijn geen loterijen of inzamelingen voor nodig.

TECTONISCHE PLATEN KRAKEN

Moderne gen- en celtherapiën kunnen met groot succes ingezet worden bij kleine patiëntengroepen, die er  spectaculair resultaat mee boeken. Ze zijn complex qua research en produktie. Ze komen op de markt aan steeds hogere prijzen. Waarde moet correct vergoed worden, ook voor geneesmiddelen, en zeker voor doorbraakgeneesmiddelen. Dat vergt een correct inzicht in de echte waarde, ook op termijn, van een geneesmiddel, en een correcte vergoeding. Daar kraakt en wringt de tectonische plaat van gezondheid en levenskwaliteit, met deze van prijs en geld, en ook met deze van ethiek.

De Commissie voor Terugbetaling van Geneesmiddelen voert dat debat voortdurend, en in de regel met grote professionaliteit; ze slaagt er in om zo goed als alle geneesmiddelen die we nodig hebben aan redelijke prijzen toegankelijk te maken; vaak zijn die prijzen aanzienlijk lager dan de Amerikaanse. Ook de farmabedrijven werken met het Riziv mee in zogenaamde terugbetalingsovereenkomsten, waarin ze instemmen met betere voorwaarden om de toegang voor Belgische patiënten tot hun geneesmiddelen te garanderen. In het publiek debat worden deze contracten vaak negatief voorgesteld, omdat ze vertrouwelijke clausules bevatten. Dat is nochtans precies bedoeld om het voordeel van betere toegankelijkheid in België te garanderen. Het Rekenhof zal zich daar binnenkort over  buigen.

PRIVATE BEDRIJVEN MET QUASI-PUBLIEKE GOEDEREN ?

Het Kenniscentrum voor Gezondheidszorg opperde al in 2016 dat men geneesmiddelen zou kunnen beschouwen als zgn. “publieke goederen”, aan de markt onttrokken. Dat sluit aan bij beschouwingen over de beperkingen van markteconomie, omdat de samenleving meer is dan de markt; bekendste auteur is allicht Michaël Sandel, met zijn boek over morele grenzen aan de markt, of nog, Nobelprijswinnaar  Economie Alvin Roth. Maar… de kampioenen van geneesmiddelenontwikkeling zijn de innovatieve farmaceutische bedrijven, zij beheersen dit vak als geen ander. Die vaststelling is juist, en we zouden deze complexe ethische debatten niet hebben als we hun performante doorbraakgeneesmiddelen niet hadden.

“PURPOSE ECONOMY”

En kijk, meer dan 200  CEO’s van grote bedrijven, o.m. ook van farmabedrijven zoals Roche, J&J, Pfizer of Bayer, ondertekenden in augustus de beginselverklaring van Business Roundtable, die het primaat van de aandeelhouderswaarde aan kant schoof, ten voordele van de belangen van consumenten – in dit geval  patiënten – werknemers en de samenleving (DS 20 aug.) . Dat is een resolute keuze voor samenlevingswaarde als belangrijkste doelstelling van een privaat bedrijf; aandeelhouderswaarde maakt daar ook deel van uit, maar na andere belangen.

Dit is een keuze voor de toekomst, ook in het licht van grote debatten over kansengelijkheid, armoedebestrijding en klimaatdoelstellingen. J&J, de groep waartoe Janssen Pharmaceutica behoort, pakte al in 1943 (sic!) uit met een dergelijke tekst, gekend als het “Credo” van Janssen.

BELEID OVER EMOTIE

Er is dus hoop dat het gezond verstand zal winnen over  emotie, dat beleid zal winnen over omwegen, dat gemeenschappelijk inzicht in oplossingen het zal halen van dovemansgesprekken. Prijsverwachtingen voor geneesmiddelen moeten realistisch zijn, ook als doorbraakgeneesmiddelen fenomenale resultaten in uitzicht stellen. De farmaceutische bedrijven kunnen die formidabele geneesmiddelenontwikkeling doen in een kader  van top-research in universiteiten en kennisinstellingen, waartoe zij ook met leerstoelen en andere initiatieven bijdragen. Zij zijn belangrijke spelers, maar groeien nog als teamspelers in een globale samenleving. Die kan dan beheerst omgaan met beperkte financiële middelen om de toegang voor al haar burgers tot noodzakelijke geneesmiddelen te blijven garanderen – ook voor zijn kinderen en kleinkinderen.

Dan wint beleid en een goede verstandhouding tussen de complexe werelden van research, private bedrijven, ethiek en gemeenschap in een wonderlijke synergie. Die gaan we steeds meer nodig hebben. Een loterij zullen we ons dan herinneren als een zwaktebod uit het verleden, dat we niet nodig hebben, omdat we samen groeiden in maturiteit en solidariteit.

 

Ook gepubliceerd in DE STANDAARD van 24 dec. 2019

Verantwoordelijkheidszin

Al jaren gaat België achteruit. In de IMD-index van het concurrentievermogen van landen, zakten we over de laatste jaar liefst vijf plaatsen, naar plaats 27 van 63 onderzochte landen. We krijgen ruime onvoldoendes, o.m. voor ons belastingstelsel, de verouderde arbeidsmarktreglementering, ons onderwijs, en ons tekort aan infrastructuurinvesteringen.

De entropie in het systeem is bijzonder groot, maar de werkelijkheid heeft ons ingehaald: het is immers uitgesloten om een verzorgingsstaat met uitgaven die toenemen met 4 tot 5 %, te financieren met een economische groei van maar  1,5 %.

De zwakte van de regionale regeerakkoorden beëindigt de illusie dat wat vrij van slechte Belgische gewoonten zou zijn, quasi-vanzelfsprekend tot beter resultaat zou leiden. Het paradoxaal gevolg is dat daarmee het belang van het federaal beleid aanzienlijk toeneemt.

Daar liggen immers nog steeds de grote hefbomen van gezonde macro-economische fundering van ons bestel en beleid. De verkozenen van 26 mei tonen er nauwelijks belangstelling voor. Hun focus zijn hun politieke tegenstrevers aan de extremen ter linker- en rechterzijde, niet de toekomst van onze solidariteit, die het grootste bindmiddel is van onze democratie, en belangrijker dan het verkrampt identitair debat.

Ook het sociaal overleg, onze tweede kans-democratie, faalt. De  industrie-organisaties en de syndicale leiders zetten geen enkele stap om de bestuurlijke entropie te overstijgen en de sociale zekerheid toekomstbestendig te maken. De syndicaten – de grootste innovatoren van de vorige eeuw – zijn bange bewakers van verworven rechten geworden, en trachten het verleden te beschermen tegen de toekomst; ook de industrieverenigingen zetten daar geen andere dynamiek tegenover.

Het grote signaal dateert niet van de jongste verkiezingen, het is een jarenlang woekerende tumor in onze democratie: minder dan 30% van de burgers spreekt nog zijn vertrouwen uit in onze instellingen en hun bemanning.

Burgers  vrezen de toekomst in een globaliserende wereld met veel digitale onzekerheid, ze zijn gedesoriënteerd door slecht beleid en politiek gekibbel, en ze missen moreel en intellectueel leiderschap.

Kortom, de uitdagingen voor beter bestuur zijn groot in ons land. Het gaat om de duurzaamheid van ons belangrijkste maatschappelijke bindmiddel, de sociale zekerheid, en ook om een totale restauratie van de notie van politieke verantwoordelijkheid. Handen aan de ploeg !

 

Op 21 december gepubliceerd in De TIJD en in de NYLetter van Itinera Institute

Janneke- en Mieke-journalistiek. Back to basics!

Twitter en facebook riepen vooral een inhoudelijke onzinmarkt in het leven, terwijl journalistiek verdacht werd gemaakt als “fake news”. Gaan gevestigde media in die bedenkelijke ontwikkeling geheel vrijuit, of geloven ze te gemakkelijk dat ze  goed bezig zijn?

            Er komt een beetje deining uit eigen kring, toch. In De Morgen (7 dec.) keek hoofdredacteur Bart Eeckhout  in eigen boezem, en meteen kapittelde hij de politieke journalistiek : journalisten spelen te graag mee als actor in het politiek bedrijf, is zijn stelling. Niet ten onrechte, denk ik, maar het is wel héle forse mediakritiek uit eigen rang.

De fascinatie van politieke journalistiek voor het kleine gebeuren in de centra van de macht is merkwaardig. Elk zuchtje of kreuntje, elke blik of wenkbrauw wordt geanalyseerd.  Een geliefkoosde journalistieke dooddoener te parafraserend, kan men de vraag opwerpen of journalisten niet meer belangstelling hebben voor “de poppetjes en de postjes” dan voor de zaken die er echt toe doen. Zo wordt, bij wijze van voorbeeld, over de onnozelheid van het last minute-gesprek van Magnette met De Wever bericht met de dramatiek van een staatsbezoek. Er wordt gespind en gespeculeerd over hoe Janneke zich met Mieke verhoudt binnen de ene partij, en of Jefke nog met Anneke door dezelfde deur kan in de andere.

Laat journalistiek zich niet feestelijk bij de neus nemen door het leger van woordvoerders dat met gemeenschapsgeld spint en insinueert en het publieke debat doodt?

In Knack (20 nov.) ging Geert Buelens ook nog eens uitgebreid in op de rol van de vierde macht, terugkijkend op zijn eigen zgn. kerstessay in De Standaard van december 2009. Hij tekent een gemengd beeld en ziet vaak goede journalistiek, en toch ook veel “politique politicienne, (…) twijfelachtige opiniepeilingen en (…) oeverloos gespeculeer”.Hoewel hij, zoals in 2009, ook wel blijft aanvoeren dat journalisten de hand best ook in eigen boezem steken, reageert hij nogal wantrouwig naar één private mediagroep… puur op basis van speculatie. En hij presteert het om te pleiten voor meer subsidiëring en regulering, tja …

Media hebben de zgn. vierde macht-functie, ze horen de kritische waakhond te zijn van de democratie. Zijn ze dat eigenlijk wel genoeg? Leven ze niet te dicht op en met de dames en heren van de Wetstraat en omgeving?

Dient zich geen nieuwe missie aan, om de maatschappelijke lijm te versterken, en de cohesie in een gepolariseerde samenleving te vergroten?

Is er geen vacuüm te vullen in de zgn. publieke sfeer: de voortdurende, bedachtzame en inhoudelijke uitwisseling van argumenten en afwegingen, die een sterke sokkel moeten vormen van een democratie-in-beweging en van een rechtsstaat die rechtsstaat kan blijven?

Dàt is de échte – en niet zo gemakkelijke – roeping van moderne journalistiek. Op 19 augustus wijdde Lionel Barber, tot voor kort de gevierde hoofdredacteur van de Financial Times,er zijn hoofdartikel aan. Barber vertrok van de nieuwe visie op onze economie die in augustus krachtig werd verwoord door de Business Roundtable: niet langer is de maximalisatie van aandeelhouderswaarde hét doel van vennootschappen en bedrijven. Het is nù écht tijd voor een  inclusieve visie, die zorg besteedt aan àlle  “stakeholders” van bedrijfsmatige activiteit: de belangen van klanten, medewerk(st)ers, de samenleving, milieu en klimaat verdienen prominent aandacht. Ook aandeelhouderswaarde telt, maar naast en wellicht na deze andere.

De toekomst  gaat om “profit with a purpose”. De economie heeft een reset nodig, een nieuwe start. Hurst schreef er al over (Aaron Hurst, The Purpose Economy, 2014) en in Vlaanderen brengt Herman Toch dit gedachtengoed krachtig binnen (Happy Profit, 2014 en Positive Sum Game, 2019).

En dat geldt dus ook voor politieke journalistiek: purpose. Het màg echt ergens over gaan. De doelstelling (“purpose”) van goede journalistiek is de waakhond te zijn van de politieke verantwoordelijkheid en verantwoording in een democratische rechtsstaat.

Dan kom je er niet met Janneke-en-Mieke-journalistiek. Dan is een resetnodig van de eigen redactionele waarden. Dan behoeven allereerst de redactionele selectiecriteria een forse update.

Vandaag kan dat niet anders betekenen dan een echte rollenspeler te zijn, maar niet in de theatrale elementen van het publieke leven, maar in de onderliggende funderingen en waarden van de samenleving.

Dan ben je degene die de fundamenten van de rechtsstaat en de verzorgingsstaat uitlegt en toelicht, en er de burgers – alle burgers – toe motiveert.

Dan ben je de bouwer van de canon, dat is moeilijker dan te roepen dat de politiek die niet moet bepalen.

Dan ben je de spontane uitdrager van de waarden en normen, van inburgeringsdiscours en integratiesemantiek.

Dan ben je degene die burgers ook op hùn verantwoordelijkheden wijst, en dat kan je alleen door de eigen verantwoordelijkheid helder te maken en vooral door te tonen in staat te zijn dié alvast manmoedig te nemen.

Back to basics!

 

 

 

 

 

 

Prof dr (em) Leo Neels

8 dec. 2019

 

Een schitterende nota voor een ander land

Paul Magnette heeft een schitterende nota geschreven voor een ander land. Een land met goed bestuur, fors opgebouwde reserves, en bestuurders die projectmatig denken. Het plan-Magnette past bij de grote macro-economische fundamenten van België zoals een hulpbisschop bij een bordeel. De gespreksnota van de informateur is wensdenken, en formuleert doelstellingen die haaks staan op de zieke macro-economische fundamenten. Zijn ambitie is die van een tweedeklasser die de Champions League willen winnen. Kortom, een recept voor verdere achteruitgang.

Ons probleem is niet dat we aan de top staan en moeite doen om er te blijven. Het Belgisch probleem is dat we zowel federaal als met onze regio’s écht achteruit gaan: er is geen énkele internationale index met macro-economische gegevens waarin we boven de middenmaat uitsteken.

Volledige tewerkstelling is een nobel doel, maar energie-efficiëntie en de magische oplossing van de files gaat onze productiviteit niet fenomenaal opkrikken.  We hebben geen performant openbaar vervoer, men lacht met de NMBS en De Lijn, en alleen met performant openbaar vervoer kan je de mobiliteit herstellen. Dé kern van productiviteitswinst is dat eenieder die kan langer actief blijft, en dat er terug meer Belgen de weg uit de niet-activiteit naar de arbeidsmarkt vinden. Onze grootste vijand is de rigiditeit van de arbeidsmarktreglementering, en de houding van vakorganisaties die vertrekken van verworven rechten uit het verleden, en zo het noodzakelijke herstel blokkeren. Dat is ook ten nadele van jongeren, voor wie de instap in de arbeidsmarkt te moeilijk is: er ontbreken daartoe te veel sporten onderaan de loopbaanladder.

De groene economie is een mooi doel, maar we zijn niet werkelijk in staat  afscheid te nemen van kernenergie, we hebben onvoldoende gascentrales en blijven dus aangewezen op import van dure energie van elders. Hoe milieuvriendelijk die is geproduceerd is niet altijd helder, en de energieprijs is in werkelijkheid nu al een vorm van alternatieve inning van belastingen om de verliezen van verkeerd milieubeleid uit het verleden te betalen.

Hogere pensioenbijdragen, en kortere arbeidsduur zijn, in het licht van de tekorten in de sociale zekerheid, vrome wensen waarvoor er geen middelen zijn. Destijds was de bijspijkering van de tekorten uit sociale bijdragen door gewone fiscale inkomsten al afhankelijk gemaakt van voorwaarden om toch enigszins redelijk te blijven en tot sanering te komen. De opheffing van die voorwaarden slaat ons terug naar de periode van “alles kan, doe maar op!”.

Goede migratie kan een stukje onze activeringsgraad verhogen, maar dat vergt een uitgewerkt plan van selectieve immigratie, en – eindelijk – een degelijk plan om ongewenste immigratie te blokkeren, naast – ook eindelijk – een gedegen humanitair plan om vluchtelingen die het verdienen correct te verwelkomen en snel naar de arbeidsmarkt te leiden. Daar is maar weinig van te vinden, net zoals de uittredende regering er niet echt werk van maakte.

Justitie en veiligheid moeten meer geld hebben. Welk geld? En is geld daar altijd het probleem, of ook achterhaalde organisatie, manke uitrusting, slechts wetgeving en werkwijzen uit vorige eeuwen?

En een meer efficiënte staat. Dat zal wel. Men moet beleefd blijven, maar past hier niet de vraag: is dat dan beleid zoals in Wallonië? Symboolbeleid zoals de afschaffing van de Senaat, of cosmetisch werk aan de staatshervorming gaat de zaken echt niet oplossen. Er is een totale “big bang” nodig, een ontwaken van de politieke wereld in het jaar 2019, nà het electoraal débàcle van mei.

Wat écht nodig is, is de formulering van heldere beleidsdoelen op grond van een écht inhoudelijk debat, de opstelling van projecten met zichtbare en meetbare doelen, de sanering van de fundering van onze macro-economie, een forse reductie van de rol van de overheid en een grote kosten-efficiëntie. Andere landen, die ook een zware verzorgingsstaat te financieren hebben, deden het ons voor: Zwitserland, Denemarken, Zweden, Nederland…

Het kan zonder ingrepen in uitkeringen, maar met forse en professionele ingrepen in de achterhaalde administratieve processen. Dat vergt vooral politieke moed, eerlijkheid om aan de burger de inzet goed uit te leggen, en een eerlijke uitvoering. Dé olifant is de kamer is altijd de slechte particratie, die verkozenen altijd doet focussen op hun herverkiezing, die dure kabinetten verzint om de normale werking van de administraties te belemmeren, en die de aandacht blijft richten op kleine particuliere belangen en het algemeen belang verwaarloost.

Er is nu al veel nagedacht in het Elysette, de Wetstraat en het Martelarenplein. Maar zou men in de hoofdkwartieren van de partijen ook al in eigen boezem gekeken hebben, om het politieke vak heruit te vinden en te resetten, door de methoden van de politiek van de vorige eeuw achter zich te laten en fris en doelgericht  te leren  optreden voor de goede zaak, dat is de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen?

 

 

Vandaag ook gepubliceerd in DE STANDAARD